chat-altchatcrossloginquestion-circlesearchsmileystarthumbup-downwarning
Vlaanderen
Contacteer ons
    Terug naar overzicht Stuur een e-mail

    Stuur een e-mail naar 1700, de informatiedienst voor al uw vragen aan de overheid.
    U ontvangt een kopie van uw bericht.

    Terug naar overzicht Chat met ons
    Uw chatgesprek wordt automatisch gestart zodra er een medewerker beschikbaar is.
    Even geduld, uw positie in de wachtrij wordt bepaald.

    Toelichting bij Deel VI. De administratieve loopbaan - Titel 7

    Titel 7. De IT-mandaten en tijdelijke aanstellingen

    Hoofdstuk 1. De IT-mandaten [2]

    Toelichting bij Art. VI 68

    § 1 geeft een overzicht van de graden die uitsluitend bij wijze van mandaat worden begeven. Het betreft functies binnen het beleidsveld ICT en daarom worden ze IT-mandaten genoemd. Ook de top- en middenkaderfuncties en de functie van preventieadviseur-coördinator worden bij wijze van mandaat begeven. Binnen de IVA VMM wordt de functie van diensthoofd exploitatie bij mandaat begeven; de regeling hiervoor zal uitgewerkt worden in het instellingsspecifiek besluit.

    Alle IT-mandaten situeren zich in de rang A2A, met uitzondering van de functie van financieel-administratief beheerder die zich situeert in de rang A2.

    § 2 bepaalt op algemene wijze dat enkel ambtenaren van de rang A1, A2, A2M en A2E[6] [32] voor het uitoefenen van de te begeven functie in aanmerking komen voor de in § 1, 1° - 5° opgenomen mandaten.

    § 3. De selector beoordeelt, in overleg met de lijnmanager, competenties en andere vereisten (geen tussenkomst meer van het managementorgaan BZ voor de beoordeling van de competenties of van het hoofd van het beleidsveld ICT voor de keuze van de meest geschikte kandidaat). Er is geen opdeling meer in generieke en functiespecifieke competenties.[32]

    Toelichting bij Art. VI 69

    De mededeling van de te begeven betrekkingen, van de voorwaarden van aanwijzing en van de wijze waarop kandidaten hun interesse kenbaar kunnen maken gebeurt door de selector, in overleg met de lijnmanager,[32] aan alle in aanmerking komende ambtenaren.[2]

    Toelichting bij Art. VI 70

    Het selectiereglement bepaalt de specifieke selectieonderdelen en de regels van de procedure.[32]

    Toelichting bij Art. VI 71

    De bevoegdheid tot aanwijzing van de contractbeheerder, strategiebeheerder, coördinator IT-relatiebeheer, financieel-administratief beheerder en beheerder interne IT-dienstverlening komt toe aan de lijnmanager. Het is de lijnmanager die de meest geschikte kandidaat kiest.[32]

    Toelichting bij Art. VI 72

    De ambtenaren die tot contractbeheerder, strategiebeheerder, coördinator IT-relatiebeheer, financieel-administratief beheerder of beheerder interne IT-dienstverlening worden aangewezen, behouden tijdens hun mandaat de functionele loopbaan in de graad waarin ze zijn benoemd.

    Een ambtenaar van de rang A1 bijvoorbeeld die wordt aangewezen als strategiebeheerder behoudt dus de functionele loopbaan van de graad van rang A1 waarin hij is benoemd en de ambtenaar van rang A2 behoudt in voorkomend geval de functionele loopbaan van de graad van rang A2 waarin hij is benoemd.

    Voor de berekening van de schaalanciënniteit worden de werkelijke diensten die deze ambtenaren vanaf hun aanwijzing hebben gepresteerd, mede in aanmerking genomen.

    De aanwijzing in een mandaat houdt eveneens de dienstaanwijzing van de betrokken ambtenaar in.[2]

    Toelichting bij Art. VI 73

    § 1. Het mandaat duurt in principe zes jaar doch is meermaals met dezelfde duur verlengbaar. De verlenging gebeurt stilzwijgend.

    Voor de houder van een IT-mandaat van rang A2A geldt dezelfde voorwaarde als die voor het afdelingshoofd inzake het opnemen van verloven. Bij het opnemen van een langdurig verlof (bv. een onbetaald verlof van een jaar) moet het mandaat neergelegd worden.[34]

    § 2. Van de tijdsduur van een mandaat (6 jaar) wordt (of kan worden) afgeweken om de volgende redenen:

    -

    Bij een functioneringsevaluatie die met "onvoldoende" wordt besloten, wordt het mandaat ambtshalve beëindigd.[12]

    -

    Er kan ook een einde worden gesteld aan het mandaat om functionele redenen.

    De mogelijkheid is voorzien dat op vraag van de mandaathouder zelf een einde aan het mandaat wordt gesteld.

    Na beëindiging van een IT-mandaat keert de ambtenaar terug naar de entiteit van herkomst (zie art. I 16).[12]

    De ambtshalve beëindiging in geval van een wijziging van dienstaanwijzing geldt niet wanneer het betrokken personeelslid in het kader van artikel I 5ter VPS naar een andere entiteit van de diensten van de Vlaamse overheid wordt overgeheveld.[27]

    naar boven

    Hoofdstuk 2 - De projectleiders [9]

    Afdeling 1 - opschrift opgeheven[9]

    Toelichting bij Art. VI 74

    De functie van projectleider wordt ook toegankelijk gemaakt voor contractuele personeelsleden. De voorwaarde dat men dient te behoren tot rang A1 of rang A2 vervalt. Projecten situeren zich op het niveau van 1 bepaald beleidsdomein of alle beleidsdomeinen. Projecten in een entiteit gaan op in de tijdelijke functieverzwaring binnen de entiteit. De duur van het project wordt vooraf vastgelegd en bedraagt maximaal vijf jaar. Het project kan één maal verlengd worden voor de duur van maximaal één jaar. De beperkingen in duur van het project en in duur van de toelage voor tijdelijke functieverzwaring zijn op elkaar afgestemd.[23]

    Ongeacht het niveau waarop het project zich situeert, is het steeds het hoofd van een specifieke entiteit dat een bepaald project opstart en betaalt. Dit kadert dus volledig binnen zijn responsabilisering als lijnmanager en zijn budgettaire middelen. Deze bevoegdheid is niet delegeerbaar (vandaar de term “hoofd van de entiteit” en niet “lijnmanager”). Het hoofd van de entiteit moet weliswaar voorafgaandelijk eerst het akkoord vragen van de functioneel bevoegde minister (s) voor de opstart van projecten voor een beleidsdomein en van de Vlaamse Regering voor de opstart van beleidsdomeinoverschrijdende projecten.[23]

    Toelichting bij Art. VI 75

    § 1. De vacature van projectleider wordt tevens bekendgemaakt aan alle contractuele personeelsleden. De scope van de tijdelijke aanstelling is het betrokken beleidsdomein of alle beleidsdomeinen (art. VI 1).
    Alleen ambtenaren en contractuele personeelsleden die geslaagd zijn voor een objectief wervingssysteem met algemene bekendmaking zoals bepaald in deel III, hoofdstuk 2, van dit besluit kunnen kandideren voor een projectleidersfunctie.[23]

    Een objectief wervingssysteem houdt o.m. een algemene bekendmaking van de functie in. Een selectie voldoet aan het criterium algemene bekendmaking indien ze gepubliceerd werd in het Belgisch Staatsblad of op de website van de VDAB (vanaf 1 november 2014) of indien ze, voor de periode tussen 1 januari 2006 en 31 oktober 2014, gepubliceerd werd op de website van de VDAB en/of op de website van Jobpunt Vlaanderen (zie artikel III 31). Om aan het criterium ‘objectief wervingssysteem’ te voldoen, dient de selectie ook te beantwoorden aan de andere criteria vermeld in artikel III 6 en volgende.[32]

    Het contractueel personeelslid kan bijgevolg enkel projectleider worden als het in dienst kwam met een selectieprocedure zoals voor de statutaire personeelsleden geldt, dit wil zeggen met de nodige waarborgen inzake gelijke behandeling, verbod van willekeur, onafhankelijkheid en onpartijdigheid (art. III 6 VPS), met algemene aankondiging van de selectieprocedure (III 7 en III 31[32]), het opstellen van een selectiereglement (III 9), waarbij de verschillende[32] competenties getest worden (III 8), en de lijnmanager op basis van deze procedure de meest geschikte kandidaat voor de functie kiest (III 10).[23]

    Contractuelen die werden in dienst genomen met toepassing van één van de uitzonderingsgronden vermeld in artikel I 5 § 2 en III 2 (bv. vervangingsopdrachten) komen niet voor projectleidersfuncties  in aanmerking, voor zover zij niet met een objectief wervingssysteem met algemene bekendmaking cfr deel III, hoofdstuk 2 werden in dienst genomen.[23]

    § 2.[23] De "statutaire voorwaarden" zijn de objectieve voorwaarden waaraan een kandidaat overeenkomstig het statuut (het VPS) moet voldoen om te mogen deelnemen aan de procedure.[9]

    § 3. Het selectiereglement bepaalt de specifieke selectieonderdelen en de regels van de procedure.[32]

    § 4.[23] De beslissing tot aanstelling van de projectleiders vermeldt de omschrijving, de begindatum van de opdracht, eventueel de nadere bepalingen van de opdracht en de standplaats en dient gemotiveerd te worden.[2] Het is de lijnmanager die de meest geschikte kandidaat kiest.[32]

    Toelichting bij Art. VI 76

    Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat de duur van de tijdelijke aanstelling tot projectleider gelijk is aan de duur van het project.

    Tijdens zijn aanstelling heeft de projectleider het hiërarchisch gezag over de andere personeelsleden die meewerken aan het project.

    De bezoldiging van de projectleiders wordt geregeld in artikel VII 27.
    De projectleidertoelage kan gecumuleerd worden met andere toelagen, met uitzondering van de beschikbaarheidtoelage aangezien de beschikbaarheid hier het criterium is. De mogelijke cumulatie veronderstelt een uitzonderlijke situatie en/of prestatie, en het bereiken van de vooraf bepaalde tussentijdse of eindresultaten van het project.[2]

    Toelichting bij Art. VI 77

    Bij de aanstelling tot projectleider wordt tevens de dienstaanwijzing vastgesteld.

    De projectleider behoudt tijdens zijn aanstelling de functionele loopbaan in de graad waarin hij werd benoemd.[2]

    De tijdelijke aanstelling als projectleider gebeurt steeds voltijds. Er wordt geen proeftijd voorzien: het gaat om een tijdelijke aanstelling op basis van de statutaire of contractuele tewerkstelling buiten het wervingscircuit.[23]

    Toelichting bij Art. VI 78

    De tijdelijke aanstelling van de ambtenaar in de functie van projectleider wordt ambtshalve beëindigd bij een functioneringsevaluatie die met onvoldoende wordt besloten, bij een bevordering, bij een aanwijzing in een mandaat of bij een wijziging van dienstaanwijzing.[23] De ambtshalve beëindiging in geval van een wijziging van dienstaanwijzing geldt evenwel niet wanneer het betrokken personeelslid in het kader van artikel I 5ter VPS naar een andere entiteit van de diensten van de Vlaamse overheid wordt overgeheveld.[27
    Daarenboven komt er ook van rechtswege een einde aan de tijdelijke aanstelling in geval van een beslissing tot loopbaanvertraging, vermits in dit geval - net als bij een onvoldoende - geoordeeld wordt dat de projectleider ondermaats presteert.[23]

    De overheid bevoegd voor de aanstelling kan steeds een einde stellen aan de tijdelijke aanstelling van de ambtenaar om functionele redenen, bij langdurige afwezigheid, of op vraag van de projectleider zelf.[23]

    Na beëindiging van een tijdelijke aanstelling als projectleider keert de ambtenaar terug naar de entiteit van herkomst (zie art. I 16).[12]

    De tijdelijke aanstelling vanhet contractuele pesoneelslid wordt beëindigd volgens de regels van het arbeidsrecht.[23]

    Afdeling 2 - opgeheven [6]

    Toelichting bij Art. VI 79 - VI 82

    De staffunctie wordt opgeheven aangezien deze functies opgaan in de inhoudelijke loopbaan.[6]

    naar boven

    Hoofdstuk 3. De waarneming van een hoger ambt [2]

    Toelichting bij Art. VI 83-VI 84-VI 85

    De figuur van de waarneming van een hoger ambt en de daaraan gekoppelde toelage houdt organiek op te bestaan en gaat op in de toelage voor tijdelijke functieverzwaring (art. VII 44bis). Zolang echter de functiezwaarte van de functie van een ambtenaar nog niet bepaald is, blijft het mogelijk om een hoger ambt toe te kennen tot maximaal 2 jaar na de datum van inwerkingtreding van artikel VII 44bis (zie overgangsmaatregel in artikel VII 170, tweede lid).[23]

    naar boven

    Hoofdstuk 4. De preventiefuncties [20]

    Afdeling 1. Definities[20]

    Toelichting bij Art. VI 86

    Definitie van lijnmanager, overlegcomité en comité GDPB die in het kader van dit hoofdstuk gelden. Het comité GDPB is het comité dat na machtiging door de federale overheid door de Vlaamse Regering zal worden belast met de aansturing van de GDPB, samen met het eveneens nog op te richten Welzijnsforum.[20]

    Afdeling 2. De preventiediensten[20]

    Toelichting bij Art. VI 87

    Bij de overheidsdiensten onderworpen aan de wet van 19 december 1974 richt men één IDPB op voor elk gebied van een hoog overlegcomité. Indien evenwel onder het gebied van één hoog overlegcomité verschillende ministeries of publiekrechtelijke rechtspersonen vallen, moet men voor elk ministerie of elke publiekrechtelijke rechtspersoon een IDPB oprichten  (art. 36, §1 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk (Welzijnswet)). Voorheen was er één Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk voor de diensten van de Vlaamse Regering (het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de wetenschappelijke instellingen). Na de omvorming in het kader van BBB is deze gemeenschappelijke structuur de facto blijven bestaan voor alle ministeries en IVA zonder
    rechtspersoonlijkheid met de bedoeling om er een GDPB van te maken. De Vlaamse Regering heeft haar goedkeuring verleend aan de organisatie van één GDPB (VR/PV/2006/18 van 9 juni 2006). De huidige interne preventiedienst die werkt voor alle ministeries kan bijgevolg niet meer vervangen worden door aparte interne preventiediensten voor elk Vlaams ministerie apart (wat meer naar de letter van de welzijnsreglementering zou zijn). De in het ontwerpbesluit vermelde reglementering bouwt voort op deze historisch gegroeide situatie. De op te richten GDPB vervult de taken en opdrachten van een interne dienst voor preventie en bescherming op het werk (IDPB). De Koning kan de voorwaarden en nadere regelen bepalen volgens welke hij een werkgever of een groep van werkgevers toestaat een GDPB op te richten en hij kan hen machtigen een GDPB op te richten, alsook de bevoegdheid, samenstelling en werkwijze ervan bepalen (art. 38 Welzijnswet). Zie ook KB van 27/10/2009 betreffende de oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst voor preventie en bescherming op het werk (B.S. 16/11/2009). De IVA met rechtspersoonlijkheid, de EVA, raden of
    instelling Gemeenschapsonderwijs kunnen aansluiten bij de GDPB. De Vlaamse Regering hechtte al eerder haar goedkeuring aan de aansluiting van bepaalde
    entiteiten (bvb. VREG, FIT, VRM) bij de GDPB. Andere instanties binnen de Vlaamse overheidssector die kunnen aansluiten zijn onder meer Vlaamse instellingen buiten de diensten van de Vlaamse overheid (zoals gedefinieerd in het VPS). Het gaat dan bv. over vzw’s binnen de Vlaamse overheidssector, eigen vermogens en de leden van de Inspectie van het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming. Deze zullen onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering oplegt kunnen aansluiten bij de GDPB.[28]
    De oprichting van de GDPB zal geregeld worden in een apart besluit van de Vlaamse Regering, na machtiging van de federale overheid.[20]

    Bij KB van 1 maart 2000 werd aan de Vlaamse Openbare Instelling Gemeenschapsonderwijs een machtiging verleend om een gemeenschappelijke preventiedienst op te richten. Deze dienst werkt voor alle werknemers tewerkgesteld door de administratieve diensten en de onderwijsinstellingen van het Gemeenschapsonderwijs. Voor deze  emeenschappelijke dienst werken enerzijds personeelsleden van de administratieve diensten van het Gemeenschapsonderwijs met een tijdelijke aanstelling als preventieadviseur of een mandaat van preventieadviseur-coördinator, waarvoor de bepalingen van de IDPB uit het VPS van toepassing zijn. Anderzijds werken voor deze gemeenschappelijke dienst ook personeelsleden van het onderwijs waarvoor een andere rechtspositieregeling geldt.
    De aansluitingsmogelijkheid bij een gemeenschappelijke dienst voor preventie en bescherming op het werk is bijkomend aan de mogelijkheid voor de administratieve diensten van het Gemeenschapsonderwijs om op zichzelf (zonder de scholengroepen) aan te sluiten bij de GDPB.[20]

    Afdeling 3. Algemene bepalingen[20]

    Toelichting bij Art. VI 88

    Een IDPB omvat in principe volgende disciplines:

    arbeidsveiligheid;
    arbeidsgeneeskunde;
    ergonomie;
    bedrijfshygiëne;
    psychosociale aspecten van de arbeid.[20]

    De GDPB omvat alle disciplines behalve arbeidsgeneeskunde. Hiervoor doet de Vlaamse overheid beroep op een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk (EDPB).

    De IVA’s met rechtspersoonlijkheid, EVA’s, raden en instellingen die niet aansluiten bij de GDPB bepalen, rekening houdend met het globaal preventieplan en na voorafgaand advies van het bevoegde overlegcomité, welke vaardigheden aanwezig moeten zijn in de IDPB of de instelling en voor welke vaardigheden men beroep doet op een externe dienst (art. 14 KB Interne Dienst). Artikel 9 van het KB Interne Dienst vermeldt welke opdrachten bij een werkgever van groep A en B verplicht door de IDPB zelf op te nemen zijn en welke men kan uitbesteden.

    Uit de samenlezing van artikel 2 en artikel 14 van het KB Interne Dienst blijkt dat enkel de preventieadviseurs belast met de opdrachten inzake arbeidsveiligheid, arbeidsgeneeskunde en psychosociale aspecten van de arbeid het statuut van preventieadviseur hebben. Voor de bedrijfshygiënisten en ergonomen die thans deel uitmaken van de GDPB gelden niet de wettelijke bepalingen van het KB Interne Dienst inzake aanstelling en verwijdering uit de functie. Op termijn zal het toepassingsgebied van het KB Interne Dienst echter alle preventieadviseurs omvatten. Daarom opteert de Vlaamse overheid ervoor om ergonomen of bedrijfshygiënisten toch de titel van preventieadviseur te laten dragen indien ze gelijkaardige verantwoordelijkheden dragen als de andere preventieadviseurs. Bij de GDPB is thans een preventieadviseur ergonomie in dit geval.

    Artikel 37 van de Welzijnswet bepaalt dat zodra er in een IDPB meer dan één preventieadviseur is, er één preventieadviseur de leiding draagt van de IDPB. Voor de GDPB is het steeds een preventieadviseur-coördinator (rang A2, salarisschaal A 287) die de leiding opneemt. Voor de IDPB kan men een beroep doen op een preventieadviseur-coördinator zodra er meer dan één preventieadviseur is, maar men kan ook de leiding toevertrouwen aan een preventieadviseur.[20]

    Toelichting bij Art. VI 89

    § 1-§ 3. De techniek van het mandaat voor de preventieadviseur-coördinator en van de tijdelijke aanstelling voor de preventieadviseur blijft behouden. Het werken met een tijdelijke aanstelling heeft als voordeel dat men ambtenaren kan aanduiden met om het even welke graad of salarisschaal die een opleiding tot preventieadviseur gevolgd hebben. Zij behouden dan hun loopbaan binnen hun graad van oorsprong (bv. een ingenieur met een tijdelijke aanstelling als preventieadviseur kan verder de ingenieursloopbaan doorlopen).[20]

    De functies van preventieadviseur-coördinator en preventieadviseur worden ingevuld door aanwijzing of aanstelling van reeds in dienst zijnde ambtenaren, door externe werving in statutair verband, al dan niet gecombineerd met horizontale mobiliteit. Bij combinatie van procedures doorlopen alle kandidaten dezelfde selectie. De lijnmanager kan ook opteren voor een procedure van horizontale mobiliteit alleen waarbij men zich dan richt op ambtenaren die de functie reeds uitoefenen.[20]

    Voor de aanstelling van preventieadviseurs kan men zich dus richten tot reeds in dienst zijnde ambtenaren die het vereiste getuigschrift behaald hebben,  of kan men zich richten tot preventieadviseurs van andere entiteiten en hen laten overkomen via horizontale mobiliteit,  of kan men overgaan tot externe werving.
    De principes inzake de statutaire invulling van vacatures (combinatie van procedures) zoals bepaald in artikel I 5, § 1, VPS zijn niet van toepassing. Het gaat immers over tijdelijke aanstellingen of een aanwijzing in een mandaat bovenop een statutaire basisgraad.
    De procedure van aanwerving moet voortaan altijd gecombineerd worden met de procedure van externe mobiliteit.[32]

    Afwijken van de diplomavoorwaarde (niet de voorwaarden qua getuigschrift of niveau opgelegd in de welzijnsreglementering) kan, gezien de functie van preventieadviseur een knelpuntfunctie is (zie MB van 15 juni 2009 houdende vaststelling van de knelpuntfuncties binnen de diensten van de Vlaamse overheid). Bij openstelling bij externe werving in statutair verband kunnen contractuele personeelsleden die aan de opleidingswaarden voldoen tevens meedingen. Bij werving worden ze dan in statutair verband benoemd, na het doorlopen van een proeftijd. De lijnmanager bepaalt vooraf de graad en rang waarin hij statutair zal werven (=de terugvalgraad na beëindiging van het mandaat of de tijdelijke aanstelling en de referentiegraad in geval van bevordering). Wat de tijdelijke aanstelling betreft, blijft de situatie behouden die thans nu  reeds mogelijk is bij externe werving van een preventieadviseur die als ambtenaar van rang A1 wordt geworven.[20]
    Voorstellen inzake overplaatsing via horizontale of externe mobiliteit, worden steeds aan het bevoegde overlegorgaan voorgelegd (HOC of bevoegde EOC).[32]

    § 4. De preventieadviseur-coördinator en de preventieadviseur krijgen voor de duur van het mandaat of de tijdelijke aanstelling een dienstaanwijzing in de GDPB of de IDPB. Na afloop van het mandaat of de tijdelijke aanstelling, keert de niet extern geworven ambtenaar terug naar de entiteit van herkomst en dit in toepassing van de algemene regel van artikel I 16 die bepaalt dat de ambtenaar die de uitoefening van zijn functie onderbreekt voor het opnemen van een tewerkstelling in een andere functie binnen de diensten van de Vlaamse overheid een terugkeerrecht heeft naar de entiteit van herkomst.[20]

    Toelichting bij Art. VI 90

    Bij de voortijdige beëindiging van het mandaat of de aanstelling is er geen verplichting om een kandidaat van de lijst van de commissie (preventieadviseur-coördinator) of een persoon die zich voor dezelfde aanstelling geldig kandidaat had gesteld (preventieadviseur) als vervanger in dienst te nemen, enkel de mogelijkheid.
    Men kan dus putten uit de lijst van geschikte  kandidaten voor de functie van preventieadviseur-coördinator die door de bijzonder commissie werd vastgesteld naar aanleiding van een voorgaande procedure of uit de lijst van kandidaten voor de functie van preventieadviseur die aan alle voorwaarden beantwoordden in het kader van een voorgaande procedure. In het geval een dergelijke vervanger wordt aangewezen of aangeduid, is dit voor de duur van zes jaar (en niet voor de resterende duur van het mandaat van de voorganger).[20]

    Toelichting bij Art. VI 91

    De aanwijzing in het mandaat van preventieadviseur-coördinator bij de GDPB gebeurt voor de volledige arbeidsduur. De aanwijzing in het mandaat van preventieadviseur-coördinator bij de IDPB en de aanstelling van een preventieadviseur bij de GDPB of IDPB gebeurt voor de volledige arbeidsduur (38 u/week) of voor een gedeelte (bvb. 50% van een voltijdse arbeidsduur). Bij een voltijdse aanwijzing of aanstelling vervult de preventieadviseur(-coördinator) geen andere taken dan deze in het kader van de welzijnsreglementering; bij een deeltijdse aanwijzing of aanstelling kunnen naast de taken in het kader van de preventie, nog andere (administratieve) taken deel uitmaken van het takenpakket.[20]

    Artikel 17, §2 van het KB Interne Dienst legt op dat er een akkoord van het overlegcomité nodig is om de minimumduur van de prestaties van de preventieadviseurs te bepalen.  De duur van de prestaties betreft de tijd die men minimaal moet besteden om de opdrachten en activiteiten toegekend aan de preventieadviseurs te kunnen vervullen.[20]

    De preventieadviseurs(-coördinatoren) kunnen deeltijds werken op basis van de verloven vermeld in deel X: verlof voor deeltijdse prestaties (als recht onder de voorwaarden bepaald in artikel X 25, §1, en anders als gunst), gewone loopbaanonderbreking, thematische loopbaanonderbrekingen en onbetaald verlof. De mogelijkheid van deeltijds werken door het nemen van verlof doet niets af aan het feit dat het mandaat van preventieadviseur-coördinator bij de GDPB principieel een voltijds mandaat is.[20]

    Als een overgang naar deeltijds werk voor gevolg heeft dat de minimumduur van de prestaties van de preventieadviseurs zoals bepaald in akkoord met het overlegcomité niet realiseerbaar is, moet de vermindering van deze minimumduur of de bijkomende aanstelling van preventieadviseurs aan het HOC (GDPB) of bevoegde overlegcomité (IDPB)  worden voorgelegd.[20]

    Voor de preventieadviseur-coördinator geldt dezelfde voorwaarde als die voor het afdelingshoofd inzake het opnemen van verloven. Bij het opnemen van een langdurig verlof (bv. een onbetaald verlof van een jaar) moet het mandaat neergelegd worden.[34]

    Toelichting bij Art. VI 92

    Artikel 16 van het KB van 27 maart 1998 betreffende de Interne Dienst voor preventie en bescherming op het Werk (KB Interne Dienst) bepaalt dat de preventieadviseur belast met de leiding van de dienst rechtstreeks afhangt van de persoon belast met het dagelijks beheer van de instelling of onderneming. Het is dan ook logisch dat de leidend ambtenaar van het departement Kanselarij en Bestuur[28] evaluator is van de preventieadviseur-coördinator GDPB. De evaluatie van de preventieadviseur-coördinator GDPB gebeurt na voorafgaandelijke bespreking in het Comité GDPB. Het Comité GDPB keurt de jaarplanning van de preventieadviseur-coördinator goed, op voorstel van de leidend ambtenaar van het departement Kanselarij en Bestuur[28].
    De preventieadviseur-coördinator blijft weliswaar inhoudelijk onafhankelijk voor de uitoefening van zijn functie. Deze onafhankelijkheid houdt onder meer in dat de secretaris-generaal geen instructies mag geven over de adviezen die de preventieadviseur-coördinator en de preventieadviseurs uitbrengen.[20]

    De bevoegdheid voor de evaluatie van de preventieadviseur-coördinator van een IDPB wordt overgelaten aan de hoofden van de entiteiten met rechtspersoonlijkheid.[20]

    Afdeling 4. Aanwijzins- en aanstellingsprocedure[20]

    Toelichting bij Art. VI 93

    Dit artikel beschrijft de mogelijkheden tot aanwijzing of aanstelling De rangen van waaruit men kan meedingen naar het mandaat van preventieadviseur-coördinator en de aanstelling van preventieadviseur blijven behouden.[20]

    Toelichting bij Art. VI 94

    § 1. De opleidingsvereisten van een preventieadviseur-coördinator en preventieadviseur zijn afhankelijk van de groep waartoe de werkgever behoort.[20]

    Werkgevers van groep A stellen meer dan 1000 werknemers tewerk, van groep B tussen de 200 en 1000, van groep C minder dan 200 en groep D minder dan 20 (tenzij ze gesitueerd zijn in specifieke bedrijfstakken met welbepaalde risico’s) (art. 3, §1 KB Interne Dienst).
    Voor de leiding van een IDPB van een werkgever van groep A is een cursus van niveau 1 vereist en dient men minstens over 2 jaar ervaring te beschikken als  preventieadviseur in een IDPB (zie art. 15 en art. 22, §1 van het KB Interne Dienst).[20]

    De wettelijke vereisten op basis van de welzijnsreglementering zijn de volgende: bij werkgevers van de groep A en B dient een preventieadviseur met vrucht de aanvullende vorming te hebben gevolgd zoals bepaald in het KB van 17 mei 2007 betreffende de vorming en de bijscholing van de preventieadviseurs van de interne en de externe diensten voor Preventie en Bescherming op het Werk (art. 22, §1 KB Interne Dienst). De aanvullende vormingen zijn modulair opgebouwd en omvatten een multidisciplinaire basismodule en een specialisatiemodule van het eerste of tweede niveau. De inhoud van de modules is vastgelegd in bijlage II van het voormelde KB van 17 mei 2007.[20]

    Preventieadviseurs die in het verleden een basiscursus niveau 1 of niveau 2 hebben gevolgd, voldoen aan de vereisten van de basiskennis (art. 23 en 33, §2 van het voormelde KB van 17 mei 2007).[20]

    De preventieadviseur psychosociale aspecten van een IDPB moet over dezelfde opleiding beschikken als een preventieadviseur psychosociale aspecten van een externe dienst en moet dus beantwoorden aan de voorwaarden van art. 22, eerste lid, 5° van het KB van 27 maart 1998 betreffende de Externe Diensten voor Preventie en Bescherming op het Werk (zie artikel 55 van het KB van 10 april 2014 betreffende de preventie van sociale risico's op het werk).[20]

    De preventieadviseur psycho-sociale aspecten  mag geen deel uitmaken van het leidinggevend personeel. Onder leidinggevend personeel verstaat men de personen belast met het dagelijks bestuur van de onderneming of instelling, die gemachtigd zijn om de werkgever te vertegenwoordigen en te verbinden, alsmede de personeelsleden, onmiddellijk ondergeschikt aan die personen, wanneer zij eveneens opdrachten van dagelijks bestuur vervullen. In de praktijk gaat het dus om de twee hoogste niveaus binnen een entiteit (zie artikel 32 sexies § 1 van de wet van 4 augustus 1996).

    Voor de GDPB moet de preventieadviseur-coördinator dus beschikken over een opleiding niveau 1 en minstens 2 jaar ervaring. De preventieadviseur van de GDPB moet minstens over een opleiding niveau 2 beschikken.[20]

    § 2. De selectieprocedure wordt aangepast overeenkomstig de hervorming en uniformisering van de selectieprocedures (cfr. art. III 8, III 9 en III 10).[32]

    § 3. De selectie van de preventieadviseur-coördinator gebeurt door een bijzondere commissie. In deze commissie zetelt een selectiedeskundige die een assessor van een extern assessmentbureau kan zijn (bv. voor de meting van de generieke competenties). Een vertegenwoordiger van een gespecialiseerd extern bureau is een persoon die inzake preventie en bescherming op het werk een leidinggevende of coördinerende functie vervult in een organisatie uit de private of publieke sector die gespecialiseerd is in veiligheidsbeleid en welzijn op het werk.[20]

    § 5. De lijnmanager draagt voor de functie van preventieadviseur-coördinator of preventieadviseur een kandidaat die aan de voorwaarden voldoet voor aan het overlegcomité.[20]

    § 6. De welzijnsreglementering bepaalt dat voor de aanduiding van een preventieadviseur die belast is met de leiding van de dienst (bij de Vlaamse overheid preventieadviseur-coördinator genaamd) en voor de aanduiding van de andere preventieadviseurs het voorafgaand akkoord vereist is van het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk (CPBW) (art. 20, §1 KB Interne Dienst). Bij de Vlaamse overheid oefent het HOC (of BDOC, EOC of SEOC) de bevoegdheden uit die het CPBW in de privésector heeft. Artikel 39 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel bepaalt dat de overlegcomités (HOC, BDOC,EOC of SEOC) de bevoegdheden van de CPBW’s uitoefenen. De werking van de overlegcomités wordt door het koninklijk besluit van 28 september 1984 geregeld. Om te bepalen welk overlegcomité bevoegd is over een welzijnsaangelegenheid moet men nagaan op welke entiteiten en op welke personeelsleden die materie betrekking heeft. Voor de selectieprocedures bij de GDPB van de preventieadviseurs en de preventieadviseur oefent het HOC de bevoegdheden van het CPBW uit; voor de selectieprocedures bij een IDPB het bevoegd overlegcomité.[20]

    Voor de aanduiding van een preventieadviseur psychosociale aspecten is bovendien een unaniem akkoord vereist van het HOC of het bevoegd overlegcomité (art. 32sexies, §1 en §2 van de Welzijnswet).[20]

    Indien het HOC of het bevoegd overlegcomité geen akkoord kan bereiken, vraagt de werkgever het advies van de met het toezicht belaste ambtenaar (art. 20, §2 KB Interne Dienst en art. 57 van het KB van 10 april 2014 betreffende de preventie van risico's op het werk, waaronder geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk). De ambtenaren belast met het toezicht op de welzijnswet zijn de sociaal inspecteurs van de regionale Directie van het Toezicht op het Welzijn op het Werk (FOD Waso).[20]

    Krachtens artikel 32sexies, §1 vierde lid van de welzijnswet doet de werkgever een beroep op een externe preventieadviseur psychosociale aspecten (van een EDPB) indien  na tussenkomst van de inspectie nog steeds geen akkoord bereikt wordt over de aanstelling binnen de interne dienst van een preventieadviseur psychosociale aspecten.[20]

    Afdeling 5. Beëindigingsregels[20]

    Toelichting bij Art. VI 94bis

    Bij beëindiging van het mandaat of de tijdelijke aanstelling valt de statutaire preventieadviseur-coördinator of de preventieadviseur terug op zijn basisgraad. Er komt een einde aan de tijdelijke dienstaanwijzing en de niet-extern geworven ambtenaar beschikt over een terugkeerrecht naar de entiteit van herkomst (zie art. I 16). De lijnmanager kan de voor de GDPB of IDPB extern geworven ambtenaar wiens mandaat of tijdelijke aanstelling ten einde komt voor herplaatsing aanmelden (facturatiekost het Agentschap Overheidspersoneel[29] komt ten laste van de entiteit in kwestie).[20]

    Toelichting bij Art. VI 94ter

    Voor de verwijdering uit de functie van preventieadviseur-coördinator of preventieadviseur is het voorafgaand akkoord van het HOC of het bevoegd overlegcomité vereist (zie art. 20 §1 van het KB Interne Dienst). Bovendien gelden de bepalingen uit de wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs. Uit een advies van de FOD Waso van 8 januari 2010 blijkt dat de wet van 20 december 2002 niet van toepassing is op de bedrijfshygiënisten en de ergonomen. De  preventieadviseurs ergonomie/bedrijfshygiëne bij de Vlaamse overheid hebben bij werkverwijdering dezelfde statutaire bescherming als de preventieadviseurs arbeidsveiligheid en psychosociale aspecten (voorafgaand akkoord HOC of overlegcomité). De wettelijke bescherming (voorafgaand akkoord HOC of overlegcomité plus verplicht advies FOD Waso bij niet akkoord) blijft vooralsnog enkel beperkt tot de preventieadviseurs arbeidsveiligheid en psychosociale aspecten.[20]

    naar boven

    Hoofdstuk 5 - opgeheven[9]

    Toelichting bij Art. VI 95

    - opgeheven[9]

    Toelichting bij Art. VI 96

    - opgeheven[9]

    Toelichting bij Art. VI 97

    - opgeheven[9]

    Toelichting bij Art. VI 98

    - opgeheven[9]

    Toelichting bij Art. VI 99

    - opgeheven[9]

    Toelichting bij Art. VI 100

    - opgeheven[9]

    De tijdelijke aanstelling van junior auditor wordt geschrapt. De functie van junior auditor zelf blijft wel bestaan, maar zal ingevuld worden via de gebruikelijke procedures. De bedoeling is om in deze functies ambtenaren aan te stellen die benoemd zijn of worden in een basisgraad (adjunct van de directeur, informaticus, …).[9]

    De senior auditors werden ambtshalve benoemd tot adviseurs en hebben geen tijdelijke aanstelling meer.[9]

    naar boven

    Hoofdstuk 6. De huisbewaarders [2]

    Toelichting bij Art. VI 101

    De lijnmanager stelt de huisbewaarder aan die onder zijn bevoegdheid ressorteert.[2]

    Toelichting bij Art. VI 102

    § 1. De oproep wordt gericht tot zowel de statutaire als de contractuele personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid, ongeacht hun niveau en rang.
    Zij dient in elk geval een functiebeschrijving en het gewenste profiel te omvatten.

    De kandidaatstellingen gelden ook voor latere oproepen. Er wordt een wervingsreserve bijgehouden.

    § 2. Bij de aanstelling tot huisbewaarder wordt voorrang gegeven aan de personeelsleden van niveau D.

    § 3. Wanneer noch statutaire, noch contractuele personeelsleden zich kandidaat stellen doet men beroep op buitenstaanders, die contractueel worden aangesteld.
    Met buitenstaanders wordt hier bedoeld personen die niet tot de diensten van de Vlaamse overheid behoren.[2]

    Toelichting bij Art. VI 103

    § 1. In dit artikel wordt de beëindiging van de aanstelling van de huisbewaarder geregeld.

    De huisbewaarder heeft een dubbele functie: wanneer hij ontslagen wordt als huisbewaarder hoeft dit niet te betekenen dat hij ontslagen wordt als ambtenaar of als contractueel personeelslid.

    Het vergrijp als huisbewaarder kan echter zo zwaarwichtig zijn dat zijn afzetting (als ambtenaar) gerechtvaardigd is of zijn ontslag om dringende redenen, als hij contractueel personeelslid is.

    Ook kan tweemaal na elkaar de functioneringsevaluatie onvoldoende tot gevolg hebben dat de ambtenaar definitief ongeschikt wordt verklaard wegens beroepsredenen, wat gepaard gaat met afdanking wegens beroepsongeschiktheid. In dit geval betekent zijn afdanking wegens definitieve beroepsongeschiktheid als ambtenaar wel dat hij als huisbewaarder wordt ontslagen.

    Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat hij als huisbewaarder niet onderworpen is aan de functioneringsevaluatie.

    § 3. In geval hij ontslag wenst te nemen, verwittigt de huisbewaarder drie maand van te voren, behalve in geval van overmacht.[2]
    Het ontslag wordt ingediend via een beveiligde zending. Daaronder wordt momenteel verstaan een aangetekende brief of een afgifte tegen ontvangstbewijs (zie artikel I 2,28°).[34]

    naar boven