chat-altchatcrossloginquestion-circlesearchsmileystarthumbup-downwarning
Vlaanderen
Contacteer ons
    Terug naar overzicht Stuur een e-mail

    Stuur een e-mail naar 1700, de informatiedienst voor al uw vragen aan de overheid.
    U ontvangt een kopie van uw bericht.

    Terug naar overzicht Chat met ons
    Uw chatgesprek wordt automatisch gestart zodra er een medewerker beschikbaar is.
    Even geduld, uw positie in de wachtrij wordt bepaald.

    Deel VII. De verloning - Titel 4

    Titel 4. De sociale voordelen [2]

    Hoofdstuk 1. De vergoeding voor begrafeniskosten[2]

    Art. VII 92. - Toelichting - Interpretatie

    § 1. In geval van overlijden van een ambtenaar wordt een vergoeding uitgekeerd die overeenstemt met het geïndexeerde maandsalaris, in voorkomend geval verhoogd met de haard- en standplaatstoelage of de toelage voor tijdelijke functieverzwaring[34].
    Vanaf 1 januari 2009 bedraagt de vergoeding maximaal 3.067,48 euro.[9]

    § 2. [9]Bij een wijziging van dit bedrag in de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 wordt het nieuwe maximumbedrag meegedeeld bij dienstorder.

    § 3. Die vergoeding wordt in onderstaande volgorde betaald, aan:

    zijn niet uit de echt gescheiden noch van tafel en bed gescheiden echtgeno(o)t(e);
    zijn erfgenamen in rechte lijn.[2]
    Art. VII 93. - Toelichting

    Bij ontstentenis van de rechthebbenden, vermeld in artikel VII 92, § 3, mag de vergoeding worden uitgekeerd ten bate van elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die bewijst dat hij de begrafeniskosten heeft gedragen. In dit geval is de vergoeding gelijk aan de werkelijke gemaakte kosten zonder dat ze evenwel hoger mag zijn dan het bedrag, vermeld in artikel VII 92, § 1.[2]

    Art. VII 94. - Toelichting - Interpretatie

    In afwijking van artikel VII 92, § 3, kan de bevoegde Vlaamse minister of zijn gemachtigde, wegens het gedrag van de gerechtigde ten opzichte van de overledene, in uitzonderlijke gevallen beslissen om de vergoeding niet uit te keren of om ze ten bate van een of meer gerechtigden uit te keren.[2]

    naar boven

    Hoofdstuk 2. Woon-werkverkeer met het openbaar vervoer[2]

    Art. VII 95. - Toelichting - Interpretaties

    De werkgever neemt de kosten van een abonnement op het openbaar vervoer naar en van de plaats van het werk volledig ten laste.

    Het supplement voor een abonnement in eerste klasse van de NMBS blijft ten laste van het personeelslid.[2]

    naar boven

    Hoofdstuk 3. Woon-werkverkeer naar een moeilijk bereikbare werkplaats[2]

    Art. VII 96. - Toelichting

    Het personeelslid dat zijn werkplaats moeilijk of niet met het gemeenschappelijk openbaar vervoer kan bereiken:

    - ofwel omdat de werkplaats te ver ligt van een halte van het gemeenschappelijk openbaar vervoer;
    - ofwel wegens de door de overheid opgelegde arbeidstijdregeling;
    - ofwel door de gebrekkige uurregeling van het gemeenschappelijk openbaar vervoer aan de werkplaats;

    heeft recht op een tegemoetkoming zoals bepaald in artikel VII 99, VII 100 of VII 100bis[9].[2]

    Art. VII 97. - Toelichting

    Van de toepassing van dit hoofdstuk worden uitgesloten:

    de ambtenaren met de functie van operationele loods;
    de radarwaarnemers voor wie de reisduur voor het woon-werkverkeer geheel of gedeeltelijk wordt aangerekend als arbeidstijd;
    de varende personeelsleden voor wie de reistijd voor het woon-werkverkeer geheel of gedeeltelijk wordt aangerekend als arbeidstijd;
    de leden van het bedieningspersoneel van de kunstwerken van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust die ingevolge een ministeriële brief op persoonlijke titel de regeling genieten die in 1993 werd ingevoerd in samenhang met de verplichte standplaatswijziging;
    de personeelsleden van het agentschap Infrastructuur die ingeschakeld worden in de winterdienst.
    Art. VII 98. - Toelichting

    De werkplaatsen vermeld in artikel VII 97 en nadere uitvoeringsmaatregelen worden per entiteit bepaald bij dienstorder.[2]

    Art. VII 99. - Toelichting

    § 1. Aan de bestuurders van dienstwagens die in het kader van het woon-werkverkeer geregeld andere personeelsleden gaan ophalen die op een moeilijk bereikbare werkplaats werken als vermeld in artikel VII 96, wordt een jaarlijkse forfaitaire toelage van 254 euro tegen 100 % toegekend. Het personeelslid dat ressorteert onder de specifieke regeling van de winterdienst en buiten die periode personeelsleden ophaalt, ontvangt een jaarlijkse forfaitaire toelage van 127 euro tegen 100 %.

    § 2. De toelage volgt de evolutie van het gezondheidsindexcijfer, overeenkomstig de bepalingen van artikel VII 9.

    § 3. In voorkomend geval wordt de toelage uitbetaald pro rata van het aantal maanden waarin het personeelslid in voldoende mate anderen is gaan ophalen.[2]

    Art. VII 100. - Toelichting - Interpretatie

    Bij gebrek aan dienstvervoer heeft het personeelslid dat met een eigen motorvoertuig naar de moeilijk bereikbare werkplaats komt, recht op een tegemoetkoming ten bedrage van de volledige maandelijkse kostprijs van een treinkaart 2e klas voor dezelfde afstand. Ook de eventuele passagiers hebben recht op deze tegemoetkoming.[2]

    Art. VII 100bis. - Toelichting - Interpretatie

    De lijnmanager kan beslissen dat aan een personeelslid dat bij gebrek aan dienstvervoer af en toe met een eigen motorvoertuig naar de moeilijk bereikbare werkplaats komt, een dagelijkse tegemoetkoming toegekend wordt ten bedrage van 1/20 van de volledige kostprijs van een maandtreinkaart 2de klas voor dezelfde afstand.
    Ook de eventuele passagiers hebben recht op die tegemoetkoming.[9]

    Art. VII 101. - Toelichting

    De diensten waar nu een andere, meer gunstige regeling bestaat, behouden deze gunstiger regeling.[2]

    naar boven

    Hoofdstuk 4. Fietsvergoeding[2]

    Art. VII 102. - Toelichting - Interpretaties

    § 1. Het personeelslid dat[9] het volledige of een gedeelte van het woon-werktraject met de fiets aflegt, ontvangt een maandelijkse fietsvergoeding.

    § 2. De vergoeding vermeld in § 1, is gelijk aan 0,21[16] euro per kilometer.

    § 3. De vergoeding is niet verschuldigd als de afstand minder dan 1 kilometer per dag bedraagt (enkele rit).

    § 4. De vergoeding, vermeld in § 2, wordt betaald pro rata van het gemiddeld aantal dagen per kwartaal dat de fiets wordt gebruikt voor het woonwerkverkeer, met uitzondering van jaarlijkse vakantie en ziekte[9].

    § 5. Voor de personeelsleden die in een continudienst werken wordt de vergoeding maandelijks betaald op basis van het aantal effectieve arbeidsdagen dat de fiets wordt gebruikt.

    § 6. De vergoeding, vermeld in § 2, wordt niet toegekend voor de volledige kalendermaanden waarin geen prestaties worden geleverd.

    § 7. De Vlaamse minister bevoegd voor de bestuurszaken stelt de toekenningsmodaliteiten [18] vast.[2]

    naar boven

    Hoofdstuk 5. Woon-werkververkeer in het buitenland[2]

    Art. VII 103. - Toelichting

    Aan het personeelslid vermeld in artikel VII 90, worden de kosten voor de veerdienst Breskens-Vlissingen of de Westerscheldetunnel terugbetaald.[2]

    naar boven

    Hoofdstuk 6. Woon-werkververkeer voor personen met een handicap[2]

    Art. VII 104. - Toelichting

    Het personeelslid dat aan de voorwaarden voldoet om over een parkeerkaart, uitgereikt door de FOD Sociale Zekerheid, te beschikken[6], ontvangt een tegemoetkoming voor de woon-werkverplaatsing met de wagen.

    Die tegemoetkoming is gelijk aan de kostprijs van een treinkaart tweede klasse over dezelfde afstand.[2]

    Voor de gehandicapte personeelsleden die recht hebben op de Vlaamse Ondersteuningspremie is de tegemoetkoming gelijk aan de kostprijs van een treinkaart eerste klasse over dezelfde afstand, voor zover dat als maatregel is opgenomen in het integratieprotocol.[16]

    Dit voordeel is voor hetzelfde deeltraject van het woon-werkverkeer[32] niet cumuleerbaar met het voordeel, vermeld in artikel VII 95.[6]

    naar boven

    Hoofdstuk 7. Tegemoetkoming stoffelijke schade[2]

    Art. VII 105. - Toelichting

    De personeelsleden die schade leiden aan hun eigen voertuig bij dienstverplaatsingen krijgen hiervoor een tegemoetkoming overeenkomstig de voorwaarden, bepaald door[18] de Vlaamse minister van Bestuurszaken.[2]

    naar boven

    Hoofdstuk 8. Hospitalisatieverzekering[2]

    Art. VII 106. - Toelichting

    De personeelsleden in dienstactiviteit hebben recht op een hospitalisatieverzekering onder de voorwaarden, bepaald door[18] de Vlaamse minister van Bestuurszaken.[2]

    naar boven

    Hoofdstuk 9. Rechtsbijstand[2]

    Art. VII 107. - Toelichting

    De personeelsleden die door derden gerechtelijk vervolgd worden, krijgen hiervoor rechtsbijstand onder de voorwaarden, bepaald door[18] de Vlaamse minister van Bestuurszaken.[2]

    naar boven

    Hoofdstuk 10. Aanvulling uitkering voor een contractueel personeelslid bij de geboorte van een kind[37]

    Art. VII 108. - Toelichting - Interpretatie

    Als de totaliteit van de moederschapsuitkeringen, uitbetaald tijdens de moederschapsrust[9], minder bedraagt dan het nettosalaris dat overeenstemt met dezelfde periode, verkrijgt het contractuele personeelslid een aanvulling die gelijk is aan het verschil. Die aanvulling wordt uitbetaald voor maximaal vijftien weken, in geval van geboorte van één kind, en voor maximaal negentien weken, in geval van geboorte van een meerling. Dit maximum is evenwel niet van toepassing bij overschrijding van de 15 of 19 weken met één week, in geval van de verlenging van de moederschapsrust[9] ingevolge 6 of 8 weken ononderbroken arbeidsongeschiktheid vóór de werkelijke bevallingsdatum.

    Bij verlenging van de postnatale rustperiode overeenkomstig artikel 39, vijfde lid, van de Arbeidswet van 16 maart 1971, wordt de aanvulling voor de duur van de verlenging, en maximaal gedurende 24 weken doorbetaald.[2]

    De regeling vermeld in het eerste en tweede lid is overeenkomstig van toepassing in geval de moederschapsrust naar aanleiding van het overlijden of de hospitalisatie van de moeder van het kind wordt omgezet naar vaderschaps- of meemoederschapsverlof.[37]

    Art. VII 108bis.- Toelichting

    Als de totaliteit van de netto-uitkeringen, uitbetaald tijdens de zeven resterende dagen van het geboorteverlof, minder bedraagt dan het nettosalaris dat overeenstemt met dezelfde periode, ontvangt het contractuele personeelslid een aanvulling die gelijk is aan het verschil.[37]

    naar boven

    Hoofdstuk 11. Plaats- en tijdsonafhankelijk werken[27]

    Art. VII 109. - Toelichting

    In geval van plaats- en tijdsonafhankelijk werken stelt de lijnmanager middelen ter beschikking van het personeelslid. De lijnmanager bepaalt, afhankelijk van de functie en de behoeften, welke middelen ten laste worden genomen.[27]

    Het personeelslid mag die middelen aanwenden voor persoonlijk gebruik, zoals bepaald door de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken.[27]

    In het kader van plaats- en tijdonafhankelijk werken heeft het personeelslid  geen recht op andere vergoedingen of de terugbetaling van andere kosten dan die vermeld in dit artikel.[27]

    naar boven

    Hoofdstuk 12. Maaltijdcheques[6]

    Art. VII 109bis. - Toelichting - Interpretatie

    Elk personeelslid heeft per effectieve werkdag recht op één maaltijdcheque, ongeacht de duur van de arbeidsprestaties.[6]

    In afwijking van het voorgaande lid zijn de volgende personeelsleden uitgesloten van het voordeel van de maaltijdcheques:

    personeelsleden met de graad van loods, functie operationele loods[18];
    personeelsleden tewerkgesteld als occasionele medewerker bij het IVA Sport Vlaanderen[34] en als gids bij het KMSKA;
    personeelsleden met standplaats in Vlissingen[34];
    personeelsleden die Vlaanderen vertegenwoordigen in het buitenland, zoals vermeld in artikel VII 91 van dit besluit, alsook het ondersteunend personeel;
    personeelsleden in hun hoedanigheid van huisbewaarder of hun vervangers;[6]
    personeelsleden voor de dagen dat ze voeding aan boord van een vaartuig tenlaste van de begroting van de Vlaamse overheid krijgen.[18]

    In afwijking van het eerste lid bepaalt de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken, de diensten en personeelscategorieën waar het aantal toe te kennen maaltijdcheques wordt berekend door het totaal aantal effectief gepresteerde uren tijdens het kwartaal te delen door 7.36 uur. Als die bewerking een decimaal getal oplevert, wordt het afgerond op de hogere eenheid. Als het aldus verkregen getal groter is dan het maximale aantal werkbare dagen van de voltijds tewerkgestelde werknemer in het kwartaal, wordt het tot dat laatste getal beperkt.[6]

    De Vlaamse minister bevoegd voor de bestuurszaken bepaalt tevens de uitreikingsmodaliteiten van de maaltijdcheques.[18]

    Art. VII 109ter. - Toelichting

    De nominale waarde van de maaltijdcheque bedraagt 7,00[16] euro, waarvan 1,09[8] euro werknemersbijdrage en 5,91[16] euro werkgeversbijdrage.[6]

    2e lid - opgeheven[16]

    Art. VII 109quater. - Toelichting

    In geval van een verlof als vermeld in artikel X 42 tot en met X 43; artikel X 49 tot en met X 53, en artikel X 55 tot en met X 58, blijft het recht op maaltijdcheques behouden als het salaris door de Vlaamse overheid wordt doorbetaald.[6]

    In geval van dienstvrijstelling die een volledige werkdag in beslag neemt is er geen recht op maaltijdcheques, met uitzondering van dienstvrijstelling als vermeld in artikel X 73 en de dienstvrijstelling die vergelijkbaar is met een gewerkte dag of voor de oproeping voor het gerecht of door een andere overheid.[6]

    3e lid opgeheven[27]

    Er is geen recht op maaltijdcheques in geval van tuchtschorsing als vermeld in artikel VIII 2, 3°, of in geval van schorsing in het belang van de dienst zoals vermeld in deel IX.[6]
    In geval van deelname aan een georganiseerde werkonderbreking als vermeld in artikel X 5, verliest het personeelslid het recht op maaltijdcheques als die dag geen prestaties worden verricht. In geval van lock-out, waarbij het personeelslid de toegang tot de werkplaats werd verhinderd, is er recht op een maaltijdcheque als het personeelslid die dag een prestatie levert of de afwezigheid via een attest verantwoordt.[6]

    Art. VII 109quinquies.

    - opgeheven[16]

    naar boven

    Hoofdstuk 13. Privégebruik van een dienstwagen[9]

    Art. VII 109sexies. - Toelichting - Interpretatie

    Met inachtneming van de fiscale en parafiscale wetgeving kan om functionele redenen aan personeelsleden het privégebruik van een dienstwagen worden toegestaan.

    Het privégebruik kan de volgende componenten omvatten:

    woon-werkverkeer
    ander privégebruik binnenland
    privégebruik buitenland.

    De lijnmanager beslist over het privégebruik van de dienstwagen en bepaalt per personeelslid voor welke component of componenten van het privégebruik de toestemming wordt verleend.[9]

    naar boven

    Hoofdstuk 14. Kinderbijslag[12]

    Art. VII 109septies. - Toelichting

    § 1 - geschrapt[14]

    § 2. De kinderbijslag, adoptiepremie en de geboortepremie worden toegekend tot de bedragen en onder de voorwaarden, vermeld in de Algemene Kinderbijslagwet (AKBW) van 19 december 1939[32].[12]

    § 3. In afwijking van paragraaf 2 wordt de kinderbijslag per overschrijving aan de bijslagtrekkende betaald op het einde van de maand waarop de kinderbijslag betrekking heeft.[14]

    Art. VII 109octies. - Toelichting

    De personeelsleden van het Vlaams ministerie Internationaal Vlaanderen die gedurende meer dan zes achtereenvolgende maanden hun ambt in het buitenland uitoefenen en er hun kinderen opvoeden, ontvangen de kinderbijslag die toegekend wordt overeenkomstig artikel VII 109septies[18] verhoogd met een maandelijks supplement dat gelijk is aan tweemaal het bedrag van die bijslag.[12]

    De kinderbijslag en de supplementen worden na de terugkeer van de personeelsleden in België verder toegekend voor hun kinderen die in het buitenland voortstuderen.[12]

    naar boven