chat-altchatcrossloginquestion-circlesearchsmileystarthumbup-downwarning
Vlaanderen
Contacteer ons
    Terug naar overzicht Stuur een e-mail

    Stuur een e-mail naar 1700, de informatiedienst voor al uw vragen aan de overheid.
    U ontvangt een kopie van uw bericht.

    Terug naar overzicht Chat met ons
    Uw chatgesprek wordt automatisch gestart zodra er een medewerker beschikbaar is.
    Even geduld, uw positie in de wachtrij wordt bepaald.

    Toelichting bij Deel VII. De verloning - Titel 1

    Titel 1. Het salaris [2]

    Hoofdstuk 1. De bepaling van het salaris tegen 100% [2]

    Toelichting bij Artikel VII 1

    § 1. Dit artikel bepaalt de bezoldiging van de ambtenaar in één van de statutair vastgelegde salarisschalen. Het salaris stemt steeds overeen met een bepaald aantal jaren geldelijke anciënniteit.

    De bevoegdheid tot bepaling van het salaris hangt samen met de bevoegdheid tot benoeming. Overeenkomstig artikel 11 van de besluiten van de Vlaamse regering van 10 oktober 2003 wordt de bevoegdheid tot de toewijzing van de functie en de salarisschaal gedelegeerd aan de hoofden van de departementen en de intern verzelfstandigde agentschappen.[2]

    § 2-4. In principe worden contractuele personeelsleden betaald overeenkomstig de beginsalarisschaal van een ambtenaar met dezelfde of een gelijkwaardige betrekking. Wanneer verschillende achtereenvolgende salarisschalen aan de uitoefening van een betrekking verbonden zijn, blijft het contractuele personeelslid – in tegenstelling tot een ambtenaar – dus steeds in de eerste van deze salarisschalen bezoldigd. Het systeem  van functionele loopbaan dat voor de ambtenaar werd ontwikkeld, bestaat niet voor het contractuele personeelslid.

    Het principe van de gelijke salariëring, zoals dat in art. 30 van het intussen opgeheven[32] APKB wordt geformuleerd, heeft alleen betrekking op contractuele betrekkingen, voor zover deze gelijkwaardig/vergelijkbaar zijn met statutaire betrekkingen.

    Aangezien het intussen opgeheven[32] APKB wat de salariëring betreft van contractuele betrekkingen die niet vergelijkbaar zijn met statutaire ambten, geen bepalingen omvat, kan de salariëring van de contractuele betrekkingen die niet vergelijkbaar zijn met statutaire ambten op autonome wijze worden bepaald.

    De geldelijke regeling verbonden aan de tijdelijke en uitzonderlijke personeelsbehoeften die niet vergelijkbaar zijn met andere statutaire en contractuele functies, wordt vastgesteld hetzij reglementair door een expliciete bepaling, hetzij bij de aanwerving bij beslissing van de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken, in overleg met de functionele minister(s).

    De salarisschalen verbonden aan de bijkomende of specifieke opdrachten worden in principe vastgesteld in de ministeriële besluiten, waarin de lijst van bijkomende of specifieke opdrachten voor de betrokken entiteit, raad of instelling worden vastgesteld.[6]

    Het artikel I 4, § 2 maakt het echter ook mogelijk dat de verloning die aan een bijkomende of specifieke opdracht is verbonden, wordt bepaald in het personeelsstatuut of in een andere reglementering.

    Wat de volgende bijkomende of specifieke opdrachten betreft, werd de verloningsregeling opgenomen in het personeelsstatuut: Vlaams bouwmeester, programmamanager financieel hervormingstraject, programmamanager Vlaams Fiscaal Platform, projectmanager migratie gewestbelastingen, ICT-manager VDAB, ondersteunend personeel van het personeel dat Vlaanderen in het buitenland vertegenwoordigt.

    De reden voor de opname van de verloningsregeling in het personeelsstatuut, in plaats van in het MB heeft voor betrekkingen zoals bvb. deze van de Vlaamse bouwmeester te maken met het feit dat de verloningsregeling slechts algemeen wordt gedefinieerd, met een omschrijving die legistiek zich niet leent tot opname in een MB.[6]

    De geldelijke arbeidsvoorwaarden van het contractuele personeel ter ondersteuning van het personeel dat Vlaanderen in het buitenland vertegenwoordigt, worden samen met de algemene arbeidsvoorwaarden van dit ondersteunend personeel, vastgesteld door de lijnmanager, dit teneinde rekening te kunnen houden met het internationaal privaatrecht, en het plaatselijk recht, waar nodig.

    Niettegenstaande het concept "functionele loopbaan" voor het contractuele personeel niet bestaat, zijn aan welbepaalde contractuele betrekkingen wel geldelijke loopbanen verbonden.

    Een geldelijke loopbaan (contractuele stelsel) onderscheidt zich van een functionele loopbaan (ambtenarenstelsel) in die zin, dat bij een geldelijke loopbaan het bereiken van een aantal jaren effectieve of gelijkgestelde prestaties dat vereist is voor de overgang naar de volgende salarisschaal, niet kan worden vertraagd door een minder gunstige beoordeling, daar waar bij een functionele loopbaan de schaalanciënniteit wel wordt beïnvloed door een loopbaanvertraging of een onvoldoende.[2]

    Toelichting bij Art. VII 2

    Dit artikel bevat de hoofdlijnen inzake de aanrekening van diensten voor de geldelijke anciënniteit.

    Er wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen:[23]

    1. vaststelling van de geldelijke anciënniteit bij aanwerving/opnemen van een nieuwe functie (paragraaf 1)[23]

    Prestaties uit de publieke sector of als begunstigde van een beurs bij een erkende onderwijsinstelling of openbare instelling worden gevaloriseerd.[23]

    De aanwervende overheid kan functierelevante ervaring uit de private sector of als zelfstandige valoriseren.
    Personeelsleden die in het onderwijs in tienden werden betaald mogen niet benadeeld worden.[23]

    2. opbouw van de geldelijke anciënniteit (periodieke salarisverhogingen) tijdens de loopbaan in de functie (paragraaf 2) [23]

    Voor de periodieke salarisverhogingen tijdens de loopbaan in de functie komen alle perioden in dienstactiviteit in aanmerking. Verlof voor deeltijdse prestaties in non-activiteit komt eveneens in aanmerking.[23]

    Contractuele prestaties met een deeltijds contract komen in aanmerking volgens het prestatieregime.[23]

    Schematisch[23]

    Opname van een nieuwe functie (GA)

    Opbouw GA (periodieke salarisverhoging) in de functie

    Enkel functierelevante privé-ervaring of als zelfstandige.

    Prestaties in de publieke sector of als beurshouder worden altijd

    Perioden dienstactiviteit = opbouw

    Perioden non-activiteit = geen opbouw, behalve verlof voor deeltijdse prestaties

    Prestaties als “vrijwilliger”/onbezoldigd = “niet functierelevant”

    Deeltijdse prestaties als contractueel = opbouw volgens prestatieregime

    Op grond van paragraaf 1 van dit artikel valoriseert de lijnamanger bij het "opnemen van een nieuwe functie" de functierelevante privé-ervaring. Het begrip "opnemen van een nieuwe functie" meot zo ruim mogelijk geïnterpreteerd worden.[27]

    Het is niet de bedoeling dat de geldeljke anciënniteit van een personeelslid dat een nieuwe functie opneemt, wordt verminderd. Daarom bouwt paragraaf 3 een garantieregeling in. In de vorige versie van deze paragraaf, zoals ingevoerd met het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014, was deze garantieregeling beperkt tot de gevallen van herplaatsing, overplaatsing, horizontale mobiliteit, externe mobiliteit, bevordering en graadverandering, zoals geformuleerd in deel VI van het VPS.[27]

    Ook wanneer het personeelslid een nieuwe dienstaanwijzing krijgt binenn dezelfde entiteit (artikel I 5, § 5 VPS) of binnen dezelfde afdeling een andere functie opneemt, en met andere woorden een nieuwe functie opneemt, valoriseert de lijnmanager functierelevante privé-ervaring. Om ook in geval van toepassing van artikel I 5, § 5 VPS of bij het opnemen van een andere functie binnen dezelfde afdeling, het behoud van de reeds verworven geldelijke anciënniteit te garanderen, werd dit artikel met het besluit van de Vlaamse Regering van 3 oktober 2014 tot wijziging van het VPS, wat betrft de invoering van de functieclassificatie, het topkader en andere bepalingen, geherformuleerd.[27]

    Samenvattende tabel valorisatie + garantie verworven functierelevante privé-ervaring[27]
    (wat volgens onder vermelde omschrijvingen kan worden beschouwd als opname van een “nieuwe functie” geldt m.a.w. zowel voor de valorisatie als voor de toepassing van de garantieregeling)

    Omschrijving = opname “nieuwe functie”

    Artikel(en) VPS

    Garantie gevaloriseerde functierelevante
    privé-ervaring

     wijziging van dienstaanwijzing

     (voorbeeld I 5, § 5)

    ja

     herplaatsing

    VI 11 – VI 17

    ja

     horizontale mobiliteit

    VI 18

    ja

     overplaatsing administratieve naar niet-administratieve graad

    VI 26, § 1

    ja

     overplaatsing naar een betrekking van een graad van een lagere rang.

    VI 26, § 3

    ja

     overplaatsing naar een betrekking van dezelfde graad en rang

    VI 26, § 4

    ja

     externe mobiliteit

    VI 30bis – VI 30duodecies

    ja

     bevordering

    VI 32

    ja

     specifieke graadveranderingen binnen het zeewezen

    VI 59 e.v.

    ja

     specifieke functiewijziging binnen het zeewezen

    VI 60

    ja

     graadveranderingen binnen dezelfde rang

    VI 65

    ja

     vrijwillige terugzetting in graad

    VI 66 e.v.

    neen

    De Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken legt de nadere modaliteiten tot uitvoering en aanvulling van de basisprincipes inzake de aanrekening van diensten en ervaring voor de geldelijke anciënniteit[18] vast.[2]
    Op basis van deel 1, 1, 3° van de omzendbrief VR 2010/0 betreffende omzendbrieven, dienstorders en dienstmededelingen kan een minister in geen geval zijn regelgevende bevoegdheid uitoefenen bij omzendbrief.[18]

    Zo is het noodzakelijk dat de ministe rvolgende zaken reglementair verankert:
    - definiëring van het begrip "publieke ervaring (publieke diensten";
    - de valorisatie van prestatie sin het onderwijs;
    - de regeling inzake aanrekening van verworven geldelijke anciënniteit vanaf de leeftijd van 23 jaar voor de ambtenaar die bevordert naar niveau A;
    - de mogelijkheid om af te wijken van de valorisatie functierelevante privé-ervaring wanneer het VPS een specifieke regeling voorziet (vb. bij de aanwerving van N-functies en N-1 (deel V)).[27]

    Ter verduidelijking:

    Titularis: de ambtenaar kan slechts titularis zijn van één bezoldigd ambt met volledige prestaties om in aanmerking komende diensten te hebben. Dit is niet het geval wanneer iemand verbonden is aan meerdere werkgevers door verschillende juridische banden en in zijn totaliteit prestaties levert die een normale beroepsactiviteit volledig in beslag neemt (wanneer de ambtenaar tegelijkertijd titularis is van meerdere ambten met onvolledige prestaties). Een uitzondering hierop vormen de diensten gepresteerd in het onderwijs en de diensten gepresteerd in de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, bedoeld in artikel 57 tot 61 van het decreet van 23 januari 1991 betreffende de vorming en de begeleiding van de zelfstandigen en de kleine en middelgrote ondernemingen.[2]

    In uitvoering van het sectoraal akkoord 2005-2007 worden de verplichte deeltijdse prestaties in het kader van de jongerenstages gepresteerd binnen de openbare sector met ingang van 1 januari 2007 in aanmerking genomen voor de berekening van het salaris.[6]

    Onder jongerenstages dienen zowel de stages verricht in het kader van de wet van 22 december 1977 betreffende de budgettaire voorstellen 1977-1978 als deze verricht in het kader van het koninklijk besluit nr. 230 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces van 21 december 1983 te worden begrepen.[6]

    In uitvoering van het sectoraal akkoord 2008-2009 (punt 3.1.) kan vanaf 1 juli 2008 privé-ervaring worden gevaloriseerd, ook als het bezit van ervaring niet als aanwervingsvoorwaarde werd gesteld.[8]

    In het VPS wordt enkel een algemene bepaling opgenomen; de nadere uitwerking is vervat voormelde een rondzendbrief.[8]

    Het doel van deze maatregel is het aantrekken en behouden van competente medewerkers. De huidige regeling, waarbij de relevante beroepservaring in de privé-sector voor de geldelijke anciënniteit enkel kan gevaloriseerd worden indien het hebben van ervaring op voorhand als deelnemingsvoorwaarde werd gesteld, heeft een aantal ongewenste neveneffecten. Ofwel worden valabele kandidaten zonder de vereiste ervaring uitgesloten, ofwel haken kandidaten met ervaring af omdat niets kan gevaloriseerd worden. De huidige opbouw van de salarisschalen, die uitgaat van de veronderstelling dat men in de regel aansluitend bij de schoolse opleiding in dienst treedt bij de overheid, vergroot dit probleem.[8]

    Vanaf 1 juli 2008 kan, ongeacht het feit of bij de opstart van de wervingsprocedure in de functiebeschrijving een minimum aantal jaren ervaring werd gevraagd of niet, de benoemende overheid tot maximaal 9 jaar reële functierelevante beroepservaring in de privé-sector valoriseren. Voor de knelpuntfuncties (artikel III, 3, §1, a) kan de benoemende overheid tot maximaal 15 jaar reële functierelevante beroepservaring valoriseren. Deze aangelegenheid wordt door de Vlaamse minister van bestuurszaken bij rondzendbrief bepaald. Hierin zal tevens een algemene bepaling worden opgenomen, in die zin dat afwijkende voorwaarden inzake vereiste ervaring die in het VPS bestaan, behouden blijven. Het gaat in het bijzonder om de afwijkende selectievoorwaarden in de selectieprocedures voorzien in deel V (N-functies en algemeen directeur).[8]

    De mogelijkheid van valorisering van functierelevante ervaring zal ingeschreven worden in het selectiereglement en de oproep tot kandidaatstelling.[8

    Ingevolge het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 tot wijziging van het Vlaams personeelsstatuut van 13 ]januari 2006, wat betreft het modern hr-beleid op korte termijn en andere bepalingen wordt de mogelijkheid om functierelevante privé-ervaring te valoriseren tot maximum 9 (of 15) jaar opgetrokken tot maximum 20 jaar.[23]

    Voor de N-functies is er de facto nooit een maximumgrens geweest. Artikel V 5, §1 voorziet in een minimum beroepservaring van 10 jaar. De maximumgrens van 9 jaar functierelevante beroepservaring was dus niet van toepassing. Het optrekken van de maximumgrens van 9 naar 20 jaar wijzigde dit niet . Met het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2017 wordt niet alleen voor de N-functie maar voor alle functies de maximumgrens van 20 jaar opgeheven.[34]

    Deze regeling geldt eveneens voor de loodsen, speciaal assistent (functie matroos en stoker), de schipper (functie bootsman en functie schipper), de motorist, de scheepstechnicus en de hoofdscheepstechnicus, met dien verstande dat enkel de vaartijd verworven na het behalen van het vereiste basisdiploma voor valorisatie in aanmerking komt.[8]

    Sinds 1 januari 2006 kunnen personeelsleden bij deeltijdse prestaties ook minder dan 50% van een voltijdse tewerkstelling presteren. In het VPS (en ook de omzendbrief inzake valorisatie van diensten en ervaring) was nog steeds bepaald dat geldelijke anciënniteit wordt opgebouwd bij deeltijdse prestaties van minstens halftijds.[12]

    Deeltijdse prestaties van minder dan 50% verricht vanaf 1 januari 2011 worden gevaloriseerd (BVR 29/04/2011).[12]

    Deze nieuwe regeling heeft in feite enkel een gevolg voor “deeltijdse prestaties” van contractuelen (deeltijdse contracten). Voor statutairen is het steeds zo geweest dat bij verlof voor deeltijdse prestaties volledige geldelijke anciënniteit wordt opgebouwd, zowel tijdens de administratieve toestand “dienstactiviteit” (eerste 5 jaar) als tijdens de administratieve toestand “non-activiteit”.[12]

    Toelichting bij Art. VII 3

    § 1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op ambtenaren en kan niet toepasselijk verklaard worden op contractuele personeelsleden.

    Met bevordering werd initieel bedoeld de benoeming van een ambtenaar tot een graad van een hogere rang, die bij hetzelfde of een hoger niveau is ingedeeld.

    Dit artikel geldt niet voor de ambtenaar die in een andere graad is benoemd wegens het slagen in een wervingsexamen. Deze ambtenaar begint dan immers een nieuwe loopbaan.

    De zinsnede: "... heeft ... nooit een lager salaris ..." betekent dat een vergelijking moet worden gemaakt tussen de huidige salarisschaal en een vorige salarisschaal. Deze vergelijking moet niet alleen gemaakt worden op het ogenblik van de bevordering, maar op elk ogenblik dat er zich in de ene of andere schaal (d.i. deze van de huidige graad of deze verbonden aan de vorige graad) enige wijziging voordoet, vnl. bij een salarisverhoging.

    Dit betekent dat wanneer een ambtenaar bevordert naar een hoger niveau en het salaris in zijn nieuwe graad ligt lager dan in zijn graad van herkomst, de ambtenaar zijn vroeger salaris (verhoogd met de bevorderingspremie) behoudt totdat zijn salaris in zijn nieuwe graad hoger wordt. Dit betekent ook dat betrokkene nog de periodieke salarisverhogingen in zijn oude schaal geniet, echter niet dat de betrokken ambtenaar ook de loopbaan in zijn vorige graad behoudt.

    De betrokken ambtenaar ontvangt in de salarisschaal van herkomst dus wel nog de periodieke salarisverhogingen maar gezien het feit dat betrokkene geen titularis meer is van de graad van het vroeger niveau (niveau van herkomst) en bijgevolg niet meer wordt geëvalueerd in deze graad is er geen doorgroeimogelijkheid meer naar de volgende salarisschaal in de functionele loopbaan in dat niveau. Er wordt bijgevolg geen rekening meer gehouden met de eventuele hogere salarisschaal die betrokkene in zijn vroegere graad nog zou kunnen bekomen hebben.

    Bij bevordering naar een hoger[9] niveau zal de salarisschaalanciënniteit opnieuw beginnen vanaf nul.

    De geldelijke anciënniteit daarentegen blijft wel doorlopen en wordt bij een bevordering naar een hoger[9] niveau gewoon meege­nomen bij de inschaling in dat niveau.

    § 2. De gevolgen wat inschaling betreft wanneer het personeels­lid wordt herplaatst of overgeplaatst, wordt teruggezet in graad, een graadverandering of functiewijziging bekomt, worden voor de duidelijkheid vermeld bij de respectievelijke artikelen in deel VI die de modaliteiten van voormelde veranderingen in de personeelssituatie bepalen.[2]

    Toelichting bij Art. VII 4

    In geval van een functioneringsevaluatie "onvoldoende" wordt de eerstvolgende salarisverhoging gedurende zes maand uitgesteld. Deze maatregel heeft slechts uitwerking indien het maximum van de salarisschaal niet bereikt werd; hij wordt slechts 1 keer toegepast. Na het uitstel van de salarisverhoging met zes maand wordt de daaropvolgende salarisverhoging opnieuw normaal toegekend.

    Bvb. Een ambtenaar krijgt een evaluatie "onvoldoende" op 1 juli 2000. Betrokkene heeft normaal recht op een salarisverhoging op 1 oktober 2000; door de evaluatie onvoldoende heeft hij slechts recht op zijn volgende salarisverhoging op 1 april 2001. De daarnavolgende salarisverhoging verkrijgt hij:

    a) in geval van driejaarlijkse verhogingen op 1 oktober 2003;

    b) in geval van jaarlijkse verhogingen op 1 oktober 2001.

    Indien de evaluatie "onvoldoende" intussen behouden bleef, wordt hij afgedankt wegens beroepsongeschiktheid.[2]

    Toelichting bij Art. VII 5

    Volgens artikel 29, 1° van het intussen opgeheven[32] APKB, is de Vlaamse gemeenschap verplicht aan haar ambtenaren ten minste een jaarlijkse bezoldiging te betalen overeenkomstig het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende toekenning van een gewaarborgde minimumbezoldiging aan sommige personeelsleden van de ministeries of elke andere bepaling die dat besluit mocht wijzigen.[2]

    In het Belgisch Staatsblad van 2 juni 2009 verscheen het KB van 15 mei 2009 tot wijziging van het KB van 29 juni 1973 houdende toekenning van een gewaarborgde bezoldiging aan sommige personeelsleden van de federale overheidsdiensten. Hierin worden de bedragen van de gewaarborgde bezoldiging verhoogd met terugwerkende kracht tot 1 december 2008.[12]

    bedrag à 100% tot 30.11.08
    VPS art. VII 5
    bedrag à 100% vanaf 1.12.08
    KB 15.5.2009

    statutairen

    13.234,20

    13.499,00

    contractuelen

    12.478,10

    12.727,66

    Jobstudenten
    De gewone jobstudenten worden bezoldigd aan 80% van het minimumbedrag in de schaal D111 terwijl de verantwoordelijke kinderopvang 80% ontvangt van het minimumbedrag van de schaal C111.[12]
    Ofschoon de bedragen van de salarisschaal D111 hoger zijn dan het gewaarborgd minimum voor contractuelen, is het steeds zo geweest dat door de toekenning van 80% van D111 en C111 voor de jobstudenten 21+, er toch toepassing is van het gewaarborgd minimum.[12]

    Voor de jobstudenten zijn de salarisbedragen opgenomen in punt 7.1. van de rondzendbrief DVO/BBZ/P&O/2007/11 van 10 mei 2007. Om niet telkens de volledige rondzendbrief te moeten aanpassen bij een wijziging van de bedragen ingevolge indexaanpassing, lineaire loonsverhoging e.d. worden de geactualiseerde bedragen bij elke wijziging gepubliceerd op de website van de afdeling Regelgeving.[12]

    De geactualiseerde bedragen zien er vanaf 1 juni 2011 als volgt uit:[12]

    salarisschaal bruto per maand (1) netto per maand (2)

    jobstudent

    80% D111

    1.372,84

    1.338,52

    verantwoordelijke kinderopvang

    80% C111

    1.477,97

    1.441,02

    21 jaar +

    Gew. minimum

    1.639,75

    1.598,75

    Uit volgende tabel blijkt dat enkel voor statutaire ambtenaren met salarisschaal D111 en met recht op een standplaatstoelage, en een geldelijke anciënniteit van 0 jaar[12], de bezoldiging voorzien in het VPS lager ligt dan het nieuwe bedrag van de gewaarborgde minimumbezoldiging.[2]

    [12] Gewaarborgd minimum vanaf 01/01/2002 (euro) D111 met 0 jaar anciënniteit D111 met 1 jaar anciënniteit

    Vast

    13.499,00

    Beginsalaris 100% (met recht op HT van 719,89 euro à 100%)

    12.779,11

    12.960

    13.210

    Beginsalaris 100% (met recht op StT van 359,95 euro à 100%)

    13.139,05

    12.960

    13.210

    Contractueel

    12.727,66

    Beginsalaris 100% (met recht op HT van 719,89 euro à 100%)

    12.007,77

    12.960

    13.210

    Beginsalaris 100% (met recht op StT van 359,95 euro à 100%)

    12.367,71

    12.960

    13.210

    Dit geldelijk voordeel vertoont de volgende kenmerken:

    1) het wordt opgenomen in het maandsalaris waarop het betrekking heeft;
    2) het is verschuldigd wanneer het salaris verschuldigd is;
    3) het wordt uitbetaald in dezelfde mate als het salaris;
    4) het is onderworpen aan dezelfde inhoudingen als het salaris.

    Wanneer de ambtenaar onvolledige prestaties verricht, dan wordt het in dit artikel bedoelde salaris toegekend overeenkomstig artikel VII 6.

    Voor de ambtenaar die aangewezen is voor een hoger ambt dan dat van zijn graad, wordt de bijslag waarvan sprake in artikel VII 5 niet in aanmerking genomen voor de berekening van de toelage. In al de gevallen wordt het niet geïndexeerde bedrag van de toelage voor de uitoefening van een hoger ambt verminderd met het bedrag van voormelde toelage.[2]

    naar boven

    Hoofdstuk 2. De verrekening van onbezoldigde afwezigheden [2]

    Toelichting bij Art. VII 6

    § 1.[9] In geval van verlof voor deeltijdse prestaties, waarbij de ambtenaar minstens de helft van een voltijdse prestaties moet volbrengen, wordt zijn maandsalaris (of zijn gewaarborgde minimumbezoldiging) in evenredigheid verminderd.

    Historiek[9]

    In het geldelijk statuut (VPS van 24 november 1993) bestonden twee verschillende formules voor betaling van een gedeeltelijk maandloon naast elkaar:

    - de zogenaamde 'evenredige' formule die werd toegepast bij deeltijdse prestaties;

    - de betaling in werkdagen ("de regel van de 1,4 dertigsten"), toegepast bijvoorbeeld bij gecontingenteerd verlof: (de toenmalige) carenzdag enz…[9]

    Bij het door elkaar gebruiken van twee verschillende formules voor gedeeltelijke maandbetaling ontstaan anomalieën (bvb. bij bepaalde combinaties van verlof voor verminderde prestaties en gecontingenteerd verlof werd het salaris negatief of kwam men tot een inhouding van 0 bef).

    Daarom werd met de wijziging van het VPS van 5/10/1999 de volgende formule voor de berekening van het gedeeltelijk maandsalaris ingevoerd. Hiermee werd een billijke verrekening van de deeltijdse prestaties ingevoerd.[9]

    M = VW x n% x NM

              PW

    waarbij:

    M  = het te betalen maandloon;
    VW = het aantal werkdagen waarvoor betaling is verschuldigd;
    PW = het aantal te presteren werkdagen op basis van het werkrooster van de ambtenaar;
    n% = het percentage waaraan de ambtenaar prestaties verricht;
    NM = het normaal maandsalaris  = het jaarsalaris/12 (100% en voor voltijdse prestaties)

    Uiteraard wordt dit maandloon nog geïndexeerd volgens de formule vastgelegd in artikel VII 9.[2]

    Ter illustratie van deze formule gaan hierna een tweetal voorbeelden.[2]

    De twee hiernavolgende voorbeelden werden berekend op basis van een (fictief) bruto-jaarsalaris van 30.000,00 euro of 2.500,00 euro per maand.[2]

    Voorbeeld 1
    Een personeelslid werkt in 2006 deeltijds aan 4/5 (of 80%) waarbij de woensdag als (onbezoldigde) vrije dag wordt genomen en de andere dagen normaal wordt gewerkt.

    De maand augustus 2006 telt 23 werkdagen. Het normaal werkrooster op basis van 4/5-prestaties geeft als resultaat: 18 werkdagen.

    In deze maand neemt hij daarboven op 3 dagen gecontingenteerd of onbetaald verlof.

    Het brutosalaris voor van dit personeelslid wordt als volgt berekend:

    15/18 x 80% van het maandsalaris= 15/18 x 80% x 2.500,00 euro = 1.666,67.

    Voorbeeld 2
    Een personeelslid werkt 80 % (in gehele dagen) in 2006. Vrijdag is zijn onbezoldigde dag.

    Augustus 2006 telt 23 werkdagen.

    Hij dient volgens zijn werkrooster 19 dagen te werken.

    19/19 x 80% van het maandsalaris= 80% x 2.500,00 euro = 2.000,00

    Zijn brutosalaris van de maand bedraagt 2.000,00 euro.

    Conclusie: het vroegere resultaat voor de betaling van verlof voor deeltijdse prestaties blijft dus ongewijzigd.

    § 2. "Salarisbonus"[9]

    Historiek[9]

    De gunstiger percentages (kortweg "salarisbonus" genoemd) uit de federale regeling die in geval van verlof voor deeltijdse prestaties voor persoonlijke aangelegenheden van toepassing waren voor de ambtenaar van 50 jaar en ouder en voor de ambtenaar die ten minste twee kinderen ten laste heeft die niet ten volle de leeftijd van vijftien jaar bereiken, werden in het VPS van 24 november 1993 overgenomen.[9]

    Met de hogervermelde wijziging van het VPS van 5/10/1999 werd voor de salarisbonus de volgende formule ingevoerd:

    - eerst werd het gedeeltelijk maandsalaris berekenen volgens de hoger vermelde formule in § 1;
    - vervolgens naargelang het percentage deeltijds dit gedeeltelijk maandsalaris vermenigvuldigen met:
      10% voor halftijdse prestaties
      4% voor viervijfde prestaties
      2% voor negentiende prestaties[9]

    Te noteren is wel dat er toen enkel aan 50%, 80% en 90% kon worden gepresteerd.
    Daarna, nadat alle percentages aan deeltijdse prestaties mogelijk werden met het VPS van 15 juli 2002 , verder volgens de huidige formule en voor deeltijdse prestaties uit § 1 vermeerderd met het vijfde van het ingevolge het verlof voor deeltijdse prestaties niet geleverde diensten.[9]

    Met het VPS van 13 januari 2006 (wijziging 16 maart 2007) verviel ook de minimumvereiste minstens 50% te presteren. Derhalve werd de salarisbonus geblokkeerd op het maximum van 10%, maar ook deze regel gaf toch nog aanleiding geeft tot anomalieën onder de vorm van een wanverhouding tussen de bonus en het salaris.
    Daarom wordt de berekening te hernomen zoals die was in 1999 teneinde ook hier de billijkheid na te streven.[9]

    Toepassingsgebied[9]

    In 2006 werd het toepassingsgebied van de salarisbonus verder uitgebreid door het recht op verlof voor deeltijdse prestaties ook toe te kennen aan ambtenaren die een kind ten laste hebben dat recht geeft op bijkomende kinderbijslag wegens een aandoening of handicap (onafgezien van het feit of het verlof een recht of een gunst is).[9]

    Deze aanpassing werd reeds als voorafname ingevoerd bij rondzendbrief van 18 juli 2006 met kenmerk: PEBE/DVO/2006/8.[6]

    In uitvoering van het sectoraal akkoord 2008-2009 werd vervolgens het recht op verlof voor deeltijdse prestaties vanaf 01/01/2009 uitgebreid tot de ambtenaar die als eenoudergezin ten minste één kind ten laste heeft dat nog niet de leeftijd van 15 jaar bereikt heeft en de ambtenaar die mantelzorg verleent aan een inwonend gezins- of familielid van 1ste of 2de graad.[8]

    De ambtenaar die als eenoudergezin ten minste één kind ten laste heeft dat nog niet de leeftijd van 15 jaar bereikt heeft en de ambtenaar die mantelzorg verleent aan een inwonend gezins- of familielid van 1ste of 2de graad heeft recht op een salarisbonus (onafgezien van het feit of het verlof een recht of een gunst is).[8]

    Salarisbonus verlof voor deeltijdse prestaties[37]

    In de volgende gevallen wordt bovenop het salaris dat wordt uitbetaald a rato van het prestatieregime een salarisbonus uitbetaald:

    • vanaf de leeftijd van 60 jaar. Dit zorgt voor een afstemming van de regeling inzake verlof voor deeltijdse prestaties met het recht op tijdskrediet vanaf de leeftijd van zestig jaar zoals dit in de private sector geldt;
    • gedurende vijf jaar voor personeelsleden die zich in de volgende situaties bevinden:
      • een kind ten laste hebben dat recht geeft op bijkomende kinderbijslag wegens een aandoening of handicap. Hiervoor gelden administratieve (o.a. jonger dan 21 jaar) en medische voorwaarden (oude regeling: ongeschiktheid van ten minste 66%; nieuwe regeling: 6 punten in totaal of 4 punten in pijler 1);
      • als eenoudergezin ten minste één kind jonger dan vijftien jaar ten laste hebben. De ambtenaar die van dit recht gebruik wenst te maken, moet het bewijs van de samenstelling van zijn gezin leveren door middel van een attest van de gemeentelijke overheid waaruit blijkt dat hij op het moment van de aanvraag uitsluitend en effectief samenwoont met één of meer van zijn kinderen;
      • mantelzorg verstrekken aan een inwonend gezins- of familielid in de eerste of tweede graad. Volgens de handleiding zorgverzekering (MB 06.01.06 houdende goedkeuring van de handleiding zorgverzekering) kunnen alleen personen die in een thuismilieu verblijven, een aanvraag indienen voor mantelzorg. Het thuismilieu is de plaats waar de gebruiker effectief verblijft of inwoont, met uitzondering van de collectieve woonvormen waar personen op een duurzame wijze verblijven en gehuisvest zijn. Een serviceflat, een pleeggezin, een centrum voor kortverblijf en een dagverzorgingscentrum worden beschouwd als zijn een thuismilieu. Opdat de ambtenaar zijn recht kan laten gelden, voegt hij bij zijn aanvraag de beslissing van de zorgverzekering waaruit blijkt dat het betrokken gezins- of familielid door zijn verminderde zelfredzaamheidsscore aanspraak kan maken op een tussenkomst voor mantelzorg of reeds een tussenkomst ontvangt.[37]

    Deze laatste drie categorieën kregen ook vóór 1 januari 2018 een bonus. Ze werden wat de regeling betreft die vanaf 1 januari 2018 zal gelden weerhouden omdat deze drie categorieën werden ingevoerd in het kader van twee sectorale akkoorden.[37]

    Indien een salarisbonus in één van deze categorieën wordt toegekend, wordt deze toegekend voor een periode van maximaal vijf jaar. De periode van vijf jaar geldt voor de drie categorieën samen. Indien aan een ambtenaar op grond van een verlof voor deeltijdse prestaties dat voor 1 januari 2018 is gestart in het kader van één van deze drie categorieën een bonus werd toegekend, dan wordt de resterende looptijd tot de voorziene einddatum (nà 1 januari 2018) gedurende welke de bonus werd uitbetaald op de voormelde vijf jaar niet aangerekend.[37]

    Zoals volgt uit de bovenstaande formulering wordt de salarisbonus ook toegekend aan het contractueel personeel, dat aan de boven vermelde voorwaarden voldoet. Ook wat de salarisbonus betreft is er aldus sprake van een alignering van de arbeidsvoorwaarden van het statutair en contractueel personeel.[37]

    Voorts wordt een salarisplafond ingevoerd. Door dit plafond (dat op zich een sociale correctie inhoudt) zullen personeelsleden die behoren tot de rechthebbende categorieën, maar méér dan het plafond verdienen geen salarisbonus ontvangen.[37]

    In concreto geldt de salarisbonus enkel voor personeelsleden met een salaris van minder dan 37.000 euro (à 100%). Bij een salaris van minder dan 35.000 euro (à 100%) bedraagt het percentage van het niet-gepresteerde deel in de formule ter berekening van de salarisbonus 20% en bij een salaris tussen 35.000 euro en 37.000 euro bedraagt dit percentage 15%. Deze bedragen in euro zijn telkens aan 100% (dus niet geïndexeerd). Onder ‘salaris’ wordt begrepen: het bruto jaarsalaris (obv voltijdse prestaties) vermeerderd met de maandelijkse toelagen (met uitzondering van een aantal toelagen, zie hierna). Aangezien de salarisbonus op maandbasis wordt uitbetaald, moet maand per maand worden gekeken of het plafond al dan niet bereikt is.[37]

    VOORBEELD: voor maand x bedraagt het brutosalaris minder dan 35.000 euro/12 (à 100%) en heeft het personeelslid recht op een salarisbonus obv 20% van het niet-gepresteerde deel. Vanaf  maand y verkrijgt het betrokken personeelslid een toelage voor tijdelijke functieverzwaring en is het bedrag van het bruto maandsalaris + de toelage hoger dan 35.000 euro/12 (à 100%) maar lager dan 37.000 euro/12 (à 100%). Voor maand y wordt de salarisbonus bijgevolg berekend o.b.v. 15% van het niet-gepresteerde deel.[37]

    De afrekening gebeurt dus maandelijks (1/12 van de geïndexeerde jaarbasis + de in die maand betaalde toelagen die in aanmerking komen).[37]

    Wat de toelagen betreft, worden volgende toelageregelingen (die zijn opgenomen in het VPS) voor de berekening van de hogervermelde salarisplafonds meegenomen: de haard- en standplaatstoelage, de projectleiderstoelage, de bevorderingspremie, de toelage voor tijdelijke functieverzwaring, toelagen voor personeelsleden van het agentschap Jongerenwelzijn, de milieutoelage, de toelage voor rekenplichtigen en de kastoelage, de gezagvoerderstoelage, de toelage voor technische bekwaamheid, de toelage voor het secretariaat van de Vlaamse Regering, de toelage voor facilitaire ondersteuning, de BET-toelage, de toelage voor personeelsleden van de GDBPB en IDBP, de toelage voor personeelsleden van de Sociale dienst voor het Vlaams overheidspersoneel, de huisvesting en vervangende toelage, de toelage voor onregelmatige prestaties voor wachters der waterwegen, de luchthaventoelage, de bijzondere toelageregeling voor het loodspersoneel, het zeegeld, de specifieke toelageregeling voor het personeel van de grote varende eenheden van de DAB Vloot, de STCW-toelage, de toelage voor technische bekwaamheid, de arbeidsmarkttoelage voor artsen en arts-specialisten, de Toelage voor de matroos die tijdelijk fungeert als schipper-bootsman of als schipper-stuurman, de risicotoelage voor personeelsleden van het team Mobiele Eenheid van het Vlaams Centrum voor Elektronisch Toezicht van de afdeling Justitiehuizen van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.[37]

    De idee hierachter is om de ‘bestendige’ toelagen mee te laten tellen, en de eerder ‘variabele’ toelagen niet. Daarom worden volgende toelagen voor de berekening van de hoger vermelde salarisplafonds niet meegenomen: alle niet-maandelijkse toelagen (bv. vakantiegeld, eindejaartoelage, prestatietoelage, carpooling, …), de toelagen voor prestaties buiten de normale arbeidstijdregeling, de gevarentoelage, de permanentietoelage en toelage voor ploegenarbeid.[37]

    Toelageregeling

    Artikel

    Telt mee

    Telt niet mee

    haard- en standplaatstoelage

    VII 18 - 19

    x

     

    vakantiegeld en eindejaarstoelage

    VII 20 - 22

     

    x

    projectleiderstoelage

    VII 27

    X

     

    toelage prestaties buiten normale arbeidstijdregeling

    VII 28 - 32

     

    X

    gevaartoelage

    VII 33 - 34 - 122 - 125 §§ 2 en 3

     

    x

    prestatietoelagen (management- en functioneringstoelage)

    VII 35 - 40

     

    x

    bevorderingspremie

    VII 41

    x

     

    permanentietoelage

    VII 42

     

    x

    ploegentoelage

    VII 43

     

    x

    toelage voor tijdelijke functieverzwaring

    VII 44bis

    x

     

    toelage voor carpooling

    VII 44ter

     

    x

    Personeelsleden van het agentschap Jongerenwelzijn

    VII 45

    x

     

    milieutoelage

    VII 46 - 47

    x

     

    toelage voor rekenplichtigen

    VII 48 – 49 – 49 bis

    x

     

    gezagvoerderstoelage

    VII 50

    x

     

    toelage voor technische bekwaamheid

    VII 51

    x

     

    toelage voor het secretariaat van de Vlaamse Regering

    VII 52

    x

     

    Toelage voor facilitaire kabinetsondersteuning

    VII 52bis

    x

     

    BET-toelage

    VII 53

    x

     

    Gemeenschappelijke of interne dienst voor prev. en bescherming op het werk

    VII 54

    x

     

    Sociale Dienst voor het Vlaamse overheidspersoneel

    VII 55

    x

     

    vervangende toelage huisvesting

    VII 57

    x

     

    toelage voor onregelmatige prestaties wachters WW

    VII 58

    x

     

    luchthaventoelage

    VII 59

    x

     

    Bijzondere toelageregeling voor het loodspersoneel

    VII 60 t.e.m. VII 64

    x

     

    zeegeld

    VII 65

    x

     

    toelage vervanging huisbewaarder

    VII 68

     

    x

    specifieke toelageregeling voor het personeel van de grote varende eenheden van de DAB Vloot

    VII 70

    x

     

    STCW-toelage (jaarbedrag)

    VII 70bis

    x

     

    toelage technische bekwaamheid (jaarbedrag)

    VII 70ter §1

    x

     

    arbeidsmarkttoelage voor artsen en arts-specialisten

    VII 70quinquies

    x

     

    toelage matroos die tijdelijk fungeert als schipper-bootsman of als schipper-stuurman

    VII 70sexies

    x

     

    Risicotoelage voor personeelsleden van het team Mobiele Eenheid van het Vlaams Centrum voor Elektronisch Toezicht van de afdeling Justitiehuizen van het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

     

    x

     

    Productiviteitspremie/bijzondere specialisatiepremie

    VII 113

    x

     

    Toelage GOH werk drukkerij

    VII 115

     

    x

    vakopleidingstoelage

    VII 116

    x

     

    Toelage FSGS

    VII 119

    x

     

    BET-toelage

    VII 120

    x

     

    Toelage GOH-werk

    VII 121

     

    x

    Diplomabijslag IMALSO

    VII 124, §1

    x

     

    2/3 toelage VII 30 IMALSO

    VII 124, §2

     

    x

    Uurloon GOH werk IMALSO

    VII 124, §3

     

    x

    Toelage uitblijven ongevallen

    VII 126

     

    x

    expatriatievergoeding

    VII 127

    x

     

    Rendementstoelage

    VII 130

    x

     

    Toelage innen scheepvaartrechten

    VII 131

     

    x

    BIPT-toelage

    VII 132

    x

     

    examentoelage

    VII 140, §2

    x

     

    bevorderingspremie

    VII 141

    x

     

    upgradingspremie

    VII 145 – 145bis

    x

     

    Salariscomplement informaticus

    VII 148

    x

     

    diensthoofdentoelage

    VII 151

    x

     

    Compenserende toelage MC

    VII 154

    x

     

    Weddecomplement 10% VAO

    VII 55, §1

    x

     

    Premie competentieontwikkeling

    VII 16 0 -161- VII 178 -  VII 179 -  VII 180

     

    x

    vormingspremie

    VII 162 -  VII 181

    x

     

    Compenserende toelage MC

    VII 164

    x

     

    Toelage gewestelijk ontvanger

    VII 168

    x

     

    Projectleider – hoger ambt

    VII 170

    x

     

    Maandelijks supplement Plantentuin

    VII 172

    x

     

    Toelage zaterdagprestaties Plantentuin

    VII 173

     

    x

    Toelage leidinggevenden Plantentuin

    VII 174

    x

     

    Toelage zaterdagprestaties 6de staatshervorming

    VII 182

     

    x

    Toelage comptabiliteit

    VII 183

    x

     

    Toelage 55+

    VII 184

    x

     

    specificiteitstoelage

    VII 185

    x

     

    Toelage coördinator Justitiehuizen

    VII 186

    x

     

    Toelage wachtdiensten Justitiehuizen

    VII  187

    x

     

    Toelage Onderzoek Rijnschepen

    VII 188

     

    x

    Jaartoelage FIT

    VII 196

    X

     

    Salarisbonus bij verlof voor deeltijdse prestaties wegens chronische ziekte of handicap[37]

    Een ambtenaar die beschikt over een externe erkenning als persoon met een chronische ziekte of handicap en die door de arbeidsgeneesheer werd toegelaten tot de deeltijdse prestaties wegens chronische ziekte of handicap ontvangt een loon a rato van zijn deeltijdse prestaties aangevuld met een salarisbonus. Deze bonus wordt berekend cf. de formule in paragraaf 2, eerste lid, waarbij het percentage van het deeltijds niet-gepresteerde deel 30% bedraagt.[37]

    Concreet komt dit neer op het volgende:
    50% werken: 50% + 15% = 65%
    60% werken: 60% + 12% = 72%
    70% werken: 70% + 9% = 79%
    80% werken: 80% + 6% = 86%[37]

    Het voordeel van dit percentage is dat er telkens een relatief grote incentive blijft om meer te gaan werken indien dit voor de ambtenaar mogelijk is. Het salarisplafond dat geldt in het geval van de salarisbonus voor het gewoon verlof voor deeltijdse prestaties is op het verlof voor deeltijdse prestaties wegens chronische ziekte of handicap niet van toepassing.[37]

    Uit de bovenvermelde formulering blijkt dat deze regeling niet geldt voor het contractueel personeel. Deze laatste kan immers terugvallen op de vergelijkbare regeling inzake progressieve werkhervatting die is voorzien in de ZIV – regeling.[37]

    In geval van combinatie van verloven (deeltijdse prestaties en onbetaald verlof) is de berekening als volgt:

    Eerst wordt de berekening gemaakt overeenkomstig paragraaf 1:
    M= GW/PW x n% x NM[9]

    Daarbij geldt:

    M = het te betalen maandloon (100%)
    GW = het aantal gepresteerde werkdagen of daarmee gelijkgestelde dagen krachtens § 3 van dit artikel (dus het aantal werkdagen deeltijdse prestaties min het aantal werkdagen onbetaald verlof in die maand);
    PW = het aantal te presteren werkdagen op basis van het werkrooster van het personeelslid
    n% = het percentage waaraan het personeelslid prestaties verricht;
    NM = het normale maandsalaris (100%) = het jaarsalaris/12 (100% en voor voltijdse prestaties)[9]

    Dit resultaat wordt vermenigvuldigd met de hoger vermelde breuk (waarvan het quotiënt maximaal 1,2 mag zijn) zodat de volledige formule er als volgt uit ziet:

    M = GW x n% x NM x DP in % + 1/5 niet GW in % [9]
          PW                               DP in %                

    Daarbij geldt:
    DP = deeltijdse prestaties
    GW = gepresteerde werkdagen[9]

    Om recht te hebben op deeltijdse prestaties bedoeld in artikel X 25, § 1 moeten de ambtenaren van A2 en lager één van de volgende voorwaarden vervullen:

    - ouder zijn dan 50 jaar of
    - twee kinderen ten laste hebben van jonger dan 15 jaar of
    - een kind ten laste hebben dat recht geeft op bijkomende kinderbijslag wegens zijn aandoening of handicap of
    - als eenoudergezin ten minste één kind ten laste hebben dat nog niet de leeftijd van vijftien jaar bereikt heeft; of
    - mantelzorg(3) verlenen aan een inwonend gezins- of familielid van 1e of 2e graad.[9]

    De datum van inwerkingtreding van de twee laatste voorwaarden hangt af van het akkoord van de federale minister van Pensioenen.[9]

    Verder gelden voor de top- en middenkaderfuncties de bepalingen van deel V.[9]

    Voorbeeld 3
    Een ambtenaar van niveau C ouder dan 50, presteert normaal aan 60% in een uurrooster waarbij per week (vast) twee vrije dagen worden genomen: donderdag en vrijdag.
    In de maand juli 2007 neemt hij 4 dagen onbetaald verlof.

    Stel: zijn geïndexeerd maandsalaris bedraagt 2.100 euro voor voltijdse prestaties.

    GM = GP x n% x NM

                TP

    GM = (gedeeltelijk) maandsalaris
    GP = gepresteerde werkdagen
    TP  = te presteren werkdagen
    n% = percentage van zijn deeltijds regime
    NM = normaal (=voltijds) maandsalaris

    GM = 10/14 X 60 % X 2.100 euro = 900 euro

    Salarisbonus: 60% + 1/5*(100% - 60%)  =    68%  = 1,1333
                                   60%                    60%
    1,1333 is kleiner dan 1,2.

    Salaris + bonus = 900 euro x 1,1333 = 1.019,97 euro.
    bonus = 900 euro x 0,1333 = 119,97 euro.
    Zijn maandsalaris (deeltijdse prestaties en salarisbonus samen) bedraagt dan 1.019,97 euro.[9]

    Voorbeeld 4
    Een ambtenaar van niveau C ouder dan 50 jaar, presteert normaal aan 40%;  in maand X moet 9 dagen gewerkt worden, waarvan nog 6 dagen onbetaald verlof worden genomen.
    Stel: geïndexeerd bruto maandsalaris van 2.100 euro (voltijdse prestaties = +/- 17.000 à 100%).[9]

    Salaris

    Bonus

    TOTAAL

    Vorig: 40%

    840

    210

        1.050

    Vorig: 40% + 6 dagen onbetaald verlof

    280

    210

            490

    Huidig: 40%

    840

    168

        1.008

    Huidig: 40% + 6 dagen onbetaald verlof

    280

    56

            336

    SPECIFIEKE REGELING VOOR DE OPERATIONELE LOODSEN[35]

    Op basis van de formule van artikel VII 6, §1 wordt voor de berekening van het salaris, in geval van combinatie van verlof voor deeltijdse prestaties en andere onbezoldigde afwezigheden, rekening gehouden met het aantal te presteren werkdagen op basis van het werkrooster van het personeelslid.[35]

    Bij voltijdse prestaties hebben de loodsen, operationele functie, 199 beschikbaarheidsdagen per jaar. Aan 80%-prestaties hebben zij 159 beschikbaarheidsdagen, of gemiddeld 13 beschikbaarheidsdagen per maand.[35]

    De toepassing van de formule van artikel VII 6, §1 op de specifieke dienst- en beurtregeling van de operationele loodsen, kan er toe leiden dat de loods door het opnemen van een aantal onbetaalde verlofdagen, geen salaris ontvangt (vb. 6 dagen werken volgens de D&B-regeling en 6 dagen onbetaald verlof nemen). Daarentegen ontvangt hij voor een maand waarin hij volgens de dienst- en beurtregeling meer prestaties verricht toch maar 80% van zijn salaris.[35]

    Om dergelijke extreme situaties te vermijden, en gelet op de specifieke dienst- en beurtregeling van de operationele loodsen, wordt bij de berekening van hun salaris ingeval van combinatie  van verlof voor deeltijdse prestaties en ander onbezoldigde afwezigheden, rekening gehouden met het totaal  aantal beschikbaarheidsdagen per jaar, gedeeld door 12.[35]

    Een voltijdse loods heeft 199 beschikbaarheidsdagen per jaar, aan 80% is dit 159 of 13 dagen per maand.[35]

    Bij verlof voor deeltijdse prestaties gecombineerd met onbetaalde verlofdagen, wordt voor de berekening van het salaris in voornoemd geval steeds rekening gehouden met 13 dagen, ongeacht het aantal effectieve beschikbaarheidsdagen tijdens die maand.[35]

    § 3. De afwezigheidsdagen waarop volgens deel X het salaris wordt doorbetaald, worden met gepresteerde werkdagen gelijkgesteld, onverminderd artikel VIII 3 (inhouding salaris) en VIII 4 (tuchtschorsing) en artikel IX 4.[9]

    § 4. Met "wisselende prestaties" worden bedoeld: prestaties waarbij het aantal uren wisselt per werkdag.[2]

    § 5. Op 4 maart 2016 sloot Vlaams minister Ben Weyts twee akkoorden met een aantal loodsenverenigingen (OVL en BVL) en met twee representatieve vakorganisaties (VSOA en ACV). Het eerste akkoord voorzag in specifieke maatregelen ter verlaging van de werkdruk voor oudere loodsen zoals de beurtregeling “5 dagen op – 6 dagen af”. Dit akkoord werd gewijzigd met een akkoord van 10 april 2017, door de vrijwillige instap in een 5/6 regeling mogelijk te maken vanaf 58 jaar, mits de realisatie van de collectieve prestatienorm gegarandeerd blijft (cf. punt 6 van het Uitvoeringsplan SEC april 2017).[35]

    Dit betekent dat de lijnmanager een loods vanaf 58 jaar tot aan het pensioen kan inschakelen in een 5/6 beurtregeling indien op dat moment voldaan is aan de voorwaarde van de collectieve prestatienorm van het betreffende korps. Daar het gaat om een “eindeloopbaanmaatregel” blijft de loods eenmaal hij voor dit systeem kiest, hierin tot aan zijn pensionering.[35]

    Een afwijking op de bepalingen van paragraaf 1 is noodzakelijk, aangezien de loodsen vanaf 58 jaar 1 dag per periode van 11 dagen minder beschikbaar zullen zijn voor het leveren van prestaties met behoud van salaris.[35]

    Toelichting bij Art. VII 7

    Het behoud van maandsalaris geldt maar, sinds de wijziging van het VPS van 29 april 2011, in geval van overlijden van een vastbenoemd personeelslid.
    Sinds deze wijziging gaat de pensionering wegens leeftijd van een statutair ambtenaar maar in op het einde van de maand. Het behoud van het volledig maandsalaris heeft nooit gegolden in geval van vervroegd pensioen of pensioen wegens medische ongeschiktheid.

    De ambtenaar die 65 jaar wordt, wordt ambtshalve op rust gesteld op het einde van de maand waarin hij/zij 65 jaar wordt. Het rustpensioen wordt maar toegekend vanaf de volgende maand.
    Deze wijziging is er gekomen omdat de RSZ met de DMFA-aangifte niet aanvaardt dat voor een volledige maand salaris wordt betaald terwijl er geen volledige maand gewerkt werd (arbeidsdagen). Daarnaast gold een 2de probleem, nl. dat vanaf de uitdiensttreding er geen verdere pensioenopbouw is.

    Door de herformulering van artikel XI 1 vanaf 29/4/2011 (BVR (29/4/2011), namelijk dat een ambtenaar zijn hoedanigheid van ambtenaar pas verliest op de laatste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt (i.p.v. op de 65ste verjaardag) is de verwijzing naar de betaling van het volledig maandsalaris bij opruststelling wegens leeftijd overbodig.[12]
    De opruststelling n.a.v. een vervroegd pensioen of pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid gaat steeds in op de 1ste van de maand zodat het probleem van de doorbetaling zich niet stelt.[9]

    Toelichting bij Art. VII 8

    Voor het contractuele personeel geldt bij afwezigheid wegens ziekte of ongeval van gemeen recht dezelfde regeling inzake gewaarborgd en/of aanvullend loon als van toepassing voor het contractuele personeel van de privésector. Aangezien de aanvullend loonregeling voor arbeiders en bedienden op proef of met een contract voor minder dan 3 maanden of voor een welomschreven werk dat normaal een tewerkstelling vergt van minder dan 3 maanden in de privésector bij collectieve arbeidsovereenkomst is vastgesteld, en deze collectieve arbeidsovereenkomst niet van toepassing is in de overheidssector, werd voormelde aanvullend loonregeling voor het contractuele personeel expliciet in het statuut verankerd.[2]

    Het recht op loon voor de feestdagen die vallen binnen de eerste 30 dagen van een schorsing van de arbeidsovereenkomst wegens ziekte of moederschap, vastgesteld in de feestdagenreglementering (wet van 04.01.1974 en KB. van 18.08.1974), wordt overgenomen in het VPS, waardoor ook voor de contractuele personeelsleden van de entiteiten die niet vallen onder de feestdagenreglementering dit recht op loon formeel is vastgesteld.[9]

    naar boven

    Hoofdstuk 3. De betaling van het maandsalaris [2]

    Toelichting bij Art. VII 9

    De bedragen vermeld in de bezoldigingsregeling zijn (meestal) bedragen aan 100%. Zij moeten gekoppeld worden aan de evolutie van het gezondheidsindexcijfer volgens de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.

    Het gezondheidsindexcijfer werd ingevoerd bij koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van ’s lands concurrentievermogen.
    In artikel 2 van dit KB wordt bepaald dat met ingang van 1 januari 1994 in de wettelijke en reglementaire bepalingen evenals in de bepalingen van individuele en collectieve arbeidsovereenkomsten die voorzien in een koppeling van de lonen aan het indexcijfer der consumptieprijzen, het prijsindexcijfer in aanmerking genomen wordt dat daartoe berekend en benoemd wordt (= gezondheidsindexcijfer).[2]

    Wat concreet het systeem van koppeling aan de evolutie van het gezondheidsindexcijfer betreft:
    - de bedragen à 100% zijn gekoppeld aan de spilindex 138,01 (notatie 1981) geldig op 1 januari 1990 (zie KB 13.12.1989) of 102,02 (notatie 1988);
    - de indexkoppeling is een vrij ingewikkelde materie omdat de rekenkundige reeks van spilindexcijfers regelmatig geactualiseerd wordt, en men dus omrekeningscoëfficiënten nodig heeft om van de ene notatie (bv. 1981) naar de andere te gaan (bv. 1989);
    - er is een verhoging (uizonderlijk is ook een verlaging mogelijk) met 2% van de index gekoppelde bedragen indien het gemiddelde van het gezondheidsindexcijfer van 4 opeenvolgende maanden het bedrag van de volgende spilindex overschrijdt. De verhoging gaat dan in de 2de maand na de overschrijding (bv. overschrijding van de
    volgende spilindex door toedoen van het gezondheidsindexcijfer van november 2012: indexering bedragen VPS vanaf 1.1.2013; de bedragen van kinderbijslag en overheidspensioenen worden verhoogd de 1ste maand na de overschrijding, dus in hetzelfde voorbeeld: 1.12.2012);
    - de laatste actualisering van de salarisschalen en van de bedragen van toelagen en vergoedingen die index gekoppeld zijn, dateert van 1.1.1990. De evolutie van de indexcijfers sinds 1.1.1990 (graadmeter voor inflatie) brengt met zich mee dat de bedoelde bedragen sinds 1.1.2013 verhoogd worden met de liquidatiecoëfficiënt van 1,6084;
    - sinds 1981 werden de indexcijfers, maar uiteraard ook de rekenkundige reeks van spilindeces, regelmatig “geactualiseerd”, namelijk in 1988, 1996, 2004 en laatst in 2013;
    - de in het VPS aan 100% bepaalde bedragen worden sinds de overschrijding van de spilindex 119,62 (notatie 2004) in november 2012, vanaf 1 januari 2013 dus betaald aan de liquidatiecoëfficiënt 1,6084. De volgende spilindex is 122,01 (notatie 2004) of 101,02 (notatie 2013). Bij overschrijding van de spilindex 101,02 (notatie 2013) zullen de  salarissen enz. betaald worden à 1,6406.

    Toelichting bij Art. VII 10

    Zoals in art. VII 1 werd bepaald betekent salaris: het jaarsalaris of m.a.w. het salaris op jaarbasis, het bedrag ervan wordt steeds opgegeven aan 100%.
    Overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 279 van 30 maart 1984 betreffende de betaling na vervallen termijn van de wedden van sommige personeelsleden van de openbare sector wordt het salaris van de maand december betaald op de eerste werkdag van de maand januari van het volgend jaar.[2]

    De betaling van het loon gebeurt "via een Europese SEPA-overschrijving".[32]

    Het betalen van het loon op een andere bankrekening (niet SEPA) brengt immers een aantal complicaties/problemen met zich mee:
    - aanpassing van Vlimpers;
    - verschillende banken rekenen extra kosten aan voor overschrijvingen naar een land buiten de SEPA-zone of in een andere munt van de euro (zowel voor ingaande als uitgaande internationale bankverrichtingen - dus zowel kosten voor werkgever als werknemer);
    - koersverschillen tussen de EURO en de vreemde munten.[32]

    Toelichting bij Art. VII 11

    § 1. Indien het personeelslid op de laatste werkdag van de maand van indiensttreding nog steeds geen salaris heeft ontvangen, dan heeft het recht op de betaling van een intrest berekend naar rata van het aantal dagen vertraging (kalenderdagen) te rekenen vanaf de éénendertigste dag die volgt op de datum van indiensttreding.[34]

    De intrest is gelijk aan de rente op voorschotten boven plafond vastgesteld door de Nationale Bank en geldig op de twintigste dag van de maand voorafgaande aan deze waarin de vertraging optreedt.

    Deze regeling inzake de betaling van het beginsalaris bij wijze van voorschot wanneer het juiste maandsalaris nog niet kan worden betaald bij indiensttreding, wordt daarmee in overeenstemming gebracht met artikel 10, eerste lid, van de Loonbeschermingswet van 12 april 1965, volgens dewelke van rechtswege intrest aan de wettelijke rentevoet (2,25% voor het jaar 2016; cf. B.S. 18 januari 2016) verschuldigd is op het loon (cf. loonbegrip art. 2 Loonbeschermingswet) met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt (i.p.v. slechts vanaf de tweede maand).[34]

    § 2. Indien de ambtenaar, met wie de arbeidsrelatie(s) bij de diensten van de Vlaamse overheid word(t)(den) beëindigd, zijn jaarlijkse vakantie niet heeft kunnen opnemen, wordt hem het salaris voor de niet opgenomen vakantiedagen uitbetaald (= enkel verlofgeld).

    Enkel een uitdiensttreding bij de diensten van de Vlaamse overheid geeft aanleiding tot uitbetaling van het niet-opgenomen jaarlijks verlof. Bewegingen tussen werkgevers onderling die behoren tot de diensten van de Vlaamse overheid geven geen aanleiding tot uitbetaling van het vakantieverlof.

    Er wordt immers een gelijke behandeling beoogd van de personeelsleden die bij een andere entiteit van de diensten van de Vlaamse overheid gaan werken ingevolge de interne arbeidsmarkt (horizontale mobiliteit) enerzijds en ingevolge een nieuwe aanwerving anderzijds. Deze beperking is nodig om de interne mobiliteit niet af te remmen en om te vermijden dat de opgespaarde vakantiedagen niet gehonoreerd worden door de volgende werkgever, ook al ressorteert die onder hetzelfde personeelsstatuut.

    Het gaat hier in feite om het zogenoemde "enkel vakantiegeld" (= loon voor de dagen jaarlijkse vakantie). Dergelijk voorstel is ook opgenomen in de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van bepaalde aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de overheidssector (B.S. 5 januari 2001).

    Er is niet meer vereist dat de vakantiedagen die niet werden opgenomen werden geweigerd om dienstredenen. Hiermee wordt het statuut in overeenstemming gebracht met de wet van 9 maart 2003 houdende instemming met het verdrag nr. 132 (IAO-conventie 132) betreffende vakantie met behoud van loon.

    Indien het opgespaarde verlof ingevolge overlijden vóór het pensioen niet kon opgenomen worden, worden deze dagen uitbetaald aan de erfgenamen (zie ook art. XI 7).

    Onder de benaming "jaarlijks verlof" dienen tevens de in toepassing van artikel X 9, § 1, derde lid, opgespaarde vakantiedagen begrepen te worden.

    Bij beëindiging van de arbeidsrelatie ingevolge langdurige afwezigheid wegens ziekte (uitputting van de ziektecontingenten van 666 en 222 werkdagen), dient echter toepassing gemaakt van de artikelen X 20, tweede lid en XI 7, tweede lid, van dit statuut.

    De uitbetaling heeft dus betrekking op de niet-opgenomen vakantieverlofdagen, zijnde de jaarlijkse verlofdagen voor het lopend dienstjaar en de opgespaarde verlofdagen.[6]

    Voor het eigenlijke vakantiegeld: zie de toelichting bij artikel VII 20.[2]

    Toelichting bij Art. VII 12

    § 1. Deze paragraaf geeft een overzicht van de in het statuut bestaande graden en de ermee overeenstemmende salarisschalen, opgedeeld in:

    - algemeen personeel;
    - wetenschappelijk personeel;
    - toegevoegd personeel Gemeenschapsinstellingen voor Bijzondere Jeugdzorg;
    - contractuele betrekkingen;
    - overgangsregeling.[2]

    Eveneens wordt het vereiste aantal jaren schaalanciënniteit voor overgang naar een andere salarisschaal in de functionele loopbaan opgenomen.[2]

    Met het BVR van 01/02/2013 wordt artikel VII 12, § 1 in overeenstemming gebracht met artikel V 43 waar vermeld wordt dat de tweede schaal (A286) in de functionele loopbaan van afdelingshoofd en projectleider N-1 bereikt wordt na 6 jaar schaalanciënniteit in schaal A285.
    Deze formulering schept zodoende duidelijkheid dat de opgebouwde schaalanciënniteit als afdelingshoofd kan meegenomen worden in de graad van projectleider N-1 (of omgekeerd) en zo tot gevolg heeft dat de tweede schaal in de functionele loopbaan vlugger kan bereikt worden. Met de terminologie van (vanaf het tweede mandaat als afdelingshoofd of als projectleider N-1) was dit niet steeds even duidelijk.[18]

    Ingevolge het besluit van de Vlaamse Regering van 19/07/07 betreffende de beëindiging van de vertegenwoordiging van Vlaanderen in het buitenland door landbouwraden wordt de aanstelling van de landbouwraden in het buitenland met ingang van 01/01/08 beëindigd. De salarisschalen verbonden aan de graad van landbouwraad worden niet meer opgenomen.[6]

    In rubriek Algemeen Personeel is de graad van Vertegenwoordiger van de Vlaamse Regering in het buitenland vermeld. Deze graad komt in de plaats van de contractuele betrekking van gemeenschapsattaché. De functionele loopbaan die aan deze graad verbonden wordt, stemt overeen met de loopbaan van de contractuele gemeenschapsattachés.[2]

    Aan de terugvalgraad van directeur-generaal en adjunct-directeur-generaal worden respectievelijk de salarisschaal A311 en A288 toegekend.
    Het betreft weliswaar dezelfde salarisschaal als deze die aan de mandaatgraad wordt toegekend, maar aan de mandaatgraad wordt daarenboven de mandaattoelage toegekend. Deze toelage valt weg bij de titularissen van de terugvalgraad.[11]

    Dit is ook het geval wanneer de overgedragen gewestelijk ontvanger in overtal is en wordt ingezet voor andere taken binnen het agentschap voor Binnenlands Bestuur. Deze salarisgarantie geldt echter niet in het geval de overgedragen gewestelijk ontvanger vrijwillig postuleert voor een andere vacante betrekking (dan deze van gewestelijk ontvanger) bv. door middel van de horizontale mobiliteit.[18]

    Wat betreft de loods op proef : deze alinea handelt over de loods (algemene functie) op proef die extern geworven wordt en nog niet in dienst is.[18]

    Artikel VII 12, § 1, 1° van het VPS bepaalde tot voor het BVR van 1/2/2013 dat de loods op proef bezoldigd wordt aan 80% van de schaal A141 (beginsalarisschaal van de functionele loopbaan van de operationele loodsen A141 tot A144) of A144 (salarisschaal chefloodsen, kapiteins en stuurmannen).
    De reden hiervan is dat loodsen eerst de technische competentieproeven met succes moet afleggen alvorens operationeel te worden ingezet (vanaf dan is er recht op 100% van het salaris).[18]

    Deze alinea handelt over de loods (algemene functie) die extern geworven wordt maar wel in dienst is bij de DVO in een ander loodsenkorps.[18]

    Op grond van de definitie van schaalanciënniteit in het vroegere VPS werd een reeds in dienst zijnde operationele loods (bv. bezoldigd in de salarisschaal A143),  die door middel van een aanwervingsexamen werd aangeworven in een ander loodsenkorps, opnieuw bezoldigd in de beginsalarisschaal A141.[18]

    Op grond van de huidige definitie van schaalanciënniteit, zoals opgenomen in artikel VI 8, §5 VPS, wordt in voornoemd geval een loods bij aanwerving eventueel onmiddellijk bezoldigd in een hogere salarisschaal van de functionele loopbaan van operationele loods op basis van zijn reeds opgebouwde schaalanciënniteit in het vorig loodsenkorps”.
    Artikel VI 8, §5 bepaalt immers als definitie van schaalanciënniteit, “de werkelijke diensten die de ambtenaar bij de diensten van de Vlaamse overheid heeft verricht in de hoedanigheid van ambtenaar op proef en vastbenoemde, in de betrokken salarisschaal.[18]

    De reeds in dienst zijnde loods die door middel van een aanwervingsexamen wordt aangeworven in een ander loodsenkorps, moet opnieuw een proefperiode volbrengen. Het is voor de hand liggend dat hij gedurende deze proefperiode (waarin hij nog niet operationeel wordt ingezet) bezoldigd wordt aan 80% van de salarisschaal waarin hij wordt bezoldigd op basis van zijn reeds opgebouwde schaalanciënniteit in het loodsenkorps dat hij verlaat (vb. A143).
    Dit was tot voor het BVR van 1/2/2013 statutair niet voorzien.[18]

    Daarom is deze bepaling gewijzigd met het BVR van 1/2/2013, en wordt bepaald dat de loods op proef bezoldigd wordt à 80% van de salarisschaal waarin hij wordt bezoldigd (hetzij A141, hetzij A142, A143 of A144).[18]

    Onderstaande alinea handelt over de loods (algemene functie) die door middel van  een wervingsexamen in dienst komt maar voorheen stuurman, kapitein of chefloods was.[18]

    Een personeelslid met de functie van stuurman, kapitein of chefloods (betaald in salarisschaal A144) die door middel van een aanwervingsexamen de functie van operationele loods zou opnemen, wordt sowieso betaald in de salarisschaal A 141 (tijdens de stage dus 80% van de salarisschaal A141).[18]

    Een loods algemene functie die voorheen een functie had van chefloods, stuurman of kapitein en die door middel van functiewijziging loods (algemene functie) wordt, wordt bezoldigd in de schaal A141 (aan 100%). Hij heeft schaalanciënniteit opgebouwd in de salarisschaal A144 maar niet de schalen A141; A142 of A143.

    Integratie toelagen in het salaris MDK[35]

    Op 4 maart 2016 sloot Vlaams minister Ben Weyts twee akkoorden met een aantal loodsenverenigingen (OVL en BVL) en met twee representatieve vakorganisaties (VSOA en ACV). Het eerste akkoord voorzag naast een verhoging van een collectieve prestatienorm met 15% in een integratie van de loodstoelagen in het salaris van de loodsen (operationele en niet-operationele functies) en in de opname van de STCW-toelage en toelage technische bekwaamheid in het salaris van de operationele functies niet-loodsen. Voor deze integratie wordt uitgegaan van de principes vastgelegd in de BAFO van 14 maart 2014. Deze integratie vereist de creatie van specifieke functionele loopbanen binnen het Agentschap Maritieme Dienstverlening en Kust.[35]

    Voor de duidelijkheid worden deze specifieke functionele loopbanen, die daardoor binnen het Agentschap Maritieme Dienstverlening en Kust ontstaan, in een afzonderlijk punt opgenomen.[35]

    integratie loodstoelage in het salaris[35]
    Voor de personeelsleden met de graad van loods, operationele functie wordt voor de  hoogste twee salarisschalen in de functionele loopbaan (A143 en A144)  een bedrag van € 7.460 (à 100%) verschoven van de loodstoelage naar het salaris, met uiteraard ook een effect op het vakantiegeld en de eindejaarstoelage.[35]

    Voor de loodsen, niet operationele functies, wordt dit bedrag geïntegreerd in de salarisschaal A144.[35]

    Integratie STCW-toelage en toelage technische bekwaamheid in het salaris[35]

    Voor de niet-loodsen wordt op basis van dezelfde principes hetzij € 1.690 (à 100%), hetzij € 940 (à 100%) geïntegreerd in het salaris (STCW-toelage of toelage technische bekwaamheid). De integratie van een deel van de toelagen in het salaris genereert immers ook hier een effect op het vakantiegeld en eindejaarstoelage.[35]

    Op het in het salaris geïntegreerde deel van de toelagen (dat in aanmerking komt voor de pensioenberekening) moeten zowel de gewone RSZ-werknemersbijdragen (3,55% ZIV) als 7,5% FOP-bijdragen ingehouden worden.[35]

    Het pensioen van de personeelsleden die op pensioen gaan (of zijn gegaan) sedert 1 oktober 2017 wordt berekend worden op basis van deze T-schalen. Er wordt geen rekening meer gehouden met de “oude” schalen, zelfs al zijn zij daar tijdens de laatste 10 jaar van hun loopbaan in bezoldigd geweest.[35]

    De invoering van de nieuwe T-schalen vereist ook een overgangsbepaling wat betreft de functionele loopbaan. De schaalanciënniteit die vóór de invoering van de T-schaal reeds was opgebouwd in de overeenkomstige schaal blijft uiteraard behouden.[35]

    Voorbeeld:

    Voor de bezoldiging van de operationele loods in de salarisschaal A144T is 9 jaar schaalanciënniteit vereist in de salarisschaal A143T. Met deze overgangsbepaling wordt gegarandeerd dat de schaalanciënniteit die de betrokken loods reeds had opgebouwd in de salarisschaal A143 in aanmerking wordt genomen.
    Op 31/12/2016 : 6 jaar schaalanciënniteit in de schaal A143.
    Vanaf 1/10/2017 bezoldigd in de salarisschaal A143T in plaats van A143.
    Betrokkene zal bij een normale opbouw van de functionele loopbaan op 1/1/2020 bezoldigd worden in de salarisschaal A144T.[35]

    Met het BVR van 23/05/2009 wordt artikel VII 12, § 1, 5° gewijzigd wat betreft een maatregel van de invoering van de nieuwe loopbaanpaden.[9]

    1° Artikel VI 144 en VI 145 regelen de graadverandering van directeur naar adviseur en vice versa bij overgangsregeling op het moment van de invoering van N-2 en inhoudelijke loopbanen. Het is de bedoeling dat de graadbenamingen op het terrein overeenstemmen met de functie-inhoud. Net zoals bij de organieke regeling is er niets geregeld over het behoud van anciënniteiten. Bovendien stelt zich het probleem dat de adviseur die een graadverandering bekomt naar de graad van directeur een minder gunstige functionele loopbaan krijgt door deze graadverandering. De adviseurs benoemd vóór 1/1/2008 hebben de salarisschaal A 251 en bekomen na 10 jaar de schaal A 252. Na 1/1/2008 krijgt een adviseur de salarisschaal A211 en na 10 jaar A212. De salarisschalen A251 en A211 zijn gelijk, de salarisschaal A 212 ligt echter lager dan de schaal A252. Voor de adviseurs benoemd voor 1/1/2008 is een graadverandering dus financieel nadelig. Er werd voor hen geen overgangsregeling voorzien omdat er van uitgegaan werd dat adviseurs geen leidinggevende functie zouden uitoefenen. Thans blijkt dit in de praktijk wel voor te komen.
    Om het probleem van het behoud van anciënniteiten op te lossen, worden artikel VI 144 en VI 145 hernummerd als resp. artikel VI 144 § 1 en VI 144 § 2.
    Een § 3 wordt toegevoegd die luidt als volgt: "Bij graadverandering overeenkomstig dit artikel behoudt de ambtenaar de verworven anciënniteiten en wordt hij ingeschakeld op de overeenkomstige trap van de functionele loopbaan."[9]

    Om het probleem van het verlies van de gunstigere functionele loopbaan voor de adviseur die een graadverandering naar directeur bekomt, op te lossen wordt artikel VII 12, § 1, 5° aangevuld onder de woorden “Adviseur benoemd vóór 1 januari 2008 A251, na 10 jaar schaalanciënniteit in A251 A252” als volgt: "Deze overgangsregeling blijft gelden voor de directeur die een graadverandering bekomt vanuit de graad van adviseur en die in die laatste graad werd aangesteld vóór 1/1/2008."[9]

    2° wat betreft een specifieke loopbaan ex-VLAO:

    Het betreft een replica van art. VI 147: deze specifieke functionele loopbaan (bedrijfsadviseur, pedagogisch adviseur en kunstadviseur) wordt als overgangsregeling toegekend in art. VII 12, § 1, 5°.[9]

    Met het BVR van 29/4/2011 worden de salarisschalen van de psychiater, arts parttime en arts als toegevoegd personeel bij de GBJ geschrapt.[12]

    5°. In toepassing van de generieke bepaling van artikel VII 13 VPS genieten de vastbenoemde overgedragen gewestelijk ontvangers die overgangsschaal verder zolang deze voordeliger is dan de organieke salarisschaal verbonden aan de graad van adviseur (A 211 en A212) (zie ook art. VI 151).[18]

    § 3. Aangezien de financieel-administratief beheerder verloond wordt in de salarisschaal A284 (=A212), en de eindemandaatregeling niet tot gevolg kan hebben dat het mandaatsalaris na mandaateinde kan behouden worden, wordt hier bepaald dat voor de financieel-administratief beheerder de eindemandaatregeling begrensd wordt op het niveau van de salarisschaal A119 (=A211).[2]

    § 4. De ambtenaar van rang A1 van wie de functie van senior-auditor wordt beëindigd na het verstrijken van een termijn van minimum 12 jaar, en wiens functioneringsevaluatie niet met onvoldoende werd besloten, geniet een financiële terugvalregeling zoals voorzien in bijlage 6.[2]

    § 5. Van zodra de stagiair loods de technische competentieproeven[6] met succes heeft afgelegd en hij/zij operationeel ingezet wordt, heeft hij/zij recht op 100% van zijn/haar salaris (stage 80%) en op de loodstoelageregeling.[2]

    Toelichting bij Art VII 13

    § 1. Bepaalt het principe dat een personeelslid, dat titularis is van een graad waarvoor een overgangssalarisschaal bepaald is, deze overgangssalarisschaal verder geniet tot een organieke salarisschaal hem voordeliger wordt. Dit artikel is van toepassing zolang de ambtenaar niet bevordert in graad of in salarisschaal. Het is bij voorbeeld mogelijk dat de overgangssalarisschaal voordeliger is dan de organieke, behalve in het laatste kwartiel van de schaal.

    In deze zin behoudt de huidige titularis van de graad van adjunct-eerste opdrachthouder de overgangssalarisschaal A269 tot de organieke salarisschaal A263 voordeliger wordt, dit is vanaf 15 jaar geldelijke anciënniteit.

    § 2. In deze paragraaf wordt bepaald dat de mandaathouder de salarisschaal verbonden aan zijn graad behoudt zo deze voordeliger is.

    Dit is onder meer het geval voor de afdelingshoofden die in hun organieke graad bezoldigd worden in de salarisschaal A 214 of A 224. Deze schalen zijn hoger dan de A 285.

    Aangezien de salarisschaal A 286 hoger is dan de A 214/ A 224, zal de speciale bezoldigingsregeling van deze afdelinghoofden slechts effectief worden vanaf het tweede mandaat.[2]

    naar boven


    (1) Inclusief standplaatstoelage, exclusief vakantiegeld en eindejaarstoelage, à index 1,5460

    (2) Rekeninghoudend met 2,5% solidariteitsbijdrage

    (3) Mantelzorg: cfr. de punten 55 en 56 van de handleiding zorgverzekering (ministerieel besluit van 6 januari 2006 houdende goedkeuring van de handleiding zorgverzekering: "Alleen personen die in een thuismilieu verblijven, kunnen een aanvraag indienen voor mantel- en thuiszorg.
    Het thuismilieu is de plaats waar de gebruiker effectief verblijft of inwoont, met uitsluiting van de collectieve woonvormen waar personen op een duurzame wijze verblijven en gehuisvest zijn. Een serviceflat, een pleeggezin, een centrum voor kortverblijf en een dagverzorgingscentrum worden beschouwd als een thuismilieu."