chat-altchatcrossloginquestion-circlesearchsmileystarthumbup-downwarning
Vlaanderen
Contacteer ons
    Terug naar overzicht Stuur een e-mail

    Stuur een e-mail naar 1700, de informatiedienst voor al uw vragen aan de overheid.
    U ontvangt een kopie van uw bericht.

    Terug naar overzicht Chat met ons
    Uw chatgesprek wordt automatisch gestart zodra er een medewerker beschikbaar is.
    Even geduld, uw positie in de wachtrij wordt bepaald.

    Toelichting bij Deel VI. De administratieve loopbaan - Titel 10

    Titel 10. Overgangsbepalingen [2]

    Toelichting bij Art. VI 119

    Dit artikel garandeert de verderzetting van lopende procedures volgens de regels geldend voor de inwerkingtreding van dit besluit, die trouwens nu wat het loopbaanbeleid betreft in overgang verdergezet worden. Uiteraard kunnen de bevoegde organen / overheden (bv. voor benoeming of affectatie) verschillen na de inwerkingtreding van BBB.[2]

    Toelichting bij Art. VI 120

    De samenvoeging van reserves zoals oorspronkelijk voorzien in het VPS blijkt in de praktijk niet werkbaar. Zo zijn er bijvoorbeeld verschillende reserves waaraan een rangschikking gekoppeld is. Deze kunnen niet samengevoegd worden.[9]

    Wel wordt de mogelijkheid voorzien dat de geldigheidsduur van de ‘oude’ reserves - waarvan de geldigheidsduur nog niet verstreken is op datum van 1 januari 2009 - wordt verlengd, omdat bij samenvoeging van deze reserves ook een nieuwe geldigheidsduur zou bepaald worden voor de samengevoegde reserves.[9]

    Of een loopbaanexamen indertijd voor het MVG, WI of een VOI georganiseerd werd is zonder voorwerp: de laureaten hebben aanspraken voor bevordering in de graad en desgevallend de functiespecialiteit van het examen voor om het even welk onderdeel van de DVO (met respect voor het personeelsplan).[2]

    Toelichting bij Art. VI 121

    Voor individuele rechten (anciënniteiten, functionele loopbaan, geldelijk statuut) blijft het statuut van oorsprong verbonden met het personeelslid (zie ook VII 3).[2]

    Toelichting bij Art. VI 122

    zie ook artikel XII 2, § 2.[2]

    Toelichting bij Art. VI 123

    Dit artikel betreft een overgangsmaatregel naar aanleiding van de invoering van de personeelsplannen. Wanneer een functie die wordt uitgeoefend door een groep van ambtenaren in het personeelsplan wordt afgeschaft in een bepaald niveau, en opnieuw wordt opgericht in een hoger niveau kunnen de huidige titularissen tweemaal deelnemen aan een bijzonder vergelijkend overgangsexamen. Het moet gaan om functies waarvoor in de toekomst alleen nog in het hogere niveau wordt geworven en het is niet de bedoeling dat dergelijke bijzondere overgangsexamens worden ingericht voor individuele bevorderingen. Het moet daarentegen gaan om een groep van mensen die zich in dezelfde situatie bevinden. Een voorbeeld is de functie van opvoeder die voorheen in niveau C werd begeven, maar die door de invoering van de personeelsplannen werd opgewaardeerd naar niveau B en bij aanwerving alleen open staat voor mensen met een diploma van niveau B. Het invoeren van deze overgangsmaatregel impliceert dat voor de bevordering naar specifieke functies kan afgeweken worden van de vereiste dat men in het bezit dient te zijn van het normaliter in de functiebeschrijving gevraagde diploma. Tevens kan er afgeweken worden van de normale anciënniteitsvoorwaarden. Voor het bijzonder vergelijkend overgangsexamen heeft een rangschikking geen invloed op de toelating tot de proeftijd, want elke geslaagde wordt in zijn functie bevorderd. Er dient geen bijkomende selectietest georganiseerd te worden gezien vooraf duidelijk is voor welke functies het overgangsexamen georganiseerd wordt.[2]

    In het kader van een bijzonder vergelijkend overgangsexamen blijft de mogelijkheid bestaan om rechtstreeks te bevorderen vanuit niveau D naar niveau B op voorwaarde dat een groep van ambtenaren van niveau D collectief  wordt opgewaardeerd naar niveau B (zie protocol nr. 241.782 van 5/2/2007 sectorcomité XVIII).[32]

    Toelichting bij Art. VI 124

    Naar analogie met de upgradingsregeling voor statutaire personeelsleden opgenomen in artikel VI 123[32] wordt een bepaling ingelast op grond waarvan contractuelen, van dezelfde dienst en met dezelfde functie, eveneens kunnen worden geüpgraded naar het hogere[9] niveau. Upgrading gebeurt steeds voor een groep contractuele personeelsleden met dezelfde functie (het is niet de bedoeling dat dergelijke upgrading wordt ingericht voor individuele bevorderingen). Voor contractuelen worden aan deze upgrading de volgende voorwaarden verbonden:

    - in het bezit zijn van een diploma dat overeenstemt met het hogere[9] niveau of een ervaringsbewijs of toegangsbewijs voor die functie als vermeld in artikel III 2[23];
    - geslaagd zijn voor een proef, waarvan de inhoud gelijk is aan deze van het bijzonder vergelijkend overgangsexamen voor de ambtenaren, en waaraan slechts 2 maal mag deelgenomen worden.

    De vereiste van het diplomabezit geldt niet als de functie voorkomt op de lijst van knelpuntfuncties[23]. Dit is het geval indien de functie voorkomt op de lijst van knelpuntfuncties binnen de diensten van de Vlaamse overheid (zie artikel III 3, § 1, a VPS).[8]

    De betrokken bepaling geldt ook in het geval de upgrading voor de statutairen reeds vóór BBB heeft plaats gevonden.[2]

    Toelichting bij Art. VI 125

    De geslaagden voor een aanwervingsexamen, een examen voor overgang naar het hoger niveau of een examen voor verhoging in graad dat toegang gaf tot de vroegere rang 21 of 22 die georganiseerd werden voor de datum van inwerkingtreding van het VPS van 24 november 1993 of van het PSWI van 28 januari 1997 of erna nog in uitvoering zijn (bv. directiesecretaris, revisor-boekhouding), kunnen binnen de perken van de vacatures benoemd worden in een vacature van niveau B; dit indien voor deze wijze van opvulling (= bevordering geslaagden examens) gekozen wordt en indien de functiebeschrijving van de vacature (in casu bv. directiesecretaris binnen de graad van deskundige) overeenstemt met de door het examen getoetste kwalificatie.[2]

    Toelichting bij Art. VI 126

    Deze overgangsbepaling regelt de bevordering naar niveau D van enkele ambtenaren die zich op de datum van inwerkingtreding van het raamstatuut nog in niveau E bevinden alsook de upgrading van (eventuele) contractuele personeelsleden die op die datum nog tewerkgesteld zijn in een betrekking met een salarisschaal van niveau E naar een contractuele betrekking met een salarisschaal van niveau D, overeenkomstig bijlage 9 bij dit besluit.
    Krachtens deze bijlage worden de ambtenaren met de graad van technisch beambte bevorderd tot de graad van technisch assistent.[2]

    Toelichting bij Art. VI 127

    Door deze overgangsmaatregel worden voor de berekening van de administratieve anciënniteiten de vroegere deeltijdse prestaties van de tijdelijke personeelsleden die op basis van het koninklijk besluit van 12 maart 1973 houdende tijdelijke maatregelen ten gunste van sommige ambtenaren van de rijksbesturen vast benoemd werden, in aanmerking genomen naar rato van het aantal gepresteerde uren.[2]

    Toelichting bij Art. VI 128

    Door deze overgangsbepaling behouden de ambtenaren van IMALSO die geslaagd zijn in een bevorderingsexamen van brigadier of in een overgangsexamen van technicus, examens die georganiseerd werden vóór de overhevelingsdatum, hun rechten op bevordering tot technicus en worden ze bij bevordering ingeschaald in de salarisschaal C123, op voorwaarde dat zij bij overheveling ingeschaald werden in de salarisschaal D201 of D202.
    Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de ambtenaren die ingeschaald werden in de schaal D201 of D202 bij bevordering tot de graad van technicus na slagen in een overgangsexamen, ook de salarisschaal C123 zullen toegekend krijgen.[2]

    Toelichting bij Art. VI 129

    Krachtens artikel 4, § 4 van het KB van 25 juli 1989 dat de verworven rechten regelt van de ambtenaren die werden overgeheveld in uitvoering van het Lambermontakkoord, behouden de rijksambtenaren, die in het federale ministerie waartoe zij vóór hun overdracht behoorden geslaagd zijn voor een examen voor overgang naar het hogere niveau of voor een examen voor verhoging in graad en die worden overgeheveld, hun aanspraken op bevordering die zij door het slagen voor één van die examens hebben verworven.

    Deze bepaling geldt evenwel enkel voor vergelijkende examens, niet voor brevetten.
    In de praktijk is deze overgangsmaatregel enkel van toepassing op drie gevallen:

    1) ten eerste op een aantal ambtenaren die op 1 oktober 2002 werden overgeheveld vanuit het ministerie van Middenstand en Landbouw en die geslaagd zijn in het examen voor directiesecretaris (rang 26) (examens BNG 98026 en BNG 00026) of opsteller (rang 20)(examens PV 29-12-1992 en BNG 98020);
    2) ten tweede op één ambtenaar die geslaagd is in de eerste twee gedeelten van een overgangsexamen naar niveau A dat werd georganiseerd door het ministerie van Middenstand en Landbouw.[34]
    3) ten derde op een ambtenaar die op datum van overheveling rechtsgeldig deelnam aan een overgangsexamen naar niveau A dat op de datum van overheveling (1 oktober 2002) nog niet was beëindigd. Ook deze ambtenaar kan worden bevorderd tot adjunct van de directeur indien hij eerst slaagt in de eerste twee gedeelten van het lopend (federaal) overgangsexamen[34].

    Toelichting bij Art. VI 130

    Voor de bevorderingsronde m.b.t. de functie van leidinggevend wachter der waterwegen (rang D3) binnen het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken komen in theorie een massa kandidaten in aanmerking. In de praktijk echter richt de functie zich enkel tot kandidaten die reeds ervaring hebben als wachter der waterwegen. Daarom wordt een overgangsmaatregel ingelast die enkel aan de wachters der waterwegen toelaat om te kandideren. Bovendien voorziet deze overgangsmaatregel dat alle wachters der waterwegen kunnen kandideren, ook diegenen die nog niet de tweede salarisschaal van de functionele loopbaan bereikt hebben. De reden is dat een aantal wachters der waterwegen die nog niet de tweede salarisschaal van de functionele loopbaan bereikt hebben, thans in praktijk reeds de leidinggevende functie van wachter der waterwegen uitoefenen.[2]

    Toelichting bij Art. VI 131

    § 1. Deze paragraaf is een overgangsbepaling voor de ambtenaren die op 14 april 2000 reeds belast waren (als technicus of als medewerker) met de luchthaveninspectie en de (in 1997 door de afdeling Personenvervoer en Luchthavens eenmalig georganiseerde) cursus inzake luchthaveninspectie hebben gevolgd. Deze ambtenaren oefenen al jaren deze functie uit.

    Deze ambtenaren kunnen dus ook bevorderen tot hoofdtechnicus belast met de luchthaveninspectie zonder dat zij het getuigschrift waarvan sprake in artikel VI 114, § 1 behalen.

    Deze overgangsbepaling geldt enkel indien zij conform de nieuwe toekomstige federale regeling is.

    § 2. Deze paragraaf is een overgangsbepaling voor de personeelsleden die reeds belast waren (als technicus of als medewerker) met de luchthavenbeveiliging en nog aangeworven werden zonder het getuigschrift inzake luchthavenbeveiliging, maar enkel op basis van het feit dat zij geslaagd zijn voor het examen afgelegd in een politieschool. Zij moeten nu ook slagen voor het examen georganiseerd door het Nationaal Opleidingscentrum Luchtvaartbeveiliging.[2]

    Toelichting bij Art. VI 132

    De statutaire directeur-ingenieurs en de statutaire ingenieur die in het kader van het Lambermontakkoord werden overgeheveld naar het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en bij de federale overheid de functie van landbouwraad uitoefenden, werden[6] ook bij de Vlaamse overheid tewerkgesteld als landbouwraad.[2]

    Ingevolge het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2007 betreffende de beëindiging van de vertegenwoordiging van Vlaanderen in het buitenland door landbouwraden werd de aanstelling van de landbouwraden in het buitenland met ingang van 1 januari 2008 echter beëindigd.[6]

    Toelichting bij Art. VI 133

    Geen commentaar.[2]

    Toelichting bij Art. VI 134

    Deze bepaling is een overname van de bepalingen van artikel VIII 44 van het stambesluit VOI van 30 juni 2000 of van artikel VIII 50 van het personeelsstatuut van de Vlaamse wetenschappelijk instellingen van 28 januari 1997 inzake vrijstellingen voor het algemeen gedeelte van volgende loopbaanexamens.[2]

    Toelichting bij Art. VI 135

    Deze overgangsbepaling regelt het behoud van de vrijstellingen voor een examengedeelte van een overgangsexamen naar een hoger niveau, met uitzondering van niveau A, georganiseerd respectievelijk voor de datum van inwerkingtreding van de personeelsstatuten van de VOI en van het personeelsstatuut van de Vlaamse wetenschappelijke instellingen, voor de volgende vergelijkende examens voor overgang naar hetzelfde niveau, waaraan de ambtenaar deelneemt. Deze bepaling is een overname van de bepalingen van artikel VIII 92, § 1 van het stambesluit VOI van 30 juni 2000 en van het PSWI van 28 januari 1997.[2]

    Toelichting bij Art. VI 136

    Voor de personeelsleden uit de loopbaan van correspondent der vorsing respectievelijk technicus der vorsing, wordt via een bijzonder vergelijkend overgangsexamen de overgang naar niveau B mogelijk gemaakt (deskundige) in afwijking van de organieke regeling die slechts een overgang van niveau C naar niveau B voorziet voor de houders van het vereiste hogeschooldiploma.[2]

    Toelichting bij Art. VI 137

    De wetenschappelijke personeelsleden van rang A1 die op 1 januari 1997 in dienst waren en die in het verleden een gelijkstelling hebben bekomen worden voor de toegang tot rang A2 bij wijze van bevordering vrijgesteld van de doctoraatsvereiste.[2]

    Toelichting bij Art. VI 138

    Krachtens artikel 4, § 4 van het KB van 25 juli 1989 dat de verworven rechten regelt van de ambtenaren die werden overgeheveld in uitvoering van het Lambermont-akkoord, behouden de rijksambtenaren, die in het federale ministerie waartoe zij vóór hun overdracht behoorden geslaagd zijn voor een vergelijkend examen voor overgang naar het hogere niveau of voor een examen voor verhoging in graad en die worden overgeheveld, hun aanspraken op bevordering die zij door het slagen voor één van die examens hebben verworven. Deze bepaling geldt evenwel enkel voor vergelijkende examens, niet voor brevetten.
    In de praktijk is de overgangsmaatregel van toepassing op een aantal ambtenaren geslaagd voor de examens van gespecialiseerd technicus der vorsing of onderhoudstechnicus (BNG 01839, BNG 01840, BNG 01841, BNG 01842, BNG 01843, BNG 01846, BNG 01849).[2]

    Toelichting bij Art. VI 139

    Geen commentaar[2]

    Toelichting bij Art. VI 140

    Geen commentaar[2]

    Toelichting bij Art. VI 141

    In het kader van het wervingscircuit hebben de contractuele personeelsleden die aan de in het hier besproken artikel vermelde voorwaarden voldoen, een rechtstreekse toegang tot de functiespecifieke test.
    Het artikel VI 141 creëert de parallel in het kader van de horizontale mobiliteit.[2]

    Toelichting bij Art. VI 142

    In het kader van de nieuwe inhoudelijke loopbanen worden de opdrachthouders met ingang van 1 juni 2008[9] ambtshalve benoemd in de graad van adviseur. De prestaties die ze leverden als opdrachthouder tellen niet mee voor de opbouw van hun functionele loopbaan als adviseur. Voor opdrachthouders die voor hun aanstelling benoemd waren in de graad van ingenieur of informaticus geldt dat ze benoemd worden in de graad van respectievelijk adviseur-ingenieur of adviseur-informaticus.[6]

    Toelichting bij Art. VI 143

    De ambtenaren die tijdelijk aangesteld zijn als senior auditor worden met ingang van 1 juni 2008[9] ambtshalve benoemd in de graad van adviseur.[6]

    De anciënniteit opgebouwd in de vroegere functie van senior auditor wordt in rekening gebracht voor de bepaling van de anciënniteit in de graad van adviseur.[6]

    De senior-auditors die vóór hun benoeming tot adviseur, titularis waren van salarisschaal A118 (=A212) of A128 (=A222) behouden als adviseur salarisschaal A212 of A222.

    De oude functionele loopbaan A119/A118 en A129/A128 wordt gewoon overgenomen. De facto wordt dan de opgebouwde anciënniteit in de schaal A119 (A211) of A129 (A221) meegenomen in de nieuwe schaal A211 of A221, zodat deze jaren in mindering kunnen gebracht worden van de vereiste 3 jaar die als adviseur nodig is om over te gaan van salarisschaal A211 of A221 naar respectievelijk A212 of A222. Vandaar dat in de loopbaan van deze adviseur sprake is van "3 jaar" en niet van "3 jaar schaalanciënniteit" zodat met hun vorige prestaties als mandaathouder senior-auditor kan rekening gehouden worden in de toekenning van de nieuwe salarisschaal A211, A212, A221, A222.[6]

    Toelichting bij Art. VI 144 [9]

    De ambtenaren met de graad van directeur kunnen eenmalig tussen 23 mei 2008[12] en 31 december 2009[9] zonder proef een graadverandering bekomen naar de graad van adviseur mits zij inhoudelijk een gespecialiseerde functie uitoefenen. De ambtenaren met de graad van adviseur kunnen eenmalig zonder proef een graadverandering bekomen naar de graad van directeur mits zij een leidinggevende functie uitoefenen. Uiteraard zijn dergelijke graadveranderingen onderhevig aan de motiveringsplicht en is de functiebeschrijving van de uitgeoefende betrekking doorslaggevend om te besluiten of een bepaalde functie gesitueerd dient te worden hetzij in de graad van adviseur, hetzij in de graad van directeur.[6]

    Het is de bedoeling dat de graadbenamingen op het terrein overeenstemmen met de functie-inhoud. De adviseur die een graadverandering bekomt naar de graad van directeur krijgt een minder gunstige functionele loopbaan door deze graadverandering. De adviseurs benoemd vóór 1/1/2008 hebben de salarisschaal A 251 en bekomen na 10 jaar de schaal A 252. Na 1/1/2008 krijgt een adviseur de salarisschaal A211 en na 10 jaar A212. De salarisschalen A251 en A211 zijn gelijk, de salarisschaal A 212 ligt echter lager dan de schaal A252. Voor de adviseurs benoemd voor 1/1/2008 zou een graadverandering dus financieel nadelig zijn, zonder overgangsmaatregel. Daarom wordt in artikel VI 146 bepaald dat de adviseurs benoemd vóór 1 januari 2008 de gunstigere functionele loopbaan uit het verleden behouden (A251, na 10 jaar A252).[9]

    Toelichting bij Art. VI 145

    Deze overgangsbepaling slaat op bevorderingsprocedures waarvan het proces-verbaal dateert van voor 1 oktober 2004 en die eventueel nog recht kunnen geven op een examentoelage, voor zover de ambtenaar de aangeboden betrekking niet meer dan één maal weigert. Indien een ambtenaar zich kandidaat stelt voor slechts enkele betrekkingen doch om reden van onvoldoende vacatures niet bevorderd kan worden wordt dit niet als een weigering beschouwd.[9]

    Het niet opnemen van een betrekking waarvoor gekandideerd werd, wordt aanzien als een weigering. Het niet-kandideren voor een betrekking wordt niet aanzien als een weigering die het voordeel van het slagen voor het examen of proef tenietdoet. Voor het al dan niet toekennen van de examentoelage (voor procedures waarvan het proces-verbaal dateert van voor 1 oktober 2004) wordt niet-kandideren wel als een weigering aanzien, die het verlies van de examentoelage met zich meebrengt.[9]

    Toelichting bij Art. VI 146

    Deze overgangsbepaling slaat op de adviseurs benoemd vóór 1 januari 2008. Zij behouden de gunstigere functionele loopbaan uit het verleden (A251, na 10 jaar A252). Vanaf 1 januari 2008 krijgt een adviseur de salarisschaal A211 en na 10 jaar A212.[9]
    Deze overgangsregeling m.b.t. het behoud van de gunstigere functionele loopbaan van adviseur geldt zowel voor de overgangsregeling als voor de organieke regeling van graadverandering van adviseur naar directeur.[9]

    Toelichting bij Art. VI 147

    Naar aanleiding van de overheveling van de personeelsleden van het Vlaams Agentschap voor Ondernemen naar het Agentschap Ondernemen met ingang van 1 januari 2009 worden als overgangsmaatregel de bijzondere functionele loopbanen voor de bedrijfsadviseur, de pedagogisch adviseur en de kunstadviseur opgenomen. De ambtenaren die voor 1 januari 2009 houder zijn van deze graden behouden de bijzondere functionele loopbanen gekoppeld aan deze graden. Voorheen waren deze loopbanen opgenomen in het instellingsspecifiek besluit van het Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen (BVR 10 december 2004). Het gaat om graden die voortaan uitdovend zijn. De salarisschaal A120 zal opgenomen worden als een overgangssalarisschaal in bijlage 5 (tabel van de salarisschalen)(1.1.2009).[9]

    Toelichting bij Art. VI 148 [14]

    In artikel VI 148 wordt de definitie toegevoegd van de begrippen “van de Federale Overheidsdienst Financiën overgehevelde ambtenaar of personeelslid”, zodat het duidelijk wordt welke personeelsleden bedoeld worden in de artikelen VI 149 en VI 150.
    Onder voornoemd begrip verstaat men dus: de op 16 november 2010, 1 december 2010 of 1 januari 2011 van de Federale Overheidsdienst Financiën overgehevelde ambtenaren of personeelsleden.
    Deze overheveling werd doorgevoerd bij de koninklijke besluiten van 26 november 2010 (gewijzigd bij koninklijk besluit van 21 januari 2011) en 19 december 2010.[14]

    Toelichting bij Art. VI 149 [14]

    § 1. Overgehevelde ambtenaren die vóór hun overheveling bij de FOD Financiën of de Nationale Plantentuin van België[26slaagden voor een overgangsexamen maar niet nog bevorderd werden, behouden hun rechten op bevordering bij de Vlaamse overheid. Een effectieve bevordering kan echter maar indien er bij de diensten van de Vlaamse overheid een vacature is en indien de betrokkenen bij de Vlaamse overheid slagen in een bijkomende selectietest. Wanneer zij effectief bevorderd worden, worden zij dan ook ingeschaald in de schaal die overeenstemt met de bevorderingsgraad.[34]
    De geslaagden voor een overgangsexamen bij de FOD Financiën kunnen enkel kandideren voor een betrekking in een administratieve graad (dus bv. wel voor de graad van medewerker maar niet voor de graad van technicus).[14]

    § 2. Hetzelfde geldt voor de geslaagden in de specifieke bekwaamheidsproef naar klasse A22. Ook hier is slechts een benoeming in de nieuwe graad mogelijk na het slagen in een bijkomende selectietest [34] en het voorradig zijn van vacatures.[14]

    § 3. 1° Sommige bevorderingsexamens en/of bekwaamheidsproeven bestaan uit verschillende onderdelen of brevetten. Het behalen van enkele brevetten of het slagen in enkele onderdelen is echter niet voldoende om effectief te bevorderen. Het voordeel van het slagen in enkele proeven of brevetten laten verloren gaan bij de overheveling is echter niet billijk.
    Vandaar dat de overgehevelde ambtenaren het slagen in onderdelen van een bevorderingsexamen of het behalen van enkele brevetten behouden bij de overheveling. Bij akkoord van de federale overheid behouden zij na de overheveling het recht om het kwestieus(ze) overgangsexamen of bekwaamheidsproef volledig af te maken. De lijnmanager van de diensten van de Vlaamse overheid zal hen dienstvrijstelling verlenen om hen toe te laten deel te nemen aan de resterende proeven.
    De overgehevelde ambtenaren krijgen ook de kans om nog eenmaal deel te nemen aan de eerstvolgende bevorderingsexamens en/of bekwaamheidproeven waarvan de organisatie bij de federale overheid nog moet starten. Voorwaarde is dat zij voor deze examens of proeven ingeschreven zijn vóór de overhevelingsdatum. Ook hier zal de lijnmanager van de diensten van de Vlaamse overheid dienstvrijstelling verlenen om hen toe te laten deel te nemen (voor zover de federale overheid akkoord is dat betrokkenen nog deelnemen).[14]
    Diut is ook van toepassing op de overgehevelden van de Nationale Plantentuin van België.[26]

    Na de overheveling is er geen terugkeermogelijkheid.[14]

    2° Overgehevelden die vóór de overheveling bij de FOD Financiën ingeschreven waren voor deelname aan een competentiemeting of gecertificeerde opleiding, kunnen, mits akkoord van de federale overheid, na de overheveling nog eenmaal deelnemen aan de eerstvolgende meting of opleiding. Wanneer zij slagen genieten zij dan vanaf de overhevelingsdatum de premie voor competentieontwikkeling zoals deze bestond op de datum van overheveling bij de federale overheid (dit houdt in dat wijzigingen in de federale reglementering met betrekking tot de premie voor competentieontwikkeling (bijv. wijziging van het bedrag van de premie) na 1 januari 2011 niet meer van toepassing zijn in de diensten van de Vlaamse overheid).  Zie verder artikel VII 160. Wanneer zij niet slagen, wordt hen geen toelage of premie toegekend, maar kunnen zij, mits akkoord van de federale overheid, nog eenmaal opnieuw inschrijven voor deelname aan de eerstvolgende meting of opleiding.[14]

    Dit punt is ook van toepassing op de overgehevelden van de Nationale Plantentuin van België.[26]

    3° Overgehevelden van de FOD Financiën die reeds vóór de overheveling deel namen aan een competentiemeting of gecertificeerde opleiding maar niet slaagden, kunnen zich na de overheveling, mits akkoord van de federale overheid, nog eenmaal opnieuw inschrijven voor deelname aan de eerstvolgende meting of opleiding. Wanneer zij dan slagen genieten zij de premie voor competentieontwikkeling vanaf de datum van deze laatste inschrijving. Wanneer zij niet slagen, wordt hen geen toelage of premie toegekend. Zie verder artikel VII 160.[14]

    § 4. Personeelsleden van de Nationale Plantentuin van België die vóór de overheveling naar de EVA Agentschap Plantentuin Meise ingeschreven waren voro deelname aan een competentiemeting of gecertificeerde opleiding, kunnen, mits akkoord van de federale overheid, na de overdracht nog eenmaal deelnemen aan de eerstvolgende meting of opleiding. Wanneer zij slagen genieten zij dan vanaf de datum van overdracht bijd e DVO de premie voor competentieonwikkeling zoals deze bestond op de datum van overheveling bij de federale overheid (dit houdt in dat wijzigingen in de federale reglementering met betrekking tot de premie voor competentieontwikkeling (bijv. wijziging van het bedrag van de premie) na 1 januari 2014  niet meer van toepassing zijn in de diensten van de Vlaamse overheid). Zie verder artikel VII 160.[26]

    Gelet op de evolutie in de federale reglementering aangaande de gecertificeerde opleidingen waarbij er geen inschrijvingen meer kunnen gebeuren na 4 februari 2013 werd het 3e punt van § 3 van artikel VI 149 dat geldt voor de overgehevelden van de FOD Financiën niet meer hernomen voor de personeelsleden van de Nationale Plantentuin van België.[26]

    Toelichting bij Art. VI 149bis[30]

    § 1 - 2. Ambtenaren vanaf 1 januari 2015 overgeheveld in het kader van een staatshervorming die vóór hun overheveling naar de DVO slaagden voor een overgangsexamen of ambtenaren van niveau B die slaagden in de bekwaamheidsproef voor klasse A2 maar nog niet bevorderd werden, behouden hun rechten op bevordering bij de Vlaamse overheid. Een effectieve bevordering kan echter maar indien er bij de diensten van de Vlaamse overheid een vacature is en indien de betrokkenen bij de Vlaamse overheid slagen in een bijkomende selectietest. Wanneer zij effectief bevorderd worden, worden zij dan ook ingeschaald in de schaal die overeenstemt met de bevorderingsgraad.[30][34]

    § 3. 1° Sommige bevorderingsexamens bestaan uit verschillende onderdelen of brevetten. Het behalen van enkele brevetten of het slagen in enkele onderdelen is echter niet voldoende om effectief te bevorderen. Het voordeel van het slagen in enkele proeven of brevetten laten verloren gaan bij de overdracht is echter niet billijk. Bij de overheveling van personeelsleden van de FOD Financiën en de Nationale Plantentuin van België werd hetzelfde principe gehanteerd.

    Vandaar dat de ambtenaren het slagen in onderdelen van een bevorderingsexamen of het behalen van enkele brevetten behouden na de overdracht naar de DVO. Bij akkoord van de federale overheid behouden zij na de overheveling het recht om het kwestieus(ze) overgangsexamen volledig af te maken. De lijnmanager in kwestie van de DVO zal hen dienstvrijstelling verlenen om hen toe te laten deel te nemen aan de resterende proeven.

    De ambtenaren in kwestie krijgen ook de kans om nog eenmaal deel te nemen aan de eerstvolgende bevorderingsexamens waarvan de organisatie bij de federale overheid nog moet starten. Voorwaarde is dat zij voor deze examens of proeven ingeschreven zijn vóór de datum van overdracht. Ook hier zal de lijnmanager van de entiteit van de DVO dienstvrijstelling verlenen om hen toe te laten deel te nemen (voor zover de federale overheid akkoord is dat betrokkenen nog deelnemen).

    2° De vanaf 1 januari 2015 overgehevelde personeelsleden in het kader van een staatshervorming die vóór de overheveling naar de DVO ingeschreven waren voor deelname aan een competentiemeting of gecertificeerde opleiding, kunnen, mits akkoord van de federale overheid, na de overdracht nog eenmaal deelnemen aan de eerstvolgende meting of opleiding. Wanneer zij slagen genieten zij dan vanaf de datum van overdracht bij de DVO de premie voor competentieontwikkeling zoals deze bestond op de datum van overheveling bij de federale overheid.[30]

    Toelichting bij Art. VI 149ter

    Ambtenaren vanaf 1 januari 2018 overgeheveld in het kader van de afslanking van de provincies die vóór hujn overheveling naar de DVO slaagden voor een overgangsexamen naar het hoger niveau maar nog niet bevorderd werden, behouden hun rec hten op bevordering bij de Vlaamse overheid. Een effectieve bevordering kan echter maar na het doorlopen van een vacaturegebonden procedure.
    Sommige bevorderingsexamens bestaan uit verschillende onderdelen. Het slagen in enkele onderdelen is echter neit voldoende om effectief te bevorderen. Het voordeel van het slagen in enkele proeven laten verloren gaan bij de overdracht is echter niet billijk. Bij de overheveling van personeelsleden van de FOD Financiën, de Nationale Plantentuin van België en in het kader van de zesde staatshervormign werd hetzelfde principe gehanteerd.[36]

    Vandaar dat de ambtenaren het slagen in onderdelen van een bevorderingsexamen behouden na de overdracht naar de DVO. Bij akkoord van de provinciale overheid behouden zij na de overhevelng het recht om het betrokken overgangsexamen volledig af te maken. De lijnmanager in kwestie van de DVO zal hen dienstvrijstelling verlenen om hen toe te laten deel te nemen aan de resterende proeven.[36]

    De ambtenaren in kwestie krijgen ook de kans om nog eenmaal deel te nemen aan de eerstvolgende overgangsexamens naar het hoger niveau waarvan de organisatie bij de provinciale overheid nog moet starten. Voorwaarde is dat zij voor deze examens of proeven ingeschreven zijn vóór de datum van overdracht. Ook hier zal de lijnmanager van de entiteit van de DVO dienstvrijstelling verlenen om hen toe te laten deel te nemen (voor zover de provinciale overheid akkoord is dat betrokkenen nog deelnemen).[36]

    Toelichting bij Art. VI 150[14]

    § 1. Gezien de federale ambtenaren geen functionele loopbaan en geen schaalanciënniteit kennen, begint de schaalanciënniteit in principe te lopen vanaf het ogenblik van inschaling in de nieuwe salarisschaal bij de Vlaamse overheid.
    Om het startkapitaal aan schaalanciënniteit te bepalen wordt teruggegrepen naar de 1/3-2/3 - regel die gangbaar was voor de ambtenaren bij het toenmalig ministerie van de Vlaamse Gemeenschap bij de inschaling in 1994 bij de inwerkingtreding van het Vlaams Personeelsstatuut (en ook later werd gehanteerd bij alle overhevelingen).[14]

    Om de graadanciënniteit te berekenen wordt rekening gehouden met de anciënniteit opgebouwd in de oude graad of oude graden die op dezelfde trap van dezelfde functionele loopbaan ingeschakeld worden. Zie echter voor de hier gebruikte definitie van graadanciënniteit § 3.
    Men rekent enkel in volle kalendermaanden.[14]

    § 2. Rekening houdend met de thans geldende situatie bij de federale overheid [26] wordt een correctie toegepast op het in § 1 bepaald principe. Sinds 2004 is de geldelijke loopbaan bij de federale overheid afhankelijk gemaakt van het slagen in een competentiemeting of gecertificeerde opleiding. Bij het slagen in deze meting of opleiding krijgt het betrokken personeelslid vanaf de datum van inschrijving voor deze meting of opleiding voor een periode van 6 of 8 jaar (naargelang het niveau) een premie voor competentieontwikkeling. Na het verloop van de voorgeschreven termijn volgt in bepaalde gevallen een bevordering tot een hogere salarisschaal (niet alle competentiemetingen of gecertificeerde opleidingen hebben een hogere salarisschaal tot gevolg).[14]

    Bij de overheveling wordt de federale loopbaan niet verder gewaarborgd aangezien de overgehevelde personeelsleden worden ingeschaald in de Vlaamse administratieve en functionele loopbaan. Om toch enigszins rekening te houden met de opgedane ervaring enerzijds en de gedane inspanningen anderzijds om te slagen in een competentiemeting of gecertificeerde opleiding, kent de Vlaamse overheid enerzijds de premie voor competentieontwikkeling na de overheveling naar de diensten van de Vlaamse overheid, tijdelijk verder toe (zie verder artikel VII 160 – VII 162) en gebeurt anderzijds voor de graadanciënniteit opgebouwd vanaf de inschrijving voor de meting of opleiding waarvoor men thans de premie krijgt, geen herleiding naar 1/3 – 2/3. Dit betekent dat het kapitaal aan schaalanciënniteit voor deze periode gelijk is aan de opgebouwde graadanciënniteit.[14]
    Deze correctie geldt ook voor de overgehevelden van de Nationale Plantentuin van België.[26]

    Voorbeeld FOD Financiën
    Een ambtenaar bezit 9 jaar graadanciënniteit (vanaf 1/6/2001). Betrokkene slaagde voor een gecertificeerde opleiding waarvoor hij op 1/6/2006 was ingeschreven.
    Berekening schaalanciënniteit :
    - graadanc. van 1/6/2001 - 31/05/2006: 5j : 1/3 = 1j8m
    - graadanc. van 1/6/2006 - 31/12/2010: volledig = 4j7m
    Dit betekent dat betrokkene bijvoorbeeld ingeschaald wordt in salarisschaal C111 met 6 jaar 3 maanden schaalanc.[14]

    Voorbeeld Nationale Plantentuin
    Een ambtenaar bezit 9 jaar graadanciënniteit (vanaf 1/6/2005). Betrokkene slaagde voor een gecertificeerde opleiding waarvoor hij op 1/6/2010 was ingeschreven.
    Berekening schaalanciënniteit :
    - graadanc. van 1/6/2005 - 31/05/2010: 5j : 1/3 = 1j8m
    - graadanc. van 1/6/2010 - 31/12/2013: volledig = 3j7m
    Dit betekent dat betrokkene bijvoorbeeld ingeschaald wordt in salarisschaal C111 met 5 jaar 3 maanden schaalanc.[26]

    Voor personeelsleden die bij de overheveling een halve premie voor competentieontwikkeling ontvangen, wordt deze correctie niet toegepast en hanteert men de berekeningswijze vermeld in §1.[14]

    § 3. Als voor de inschakeling in de functionele loopbaan naast de oude graad ook de oude salarisschaal bepalend is, is in afwijking van § 1 de graadanciënniteit gelijk aan de periode van toekenning van die salarisscha(a)l(en).
    De Vlaamse overheid past dit principe toe bij de bepaling van de schaalanciënniteit van de overgehevelden van de FOD Financiën. Voor de inschaling is voor deze personeelsleden immers niet de graad bepalend maar de weddeschaal die betrokkenen federaal hadden. Titularissen van dezelfde federale graad maar met een verschillende federale weddeschaal, krijgen immers een verschillende Vlaamse salarisschaal.
    Dit betekent dat de 1/3 – 2/3 regel wordt toegepast op de weddeschaalanciënniteit verworven in de laatste federale weddeschaal vóór de overheveling (niet te verwarren met de geldelijke anciënniteit die men opbouwt over de verschillende weddeschalen heen). Deze variant (oorspronkelijk vermeld in §4 van artikel VIII 114 VPS) paste men ook toe voor de algemene inschalingsoperatie van de overgehevelde personeelsleden van het ministerie van Landbouw en Middenstand op 1 oktober 2002 (Lambermont). De herleiding vermeld in §1 en de corrigerende maatregelen vermeld in §2 en §4 hebben dan ook betrekking op voornoemde weddeschaalanciënniteit.[14]

    In het algemeen gesteld vonden de nieuwe federale loopbanen en weddeschalen ingang:
    - voor niveau A: vanaf 1/12/2004
    - voor niveau B: vanaf 1/10/2002
    - voor niveau C: vanaf 1/6/2002
    - voor niveau D: vanaf 1/1/2002 (voor ex-niveau 4 met uitwerking vanaf 1/12/2002)[14]

    Bovengenoemde data zijn met andere woorden de begindata vanaf wanneer de weddeschaalanciënniteit berekend wordt om de schaalanciënniteit bij de diensten van de Vlaamse overheid te bepalen. Voor personeelsleden die pas na voornoemde data de federale schaal kregen die ze hadden op datum van overheveling, is de toekenningsdatum van deze schaal dan de begindatum voor berekening van de weddeschaalanciënniteit.[14]

    § 4. Een correctie op de 1/3-2/3 – regel van de weddeschaalanciënniteit vermeld in § 3 is van toepassing voor ambtenaren die in de beginsalarisschaal van de functionele loopbaan ingeschaald worden. Hier gebeurt geen herleiding van voormelde anciënniteit maar is de schaalanciënniteit dus gelijk aan de volledige graadanciënniteit (zoals deze bepaald is in §3). Deze afwijkende maatregel paste men ook toe voor de algemene inschalingsoperatie van de overgehevelde personeelsleden van het ministerie van Landbouw en Middenstand op 1 oktober 2002 (Lambermont).
    Hier is dit dus het geval voor ambtenaren die een organieke inschaling kregen in de salarisschalen A111, B111, C111, D111 en D121.[14]

    § 5. De berekening van de schaalanciënniteit kan tot gevolg hebben dat een ambtenaar onmiddellijk van bij de datum van overheveling voldoende anciënniteit heeft om te bevorderen in de functionele loopbaan.
    Een personeelslid wordt bijvoorbeeld ingeschaald in schaal B111. De berekening van de schaalanciënniteit overeenkomstig de paragrafen 1 – 4 resulteert in een som van 10 jaar schaalanciënniteit. Aangezien voor de functionele loopbaan B111 – B112  8 jaar schaalanciënniteit vereist is, wordt betrokkene onmiddellijk ingeschaald in schaal B112. Het restsaldo van 2 jaar schaalanciënniteit vervalt zodat de betrokken ambtenaar zijn functionele loopbaan aanvat in schaal B112 met 0 jaar schaalanciënniteit.[14]

    Toelichting bij Art. VI 150bis[30]

    § 1. Gezien de federale ambtenaren geen functionele loopbaan hebben, begint de schaalanciënniteit in principe te lopen vanaf het ogenblik van inschaling in de nieuwe salarisschaal bij de Vlaamse overheid. 

    Om het startkapitaal aan schaalanciënniteit te bepalen wordt teruggegrepen naar de 1/3-2/3 – regel die gangbaar was voor de ambtenaren bij het toenmalig ministerie van de Vlaamse Gemeenschap bij de inschaling in 1993 - 1994 bij de inwerkingtreding van het Vlaams Personeelsstatuut (en ook later werd gehanteerd bij alle overhevelingen).

    Om het startkapitaal aan schaalanciënniteit te berekenen wordt rekening gehouden met de anciënniteit opgebouwd in de oude schaal (of oude schalen die op dezelfde trap van dezelfde functionele loopbaan ingeschakeld worden) die men had op de datum van overdracht. Men rekent enkel in volle kalendermaanden.

    § 2. Rekening houdend met de geldende situatie bij de federale overheid wordt een correctie toegepast op het in § 1 bepaald principe. In de periode 2004- 2013 is de geldelijke loopbaan bij de federale overheid afhankelijk gemaakt van het slagen in een competentiemeting of gecertificeerde opleiding. Bij het slagen in deze meting of opleiding krijgt het betrokken personeelslid vanaf de datum van inschrijving voor deze meting of opleiding voor een periode van 6 of 8 jaar (naargelang het niveau) een premie voor competentieontwikkeling. Na het verloop van de voorgeschreven termijn volgt in bepaalde gevallen een bevordering tot een hogere salarisschaal (niet alle competentiemetingen of gecertificeerde opleidingen hebben een hogere salarisschaal tot gevolg).

    De Vlaamse overheid kent enerzijds de premie voor competentieontwikkeling na de overdracht tijdelijk verder toe (zie verder artikel VII 178) en anderzijds gebeurt voor de anciënniteit in de laatste federale schaal opgebouwd vanaf de inschrijving voor de meting of opleiding waarvoor men thans de premie krijgt, geen herleiding naar 1/3 – 2/3. Dit betekent dat het kapitaal aan schaalanciënniteit voor deze periode gelijk is aan de opgebouwde anciënniteit in de laatste federale schaal (zie echter ook artikel VII 179).

    Bijvoorbeeld:
    Een ambtenaar bezit 9 jaar anciënniteit in de laatste federale schaal (vanaf 1/1/2006). Op 1/1/2010 slaagde betrokkene voor een gecertificeerde opleiding.
    Berekening schaalanciënniteit :
    - anc. van 1/1/2006 – 31/12/2009 : 4j : 1/3 = 1j4m
    - anc. van 1/1/2010 – 31/12/2014 : volledig = 5j
    Dit betekent dat betrokkene bijvoorbeeld ingeschaald wordt in salarisschaal C112 met 6 jaar 4 maanden schaalanc.

    Voor personeelsleden die bij de overheveling een halve premie voor competentieontwikkeling ontvangen, wordt deze correctie niet toegepast en hanteert men de berekeningswijze vermeld in §1.  

    § 3. Een zelfde afwijking als vermeld in §2 (dus geen herleiding) wordt toegepast voor de ambtenaren die ingeschaald worden op de eerste trap van de functionele loopbaan van hun niveau.

    § 4. Er wordt gerekend met volle kalendermaanden. Het restsaldo gaat verloren.

    Toelichting bij Art. VI 150ter

    Overeenkomstig artikel 3 van het decreet van 18 november 2016 houdende de vernieuwde taakstelling en gewijzigde financiering van de provincies behouden de betrokken personeelsleden onder andere hun administratieve en geldelijke anciënniteit en hun functionele loopbaan.[36]

    De bij de provincies opgebouwde schaalanciënniteit wordt bijgevolg overgenomen maar de berekeningswijze voor het toekennen van de volgende salarisschaal verloopt bij de provincies anders. de 2de schaal wordt telkens bereikt na 4 jaar schaalanciënniteit en de 3de schaal na 18 jaar schaalanciënniteit in de 1ste en 2de schaal samen. Dit is dus verschillend van de opbouw van schaalanciënniteit bij de DVO waar schaalanciënniteit opgebouwd wordt per schaal.[36]

    Ook de contractuele personeelsleden bouwen bij de provincies schaalanciënniteit op en hebben dezelfde functionele loopbaan als de statutaire personeelsleden. Na hun overheveling naar de DVO worden de contractuelen, net als de statutairen, dan ook overeenkomstig de inschalingstabel ingeschakeld in de Vlaamse functionele loopbaan.[36]

    Toelichting bij Art. VI 151

    Alle gewestelijk ontvangers worden op 1 januari 2013 overgedragen van het Vlaams Gewest naar de diensten van de Vlaamse overheid. Zij krijgen een ambtshalve benoeming in de graad van adviseur (rang A2). De adviseurs worden toegewezen aan het Agentschap voor Binnenlands Bestuur. De administrateur-generaal van ABB geeft hen een dienstaanwijzing bij een provinciale afdeling. Zolang er vacatures zijn van financieel beheerder bij de lokale besturen, worden zij ingezet als gewestelijk ontvanger bij deze lokale besturen. In geval van overtallen kunnen zij worden ingezet voor andere taken.[18]

    Door de ambtshalve benoeming van de van het Vlaams Gewest overgedragen vastbenoemde gewestelijk ontvangers in de graad van adviseur (met ingang van 1 januari 2013) worden ze ingeschakeld in de functionele loopbaan verbonden aan de graad van adviseur.[18]

    Dit artikel stelt tevens de schaalanciënniteit vast van de overgedragen vastbenoemde gewestelijk ontvangers, dit bij wijze van een herleiding (1/3 – 2/3) van de anciënniteit die de overgedragen gewestelijk ontvanger heeft opgebouwd in zijn oude graad van gewestelijk ontvanger.[18]

    Toelichting bij Art. VI 152 [20]

    De Vlaamse Regering heeft haar goedkeuring verleend aan de organisatie van één GDPB (VR/PV/2006/18 van 9 juni 2006). De huidige interne preventiedienst werkt voor alle ministeries  en moet na machtiging op basis van een federaal KB opgericht worden als een GDPB. De Koning kan de voorwaarden en nadere regelen bepalen volgens welke hij een werkgever of een groep van werkgevers toestaat een GDPB op te richten en hij kan hen machtigen een GDPB op te richten, alsook de bevoegdheid, samenstelling en werkwijze ervan bepalen (art. 38 Welzijnswet). Zie ook KB van 27/10/2009 betreffende de oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst voor preventie en bescherming op het werk (B.S. 16/11/2009).[20]

    Toelichting bij Art. VI 153 [20]

    § 1. Het is logisch dat de preventieadviseur-coördinator gepositioneerd wordt in rang A2 aangezien het geen middenkaderfunctie betreft. De preventieadviseur-coördinator die bij een
    IDPB thans de rang A2A heeft, behoudt echter deze rang. De salarisschaal blijft evenwel dezelfde, zowel voor de huidige als de toekomstige preventieadviseur-coördinator.[20]

    § 2. deze paragraaf bevat een regeling voor de huidige preventieadviseur die belast is met de leiding van de preventiedienst voor de ministeries (GDPB), in afwachting van de aanduiding van een preventieadviseur-coördinator bij de GDPB.[20]

    Toelichting bij Art. VI 154 [20]

    De procedures tot aanwijzing/aanstelling van preventieadviseurs-coördinatoren/preventieadviseurs die lopen op de dag voorafgaand aan het opstarten van de selectieprocedure van preventieadviseur-coördinator voor de GDPB worden voortgezet overeenkomstig de regels die van kracht waren bij de aanvang ervan.[20]

    Toelichting bij Art. VI 155 [20]

    De preventieadviseurs van entiteiten binnen de DVO die een eigen IDPB hebben en wensen aan te sluiten bij de GDPB kunnen overgeplaatst worden naar de GDPB. De preventieadviseur-coördinator die wordt overgeplaatst krijgt een aanstelling als preventieadviseur, met behoud van zijn vroegere organieke graad en salarisschaal. Indien een overplaatsing niet mogelijk is, kan de aanwijzing of aanstelling beëindigd worden overeenkomstig de wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs.[20]

    Toelichting bij Art. VI 156 [20]

    Entiteiten buiten de diensten van de Vlaamse overheid die willen aansluiten bij de GDPB (bv. eigen vermogens) beschikken mogelijkerwijze reeds over eigen preventieadviseurs. De lijnmanager van het departement Kanselarij en Bestuur[28] kan beslissen dat deze preventieadviseurs onder het functioneel gezag komen van de preventieadviseur-coördinator van de GDPB. De welzijnsreglementering laat toe om te putten uit het personeel van een aangesloten lid.[20]

    Toelichting bij Art. VI 157[23]

    Het kan zijn dat het personeelsplan van een entiteit de graad waarvan een ambtenaar titularis is (bij werving en loopbaan) organiek niet meer voorziet bv. wetenschappelijke graden in een administratieve entiteit. In deze limitatief bepaalde gevallen kan de benoemende overheid op verzoek van de ambtenaar graadver­andering naar de overeenstemmende administratieve graad (adjunct van de directeur voor de wetenschappelijk attaché en directeur/adviseur voor de wetenschappelijk directeur) toekennen.

    De graadverandering van een wetenschappelijke graad naar de overeenkomstige administratieve graad zonder enig salarisverlies binnen dezelfde entiteit is bedoeld als overgangsmaatregel na opmaak van de personeelsplannen na BBB. De overeenkomstige administratieve graden voor de graad van wetenschappelijk attaché is adjunct van de directeur en voor de graad van wetenschappelijk directeur: directeur en adviseur.[32]

    Voor de graadverandering van het wetenschappelijk personeel geldt dat de ambtenaar  tenminste het salaris behoudt dat hij in zijn huidige salarisschaal heeft. Hij kan dus niet meer de functionele loopbaan in de oude graad behouden indien deze voordeliger was, maar hij kan wel uitbetaald blijven in zijn vroegere salarisschaal en hierin geldelijke progressie maken indien deze voordeliger was.[23]

    Toelichting bij Art. VI 158[30]

    Bij de inschaling van de federale personeelsleden in de Vlaamse graden en salarisschalen kan enkel rekening gehouden worden met de graad/titel en salarisschaal van herkomst bij de federale overheid.[30]

    In tegenstelling tot het Vlaamse personeelsstatuut maakt de federale personeelsregelgeving voor aanwerving in de titel van attaché met de salarisschaal A21 geen onderscheid of het betrokken personeelslid al dan niet een diploma heeft in de graad van ingenieur, arts, informaticus of dierenarts. Zo zijn er ook personeelsleden met de titel van attaché (met salarisschaal A21) die een functie van projectleider (zonder ingenieursdiploma) uitoefenen.  De federale overheid heeft immers in 2004 de loopbaan van ingenieur en niet-ingenieur samengevoegd in 1 loopbaan van “attaché”. De bepaling van het “startsalaris” gebeurt op basis van functieweging, ongeacht het diploma.[30]

    Alle personeelsleden van niveau A klasse A1 of A2 hebben bij de federale overheid de titel van attaché (de federale graden van ingenieur, geneesheer, informaticus of dierenarts werden in 2004 afgeschaft en ingeschaald in de titel van attaché). Deze worden dan ook, overeenkomstig het KB van 25 juli 1989, bij de DVO als attaché (zijnde adjunct van de directeur) ingeschaald.
    Er kan daarbij geen rekening gehouden met het diploma dat het betrokken personeelslid heeft op het moment van de overdracht, noch met het feit of het betrokken personeelslid bij aanwerving geslaagd was voor een ingenieursexamen. Dit toch doen zou strijdig zijn met de bepalingen van het KB van 25 juli 1989.[30]

    Niettemin staat het de lijnmanager na de overdracht in het kader van een staatshervorming vrij om overeenkomstig dit artikel de overgedragen personeelsleden met een diploma van ingenieur, arts, informaticus of dierenarts in een graad van respectievelijk ingenieur, arts, informaticus of dierenarts te plaatsen na het doorlopen van een specifieke procedure voor graadverandering.[30] Organiek werd de graadverandering vanaf 1 juli 2016 opgeheven en gaat ze op in de horizontale mobiliteit; hier kan ze bij wijze van overgangsmaatregel nog toegepast worden. De scope bij graadverandering is hetzij de entiteit, hetzij het beleidsdomein, hetzij alle beleidsdomeinen.[32]

    Om na overdacht uit de federale overheid in het kader van een staatshervorming via graadverandering terecht te komen in de loopbaan van ingenieur, arts, informaticus of dierenarts is vereist:

    1. op datum van overdracht titularis zijn van de titel van attaché, adviseur of adviseur-generaal in klasse A2, A3 of A4
    2. in het bezit zijn van het vereiste diploma
    3. bij de Vlaamse overheid slagen voor:
    - een aanwervingsexamen of bevorderingsproef voor die specifieke functie,
    - of een meer beperkte proef op voorwaarde dat betrokkene bij de federale overheid reeds slaagde voor een aanwervingsexamen met dezelfde diplomavereiste als bij de Vlaamse overheid (vb. voor de graad van ingenieur mocht de diplomavereiste uitsluitend master in de ingenieurswetenschappen of master in de bio-ingenieurswetenschappen vermelden, en niet vb. master industrieel ingenieur of master in de geologie, want deze diploma’s geven toegang tot de graad van adjunct van de directeur en niet tot de graad van ingenieur).[30]

    Hierbij moet nog opgemerkt worden:
    - de graadverandering is afhankelijk van vacatures op het personeelsplan;
    - de aan deze graadverandering verbonden salarisverhoging komt ten laste van de entiteit (er is daarvoor geen budget overgedragen door de federale overheid).[30]

    Federale schaal

    Inschaling staatshervorming

    Schaal na graadverandering

    Berekening schaalanciënniteit

     

     

     

    Bij inschaling

    Na graadver.

    A21

    A112

    A121

    1/3 - 2/3

    1/1 (A21)

    A22

    A113 (A121)

    A122

    1/3 – 2/3

    1/3 – 2/3 (A22)

    A23

    A114 (A122)

    A122

    1/3 – 2/3

    1/3 – 2/3 (A22+23)

    A32

    A212 (A294)

    A124

    1/3 – 2/3

    1/3 – 2/3 (A32)

    A33

    A212 (A295)

    A221

    1/3 – 2/3

    1/3 – 2/3 (A33)

    A41

    A213

    A222

    1/3 – 2/3

    1/3 – 2/3 (A41)

    Voorbeeld van berekening van de schaalanciënniteit:
    Een ambtenaar met de graad van attaché en salarisschaal A21 wordt overeenkomstig bijlage 14 ingeschaald in schaal A112.
    Voor de berekening van de schaalanciënniteit wordt rekening gehouden met de federaal opgebouwde anciënniteit in de laatste federale schaal, zijnde A21 (waarbij men niet verder kan teruggaan dan 30 november 2004 – datum van de nieuwe federale loopbanen).
    Betrokkene werd in deze schaal aangeworven op 1/1/2010.
    Zijn schaalanciënniteit bij de DVO bedraagt:
    1/1/2010 – 31/12/2014 = 5j x 1/3 = 1j8m

    Betrokkene verwerft echter een graadverandering en bekomt alzo schaal A121.
    Voor de berekening van de schaalanciënniteit keert men terug naar de begindatum dat hij schaal A21 verwierf bij de federale overheid, zijnde 1/1/2010.
    De schaalanciënniteit in schaal A121 bedraagt dan :
    1/1/2010 – 31/12/2014 = 5j
    Er gebeurt immers geen herleiding naar 1/3 aangezien betrokkene nu op de eerste trap van de functionele loopbaan (schaal A121) ingeschaald wordt (art. VI 150bis).[30]

    Toelichting bij Art. VI 159

    Bij het IWT bestond een zeer specifieke graad van “IWT-adviseur”. Deze graad was opgenomen in niveau A onder de rang A2 en kende een zeer specifieke functionele loopbaan (geregeld in de artikelen 5 en 6 van het agentschapsspecifieke besluit van het IWT - BVR van 13/9/2013).

    In uitvoering van het Vlaams Regeerakkoord 2014 – 2019 fuseerden de personeelsleden van het IWT (luik bedrijfsgerichte processen) met het Agentschap Ondernemen tot het Agentschap Innoveren en Ondernemen op 1 januari 2016. De rest van IWT vormt samen met de Herculesstichting en het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek het extern verzelfstandigd agentschap FWO.

    Bij de overgang naar een andere entiteit, behouden de betrokken personeelsleden in overgang de graad van “IWT-adviseur” en de specifieke functionele loopbaan (toepassing van artikel I 5ter VPS). Het gaat in totaal om 73 personeelsleden die met de graad van IWT-adviseur worden overgedragen.

    Deze functionele loopbaan wordt daarom als overgangsbepaling opgenomen.

    Aanwervingen na de overdracht naar een andere entiteit zullen gebeuren in bestaande graden en schalen van het VPS (navorser): Beginsalarisschaal = A261 en na 10j schaalanciënniteit A262.

    De specifieke salarisschalen verbonden aan deze functionele loopbaan (A201, A202, A221, A282) worden als overgangsbepaling opgenomen.

    Vanaf hun overdracht naar een andere entiteit worden deze personeelsleden verder bezoldigd in hun organieke salarisschaal (A282 voor de statutaire IWT-adviseurs en A214 voor de contractuele IWT-adviseur - opstartformatie).

    Voor het contractuele directielid (IWT-adviseur – opstartformatie), wordt een specifieke overgangsbepaling voorzien voor zijn verdere bezoldiging in de salarisschaal A214.[31]

    naar boven

    Toelichting bij Art. VI 160

    Ambtenaren die op 30 juni 2016 houder waren van een vrijstelling op basis van het tot dan geldende artikel VI 2, VI 3 of VI3 bis behouden deze vrijstelling voor de resterende duur van de zeven jaar tijdens dewelke ze recht hadden op een vrijstelling.
    De vrijstelling geldt voor de competenties waarvoor men vrijgesteld was.[32]

    Op 30 juni 2016 gold op basis van artikel VI 2 dat:

    1° aan het slagen voor een test van de generieke competenties voor een bepaalde graad die onder meer een externe potentieelinschatting omvat, een geldigheidsduur verbonden is van zeven jaar tijdens dewelke het personeelslid vrijgesteld is van deelname aan soortgelijke tests voor eenzelfde graad;

    2° aan het slagen voor een test van de functiespecifieke competenties voor een

    welbepaalde functie die onder meer een externe potentieelinschatting omvat, een geldigheidsduur verbonden is van zeven jaar tijdens dewelke het personeelslid vrijgesteld is van deelname aan soortgelijke tests voor eenzelfde functie;

    3° indien de kandidaat alleen voor de externe potentieelinschatting geslaagd is, de vrijstelling alleen slaat op de externe potentieelinschatting;

    4° indien de kandidaat alleen voor de interne potentieelinschatting geslaagd is, er  geen vrijstelling kan gegeven worden;

    5° indien de kandidaat een positief eindoordeel krijgt voor het geheel van de generieke of functiespecifieke competenties, de vrijstelling alleen slaat op de gehele test van generieke of functiespecifieke competenties.[32]

    Op 30 juni 2016 gold op basis van artikel VI 3dat het personeelslid dat heeft aangetoond dat het over de vereiste generieke competenties beschikt voor een mandaat dat niet tot het top- of middenkader behoort of voor een tijdelijke aanstelling, geacht wordt te beschikken over die competenties tijdens het mandaat of de tijdelijke aanstelling en gedurende zeven jaar na afloop ervan, tenzij het mandaat of de tijdelijke aanstelling werd beëindigd wegens een evaluatie "onvoldoende".[32]

    Op 30 juni 2016 gold op basis van artikel VI 3 bis dat voor de directeursfuncties zowel de positieve resultaten van de externe potentieelinschatting of van de eindbeoordeling van de generieke competenties afgelegd voor de directeurs- en middenkaderfuncties, als de geschiktheid voor de uitoefening van een N-functie of functie van algemeen directeur, gedurende zeven jaar nadat het mandaat of de benoeming werd beëindigd of vanaf de datum van de externe potentieelinschatting, de eindbeoordeling van de generieke competenties of de geschiktheid als de geslaagde niet werd aangesteld of benoemd, recht geven op vrijstelling van de externe potentieelinschatting of van de test generieke competenties voor een directeursfunctie, behalve bij een onvoldoende.[32]

    Uit het voorgaande volgt dat de personeelsleden die op 30 juni 2016 houder waren van een mandaat in een middenkaderfunctie, een N-functie of een functie van algemeen directeur tot zeven jaar nadat ze hun mandaat beëindigen over een vrijstelling blijven beschikken van de test generieke competenties (behalve bij een onvoldoende).[32]

    Ook de zittende titularissen van een directeursfunctie die een vrijstelling genoten op basis van de regeling in artikel VI 3 bis, behouden deze vrijstelling gedurende 7 jaar na het einde van hun benoeming.[32]

    Tevens wordt er een overgangsmaatregel opgenomen waardoor laureaten van overgangsexamens uit het verleden vrijgesteld blijven van het testen van de competenties die overeenkomen met deze waarvoor ze getest werden in het generieke gedeelte van het overgangsexamen, en dit voor de resterende duur van de geldigheid van de werfreserves. De meeste selectiereglementen van generieke overgangsexamens bevatten geen bepalingen inzake geldigheidsduur en waren onbeperkt geldig.[34]

    Deze overgangsmaatregel is ook van belang voor de personeelsleden die overgeheveld werden vanuit de federale overheid. Zij behouden het voordeel van het slagen voor het overgangsexamen naar het hogere niveau bij de diensten van de Vlaamse overheid voor de resterende duur van de geldigheid van de federale werfreserve. Dit wordt dan doorvertaald naar een mogelijke vrijstelling. Zij mogen na de overheveling nog een maal deelnemen aan examens voor bevordering naar het hogere niveau waardoor zij desgevallend na datum van 30 juni 2016 een vrijstelling kunnen verwerven voor de competenties die hierbij getest werden.[34]

    Toelichting bij Art. VI 161

    Het generieke toegangsticket voor contractuelen om statutair te kunnen worden in dezelfde graad als de graad waarvoor ze vrijgesteld waren van het generieke gedeelte bij aanwerving, wordt expliciet behouden. Contractuele personeelsleden die op basis hiervan op 30 juni 2016 kunnen meedingen naar een statutaire betrekking, blijven deze mogelijkheid behouden voor de resterende duur van de vrijstelling (hetzij resterende duur van zeven jaar, hetzij onbeperkt).[32]

    Toelichting bij Art. VI 162

    Alle procedures die voor 1 juli 2016 op basis van deel VI werden opgestart, worden verdergezet conform de regels die bij opstart van de procedure golden.[32]

    Toelichting bij Art. VI 163[34]

    Langdurige verloven die voor 31 januari 2017 toegekend zijn aan de houder van een IT-mandaat van rang A2A of aan de houder van een mandaat van preventieadviseur-coördinator blijven verder lopen tot aan de goedgekeurde einddatum.[34]