chat-altchatcrossloginquestion-circlesearchsmileystarthumbup-downwarning
Vlaanderen
Contacteer ons
    Terug naar overzicht Stuur een e-mail

    Stuur een e-mail naar 1700, de informatiedienst voor al uw vragen aan de overheid.
    U ontvangt een kopie van uw bericht.

    Terug naar overzicht Chat met ons
    Uw chatgesprek wordt automatisch gestart zodra er een medewerker beschikbaar is.
    Even geduld, uw positie in de wachtrij wordt bepaald.

    Toelichting bij Deel V. De top- en middenkaderfuncties - Titel 1

    Titel 1. De management- en projectleiderfuncties van N-niveau en de functie van algemeen directeur

    Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

    Toelichting bij Artikel V 1

    Deze titel (zoals de rest van het besluit) geldt tevens, zoals voorheen het VOI–Stambesluit, voor de administratieve diensten van het Gemeenschapsonderwijs in de mate dat de betrokken organieke, instellingspecifieke regeling voorziet in functies behorende tot het N–niveau of van algemeen directeur. Het voorgaande geldt uiteraard slechts met dien verstande dat dit besluit geen afbreuk doet aan de betrokken (hiërarchisch hogere) organieke regeling en, dus wordt toegepast in de mate het met die hogere regeling verenigbaar is. Dit betekent, in concreto, dat de bepalingen van dit besluit worden toegepast in de mate dat ze verenigbaar zijn met de bepalingen inzake de toewijzing en de beëindiging van het mandaat van onbepaalde duur van de afgevaardigd bestuurder van de Raad voor het Gemeenschapsonderwijs zoals bepaald in artikel 39 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 waaraan dit besluit uiteraard geen afbreuk kan doen.

    Dit artikel omschrijft de draagwijdte van deze titel ratione materiae. Deze titel strekt er inderdaad toe de procedure voor de vacature–invulling, evenals de arbeidsvoorwaarden te regelen voor de managementfuncties van het N-niveau, de projectleiderfuncties en de functies die door de Vlaamse Regering worden aangeduid als behorende tot het N-niveau, evenals de functie van algemeen directeur.

    De managementfuncties van het N–niveau betreffen de mandaatfuncties welke zullen worden bekleed door de titularissen die aan het hoofd staan van de departementen, de IVA’s met of zonder rechtspersoonlijkheid, evenals de publiekrechtelijke EVA’s. Daarnaast regelt deze titel eveneens de vacature–invulling en arbeidsvoorwaarden van diegenen die binnen de entiteiten in een mandaat de functie van projectleider zullen vervullen. Ook deze functies worden geacht te behoren tot het N–niveau gezien hun omvang, complexiteit of vereiste deskundigheid.

    Daarnaast wordt tevens rekening gehouden met het gegeven dat er ook functies zullen zijn waarvan het gewicht, de inhoud en de impact zodanig is (zonder dat het gaat om projectleiderfuncties) dat zij moeten worden geacht te behoren tot het N–niveau en zonder dat de titularissen daarvan kunnen worden beschouwd als hoofd van het departement of het agentschap. Dergelijke functies zullen door de Vlaamse Regering uitdrukkelijk als zodanig worden aangeduid. Zulks zal veeleer uitzonderlijk zijn doch dergelijke mogelijkheid moet worden voorzien om, bijvoorbeeld, rekening te kunnen houden met de omvang die sommige departementen zullen hebben en waarbij het aangewezen kan zijn, naast het hoofd van het departement, nog te voorzien in een beperkt aantal functies van N–niveau. Al deze functies zullen bij mandaat worden toegewezen en dus tijdelijk worden bekleed.

    Daarnaast regelt dit besluit tevens een aantal aspecten, inzonderheid op het vlak van de vacature–invulling, bezoldiging en evaluatie, van de functie van algemeen directeur die eveneens een mandaatfunctie geworden is.

    Door een wijziging van het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid heeft de VR de volheid van bevoegdheid teruggekregen om de rechtspositie van de topambtenaren en van algemeen directeur te bepalen.

    Zowel de artikelen 3, 6, 10 als 22 van het Kaderdecreet voorzien in de mogelijkheid tot het creëren van de functie van algemeen directeur die het hoofd van het agentschap respectievelijk de gedelegeerd bestuurder bijstaat en in de departementen. Deze functie onderscheidt zich van de andere managementfuncties doordat de algemeen directeur het hoofd van het agentschap bijstaat bij de algemene leiding, de werking en de vertegenwoordiging van het agentschap. Niettemin, in de mate dat de organieke regeling in die functie voorziet, vormt de algemeen directeur in sommige EVA’s, samen met het hoofd van het agentschap het dagelijks bestuur, vervangt hij het hoofd van het agentschap bij diens afwezigheid of verhindering en neemt, met raadgevende stem, deel aan de vergaderingen van de raad van bestuur. De aldus beschreven functie van algemeen directeur situeert zich dan ook zowel hiërarchisch, organiek als functioneel op een (tussen)niveau tussen dat van het hoofd van de instelling (niveau N) en de functie van afdelingshoofd welke behoort tot het niveau N-1.

    Toelichting bij Art. V 2

    Overeenkomstig het regeerakkoord is de termijn voor een mandaatfunctie beperkt tot een duur van maximum 6 jaar met dien verstande dat kortere termijnen eveneens mogelijk zijn wanneer bijvoorbeeld de pensioengerechtigde leeftijd zou intreden voor het verloop van de zes jaar. Ook projecten zullen niet steeds een duur van zes jaar kennen. Verlengingen in dezelfde functie (in beginsel éénmaal) of in een andere functie zijn mogelijk (zie verder).

    De duur van de mandaatperiode dient onderscheiden te worden van de aard van het contract wanneer de mandaatfunctie bij wijze van arbeidsovereenkomst wordt toegekend. Opeenvolgende mandaatfuncties worden uitgeoefend binnen één contract van onbepaalde duur (zie verder).

    De algemeen directeur wordt als mandaatfunctie gedefinieerd. De wijziging van het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid geeft de volledige bevoegdheid aan de VR om de rechtspositie te bepalen.

    Toelichting bij Art. V 3

    § 2. Er worden duidelijke criteria bepaald om uit te maken in welke entiteit nog wordt voorzien in de functie van een algemeen directeur overeenkomstig de beslissing van de Vlaamse Regering van 28 februari 2014 inzake de conceptnota over de bijsturing van het HR-instrumentarium voor het topkader:
    - er worden enkel nog algemeen directeurs aangesteld in entiteiten met meer dan 1000 personeelsleden. In alle andere entiteiten is de functie van algemeen directeur uitdovend;
    - in afwijking van de algemene regeling, vermeld in het eerste lid, kan de functie van algemeen directeur in uitzonderlijke omstandigheden  opgenomen worden in het personeelsplan van de entiteit (met minder dan 1000 personeelsleden) die wordt uitgebreid of opgericht ingevolge fusie van twee of meer entiteiten. Een dergelijke keuze zal terdege overwogen en gemotiveerd moeten worden ten aanzien van gefuseerde entiteiten die daarvoor niet in aanmerking komen;
    - in deze entiteiten waar wel nog een algemeen directeur wordt aangesteld, moet deze een afdeling leiden, waarvan uit de functieweging volgt dat deze behoort tot de functieklasse 20, d.i. de zwaarste categorie van afdelingen.[27]

    Voor de titularissen van de functies van algemeen directeur in de entiteiten, die niet voldoen aan de voormelde voorwaarden en uitdovend zijn, wordt een overgangsbepaling opgenomen in artikel V 51quinquies. Zij blijven hun mandaat verder uitoefenen totdat dit wordt beëindigd na één mogelijke verlenging.[27]

    Paragraaf 3 wordt opgeheven.[27]

    naar boven

    Hoofdstuk 2. De selectie voor de mandaatfuncties en voor de functie van algemeen directeur

    Afdeling 1. In aanmerking komende kandidaten

    Toelichting bij Art. V 4

    Gezien het belang en het gewicht van de mandaatfuncties en de functie van algemeen directeur, wordt geopteerd voor een open selectie met een zo ruim mogelijke bekendmaking waarbij, gelijktijdig, zowel interne als externe kandidaten kunnen meedingen teneinde aldus aan de overheid de grootst mogelijke waarborgen te bieden om de meest geschikte kandidaten te kunnen selecteren voor de betrokken functies.
    In het kader van de uniformering van procedures wordt de publicatie in het Belgisch Staatsblad ook hier vervangen door publicatie op de website van de VDAB (cf. art. III 7).[32]

    In de oproep zullen de functiebeschrijving, het competentieprofiel (in beknopte vorm) en de salarisschaal worden opgenomen. De vereisten van de kandidaatstelling zullen zodanig worden vastgesteld dat de aanspraken van de kandidaten voldoende duidelijk zijn en dat tijdens de selectieprocedure kan afgeleid worden of hij voldoet aan de functiebeschrijving en het competentieprofiel.

    Met het begrip "interne kandidaten" worden de vast benoemde ambtenaren bedoeld van de organisatorische entiteiten die onder de toepassing van dit besluit vallen. De contractuele personeelsleden van die entiteiten worden beschouwd als "externe kandidaten".

    Toelichting bij Art. V 5

    § 1. Naast de algemene toelatingsvoorwaarden zoals bedoeld in artikel 1, § 3 en 9 van het opgeheven[32] APKB 2000, worden voor de functies van het topkader, de projectleiderfuncties en de functies die door de Vlaamse Regering worden aangeduid als behorende tot het N-niveau, gezien het gewicht van deze functies, bijzondere voorwaarden gesteld op het vlak van de minimaal vereiste relevantie beroepservaring[6]. Voor de berekening van het vereiste aantal jaren ervaring worden deeltijdse prestaties in een jaar beschouwd als een voltijds jaar zodat geen herberekening pro rata plaats vindt.

    Ook voor het vervullen van de functie van algemeen directeur wordt, gelet op hetgeen reeds is gesteld in de commentaar bij artikel V 1, vereist dat de betrokken kandidaten beschikken over een minimum aantal jaren ervaring als leidinggevende.

    § 2. Voor de management- en projectleiderfuncties van N-niveau, en de functies van algemeen directeur moet men ten minste houder zijn van een diploma dat toegang geeft tot niveau A, of een ervaringsbewijs of toegangsbewijs voor die functie hebben.

    § 3. De selector organiseert de selectie in overleg met de indienstnemende overheid (vb. vacature opstellen, kandidaten uitnodigen, testen afnemen, …), beoordeelt de competenties en andere vereisten (motivatie, visie, ervaring, enzovoort), zonder opdeling in generieke en functiespecifieke selectie/competenties.[32]

    Voorheen regelde de oproep beknopt de wijze van kandidaatstelling; voortaan is er een volwaardig selectiereglement dat de specifieke selectieonderdelen en de regels van de procedure bepaalt (vb. de voorselectie).[32]

    § 4. [32] De indienstnemende overheid kan uitzonderlijk een afwijking hiervan opnemen in het vacaturebericht, behalve voor gereglementeerde beroepen, zodat ook kandidaten zonder diploma, studiegetuigschrift, ervaringsbewijs of toegangsbewijs in aanmerking komen voor de functie (zie toelichting bij artikel III 3).[17]
    Er kunnen nog bijkomende aanwervingsvoorwaarden worden vastgesteld, zoals bijvoorbeeld een doctoraat in geval van een wetenschappelijke functie.[2]

    Afdeling 2. Selectiecriteria en –procedure

    Toelichting bij Art. V 6

    De Vlaamse Regering bepaalt een algemeen profiel voor het topkader (in plaats van een ‘generiek’ profiel met ‘generieke’ competenties). De indienstnemende overheid kan dit voor de specifieke vacature aanvullen met bijkomende competenties en/of andere vereisten (V 6).[32]

    De in dienstnemende overheid, dat is hetzij de Vlaamse Regering (op voorstel van de functioneel bevoegde minister), hetzij de raad van bestuur in die EVA’s waar de raad van bestuur het hoofd van het agentschap aanduidt, kan beslissen één of meerdere competenties toe te voegen waarvan zij vindt dat ze het verschil maken tussen succesvol zijn of niet succesvol zijn in de specifieke functie en die reeds van bij de aanvang aanwezig moeten zijn. Zij kan anderzijds ook beslissen dat het algemene luik voldoende waarborgen biedt voor de selectie en dus ook om te starten in de functie. Het proces tot bepaling van het competentieprofiel dient zodanig te worden opgevat dat de Vlaamse Regering slechts eenmaal gevat wordt over alle competenties samen.[32]

    Toelichting bij Art. V 7

    Bij de selectie van management- en projectleiderfuncties van N-niveau en van functies van algemeen directeur worden de kandidaten vanaf 1 mei 2015 (m.u.v. agentschappen met rechtspersoonlijkheid) geselecteerd door of met bemiddeling van het Agentschap Overheidspersoneel:

    - selectie gebeurt door of met bemiddeling van het Agentschap Overheidspersoneel (AGO kan zelf selector zijn, al dan niet met aanduiding van een extern selectiebureau via een raamovereenkomst, maar kan haar rol ook beperken tot begeleiding van de selector);

    - het Agentschap Overheidspersoneel is selector bij statutaire wervingen voor de ministeries (§ 1);

    - het Agentschap Overheidspersoneel kan een voorselectie organiseren (§ 1);

    - het Agentschap Overheidspersoneel draagt een selectiebureau voor aan de minister (§ 2);

    - het Agentschap Overheidspersoneel stelt een lijst van geschikte kandidaten voor aan de opdrachtgever (§ 3).[29]

    Het Selectiekwaliteitscomité  zal waken over de kwaliteit van de selecties van het topkader – zie nieuw artikel I 14octies en verder.[29]

    § 4. De opdrachtgever, dat wil zeggen hetzij de functioneel bevoegde minister wanneer de Vlaamse Regering de in dienst nemende overheid is, hetzij de raad van bestuur wanneer deze zelf de aanstelling doet, heeft een interview met de kandidaten die door het Agentschap Overheidspersoneel werden voorgedragen.[38]

    Als de Vlaamse Regering de indienstnemende overheid is, dan wordt de opdrachtgever bijgestaan door een afvaardiging van de Vlaamse Regering. Binnen de Vlaamse Regering werd namelijk afgesproken dat het interview wordt afgenomen door de functioneel bevoegde minister, de minister-president en de viceminister-presidenten. Dit interview is een essentieel onderdeel in de aanstellingsprocedure..[38]

    Ter uitvoering van de beslissing van de Vlaamse Regering van 28 februari 2014 inzake de conceptnota  over de bijsturing van het HR-instrumentarium voor het topkader (punt 3.3.3) wordt de regeling dat tijdens het interview de wederzijdse verwachtingen worden gepreciseerd vervangen door de regeling dat het interview gevoerd wordt met de bedoeling om na te gaan welke kandidaat het best voldoet aan het competentieprofiel voor de functie..[38]

    Toelichting bij Art. V 7bis

    De Vlaamse overheid wil de mobiliteit bij het topkader stimuleren omdat wordt vastgesteld dat er weinig mobiliteit is bij het topkader. De imagoschade bij niet slagen speelt daarin een rol.[38]

    Om hieraan te verhelpen en zeer goed functionerende topambtenaren aan te moedigen zich kandidaat te stellen voor vacante topfuncties, wordt bepaald dat topambtenaren waarvan de laatste jaarlijkse evaluatie werd besloten met de waardering dat “het prestatieniveau in sommige gevallen boven de verwachtingen en de norm ligt” of een hogere waardering (score C of score C+ of score C++) niet getest worden voor de competenties en andere vereisten die overeenkomstig de functiebeschrijving nodig zijn voor de functie, waardoor ze automatisch doorstromen naar de laatste ronde, dus het interview van de kandidaten met de opdrachtgever.[38]

    Dit houdt in dat:

    - de titularis van een N-functie die aan de voormelde voorwaarden voldoet kan doorstoten naar de laatste ronde in de selectieprocedure voor een andere N- functie (aangezien ze tot dezelfde rang behoren);

    - de titularis van een functie van algemeen directeur die aan de voormelde voorwaarden voldoet kan doorstromen naar de laatste ronde in de selectieprocedure voor een andere functie van algemeen directeur (aangezien ze tot dezelfde rang behoren), maar niet voor een N-functie.[38]

    Deze bepaling is gebaseerd op het referentiekader met de scores en de omschrijvingen voor de evaluatie van de Vlaamse topambtenaren, dat is opgenomen in de beslissing van de Vlaamse Regering van 23/12/2011 inzake de organisatie van de jaarlijkse evaluatie van de Vlaamse topambtenaren over het werkjaar 2011 en waarnaar wordt verwezen in de jaarlijkse beslissing van de Vlaamse Regering over de jaarlijkse evaluatie van de Vlaamse topambtenaren.[38]

    naar boven

    Hoofdstuk 3. De aanwijzing en de rechtspositie

    Toelichting bij Art. V 8

    De opdrachtgever, dat wil zeggen hetzij de functioneel bevoegde minister wanneer de Vlaamse Regering de in dienst nemende overheid is, hetzij de raad van bestuur wanneer deze zelf de aanstelling doet, heeft een interview met de kandidaten die door het Agentschap Overheidspersoneel[29] werden voorgedragen.[27]

    Als de Vlaamse Regering de indienstnemende overheid is, dan wordt de opdrachtgever bijgestaan door een afvaardiging van de Vlaamse Regering. Binnen de Vlaamse Regering werd namelijk afgesproken dat het interview wordt afgenomen door de functioneel bevoegde minister, de minister-president en de viceminister-presidenten. Dit interview is een essentieel onderdeel in de aanstellingsprocedure.[32]

    Ter uitvoering van de beslissing van de Vlaamse Regering van 28 februari 2014 inzake de conceptnota  over de bijsturing van het HR-instrumentarium voor het topkader (punt 3.3.3) wordt de regeling dat tijdens het interview de wederzijdse verwachtingen worden gepreciseerd vervangen door de regeling dat het interview gevoerd wordt met de bedoeling om na te gaan welke kandidaat het best voldoet aan het competentieprofiel voor de functie.[27]

    De opdrachtgever kiest, na vergelijking, al dan niet een kandidaat uit de lijst van geschikte kandidaten (§ 2). De beslissing zal in ieder geval worden gemotiveerd. Omwille van de uniformering met andere procedures, worden aan artikel V 8 de elementen toegevoegd waarmee de gemotiveerde selectiebeslissing rekening moet houden (kandidaatstelling; functiebeschrijving / profiel, selectietesten; interview).[32]

    Wanneer geen kandidaat wordt aangeduid, wordt de procedure heropgestart.
    Een heropstarten van de procedure kan uitzonderlijk een aanpassing van de functiebeschrijving vereisen. Zulks zal, bijvoorbeeld, het geval kunnen zijn wanneer is vastgesteld dat de job - descriptie en het daaraan verbonden profiel niet adequaat met elkaar in overeenstemming waren hetgeen zal blijken wanneer, na raadpleging van de arbeidsmarkt, objectief kan worden vastgesteld dat geen (geschikte) kandidaten konden worden gevonden of de situatie op de arbeidsmarkt op dat ogenblik een aanpassing van de criteria vereist. Zulks zal mede kunnen blijken uit de door het Agentschap Overheidspersoneel[29] geformuleerde aanbevelingen (zie ook de commentaar bij artikel V 7).

    Toelichting bij Art. V 9

    § 1. betreft het geval waarin een externe kandidaat in een mandaatfunctie (hoofd van het departement of het agentschap, projectleider of de functie van N – niveau als zodanig aangeduid door de Vlaamse Regering, algemeen directeur) wordt aangesteld.

    De extern geselecteerde kandidaten hebben vanaf de datum van uitwerking van het BVR van 22 januari 2010 tot wijziging van het VPS, wat betreft de aanwijzing in de mandaatfuncties van N-niveau en van algemeen directeur (30 oktober 2009) de keuze tussen:
    1° ofwel een vaste benoeming bij de diensten van de Vlaamse overheid en vervolgens een tijdelijke aanwijzing in de betrokken mandaatfunctie;
    2° ofwel een indienstneming bij arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur.[11]

    Wanneer de Vlaamse Regering de betrokkene in dienst neemt, gebeurt dit op voorstel van hetzij de functioneel bevoegde minister, hetzij op voorstel van de raad van bestuur van de EVA. Slechts in die EVA waarin de raad van bestuur zelf het hoofd van het agentschap aanstelt, is deze raad tegelijkertijd opdrachtgever en in dienstnemende overheid.

    § 1bis. Als de extern geselecteerde kandidaat kiest voor de vaste benoeming, laat de indienstnemende overheid hem toe tot een proeftijd in de graad van directeur-generaal of adjunct- directeur-generaal en wijst hem dan aan in de betrokken mandaatfunctie. Als hij met goed gevolg de proeftijd doorlopen heeft, wordt hij vastbenoemd in de graad van directeur-generaal (= terugvalgraad) of adjunct- directeur-generaal (= terugvalgraad) bij de diensten van de Vlaamse overheid.[23]

    De extern geselecteerde kandidaat, die toegelaten wordt tot de proeftijd legt de eed af in handen van de functioneel bevoegde minister of voorzitter van de raad van bestuur (voor de EVA die krachtens hun oprichtingsdecreet zelf het hoofd van het agentschap en in voorkomend geval de algemeen directeur aanstellen en voor het Gemeenschapsonderwijs) of van de voorzitter van het Auditcomité van de Vlaamse administratie (voor Audit Vlaanderen).[27]

    De opdrachtgever bepaalt de nadere regelen van de proeftijd en evalueert ook de proeftijd. Onder de nadere regelen dient verstaan o.m. de duur van de proeftijd en de inhoud van de proeftijd.
    De proeftijd bedraagt minimaal zes maanden en maximaal twaalf maanden (cfr. de proeftijd voor niveau A in art. III 15). 
    Er wordt verduidelijkt dat voor de berekening van die proeftijd dezelfde regels gelden als deze die van kracht zijn op de rest van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid (artikel III 15, §1, tweede en derde lid VPS).[32]

    De statutair aangestelde mandaathouder met de functie van N–niveau of de functie van algemeen directeur kan deeltijds werken via het verlof voor deeltijdse prestaties. Het verlof is een gunst.[11]

    In het geval dat de eindevaluatie van de proeftijd ongunstig is heeft de ambtenaar op proef en titularis van de mandaatfunctie het recht om gehoord te worden door de indienstnemende overheid (hetzij de Vlaamse Regering of de Raad van bestuur in die EVA's waar het hoofd van het agentschap wordt aangesteld door de raad van bestuurd of de Raad van het Gemeenschapsonderwijs) met bijstand van een persoon naar keuze. Als de ambtenaar op proef wil gebruik maken van dit recht, moet hij dit schriftelijk vragen binnen een termijn van 15 kalenderdagen, te rekenen vanaf de dag volgens op de dag van ontvangst van het eindevaluatieverslag, naar gelang het geval aan de minister-president van de Vlaamse Regering of aan de voorzitter van de raad van bestuur of aan de voorzitter van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs.
    Het hoorrecht impliceert dat de betrokkene behoorlijk wordt opgeroepen en gelegenheid krijgt tot inzage in zijn dossier.[23]

    Als de indienstnemende overheid de negatieve eindevaluatie van de proeftijd bevestigt, dan eindigt de mandaatfunctie (overeenkomstig artikel V 14, 1°) en wordt de ambtenaar op proef, die extern geworven is, ontslagen door de indienstnemende overheid. In geval van ontslag van de ambtenaar op proef ten gevolge van een negatieve eindevaluatie van de proefperiode, gelden de bepalingen van artikel III 19.[23]

    § 1ter.[23] Als de extern geselecteerde kandidaat opteert voor een indienstneming bij arbeidsovereenkomst, wordt hij in dienst genomen met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur in de zin van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.[11]

    Wanneer tijdens de loop van het contract de opdracht van de betrokkene wijzigt (bijvoorbeeld bij aanstelling in een andere mandaatfunctie) zal zulks uiteraard, in onderling akkoord, een wijziging van de arbeidsovereenkomst vereisen conform de bepalingen van het arbeidsrecht. Ook de schorsing of beëindiging van de overeenkomst vindt plaats volgens het gemeenrechtelijk arbeidsrecht.

    De voorwaarden van de arbeidsrelatie worden derhalve, met inachtneming van de dwingende regels van voormeld arbeidsrecht, gepreciseerd op basis van een modelovereenkomst – naar inhoud geïnspireerd op het raamstatuut - in een individueel arbeidscontract. Het modelcontract sluit individuele afwijkingen, wanneer daartoe gegronde redenen zijn, niet uit. In de individuele arbeidsovereenkomst zal tevens in een proefperiode minimaal zes maanden en maximaal twaalf maanden[11] worden voorzien. Er wordt verduidelijkt dat voor de berekening van die proeftijd dezelfde regels gelden als deze die van kracht zijn op de rest van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid (artikel III 15, §1, tweede en derde lid VPS).[32]

    Voor het contactuele personeelslid dient in de arbeidsovereenkomst in overleg met de opdrachtgever het arbeidsregime bepaald te worden. Het verlof is een gunst.[11]

    § 2 betreft het geval waarin een interne kandidaat wordt geselecteerd voor de mandaatfunctie, d.w.z. een kandidaat die reeds bij de diensten van de Vlaamse overheid tewerkgesteld was als vast benoemde ambtenaar.

    De intern geselecteerde kandidaten moetn eerst een proeftijd (minimaal 6 maanden en maximaal 12 maanden) doorlopen zoals de extern geselecteerde kandidaten, omwille van de aard van de functie (zwaarte, verantwoordelijkheden, ...). Hij wordt dus eerst toegelaten tot de proeftijd in de graad van directeur-generaal of adjunct-directeur-generaal en aangewezen in de mandaatfunctie.
    Er wordt verduidelijkt dat voor de berekening van die proeftijd dezelfde regels gelden als deze die van kracht zijn op de rest van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid (artikel III 15, §1, tweede en derde lid VPS).[32]

    Als hij met goed gevolg de proeftijd heeft doorlopen, wordt hij vastbenoemd in de graad van directeur-generaal of adjunct-directeur-generaal. Indien de eindevaluatie van de proeftijd ongunstig is, heeft de ambtenaar op proef het recht om te worden gehoord door de indienstnemende overheid met bijstand van een persoon naar keuze.[23]

    Als de indienstnemende overheid de negatieve eindevaluatie van de proeftijd bevestigt, dan eindigt de mandaatfunctie (overeenkomstig artikel V 14, 1°) en keert de betrokkene terug naar de graad of de terugvalgraad die hij voorheen bekleedde.[23]

    Opnieuw is de in dienstnemende overheid hetzij de Vlaamse Regering, hetzij de raad van bestuur in die EVA’s waar het hoofd van het agentschap wordt aangesteld door de raad van bestuur.[2]

    De statutair[11] aangestelde mandaathouder met de functie van N–niveau of de functie van algemeen directeur kan deeltijds werken via het verlof voor deeltijdse prestaties . Voor het contactuele personeelslid dient in de arbeidsovereenkomst in overleg met de opdrachtgever het arbeidsregime bepaald te worden. Het verlof is een gunst.[2]

    Wanneer het mandaat van de statutair aangestelde mandaathouder een einde neemt, keert hij, gezien zijn vaste benoeming in de graad van directeur-generaal (terugvalgraad)[11] terug naar een passende statutaire betrekking binnen het Vlaams openbaar ambt (zie verder). Zij behouden in ieder geval het recht op een overheidspensioen als ambtenaar; dit laatste ook voor de duur dat het mandaat werd uitgeoefend.

    De functies van algemeen directeur worden op dezelfde manier behandeld als de N-functies.

    naar boven

    Hoofdstuk 4. Mobiliteit[15]

    Toelichting bij Art. V 10, vijfde lid

    In afwijking van de gewone aanwervingsprocedure(artikel V 4 tot en met V 9), die hier niet van toepassing is[32], heeft de indienstnemende overheid de mogelijkheid om vacante management- en projectleidersfuncties van N-niveau en functies van algemeen directeur aan te bieden via mobiliteit (d.w.z. via een procedure van mededinging) aan een geschikte mandaathouder van een management- en projectleidersfunctie van N-niveau  of functie van algemeen directeur.
    De vacature wordt bekend gemaakt.

    De in artikel V 10 opgenomen aparte procedure voor mobiliteit wordt aangepast overeenkomstig de uniformering van de selectieprocedures:

    - de indienstnemende overheid bepaalt de bijkomende competenties en/of andere vereisten (in plaats van functiespecifieke competenties);

    - de opdrachtgever organiseert de selectie en beoordeelt de competenties en andere vereisten (zonder tussenkomst van een selector) - zonder opdeling in generieke en functiespecifieke selectie/competenties,

    - voorheen regelde de oproep beknopt de wijze van kandidaatstelling; voortaan is er een volwaardig selectiereglement dat de specifieke selectieonderdelen en de regels van de procedure bepaalt (vb. een voorselectie),

    - de opdrachtgever kiest de meest geschikte kandidaat,

    - omwille van de uniformering met andere procedures, worden de elementen toegevoegd waarmee de gemotiveerde selectiebeslissing rekening moet houden (kandidaatstelling; functiebeschrijving / profiel; selectietesten).[32]

    Behouden wordt dat het interview de beleidsvisie ten aanzien van de vacante mandaatfunctie betreft.[32]

    De opdrachtgever kiest de meest geschikte kandidaat voor de te begeven functie.[15]

    Nadien wijst de indienstnemende overheid op voorstel van de opdrachtgever  de geselecteerde kandidaat aan in de mandaatfunctie van N-niveau of in de mandaatfunctie van algemeen directeur.[15] De mandaathouder heeft de mogelijkheid van statuut te veranderen. Hij heeft dus de keuze tussen een contractueel of statutair mandaat.[26]
    Hierdoor begint een nieuw mandaat van 6 jaar te lopen, wat invloed heeft op de eindemandaatevaluatie.[15]

    naar boven

    Hoofdstuk 5. Arbeidsvoorwaarden

    Afdeling 1. Administratieve arbeidsvoorwaarden

    Toelichting bij Art. V 11

    § 1. Deze paragraaf  vereist geen nadere commentaar behoudens dat, in voorkomend geval, de arbeidsovereenkomst van de titularis voor de duur van het verlof overeenkomstig het arbeidsrecht kan worden geschorst.

    De mogelijkheid om een verlof te nemen om een ambt uit te oefenen bij een kabinet wordt afgeschaft vanaf 30 oktober 2009 (de datum van inwerkingtreding van het BVR van 22 januari 2010 tot wijziging van het VPS, wat betreft de aanwijzing in de mandaatfuncties van N-niveau en van algemeen directeur). Kabinetsleden die worden aangesteld in een mandaatfunctie van N-niveau of van algemeen directeur moeten deze functie effectief opnemen.
    Weliswaar wordt er een overgangsbepaling voorzien dat de titularissen van een mandaatfunctie hun lopend verlof om een ambt uit te oefenen bij een kabinet mogen verderzetten (zie art. V 51ter).[11]

    Naast de moederschapsrust kunnen zij in voorkomend geval ook genieten van het opvangverlof (zie deel X, titel 3).
    Verlof wegens ziekte of arbeidsongeval werd aangevuld met beroepsziekte naar analogie met artikel X 23.[9]

    § 2 heeft betrekking op de vervanging in geval van afwezigheid van de management- en projectleiderfunctie van N-niveau. In principe wordt de managementfunctie en de projectleiderfunctie van N-niveau ambtshalve vervangen door de algemeen directeur. Indien er in de entiteit geen algemeen directeur is, beschikt de indienstnemende overheid over 4[12] mogelijkheden:

    1) ofwel wijst de indienstnemende overheid een vervanger aan onder de afdelingshoofden van de diensten van de Vlaamse overheid.
    2) ofwel wijst de indienstnemende overheid een vervanger aan uit de lijst van geschikte kandidaten voor dezelfde management- of projectleiderfunctie van N-niveau, vermeld in artikel V 7, § 3 van dit besluit.
    3) ofwel beslist de indienstnemende overheid een nieuwe procedure op te starten voor de vervulling van de management- of projectleiderfunctie van N- niveau volgens de bepalingen van dit besluit met dien verstande evenwel dat de indienstnemende overheid kan beslissen de oproep te beperken tot de interne kandidaten (ambtenaren en contractuele personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid).
      Deze vervangers worden aangesteld met een besluit (voor de ambtenaren) of een vervangingsovereenkomst.
      Indien een afdelingshoofd wordt aangeduid als vervanger, heeft hij na de beëindiging van de vervanging een recht op terugkeer naar zijn vroeger mandaat van afdelingshoofd.
      Tijdens de periode van de vervanging wordt het afdelingshoofd op zijn beurt vervangen door:
      - ofwel een waarnemend afdelingshoofd, overeenkomstig artikel V 42, § 4. Een waarnemend afdelingshoofd wordt aangewezen door de lijnmanager onder de ambtenaren die over de generieke competenties van N-1- niveau beschikken (wanneer de afwezigheid meer dan drie maanden en minder dan één jaar bedraagt). Deze aanwijzing kan eenmaal worden verlengd voor maximaal één jaar.
      - ofwel een plaatsvervangend afdelingshoofd (zogenaamd “ad interim”) via
        - een dienstaanwijzing van een N-1 titularis mits akkoord van de N-1 en de betrokken N-functies (art. V 35, § 3);
        - een aanstellingsprocedure na vacantverklaring (aanwijzing voor de duur van de afwezigheid).[2]
    4) De indienstnemende overheid kan beslissen om een vervanger aan te wijzen onder de titularissen van een management- of projectleiderfunctie van N-niveau. De aanwijzing van deze vervanger gebeurt voor maximaal de nog lopende duur van het mandaat van de afwezige titularis van de management- en projectleiderfunctie van N-niveau. Deze vervanging kan worden gebruikt in afwachting van de vacantverklaring van de N-functie. Het is wel niet de bedoeling om langdurig ge-bruik te maken van deze vervangingsmogelijkheid.[12]

    § 3 heeft betrekking op de vervanging in geval van afwezigheid van de algemeen directeur.
    In geval van afwezigheid van de algemeen directeur zijn er 3 opties:

    1) ofwel wijst de indienstnemende overheid een vervanger aan onder de afdelingshoofden van de diensten van de Vlaamse overheid.
    2) ofwel wijst de indienstnemende overheid een vervanger aan uit de lijst van geschikte kandidaten voor een functie van algemeen directeur vastgesteld overeenkomstig de procedure bepaald in artikel V 6 en V 7 van dit besluit.
    3) ofwel beslist de indienstnemende overheid een nieuwe procedure op te starten voor de vervulling van de functie van algemeen directeur volgens de bepalingen van dit besluit met dien verstande evenwel dat de indienstnemende overheid kan beslissen de oproep te beperken tot de interne kandidaten (ambtenaren en contractuele personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid).
      Deze vervangers worden aangesteld met een besluit (voor de ambtenaren) of een vervangingsovereenkomst.
      Indien een afdelingshoofd wordt aangeduid als vervanger, heeft hij na de beëindiging van de vervanging een recht op terugkeer naar zijn vroeger mandaat van afdelingshoofd. Tijdens de periode van de vervanging wordt het afdelingshoofd op zijn beurt vervangen door een waarnemend afdelingshoofd, overeenkomstig artikel V 42, § 4. Een waarnemend afdelingshoofd wordt aangewezen door de lijnmanager onder de ambtenaren die over de generieke competenties van N-1-niveau beschikken (wanneer de afwezigheid meer dan drie maanden en minder dan een jaar bedraagt). Deze aanwijzing kan eenmaal worden verlengd voor maximaal één jaar.

    Afdeling 2. Geldelijke arbeidsvoorwaarden

    Toelichting bij Art. V 12

    § 1. De Vlaamse Regering heeft de N-functies ingedeeld in klassen op 30 september 2005 (VR/2005/3009/doc.0848) en op 6 juli 2007 voor 5 resterende N-functies (VR/2007/0607/doc.0686bis).[3]

    § 2. De Vlaamse Regering hechtte op 27 april 2007 haar principiële goedkeuring aan een nieuw bezoldigingspakket voor de topambtenaren van het N-niveau (VR/2007/2704/doc.0383).

    De organieke bezoldigingsregeling houdt in:

    - salaris in de schaal A311
    -

    vakantiegeld, eindejaarstoelage en andere toelagen, vergoedingen en sociale voordelen zoals bepaald in deel VII van het VPS, voor zover zij aan de toekenningvoorwaarden beantwoorden;

    - een mandaattoelage waarvan het bedrag afhankelijk is van de klasse waarin de N-functie ingedeeld is;
    - een managementtoelage die in afwijking van art. VII 39, §2, wordt berekend op de som van het salaris en de mandaattoelage;

    Op 6 juli 2007 hechtte de Vlaamse Regering haar definitieve goedkeuring aan deze regeling (VR/2007/0607/doc.0686bis).

    Voor de bepaling van de hoegrootheid van de mandaattoelage wordt verwezen naar bovenvermelde nota VR van 27 april 2007.[3]

    Met de wijziging van 29.052009 werd het volgende bepaald: het topkader van N-niveau heeft genot van de drie componenten van het privé-gebruik van een dienstwagen, conform de beslissing van de Vlaamse Regering van 27 april 2007 met betrekking tot de beloning van de management- en projectleiderfuncties van N-niveau en de functie van algemeen directeur (VR/2007/2704/doc0383, punt 3.5).[9]

    De management- en projectleiders functies van N-niveau konden tot 31 maart 2018[38] opteren voor:

    - hetzij een dienstwagen die zij ook voor privédoeleinden mogen gebruiken (dit impliceert geen treinkaart, abonnement De Lijn, geen verplaatskosten eigen wagen),
    - hetzij een abonnement op het openbaar vervoer 1ste klasse waarvan de kostprijs volledig door de werkgever wordt gedragen. Desgevallend veronderstelt dit de inlevering van de dienstwagen.[26]

    Vanaf 1 april 2018 is voornoemde keuzemogelijkheid vervangen door een “mobiliteitskrediet” (besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 2018 tot wijziging van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, wat betreft het topkader en een maatregel voor het middenkader) – zie afdeling 3 – artikel V 12bis.[38]

    § 3. Wat de titularissen van de functie van Algemeen directeur betreft, wordt het salaris bepaald in de schaal A288 en de mandaattoelage op € 720 à 100% op jaarbasis.[3]

    § 4 en § 5. Op voorwaarde dat de vervanging ten minste 3 maanden duurt, ontvangt de vervanger van een N-functie of van een Algemeen directeur de bezoldiging en toelagen zoals vermeld in § 2, resp. § 3.[3]

    Vanaf 1 januari 2010 geniet de titularis van een N-functie (management- of project-leiderfunctie) die wegens afwezigheid van de titularis van een management- of pro-jectleiderfunctie van het N-niveau, bijkomend de leiding waarneemt van die N-entiteit of N-project, bijkomend de mandaattoelage van die entiteit of project volgens de in-deling in klassen, zoals beslist door de Vlaamse Regering (30-9-2005, 6-7-2007 en 29-5-2009).[12]
    Dit impliceert dat enkel voor entiteiten of projecten die in een klasse zijn ingedeeld, een mandaattoelage kan worden toegekend. Ter info: zoals bekend zijn budgettaire fondsen, zelfs indien opgericht in de vorm van een IVA, niet ingedeeld in klassen (enkel BBB-entiteiten en projecten van het N-niveau).[12]

    § 6. Tenslotte wordt in een laatste paragraaf bepaald dat de berekening van het salaris en de andere bezoldigingscomponenten gebeurt volgens de regeling voorzien in deel VII van het VPS.
    Hieruit volgt bijvoorbeeld
    - dat de toelage wordt geïndexeerd en maandelijks uitgekeerd;
    - dat de toelage wordt verminderd in geval van deeltijdse prestaties;
    - dat vermits deze toelage verbonden wordt aan het uitoefenen van een functie, in casu een mandaatfunctie, de toelage niet mag worden uitgekeerd indien deze functie niet wordt uitgeoefend. Dit is o.m. het geval tijdens een detachering naar een kabinet.
    Dit volgt uit de samenlezing van art. V 12, § 6 en VII 14 en VII 15 VPS.[3]

    Afdeling 3.  Mobiliteitskrediet


    Toelichting bij Art. V 12bis

    § 1. De Vlaamse overheid streeft naar een vergroening van het wagenpark en spoort haar personeelsleden aan om zich op duurzame en milieuvriendelijke wijze te verplaatsen.[38]

    Daarom ontvangt de titularis van een management- en projectleidersfunctie van het N-niveau een “mobiliteitskrediet”, dat ook met meer duurzame vervoersmiddelen kan ingevuld worden.[38]

    Het mobiliteitskrediet bedraagt € 14.400 op jaarbasis (dit komt neer op € 1.200 per maand). Dit maandbedrag is gebaseerd op de ”leaseprijs huurwagens , voor een dienstwagen “statuswagen – klasse 1 – benzine”, zoals deze is vastgesteld is in bijlage 3 van de omzendbrief KB/BZ 2017/4 waarvan de Vlaamse Regering kennis nam op 24 februari 2017.[38]

    Het bedrag van € 14.400 wordt verhoogd tot € 21.600 op jaarbasis (€ 1.800 / maand) indien de titularis van een management- en projectleidersfunctie van het N-niveau een elektrisch of plug-in hybride dienstvoertuig klasse 1 verwerft.
    (Een dienstwagen met motorisatie “benzine/hybride” of benzine/CNG valt qua mobiliteitskrediet onder de motorisatie “benzine”).[38]

    De N-functie kan dit mobiliteitskrediet enkel aanwenden voor aankoop/leasing van een in artikel V 12bis, §2 vermeld vervoermiddel.
    De gekozen opties kunnen voor alle componenten van de verplaatsingen gebruikt worden (dus zowel woon-werkverkeer, dienstverplaatsingen als zuivere privé-verplaatsingen binnen- en buitenland). Dit is een niet te indexeren bedrag dat kan worden aangepast in functie van de aanpassingen aan de omzendbrief KB/BZ 2017/4.[38]

    Er kan tegelijkertijd maar één dienstwagen geleased worden. Met andere woorden, een N-functie die een dienstwagen heeft kan op vakantie geen andere wagen leasen.[38]

    Het gebruik voor privéverplaatsingen in binnen- en buitenland betekent dat de N-functie bijvoorbeeld de dienstwagen waarvoor hij binnen de mobiliteitsopties heeft geopteerd, mag gebruiken voor privéverplaatsingen in het buitenland. Indien de N-functie een privé-verplaatsing naar het buitenland maakt met het vliegtuig, en ter plaatse zelf een leasewagen huurt, vallen deze huurkosten niet onder het “mobiliteitskrediet”, en zijn deze kosten volledig ten zijne laste.[38]

    Hij kan de aanwending van zijn jaarlijks mobiliteitsbudget in de loop van een kalenderjaar wijzigen, maar is daarbij uiteraard gebonden aan de duur van huurovereenkomsten, leasingcontracten en andere contractuele bepalingen. De keuze voor “langlopende” voordelen geldt voor de duur van de lease- overeenkomst van het desbetreffende voordeel.[38]

    § 2. Keuze van de mandaathouder[38]

    Dit mobiliteitskrediet kan door de N-functie vrij ingevuld worden.[38]

    Daarbij heeft de titularis de keuze tussen een combinatie van één of meer van volgende mogelijkheden, voor zover dit past binnen het totale mobiliteitsbudget:

    • een dienstwagen “statuswagen – klasse 1” . Wellicht is hiermee zijn mobiliteitskrediet volledig opgebruikt. Indien het budget wordt overschreden wordt het teveel gebruikte budget teruggevorderd van de titularis. De terugvordering gebeurt door inhouding op het nettosalaris. Het eventueel niet aangewende budget wordt niet uitbetaald aan de titularis en kan ook niet worden overgedragen naar het volgende kalenderjaar..
    • een dienstwagen van dezelfde klasse maar een lagere maandelijkse factuurprijs of een dienstwagen van een lagere klasse (en dus een lagere factuurprijs). De waarde van de gekozen dienstwagen wordt aangerekend op het budget, zodat de titularis nog een gedeelte kan aanwenden voor andere opties. In dit geval heeft de N-functie dus nog een restant van het mobiliteitskrediet, dat gelijk is aan het verschil tussen het jaar bedrag van het mobiliteitskrediet (€ 14.400) en de leasing - factuurprijs van het gekozen dienstvoertuig (vb. € 13.000 / jaar → restant mobiliteitskrediet = € 1.400 op jaarbasis).
    • Deze werkwijze geldt ook voor een elektrisch of plug-in hybride dienstwagen (vb. mobiliteitskrediet ad € 21.600 , jaarlijkse leasingkost € 15.800; restant krediet = € 5.800 / jaar).
      Deze mogelijkheid moet een N-functie er toe aanzetten bij de keuze voor een dienstvoertuig te opteren voor een kleinere, milieuvriendelijkere dienstwagen.
    • een abonnement op het openbaar vervoer (zowel 1ste als 2de klasse, netabonnement) of andere vormen van vervoersbewijzen (10-rittenkaarten, passen,….);
    • een fietsvergoeding voor gebruik van eigen fiets;
    • de aankoop of het gebruik van een (elektrische) leasefiets of leasemotor;
    • een abonnement fietsdelen;
    • een abonnement autodelen;
    • een parkingabonnement of parkingtickets
    • een kilometervergoeding voor eigen wagen. Indien de N-functie in het bezit is van een tankkaart wordt de kilometervergoeding zoals bepaald in artikel VII 80, §1 VPS verminderd met 20%.
      De brandstofkosten worden niet aangerekend op het mobiliteitsbudget.[38]

    Indien de titularis opteert voor een milieuvriendelijk vervoersmiddel dat niet in de lijst is opgesomd (vb. een segway) is de voorafgaande goedkeuring van de Vlaamse minister bevoegd voor bestuurszaken vereist. Bij deze goedkeuring zal rekening gehouden worden met de doelstelling van milieuvriendelijke en duurzame mobiliteit.[38]

    Op de bovenvermelde  componenten wordt de correcte RSZ en fiscale reglementering toegepast. Naar gelang de keuze van bepaalde componenten zullen ook andere regels inzake RSZ en fiscaliteit van toepassing zijn:[38]

    optie

    RSZ

    fiscaliteit

    Treinkaart/andere vervoerbewijzen woon-werkverkeer

    Volledig vrijgesteld  (woon-werkverkeer is altijd vrijgesteld voor de RSZ

    Forfaitaire beroepskosten (volledig  vrijgesteld)

    Bewezen beroepskosten: geen vrijstelling, aftrek mogelijk van € 0,15/km (zie artikel 38 van het WIB92)

    Treinkaart/andere vervoerbewijzen dienstverplaatsingen

    Vrijgesteld = kosten eigen aan de werkgever

    Vrijgesteld = kosten eigen aan de werkgever

    Treinkaart/andere vervoerbewijzen - privéverplaatsingen

    Voordeel alle aard werkelijke waarde

    Voordeel alle aard werkelijke waarde

    dienstwagen

    CO2-solidariteitsbijdrage (indien privégebruik – ten minste één van de 3 componenten)

    Voordeel van alle aard

    Leasefiets/leasemoto

    voordeel van alle aard  a rato van de totale leasekost incl. verzekering in functie van het percentage pure privé-gebruik. De RSZ zal slechts het percentage woon-werkgebruik en beroepsmatig gebruik vrijstellen van inhoudingen

    voordeel van alle aard a rato van de totale leasekost incl. verzekering indien de fiets niet regelmatig gebruikt wordt voor woon-werkverplaatsingen. Indien de fiets op regelmatige basis gebruikt wordt voor woon-werkverplaatsingen, vormt dit voor de fiscus een vrijgesteld voordeel

    Aankoop (elektrische) fiets/motor

    Voordeel werkelijke waarde

    Voordeel werkelijke waarde

    kilometervergoeding

    Volledig vrijgesteld voor gedeelte woon-werkverkeer en dienstverplaatsingen

    Woon-werkverkeer:

    Forfaitaire beroepskosten: € 390/jaar dienstreizen: vrijgesteld

    Bewezen beroepskosten: inbreng van € 0,15/km als kosten

    Abonnement autodelen

    Loonvoordeel: RSZ verschuldigd

    Loonvoordeel, bedrijfsvoorheffing verschuldigd

    Parkingabonnement/tickets woon-werk en dienstverplaatsingen

    Vrij van inhoudingen RSZ

    Vrij van bedrijfsvoorheffing

    Parkingabonnement/tickets privégebruik

    voordeel alle aard werkelijke waarde

    voordeel alle aard werkelijke waarde

    § 3. Wanneer de N-functie langer dan 4 maanden afwezig is of slechts een gedeelte van het kalenderjaar de functie uitoefent (aanstelling, beëindiging), wordt het mobiliteitskrediet pro rata toegekend. Het model van wagenreglement bevat in punt 3.11 een regeling omtrent de schorsing of verbreking van het recht op een dienstvoertuig (6 maanden).[38]

    Voorbeeld:
    Een N-functie wordt aangesteld op 1/7/2017. Hij ontvangt voor 2017 een mobiliteitsbudget van 6 maanden of € 7.200 voor het jaar van zijn aanstelling 2017 (in het geval van een plug-in hybride dienstwagen is dit dan € 10.800). Bij eventuele aanstelling tijdens de loop van een kalendermaand wordt in kalenderdagen gerekend (aantal kalenderdagen aangesteld/365).[38]

    Indien de ononderbroken afwezigheid zich over 2 kalenderjaren situeert, gebeurt de pro rata regeling per kalenderjaar.[38]

    Voorbeeld:
    Ononderbroken afwezig van 1 november jaar X tot en met 30 april jaar X + 1.
    Mobiliteitsbudget jaar x = 10/12 van € 14.400/jaar = € 12.000
    Mobiliteitsbudget jaar X +1 = 8/12 van € 14.400/jaar = € 9.600[38]

    § 4. Optie gebruik eigen voertuig – kilometervergoeding[38]

    De betrokken N-functie heeft dan recht op een kilometervergoeding zoals de andere personeelsleden (vanaf 1 juli 2017: € 0,3460/kilometer), verminderd met 20% indien hij in het bezit is van een tankkaart.[38]

    Ingevolge het KB van 21 november 2008 ([1]) hangt de vaststelling van de kilometervergoeding (elk jaar op 1 juli) immers voor twintig procent af van de evolutie van het gemiddelde van de benzine- en dieselprijs meegedeeld door de FOD Economie. Tachtig procent hangt af van de evolutie van de consumptieprijzen.[38]

    Hij krijgt dus een kilometervergoeding van € 0,2770/kilometer.[38]

    Een N-functie die opteert voor een kilometervergoeding voor gebruik van een eigen voertuig, kan dus per jaar aanspraak maken op een kilometervergoeding voor  51.985 kilometer (14.400/0,2770).[38]

    Om milieuvriendelijke verplaatsingen aan te moedigen krijgt de titularis die een verplaatsing doet met een eigen wagen slechts een kilometervergoeding indien de normen van het voertuig (ecoscore, brandstof) overeenstemmen met de normen die de Vlaamse minister bevoegd voor de Bestuurszaken vaststelde in de omzendbrief KB/BZ 2017/4. Voorbeeld : De ecoscore bedraagt voor een statuswagen klasse 1 momenteel 68. Voor een middenklasse – klasse 3  bedraagt de ecoscore 75.[38]

    De Vlaamse minister bevoegd voor bestuurszaken kan op basis van punt 7 van voornoemde omzendbrief deze ecoscores aanscherpen, en/of aanpassen aan de technologische ontwikkelingen.[38]

    Om het gebruik van milieuvriendelijke voertuigen te promoten, wordt de kilometervergoeding niet verminderd met 20% indien de verplaatsing wordt afgelegd met een persoonlijk elektrisch, plug-in hybride of benzine/hybride voertuig.[38]

    Deze regeling (gebaseerd op ecoscore), uitsluiten van dieselvoertuigen, heeft tot doel titularissen die bijvoorbeeld in het bezit zijn van een dieselvoertuig aan te sporen om bij de keuze tussen de verschillende mobiliteitsopties te opteren voor meer milieuvriendelijke alternatieven die met het mobiliteitskrediet worden aangeboden (vb. netabonnement openbaar vervoer).[38]

    Het mobiliteitskrediet van € 14.400 wordt dus niet verhoogd indien de titularis van het N-niveau in de optie “gebruik eigen voertuig” een elektrische of plug-in hybride voertuig gebruikt.  De verhoging van het bedrag van het mobiliteitskrediet tot € 21.600 / jaar geldt enkel bij leasing van een elektrisch of plug-in hybride dienstwagen.[38]

    § 5. Op het einde van elk kalenderjaar of bij beëindiging van het mandaat, wordt een afrekening gemaakt. Indien het budget is overschreden wordt het teveel gebruikte budget teruggevorderd van de titularis. De terugvordering gebeurt door inhouding op het nettosalaris. Het eventueel niet aangewende budget wordt niet uitbetaald aan de titularis. Voor een motivatie hiervoor kan worden verwezen naar het negatief advies van de Raad van State nr. 61.018/1 van 21 maart 2017 met betrekking tot het wetsvoorstel tot vervanging van de ecocheques door een nettobonus. Het niet aangewende budget kan ook niet worden overgedragen naar het volgende kalenderjaar.[38]

    § 6. Deze paragraaf bepaalt dat wat betreft de toekenning en berekening van salaris, toelagen, vergoedingen en sociale voordelen, de regeling die vermeld is in deel VII van dit besluit van toepassing is.[38]

    Aangezien de N-functie bij de optie van een mobiliteitskrediet binnen dit krediet kan opteren voor een kilometervergoeding, een abonnement openbaar vervoer of een fietsvergoeding, is een decumulbepaling met de desbetreffende bepalingen in deel VII noodzakelijk.[38]

    Indien de N-functie binnen het mobiliteitskrediet opteert voor één van deze opties gaat dit immers af van zijn saldo aan mobiliteitskrediet. Het kan niet de bedoeling zijn dat hij dit bedrag opnieuw zou recupereren, door zich te beroepen op de desbetreffende  bepalingen in deel VII van het VPS, en bijvoorbeeld een aanvraag tot het bekomen van een fietsvergoeding voor het woon-werkverkeer op basis van artikel VII 102 alsnog zou indienen.[38]

    [1] KB van 21 november 2008 tot wijziging van het KB van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten

    naar boven

    Hoofdstuk 6. De evaluatie, het einde en de hernieuwing van de functie

    Dit hoofdstuk voorziet in een gelijkschakeling qua procedure tussen de management- en projectleiderfuncties van N-niveau en algemeen directeur.

    Toelichting bij Art. V 13

    § 1.[27] De evaluatie van de titularissen van de mandaatfuncties (N-functies en algemeen directeur) gebeurt jaarlijks. Ze betreft de prestaties en manier van functie-uitoefening in voorkomend geval in uitvoering van het ondernemingsplan[34].

    Een topambtenaar die vrijwillig uit dienst is getreden of reeds op rust werd gesteld op het moment van de evaluatie nl. tijdens de normale evaluatieperiode in het voorjaar wordt nog wel met zijn akkoord geëvalueerd over de prestaties van het afgelopen jaar. Een topambtenaar die vrijwillig uit dienst treedt of op rust wordt gesteld tijdens de evaluatieperiode volgend op het evaluatiejaar wordt met zijn akkoord geëvalueerd zowel over de prestaties van het afgelopen jaar als over de prestaties van het lopende evaluatiejaar. Ook de titularis van een management-of projectleidersfunctie van N-niveau en de titularis van de functie van algemeen directeur, wiens mandaat eindigt tijdens het evaluatiejaar of tijdens de evaluatieperiode volgende op het evaluatiejaar omwille van de redenen, vermeld in artikel V 14, 2° tot en met 6° kan nog geëvalueerd worden als hij daarmee akkoord gaat.[34]

    De evaluatie gebeurt door de opdrachtgever, bijgestaan door het Agentschap Overheidspersoneel[29] en een externe instantie, op het gewone moment van de evaluatie voor het topkader.

    Het akkoord van de personeelsleden die reeds uit dienst zijn getreden is nodig, aangezien het VPS enkel (eenzijdig) verplichtingen kan opleggen t.a.v. personeelsleden die nog in dienst zijn.[9]

    De topambtenaar moet in de loop van het kalenderjaar ten minste drie maanden prestaties hebben geleverd om geëvalueerd te kunnen worden (conform de regeling voor de andere ambtenaren in artikel IV 1 VPS).[27]

    § 1bis. De evaluatie gebeurt door de opdrachtgever (de functioneel bevoegde minister resp. de raad van bestuur van het agentschap in de EVA's waarin de raad van bestuur het hoofd van het agentschap aanwijst)[27], bijgestaan door het Agentschap Overheidspersoneel[29] en een externe instantie, op het gewone moment van de evaluatie voor het topkader.

    De jaarlijkse evaluatie kan enkel worden afgerond indien er een evaluatiegesprek heeft plaats gevonden tussen de opdrachtgever (minister of raad van bestuur) en de mandaathouder gelet op het concept van PLOEG (waarbij E staat voor een evaluatie die gebeurt op basis van een gesprek tussen de geëvalueerde en de evaluatoren en op basis van de functiebeschrijving en de gemaakte afspraken)[27]. In de evaluatie wordt onder meer rekening gehouden met de informatie van het personeel dat onder het gezag van de betrokken titularis staat (zgn. bottom up-evaluatie). Bij de evaluatie van de algemeen directeur wordt de N-functie gehoord.

    De functioneel bevoegde Vlaamse ministers kunnen vanaf 1 april 2018 ook, in overleg met de externe instantie en de geëvalueerde, afspreken om externe belanghebbenden  te bevragen. Deze bevraging geldt enkel voor deze aspecten waarover de externe  belanghebbenden  zich kunnen uitspreken (bijvoorbeeld niet voor de managementcapaciteiten, wel bijvoorbeeld voor wat betreft de klantgerichte en efficiënte aanpak van de topambtenaar).[38]

    De bevraging van externe belanghebbenden  is geen verplichting, maar is een optie die wordt overgelaten aan de appreciatie van de functioneel bevoegde Vlaamse ministers, in overleg met de externe instantie en de geëvalueerde. Deze mogelijkheid is namelijk niet voor elke functie even zinvol, maar daar waar dit wel mogelijk is, kan het een vollediger beeld geven van het functioneren van de topambtenaar. Dit vergt dan wel dat de belanghebbenden voldoende contact hebben met de topambtenaar en vertrouwd zijn met de context.
    Deze belanghebbenden kunnen bijvoorbeeld klanten van de overheid zijn of vertegen-woordigers van bepaalde sectorfederaties. Uiteraard moet er wel over worden gewaakt dat er geen onderlinge afhankelijkheidsrelatie bestaat of ontstaat.[38]

    Bij de jaarlijkse evaluatie van de topambtenaren bij entiteiten waar er een raad van bestuur is, maar de functioneel bevoegde minister(s) bevoegd is voor de evaluatie, wordt de raad van bestuur gehoord, zodat de eventuele bemerkingen van de raad van bestuur bij het functioneren van de N-functie worden meegegeven aan de functioneel bevoegde Vlaamse minister(s).[27]

    De evaluatie wordt vastgelegd in een evaluatieverslag dat wordt bezorgd aan de geëvalueerde mandaathouder en de geëvalueerde mandaathouder kan opmerkingen toevoegen aan dit verslag (conform de regeling voor de andere ambtenaren in artikel IV 5 VPS).[27]

    § 1ter.[27] Om deontologische redenen is het ook aangewezen dat er tijdens de evaluatie geen personen tussenkomen die een advies hebben verleend bij de selectieprocedure van de titularis, in voorkomend geval met uitzondering van de opdrachtgever, vermits deze laatste immers ook de evaluator is, en zonder hem geen evaluatie kan gebeuren.

    Wanneer de jaarlijkse evaluatie eindigt op een uitspraak[9] "onvoldoende" moet deze uitspraak[9] worden bekrachtigd door de Vlaamse Regering. De uitspraak[9] "onvoldoende" zal immers resulteren in een beëindiging van het mandaat (zie verder).
    Aangezien de afgevaardigd bestuurder van het Gemeenschapsonderwijs wordt aangesteld door de raad van het Gemeenschapsonderwijs (art. 39 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 ), gebeurt de bekrachtiging van de uitspraak onvoldoende voor deze N-functie evenwel door de aanstellende overheid: de raad van het Gemeenschapsonderwijs.[9]

    § 2.[27] Bovendien, zal uiterlijk zes maanden voor het einde van het mandaat een globale eindevaluatie volgen door de Vlaamse Regering met het oog op het opnemen van een volgend mandaat. Een mandaat (in dezelfde functie) kan in beginsel éénmaal worden hernieuwd en onder de voorwaarden, bepaald in artikel V 15, tweede lid, zelfs een tweede maal[27]. Er wordt op het ogenblik van de eindevaluatie uiteraard ook rekening gehouden met de jaarlijkse evaluaties.

    Een mandaatevaluatie kan enkel worden afgerond indien er een gesprek heeft plaats gevonden tussen de opdrachtgever (minister of raad van bestuur) en de mandaathouder.[27]

    In de beslissing van de Vlaamse Regering van 1 april 2011 over de basisprincipes van de mandaatevaluatie (VR 2011 0104 DOC 0260)  is in de procedure de bevraging van de raad van bestuur voor de entiteiten waar er een raad van bestuur is opgenomen evenals de bevraging van de N- functie voor de mandaatevaluatie van de algemeen directeur.
    Naar analogie met regeling voor de jaarlijkse evaluatie wordt
    - bij de mandaatevaluatie van de algemeen directeur de N-functie wordt gehoord;
    - bij de mandaatevaluatie van de topambtenaren bij entiteiten waar er een raad van bestuur is, de raad van bestuur wordt gehoord, zodat de eventuele bemerkingen van de raad van bestuur worden meegegeven aan de Vlaamse Regering.[38]

    § 2bis. Gelet op het belang van de topambtenaren voor het goed functioneren van een entiteit en het realiseren van de door de ministers opgelegde doelstellingen - zeker rekening houdend met de responsabilisering van de topambtenaren (o.a. op vlak van personeelsbeleid) is het van groot belang dat maximaal wordt ingezet op het naar een hoger niveau tillen van de topambtenaren die maar matig presteren.[38]

    Om tegemoet te komen aan het pijnpunt dat er een gebrek aan aanpak is voor topamb-tenaren die niet het vooropgestelde niveau halen, wordt het vervroegen van de mandaatevaluatie ingevoerd voor de topambtenaren die twee jaar na elkaar binnen hetzelfde mandaat een jaarlijkse evaluatie krijgen met de waardering dat het prestatieniveau onder de verwachtingen ligt of grotendeels aan de verwachtingen voldoet.
    In het voormelde geval wordt binnen de zes maanden een ”vervroegde” mandaatevaluatie gehouden.[38]

    Bij een negatieve mandaatevaluatie wordt:
    - het statutaire mandaat beëindigd en wordt de statutaire topambtenaar herplaatst in een passende betrekking van de terugvalgraad (artikel V 14, 1° en V 17, §1, 1° VPS);
    - het contractuele mandaat beëindigd en aan de contractuele mandaathouder ontslag verleend met toepassing van de ter zake geldende regels van het gemeenrechtelijk arbeidsrecht (artikel V 14, 1° en artikel V 16 VPS).
    In geval de vervroegde mandaatevaluatie niet resulteert in een einduitspraak onvol-doende zet de betrokken mandaathouder zijn mandaat verder voor de nog lopende duur van dit mandaat.[38]

    § 3.[27] Een jaarlijkse of eindevaluatie die eindigt met de uitspraak[9] "onvoldoende" impliceert in ieder geval dat de betrokkene het recht heeft om vooraf te worden gehoord, met bijstand van een persoon naar keuze, door de Vlaamse Regering. Het hoorrecht impliceert dat de betrokkene behoorlijk wordt opgeroepen en gelegenheid krijgt tot inzage van zijn dossier.

    In afwijking van deze regeling, heeft de afgevaardigde bestuurder van het Gemeenschapsonderwijs het recht om vooraf te worden gehoord door de raad van het Gemeenschapsonderwijs aangezien deze de aanstellende overheid is.[9]

    Voor beide evaluatiemomenten wordt ook beroep gedaan op een externe evaluatie-instantie, hetgeen de objectiviteit moet verhogen. Deze instantie moet door de Vlaamse Regering aanvaard worden. Om deontologische redenen is het ook aangewezen dat er tijdens de evaluatie geen personen tussenkomen die een advies hebben verleend bij de selectieprocedure van de titularis, in voorkomend geval met uitzondering van de opdrachtgever, vermits deze laatste immers ook de evaluator is, en zonder hem geen evaluatie kan gebeuren.

    Toelichting bij Art. V 14

    De mandaatfunctie eindigt, zonder dat nog een bijkomende appreciatie vereist is:

    (1) bij een evaluatie "onvoldoende"
    (2) in beginsel na 12 jaren, tenzij tweede verlenging (zie art. V 15, tweede lid)[27]. Aan de betrokkene kan na 12 jaren een andere mandaatfunctie worden toegekend.
    (3) in onderling overleg of akkoord met de opdrachtgever
    (4) op vraag van de betrokkene zelf
    (5) na de duurtijd van het project, indien dit korter is dan 6 jaar
    (6) het mandaat eindigt ook bij de afschaffing van de entiteit, naar analogie met de bestaande regeling voor het middenkader. De statutaire mandaathouder wiens mandaat eindigt, wordt herplaatst in een passende functie van de terugvalgraad (overeenkomstig art. V 17).[27]

    Toelichting bij Art. V 15

    Een eindevaluatie die niet resulteert in een einduitspraak[9] "onvoldoende" en bijgevolg als een positieve evaluatie moet worden beschouwd, verleent aan de titularis, wanneer hij dit wenst, het recht om in zijn mandaat te worden hernieuwd voor een eenmalige bijkomende termijn van 6 jaar. Het betreft een gebonden bevoegdheid voor de in dienstnemende overheid en er wordt bijgevolg niet overgegaan tot een nieuwe selectie.

    Ingevolge de wijziging van artikel V 15 bij besluit van de Vlaamse Regering van 3 oktober 2014 (dat in werking treedt op 1 november 2014) wordt na afloop van het tweede mandaat een bijkomende verlenging (zonder nieuwe selectie) toegekend aan de mandaathouders die goed functioneren en voldoen aan de volgende voorwaarden:
    1° als de eindevaluatie na afloop van het tweede mandaat niet resulteert in een einduitspraak "onvoldoende";
    2° indien de mandaathouder tijdens het tweede mandaat minimum 4 van de 6 jaar een goede evaluatie had, waaronder de laatste 2 jaren, waaraan bijkomend ten minste de waardering dat het prestatieniveau volledig voldoet aan de verwachtingen en de norm was gekoppeld. Hiermee wordt bedoeld een evaluatie waaraan volgens de huidige regeling de waardering B+, C, C+ of C++ is gekoppeld;
    3° bovendien moet de mandaathouder een toekomstvisie met betrekking tot de mandaatfunctie bij de entiteit uitwerken en die voor akkoord voorleggen aan de Vlaamse Regering op voorstel van de opdrachtgever. De facto zal de goedkeuring door de Vlaamse Regering op voorstel van de opdrachtgever gebeuren tegelijkertijd met de mandaatevaluatie.[27]

    De mogelijkheid om een derde mandaat op te nemen wordt behouden (voor echt goede topambtenaren is dit namelijk ook in het belang van de overheid), maar om de mobiliteit bij het topkader te verhogen wordt de lat voor de toegang tot het derde mandaat hoger gelegd.

    Vanaf 1 april 2018 wordt de huidige regeling gewijzigd in die zin dat de topambtenaar tijdens ten minste drie van de vijf laatste evaluaties, waaronder de twee laatste evaluaties, een evaluatie heeft gekregen met de waardering dat het prestatieniveau in sommige gevallen boven de verwachting en de norm ligt of een hogere waardering (score C of hoger). De andere voorwaarden (1° en 3°) worden behouden.[38]

    Toelichting bij Art. V 15bis

    In artikel V 15bis wordt vanaf 1 april 2018  de mogelijkheid ingevoerd voor de indienstnemende overheid om het lopende tweede of derde mandaat van 6 jaar tijdelijk te verlengen in geval van een nakende pensionering (op de pensioengerechtigde leeftijd), waardoor deze mogelijkheid ook geldt voor opname van het vervroegd pensioen.
    Het tweede of derde mandaat duurt dan geen 6 jaar, maar nog twee jaar langer zodat de periode tot aan de pensioendatum wordt overbrugd. In dat geval komt er na het verstrijken van 6 jaar dus geen mandaatevaluatie. 
    Een verlenging van het tweede of derde mandaat kan met maximaal 2 jaar (waardoor in dat geval het tweede of derde mandaat dus een looptijd heeft van 8 jaar).
    Ook hiervoor is een beslissing van de indienstnemende overheid vereist.[38]

    Toelichting bij Art. V 16

    Aan de titularis die bij arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur werd aangesteld en die niet meer wordt aangesteld in een volgend of in een ander mandaat (d.w.z. hetzij in dezelfde mandaatfunctie, hetzij in een andere mandaatfunctie) wordt ontslag verleend met toepassing van de ter zake geldende regels van het gemeenrechtelijk arbeidsrecht.

    Voor volledigheid, het arbeidsrecht zelf kent ook nog (andere) oorzaken en beëindigingwijzen van het contract dan de oorzaken die bij artikel V 14 van dit besluit worden voorzien zoals, bijvoorbeeld, het ontslag om dringende redenen. Deze wijzen van beëindiging eigen aan het arbeidsrecht komen bovenop de in dit besluit vermelde redenen voor beëindiging van de mandaatfunctie.

    In het geval waarin de betrokkene wordt aangesteld in een andere functie, zal zijn arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur, in voorkomend geval, in onderling akkoord, (moeten) worden aangepast. In de hypothese dat geen vergelijk mogelijk zou zijn hetgeen weinig waarschijnlijk is gezien de kandidaatstelling van de betrokkene, zal de arbeidsovereenkomst alsnog conform het arbeidsrecht worden beëindigd.

    Toelichting bij Art. V 17

    § 1.[32] De titularis van een mandaatfunctie die bij eenzijdige administratieve rechtshandeling in het mandaat werd aangesteld en waarvan het mandaat wordt beëindigd geniet, gezien zijn in de graad van directeur-generaal (terugvalgraad) of adjunct- directeur-generaal (terugvalgraad)[11], van een terugkeerrecht binnen het Vlaams openbaar ambt. Dit betekent dat de betrokkene uiterlijk binnen het jaar na de beëindiging van het mandaat waarvan hem /haar schriftelijk is kennisgegeven, wordt herplaatst in een passende functie van de terugvalgraad[11]. Tijdens de periode dat de voormelde titularis zijn mandaatfunctie verder uitoefent in afwachting van de aanstelling van een nieuwe titularis, geniet hij verder de mandaattoelage (zie art. V 12, §2, 4).[11]

    § 2. De regeling van de horizontale mobiliteit van art. V 39bis is ook van toepassing op de titularissen van de terugvalgraad van directeur-generaal en adjunct – directeur-generaal.[32]

    Toelichting bij Art. V 17bis

    Vanaf 1 april 2018 wordt volgende regeling ingevoerd in het geval van de beëindiging van het mandaat van een managementfunctie van N-niveau omwille van de afschaffing van de entiteit (met toepassing van artikel V 14, 6° VPS): de indienstnemende overheid herplaatst de betrokken mandaathouder van N- niveau in een vacante projectleidersfunctie van N-niveau en belast hem met een N-project zonder dat betrokkene in concurrentie komt met andere (interne of externe) kandidaten.[38]

    naar boven