chat-altchatcrossloginquestion-circlesearchsmileystarthumbup-downwarning
Vlaanderen
Contacteer ons
    Terug naar overzicht Stuur een e-mail

    Stuur een e-mail naar 1700, de informatiedienst voor al uw vragen aan de overheid.
    U ontvangt een kopie van uw bericht.

    Terug naar overzicht Chat met ons
    Uw chatgesprek wordt automatisch gestart zodra er een medewerker beschikbaar is.
    Even geduld, uw positie in de wachtrij wordt bepaald.

    Toelichting bij Deel II. Rechten, plichten, onverenigbaarheden en cumulatie van activiteiten - Hoofdstuk 3

    Hoofdstuk 3. Onverenigbaarheden

    Personeelslid zijn is in het algemeen onverenigbaar met activiteiten (die men zelf of via tussenpersoon verricht en) die de functieplichten of waardigheid in de weg staan, de onafhankelijkheid aantast of een conflict tussen tegenstrijdige belangen veroorzaakt.

    Dat deze deontologische onverenigbaarheden in de regelgeving vrij ruim geformuleerd zijn belet niet dat sommige toepassingsproblemen kunnen opgelost worden via een omschrijving in de deontologische code en gesanctioneerd via een overtreding van rechten en plichten in de tuchtregeling (statuut of arbeidsrecht).

    Inzake onverenigbaarheden dient een onderscheid gemaakt tussen de deontologische en de politieke onverenigbaarheden. De politieke onverenigbaarheden vallen buiten de tekst van dit statuut. Het vaststellen van de regels inzake onverenigbaarheden voor de uitoefening van bij verkiezing te begeven politieke mandaten, komt enkel aan het parlement toe, behoudens wat tevens in de grondwet bepaald is.[9]

    • Krachtens art. 51 GW houdt een volksvertegenwoordiger of senator, die tot een door de staat bezoldigd ambt wordt benoemd, onmiddellijk op zitting te hebben.[9]
    • Wet van 6 augustus 1931 "houdende vaststelling van de onverenigbaarheden en ontzeggingen betreffende ministers, gewezen ministers en ministers van staat, alsmede de leden en gewezen leden van de wetgevende kamers" is overeenkomstig art. 23 BWHI van 8 augustus 1980 van overeenkomstige toepassing op de Gemeenschaps- en Gewestministers alsook op de leden en gewezen leden van de Raden, wat betreft de ambten die van de Gemeenschap of het Gewest afhangen.
      Er is een wettelijke onverenigbaarheid tussen lid van een wetgevende kamer en ambtenaar. De ambtenaar heeft recht op politiek verlof voor het uitoefenen van zijn mandaat.[9]
    • Het Bijzonder decreet van 7 juli 2006 over de Vlaamse instellingen bepaalt dat de ambtenaren, stagiairs en contractuele personeelsleden van de diensten van de Vlaamse Regering en van de Vlaamse openbare instellingen die de eed afleggen als lid van het Vlaams Parlement of lid van de Vlaamse Regering van rechtswege een regime van voltijds politiek verlof genieten voor de uitoefening van hun mandaat. Voor de regeling inzake politiek verlof: zie ook deel X van dit besluit.[9]
    • Krachtens hetzelfde decreet is de uitoefening van het mandaat van lid van het Vlaams Parlement onverenigbaar met het lidmaatschap van een gemeenschaps- of gewestregering of het ambt van gewestelijk staatssecretaris (art. 5 decreet 7 juli 2006).[9]

    Andere decretale onverenigbaarheden: art. 8[32] van het decreet op de adviesraden.[9]

    Toelichting bij Art. II 10

    Dit artikel regelt de deontologische onverenigbaarheden, waarmee de deontologische bezwaren worden bedoeld om het personeelslid-zijn te combineren met andere bezigheden. Hier wordt het verband gelegd met de functieplichten, waarvan de niet-naleving gesanctioneerd wordt met tuchtmaatregelen hetzij volgens dit statuut, hetzij krachtens het arbeidsrecht. Het personeelslid dient in de eerste plaats zijn volledige beroepsactiviteit te wijden aan de taken die hem worden toevertrouwd.
    Derhalve zal hijzelf of via een tussenpersoon geen activiteiten uitoefenen die het vervullen van deze plichten in de weg staan.

    De toevoeging in sub 2° om elke handelswijze te vermijden die het vertrouwen van het publiek in de dienst kan aantasten, vindt zijn oorsprong in art. 5 § 2 - 1ste lid van het (ondertussen opgeheven)[32] APKB. De toetsing van de deontologische onverenigbaarheden kan gebeuren aan de hand van de uitleg in het deontologische code.

    Toelichting bij Art. II 11

    opgeheven[9]

    Aangezien enkel de decreetgever bevoegd is voor het instellen van politieke onverenigbaarheden werd de bepaling geschrapt dat de onverenigbaarheden met een politiek mandaat door de Vlaamse Regering worden vastgesteld.[9]

    naar boven