chat-altchatcrossloginquestion-circlesearchsmileystarthumbup-downwarning
Vlaanderen
Contacteer ons
    Terug naar overzicht Stuur een e-mail

    Stuur een e-mail naar 1700, de informatiedienst voor al uw vragen aan de overheid.
    U ontvangt een kopie van uw bericht.

    Terug naar overzicht Chat met ons
    Uw chatgesprek wordt automatisch gestart zodra er een medewerker beschikbaar is.
    Even geduld, uw positie in de wachtrij wordt bepaald.

    Toelichting bij Deel VII. De verloning - Titel 2

    Titel 2. De toelagen [2]

    Hoofdstuk 1. Gemeenschappelijke bepalingen [2]

    Algemene bepaling inzake RSZ-reglementering

    Op grond van artikel 30, § 2, 4° van het koninklijk besluit van 28 november 1969(1) zijn er voor ambtenaren (en ambtenaren op proef) geen RSZ-bijdragen verschuldigd op toelagen, premies en vergoedingen indien de toekenningsmodaliteiten ervan uiterlijk op 1 augustus 1990 werden vastgesteld in een wettelijke, reglementaire of statutaire bepaling. Op de verhoging van deze toelagen, premies en vergoedingen zijn evenmin sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd voor zover zij voortvloeien uit de indexatie.

    Voor contractuele personeelsleden zijn er sowieso RSZ-bijdragen verschuldigd.

    Algemene bepaling inzake fiscaliteit
    Voor de "exceptionele" toelagen zijn er in de fiscale regelgeving specifieke schalen inzake bedrijfsvoorheffing van toepassing (cfr. eindejaarstoelage). Voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing van "niet exceptionele" toelagen, m.a.w. toelagen die maandelijks, samen met het salaris, worden uitbetaald zijn de "gewone" schalen van toepassing. Zij worden voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing gewoon bij het salaris gevoegd.

    Toelichting bij Art. VII 14

    Geeft een definitie om welke redenen een toelage wordt uitbetaald.

    Ofwel is het een verloning voor taken die niet inherent zijn aan de graad en/of uitgeoefende functie (vb. prestaties buiten normale arbeidstijdregeling, functioneringstoelage), ofwel voor de uitoefening van een welbepaalde functie (vb. rekenplichtige, milieu-inspectie, wachter der waterwegen).

    Hieruit volgt dat de betrokken toelage niet meer wordt uitbetaald indien de taken niet meer worden uitgeoefend.[2]

    Toelichting bij Art. VII 15

    bepaalt dat:

    -

    er geen recht is op toelage ingeval van salarisverlies;

    -

    de onderbreking van de ambtsuitoefening die langer duurt dan 35 werkdagen voor gevolg heeft dat de betaling van de toelage vanaf de eerste dag van de afwezigheid wordt stopgezet.

    Als één van de twee voorwaarden is vervuld wordt de toelage gestopt.
    Het begrip "afwezigheid" omvat alle vormen van afwezigheid of jaarlijkse vakantie maar de afwezigheid wegens een arbeidsongeval geeft aanleiding tot een ruimere toepassing van dit artikel. Bijvoorbeeld wordt de toelage voor overuren onmiddellijk gestopt bij afwezigheid, maar niet in geval vóór het arbeidsongeval aan het personeelslid regelmatig overuren werden betaald, in dat geval wordt deze toelage pas met terugwerkende kracht vanaf de eerste werkdag gestopt, indien de afwezigheid langer dan 35 werkdagen duurt.[2]
    De ratio legis betekent dat de toelagen niet verschuldigd zijn bij een ononderbroken (d.w.z. "langdurige") periode van afwezigheid van 35 werkdagen.

    De toelagen die samen met het salaris wordt betaald zoals de haard- en standplaatstoelage, de bevorderingspremie en de "upgradingspremie"[6] worden niet gestopt ook niet bij een afwezigheid van meer dan 35 werkdagen. Een bijzonder geval is de milieutoelage voor de personeelsleden van Milieu- en Natuurbeleid die gekoppeld is aan minimale prestaties per kwartaal.[2]

    In de marge van het Sectorcomité XVIII van 3 november 2008 werd door een vakorganisatie een vraag gesteld omtrent de toelichting bij artikel VII 15 van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, meer bepaald de toepassing van dit artikel (schorsing uitbetaling) op de loodstoelagen.[9]

    De regeling van de loodstoelagen (artikel VII 61, operationele loodsen en artikel VII 63, andere loodsen) is niet opgenomen in het tweede lid van artikel VII 15, die de uitzonderingen op de schorsing van de uitbetaling van de toelagen opsomt.[9]

    Bijgevolg dient de betaling van de loodstoelagen ab initio gestopt te worden indien geen salaris wordt betaald of bij een afwezigheid van langer dan 35 werkdagen.[9]

    Voor de loodstoelagen per prestatie voor de operationele loodsen, waar de betaling afhankelijk is van de "effectieve prestaties", is dit uiteraard zonder voorwerp, zoals ook in de toelichting is opgenomen.[9]

    Voor de duidelijkheid wordt de toelichting bij artikel VII 15 aangepast (opsplitsing operationele loodsen en forfaitaire toelagen andere loodsen), en van de gelegenheid tevens gebruik maken om de tabel bij de toelichting van artikel VII 15 aan te vullen met de twee toelagen die naar aanleiding van het besluit zeewezen zijn ingevoegd (STCW-toelage en toelage technische bekwaamheid). Deze 2 toelagen vallen ook onder de toepassing van artikel VII 15, 1ste lid.[9]

    Van deze gelegenheid werd tevens gebruik gemaakt om de tabel in de toelichting bij artikel VII 15 te actualiseren.[9]

    Hieronder gaat een aangepaste tabel, waarbij de wijzigingen in het vet zijn weergegeven.[9]

    Samengevat worden volgende wijzigingen doorgevoerd:
    -    opname in de tabel van de mandaattoelage (V 12);
    -    opsplitsing van de ploegentoelage forfaitair (VII 43, § 1) en per uur (VII 43, § 2);

    -    aanpassing artikelnummering toelage rekenplichtigen (toevoeging artikel VII 49bis);

    -    benaming sociale dienst (VII 55);
    -    opsplitsing loodstoelagen (VII 60 en VII 63);
    -    opsplitsing zeegeld jaarbedrag en dagbedrag (VII 65);

    -    opname STCW-toelage (VII 70bis) en toelage technische bekwaamheid (VII 70ter);

    -    toevoeging van een aantal overgangsbepalingen, die nog niet in de tabel waren opgenomen:
         * drukkerijactiviteiten (VII 115);
         * chefloods – gewezen nautisch dienstchef (salarisschaal A145);
         * toelage Fonds Schoolgebouwen (VII 119);
         * overgangsregeling BET-toelage (VII 120)
         * overgangsregel examentoelage (VII 140);
         * overgangsregeling upgradingspremie (VII 141 en 145);
         * salariscomplement informaticus (VII 148).[9]

    Gelet op hetgeen voorafgaat moet artikel VII 15, § 2 worden aangepast, namelijk door toevoeging van de artikelen VII 140 en VII 141 onder artikel VII 15, § 2.[9]

    Het betreft 2 overgangsregeling in verband met de upgradingspremie.[9]

    Naar analogie met de organieke bevorderings- en upgradingspremie (artikel VII 41 VPS), waar artikel VII 15, § 1 niet van toepassing is, is het logisch dat ook artikel VII 140 (overgangsregeling examentoelage) en artikel VII 141 (overgangsregeling upgradingspremie speciaal assistent) niet onder het toepassingsgebied van artikel VII 15, §1 vallen, en dus opgenomen worden onder de uitzonderingsbepalingen in artikel VII 15, § 2.[9]

    Toepassing van artikel VII 15, eerste lid, 2° bij de verschillende toelagen[9]

    Toelage

    Artikel VPS DVO (VII 15)

    van toepassing

    niet van toepassing

    zonder voorwerp

    mandaattoelage (bedrag op jaarbasis)

    V 12

    X

    haard- en standplaatstoelage (forfaitair bedrag)

    VII 18 - 19

    X

    vakantiegeld en eindejaarstoelage (percentage van het salaris)

    VII 20 - 22

    X

    toelage voor het uitoefenen van een hoger ambt

    (overgangsbepaling artikel VII 170)[23]

    X

    projectleiderstoelage (jaarbedrag)

    VII 27

    X

    toelage prestaties buiten normale arbeidstijdregeling (per uur)

    VII 28 - 32

    X

    gevaartoelage (per uur)

    VII 33 - 34

    X

    prestatietoelagen

    VII 35 - 40

    X

    bevorderingspremie / upgradingspremie

    VII 41

    X

    permanentietoelage (bedrag afhankelijk van aantal uren per maand)

    VII 42

    X

    ploegentoelage forfait

    VII 43, § 1

    X

    ploegentoelage per uur

    VII 43, § 2

    X

    toelage voor tijdelijke functieverzwaring[23]

    VII 44bis

    x

     

    toelage voor carpooling[23]

    VII 44ter

    x

    jeugdzorgtoelage (bedrag per jaar)

    VII 45

    X

    vakopleidingstoelage (bedrag per uur)

    VII 45

    X

    toelage pedagogische bekwaamheid (bedrag per uur)

    VII 45

    X

    milieutoelage (bedrag per maand afh. van aantal controles)

    VII 46 - 47

    X

    toelage voor rekenplichtigen (bedrag per maand)

    VII 48 - 49 - 49bis

    X

    gezagvoerderstoelage (per uur)

    VII 50

    X

    toelage voor technische bekwaamheid (per effectief gepresteerde dag)

    VII 51

    X

    toelage voor het Secretariaat DAR (forfait per jaar)

    VII 52

    X

    BET-toelage (forfait per jaar)

    VII 53

    X

    interne dienst voor prev. en bescherming op het werk (forfait per jaar)

    VII 54

    X

    Sociale dienst vor het Vlaamse overheidspersoneel (bedrag op jaarbasis)

    VII 55

    X

    huisvesting en vervangende toelage (jaarbedrag)

    VII 56 - 57

    X

    toelage voor onregelmatige prestaties Wachters WW (jaarbedrag)

    VII 58

    X

    luchthaventoelage (maandbedrag)

    VII 59

    X

    loodstoelagen operationele loodsen (per prestatie)

    VII 60, § 1, 2, 3, 4, 5 en 7

    X

    loodstoelagen operationele loofdsen (vervanging chefloods - forfaitair)

    VII 60, § 6

    X

    forfaitaire loodstoelagen andere loodsen (chefloodsen, kapiteins, stuurmannen)

    VII 63

    X

    zeegeld dagbedrag

    VII 65

    X

    zeegeld jaarbedrag

    VII 65

    X

    toelage vervanging huisbewaarder (dagbedrag)

    VII 68

    X

    specifieke toelageregeling voor het personeel van de grote varende eenheden van de DAB Vloot[22]

    VII 70

    X

    STCW-toelage (jaarbedrag)

    VII 70bis

    X

    toelage technische bekwaamheid (jaarbedrag)

    VII 70ter

    X

    compenserende toelage

    VII 70quater

    X

    arbeidsmarkttoelage voor artsen en arts-specialisten

    VII 70quinquies

    X

    toelage matroos die tijdelijk fungeert als schipper-bootsman[22] of als schipper-stuurman[27]

    VII 70sexies[27]

    x

    productiviteitspremie - bijzondere specialisatiepremie

    VII 113

    X

    drukkerijactiviteiten (gevaarlijk werk) (uurbedrag)

    VII 115

    X

    chefloods (salarisschaal A125) - gewezen nautisch dienstchef (jaarbedrag)

    VII 118, § 1

    X

    Fonds Schoolgebouwen (jaarbedrag)

    VII 119

    X

    BET-toelage (jaarbedrag)

    VII 120

    X

    diplomabijslag Imalso (jaarbedrag)

    VII 124, § 1

    X

    toelage voor het uitblijven van ongevallen (jaarbedrag afh. aantal uren)

    VII 126, §§ 1 en 2

    X

    vervangende toelage voor het personeel van de Gemeenschapsinstellingen en de afdeling Electriciteit en Mechanica Gent en Antwerpen (percentage gemiddeld salaris)

    VII 129, § 2

    X

    rendementstoelage

    VII 131

    X

    toelage voor het innen van scheepvaartrechten

    VII 132

    X

    toelage voor overgeplaatsten BIPT belast met controle op inning belastingen

    VII 133

    X

    examentoelage (jaarbedrag)

    VII 140

    X

    upgradignspremie speciaal assistent

    VII 141

    X

    overgangsregeling upgradingspremie

    VII 145

    X

    salariscomplement informaticus (20% geïndexeerde salaris)

    VII 148

    X

    diensthoofdentoelage

    VII 151

    X

    overgangsregelingen VLAO

    VII 155

    X

    [9]

    Toelichting bij Art. VII 15bis

    1. Algemeen
    In artikel VII 15 van het VPS is een regeling opgenomen waardoor een aantal toelagen bij een afwezigheid van meer dan 35 werkdagen niet betaald worden. De samenlezing met de wetgeving inzake arbeidsongevallen noodzaakt een bijkomend artikel en toelichting (BVR 29/04/2011).[12]

    1.1. Een specifieke regeling, indien voormelde afwezigheid een gevolg is van een arbeidsongeval, is statutair echter niet geregeld. Nochtans heeft een personeelslid op basis van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 (1b):
    - bij tijdelijke ongeschiktheid verder recht op zijn "bezoldiging";
    - bij blijvende invaliditeit recht op een rente die berekend op basis van zijn "jaarlijkse bezoldiging".[12]

    1.2. De wettelijke regeling werd aangevuld met cassatierechtspraak. De wettelijke definitie van het begrip "bezoldiging" in het kader van een arbeidsongeval is dus niet steeds éénduidig interpreteerbaar. Vandaar het voorstel om dit in het VPS op te nemen.[12]

    2. Blijvende arbeidsongeschiktheid

    2. 1. In geval van blijvende ongeschiktheid wordt een "rente" uitbetaald, die berekend wordt op de "jaarlijkse bezoldiging"
    Artikel 13 van voornoemd KB van 24 januari 1969 en de interpretatie die de federale dienst daaraan geeft (1c), stellen dat het begrip "jaarlijkse bezoldiging" alle loonelementen omvat verkregen op datum van het ongeval (naast het salaris ook de toelagen verkregen het jaar voorafgaand aan het ongeval).
    Op grond van artikel 4 van de wet van 3 juli 1967 (1d) wordt de "jaarlijkse bezoldiging" begrensd (ingevolge de wet van 17 mei 2007 vastgesteld op 24.332,08 euro à 100% - sedert 1 januari 2005). Volgens datzelfde artikel wordt de loongrens in aanmerking genomen die geldt op datum van consolidatie.[12]

    2.2. Aangezien dit federale bevoegdheid is, wordt dit niet in het VPS geregeld, maar wordt dit ter info enkel hierna opgenomen in de tabel.
    Hieruit volgt dat bij blijvende arbeidsongeschiktheid ingevolge een arbeidsongeval alle verkregen toelagen in aanmerking komen voor het bepalen van de hoogte van de rente, met uitzondering van het jaarbedrag zeegeld (enkel voor berekening van pensioenbedrag).[12]

    3. Tijdelijke ongeschiktheid

    3.1. Op grond van artikel 32 van het voornoemd koninklijk besluit van 24 januari 1969 behoudt het personeelslid tijdens een periode van tijdelijke ongeschiktheid (wegens arbeidsongeval) zijn bezoldiging. De interpretatie die volgens het bij het KB horend verslag aan de Koning daaraan moet gegeven worden is dat hij naast zijn salaris ook zijn toelagen behoudt.
    Volgens de rechtspraak van Hof van Cassatie (1e) betekent het recht op bezoldiging ook het recht op de toelagen voor extra-prestaties (overuren, gevaarlijk-, ongezond- of hinderlijk werk…).
    Het Hof van Cassatie stelt tegelijkertijd dat men bij de toekenning van die toelagen ook de regel moet in aanmerking nemen die - vertaald naar Vlaams niveau - de stopzetting van de toelagen oplegt vanaf de eerste dag afwezigheid bij een afwezigheid van meer dan 35 werkdagen.[12]
    De ratio legis is dat de toelagen niet verschuldigd zijn bij een "ononderbroken" (d.w.z. "langdurige") periode van afwezigheid van 35 werkdagen. Indien een personeelslid bijvoorbeeld in september 20 werkdagen afwezig is ingevolge een arbeidsongeval en terug 20 werkdagen in november ingevolge hetzelfde arbeidsongeval ontvangt hij het gemiddelde voor de voorafgaande periode van 12 maanden van de 20 werkdagen afwezigheid in september (20/365) en tevens van de 20 werkdagen afwezigheid in november (20/365).

    3.2. Onder "forfaitaire" toelagen wordt verstaan, de toelagen die in het VPS met een "vast" (jaar)bedrag zijn opgenomen.
    De "variabele" toelagen zijn de toelagen die hetzij per uur worden betaald (en dus afhankelijk zijn van het aantal gepresteerde uren op maandbasis) of waar het "vast" bedrag varieert afhankelijk van bijkomende criteria (vb. permanentietoelage, toelage wachters der waterwegen).

    Inzake tijdelijke ongeschiktheid dient statutair zowel de regeling bij afwezigheid van hoogstens 35 werkdagen als van meer dan 35 werkdagen te worden geregeld.[12]

    3.3. Tijdelijke afwezigheid ingevolge arbeidsongeval van hoogstens 35 arbeidsdagen
    Naast het salaris en de forfaitaire toelagen kan het personeelslid ook recht hebben op variabele toelagen.
    Vermits deze toelagen niet geforfaitariseerd zijn, ontvangt het personeelslid het gemiddelde van de variabele toelagen voor extra-prestaties  en andere uurtoelagen en dit op basis van het gemiddelde van de ontvangen bedragen tijdens de 12 maanden die het ongeval voorafgaan.[12]

    3.4. Tijdelijke afwezigheid ingevolge arbeidsongeval langer dan 35 werkdagen
    Voor het al dan niet verder betalen van toelagen bij een afwezigheid van 35 arbeidsdagen, geldt dezelfde regeling als voor andere afwezigheden, zoals bepaald in artikel VII 15 van het VPS. Dus, in de gevallen waar artikel VII 15 van toepassing is, stopzetten vanaf de eerste dag afwezigheid.
    De dag van het ongeval maakt geen deel uit van de 35 arbeidsdagen.[12]

    Bij een afwezigheid van langer dan 35 werkdagen worden volgende toelagen verder betaald:
    1° organieke regeling
         - haard- en standplaatstoelage;
         - bevorderingspremie;
         - vervangende toelage huisvesting.
    2° overgangsregeling
         - diplomabijslag IMALSO;
         - vervangende toelage huisvesting voor de afdelingen Gemeenschapsinstellingen, Elektriciteit, Mechanica en Vloot;
         - examentoelage;
         - upgradingspremie speciaal assistent;
         - upgradingspremie;
         - bevorderingspremie – van niveau E naar niveau D.[12]

    3.5. Betaling van het gemiddelde bij afwezigheid van hoogstens 35 werkdagen
    Om terugvorderingen te vermijden, wordt het te betalen bedrag van variabele toelagen eventueel wel berekend, maar gebeurt de betaling (als achterstallen) pas van zodra geweten is dat de afwezigheid hoogstens 35 arbeidsdagen duurt.
    Ter info, vaste toelagen lopen gewoon door indien de afwezigheid hoogstens 35 werkdagen duurt. Dan wordt bekeken of de afwezigheid langer duurt dan 35 werkdagen, met andere woorden, of de regel van artikel VII 15 al dan niet van toepassing is.[12]

    4. Schematisch overzicht

    Volgende tabel geeft een schematisch overzicht van de regeling bij afwezigheid ingevolge een arbeidsongeval.
    De toelageregelingen waarop artikel VII 15 niet van toepassing is, zijn in het vet gedrukt.[12]

    Toelageregeling

    artikel

    arbeidsongeschiktheid ingevolge arbeidsongeval

    blijvende(1f)

    tijdelijke

    afw. <=35 wd

    afw. > 35 wd

    mandaattoelage (bedrag op jaarbasis)

    V12

    JB

    B (1g)

    S (1h)

    haard- en standplaatstoelage

    VII 18 - 19

    JB

    B

    B

    vakantiegeld en eindejaarstoelage

    VII 20 - 22

    JB

    ZV (1i)

    ZV

    toelage voor het uitoefenen van een hoger ambt

    (overgangsbepalig artikel VII 170)[23]

    JB

    B

    S

    projectleiderstoelage

    VII 27

    JB

    B

    S

    toelage prestaties buiten normale arbeidstijdregeling

    VII 28 - 32

    JB

    BG12 (1j)

    NB (1k)

    gevaartoelage

    VII 33 - 34 - 122 - 125 §§ 2 en 3

    JB

    BG12

    NB

    prestatietoelagen (management- en functioneringstoelage)

    VII 35 - 40

    JB

    ZV

    ZV

    bevorderingspremie

    VII 41

    JB

    B

    B

    permanentietoelage

    VII 42

    JB

    BG12

    NB

    ploegentoelage (forfait)

    VII 43 § 1

    JB

    B

    S

    ploegentoelage (per effectief gepresteerd uur)

    VII 43 § 2

    JB

    BG12

    NB

    toelage voor tijdelijke functieverzwaring[23]

    VII 44bis

    JB

    B

    S

    toelage voor carpooling[23]

    VII 44ter

    JB

    ZV

    ZV

    jeugdzorgtoelage

    VII 45,1°

    JB

    B

    S

    vakopleidingstoelage

    VII 45, 2°

    JB

    BG12

    NB

    toelage pedagogische bekwaamheid

    VII 45, 3°

    JB

    B

    S

    milieutoelage

    VII 46 - 47

    JB

    specifieke
    regeling

    specifieke
    regeling

    toelage voor rekenplichtigen

    VII 48 – 49 – 49 bis

    JB

    B

    S

    gezagvoerderstoelage

    VII 50

    JB

    BG12

    NB

    toelage voor technische bekwaamheid (per effectief gepresteerde dag)

    VII 51

    JB

    BG12

    NB

    toelage voor het secretariaat DAR

    VII 52

    JB

    B

    S

    BET-toelage

    VII 53

    JB

    B

    S

    interne dienst voor prev. en bescherming op het werk

    VII 54

    JB

    B

    S

    Sociale Dienst van de Vlaamse overheid

    VII 55

    JB

    B

    S

    vervangende toelage huisvesting

    VII 57

    JB

    B

    B

    toelage voor onregelmatige prestaties wachters WW

    VII 58

    JB

    BG12

    S

    luchthaventoelage

    VII 59

    JB

    B

    S

    toelageregeling operationele loodsen (met inbegrip van de vermin­derde loodstoelage)

    VII 60 §1 en 62

    JB

    Spec. Regeling VII 60 §4

    Spec. regeling VII 60 §4

    loods administratieve opdracht

    VII 60 §5

    JB

    BG12

    NB

    vervanging chef-loods (forfaitair)

    VII 60 §6

    JB

    B

    S

    heli-toelage

    VII 60 §7

    JB

    BG12

    NB

    niet-operationele loodsen (chefloodsen, kapiteins, stuurmannen)

    VII 63

    JB

    B

    S

    zeegeld dagbedrag

    VII 65 §§1 en 2

    JB

    Spec. regeling VII 65 §4

    Spec. regeling VII 65 §4

    zeegeld jaarbedrag

    VII 65 §1

    ZV

    ZV

    ZV

    toelage vervanging huisbewaarder

    VII 68

    JB

    B

    B

    specifieke toelageregeling voor het personeel van de grote varende eenheden van de DAB Vloot[22]

    VII 70

    JB

    BG12

    NB

    STCW-toelage (jaarbedrag)

    VII 70bis

    JB

    B

    S

    toelage technische bekwaamheid (jaarbedrag)

    VII 70ter §1

    JB

    B

    S

    compenserende maatregel maaltijdcheques

    VII 70quater

    JB

    B

    S

    artsentoelage

    VII 70quinquies

    JB

    B

    S

    toelage matroos die tijdelijk fungeert als schipper-bootsman[22] of als schipper-stuurman[27]

    VII 70sexies[27]

    JB

    BG12

    NB

    OVERGANGSREGELINGEN

    productiviteitspremie

    VII 113

    JB

    ZV

    ZV

    drukkerijactiviteiten (uurbedrag)

    VII 115

    JB

    BG12

    NB

    Fonds voor Schoolgebouwen en Gebouwen in Schoolverband van het Rijk

    VII 119

    JB

    B

    S

    BET-toelage (Schelderadarketen)

    VII 120

    JB

    B

    S

    diplomabijslag Imalso

    VII 124 § 1

    JB

    B

    B

    gevaarlijk werk Imalso

    VII 124, §3

    JB

    BG12

    NB

    toelage voor het uitblijven van ongevallen

    VII 126 §§ 1 en 2

    JB

    BG12

    NB

    vervangende toelage huisvesting voor personeel van de Gemeenschapsinstellingen en de afdeling Electriciteit en Mechanica Gent en Antwerpen

    VII 129 § 2

    JB

    B

    B

    rendementstoelage

    VII 130

    JB

    B

    NB

    toelage voor het innen van scheepvaartrechten

    VII 131

    JB

    B

    NB

    toelage voor overgeplaatsten BIPT belast met controle op inning belastingen

    VII 132

    JB

    B

    S

    examentoelage (jaarbedrag)

    VII 140

    JB

    B

    B

    upgradingspremie speciaal assistent

    VII 141

    JB

    B

    B

    overgangsregeling upgradingspremie

    VII 145

    JB

    B

    B

    salariscomplement informaticus

    VII 148

    JB

    B

    S

    diensthoofdentoelage

    VII 151

    JB

    B

    S

    overgangsregeling compenserende maatregel maaltijdcheques VLAO

    VII 154

    JB

    B

    S

    overgangsregeling VLAO

    VII 155 § 3

    JB

    B

    NB

    [12]

    Toelichting bij Art. VII 16 - VII 17

    Beide artikelen bevatten algemene bepalingen die, tenzij anders bepaald, van toepassing zijn op alle in dit statuut vermelde toelagen, zijnde:

    -

    maandelijkse betaling na vervallen termijn;

    -

    pro rata berekening overeenkomstig artikel VII 6;

    -

    aanpassing van de bedragen vermeld aan 100% aan het index­cijfer overeenkomstig artikel VII 9.[2]

    naar boven

    Hoofdstuk 2. Algemene Toelagen [2]

    Afdeling 1. Haard- en standplaatstoelage [2]

    Toelichting bij Art. VII 18 - VII 19

    Ingevolge een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wordt de haardtoelage vanaf 1 mei 2000 ook toegekend aan personeelsleden die als koppel ongehuwd samenwonen. Hierbij worden geen specifieke vereisten (vb. samenlevingscontract) gesteld. Het kan ook gaan om twee personen van hetzelfde geslacht die als koppel samenleven.

    In geval van verlof voor deeltijdse prestaties of onbetaald (voorheen gecontingenteerd) verlof wordt de toelage verminderd overeenkomstig art. VII 6 (betaling in werkdagen).

    Aangezien de haard- of standplaatstoelage samen met het salaris wordt uitbetaald, heeft het personeelslid in non-activiteit hier geen recht op.[2]

    In punt 5.1. van het sectoraal akkoord 2008-2009 wordt vanaf 1 januari 2009 een lineaire baremieke verhoging van 2% toegekend met een maximum van 50 euro bruto per maand aan index 1,4282. De grensbedragen voor het toekennen van de haard- of standplaatstoelage worden overeenkomstig met 2% verhoogd. Dit was ook het geval bij de vorige lineaire loonsverhoging in 2004. Indien de grensbedragen niet zouden aangepast worden, zou een deel van de lineaire verhoging voor een deel door de overheid gerecupereerd worden doordat de betrokkenen een lagere haard- of standplaatstoelage zouden ontvangen.[8]

    De vorige tekst van artikel VII 18 van het VPS voorzag de toekenning van de haardtoelage aan:
    - het gehuwde personeelslid of het personeelslid dat samenleeft;
    - het alleenstaande personeelslid van wie één of meer kinderen deel uitmaken van het gezin die recht geven op kinderbijslag.[9]

    Bij beurtrolouderschap waarbij de kinderen afwisselend tijdens gelijke periodes bij één van de ouders verblijven, is een bijzondere vorm van het co-ouderschap die veel wordt toegepast. Bijgevolg is het niet meer duidelijk bepaald wie in geval één van de ouders of beide ouders alleenstaand zijn gebleven recht heeft op de haardtoelage.

    Daarom wordt met de wijziging van 29/05/2009 een bepaling in het VPS ingevoerd wat betreft de toekenning van de haardtoelage, weliswaar voor de alleenstaande ouder en waarbij de haardtoelage wordt toegekend aan de alleenstaande ouder aan wie de kinderbijslag wordt betaald.[9]

    Op grond van §3 wijzen de twee echtgenoten of de twee personen die samenleven en elk beantwoorden aan de voorwaarden om de haardtoelage te verkrijgen, in wederzijds akkoord diegene van de twee aan, aan wie de haardtoelage wordt uitbetaald. De standplaatstoelage wordt toegekend aan de ambtenaar die geen haardtoelage krijgt. In dit geval is het te adviseren dat de partner met het laagste inkomen voor de haardtoelage opteert (bedrag haardtoelage is dubbele van standplaatstoelage). Bij het laagste salaris blijft in de “afromingszone” immers meer over.[22]

    Artikel VII 19 van het VPS voorziet in een garantiebepaling voor personeelsleden van wie het salaris hoger is dan bovenvermelde grens van € 16.421,84 of €18.695,86. Hun bezoldiging mag niet kleiner zijn dat in het geval het salaris gelijk zou zijn aan bovenvermeld grensbedrag. Zij ontvangen dan eventueel een gedeeltelijke haard- of standplaatstoelage.

    De "bezoldiging" is het salaris, verhoogd met de volledige of gedeeltelijke haard- of standplaatstoelage, en voor de ambtenaar verminderd met de inhouding FOP (7,5%).

    Voorbeeld berekening ambtenaren

    salaris haardtoelage globale bez. verschil H/St per jaar H/St per maand
    100% Geïnd (1,6084) min. pens.inh 100% Geïnd (1,6084)
    ondergrens 16.421,84 26.412,89 24.431,92 719,89 1.157,87 25.589,79
    effectief salaris 16.750 26.940,70 24.920,15 359,95 578,94 25.499,09

    90,70

    (=25589,79-25499,09)

    669,64

    (=5478,94+90,70)

    55,80

    (669,64/12)

    standplaatstoelage
    bovengrens 18.695,86 30.070,42 27.815,14 179,98 289,48 28.104,62
    effectief salaris 18.880 30.366,59 28.089,10 0,00 0,00 28.089,10

    15,52

    (=28104,62-28089,10)

    15,52

     

    1,29

    (15,52/12)

    Afdeling 2. Het vakantiegeld en de eindejaarstoelage [2]

    Toelichting bij Art. VII 20

    1.  algemene bepalingen

    -

    Zowel het vakantiegeld als de eindejaarstoelage bedragen een bepaald percentage van het brutomaandsalaris. Met salaris wordt bedoeld het eigenlijke salaris, eventueel verhoogd met de haard- of standplaatstoelage en eventueel salarissupplement bij deeltijdse prestaties;

    -

    Als niet tijdens de ganse referteperiode volledige prestaties werden verricht (vb. deeltijdse prestaties, in- of uitdiensttreding tijdens de referteperiode enz.) wordt het bedrag herleid pro rata van het verdiende brutosalaris tegenover het bruto­salaris bij volledige prestaties voor de volledige referteperiode;

    -

    Afwezigheden met behoud van salaris geven geen aanleiding tot vermindering of verlies van het vakantiegeld of eindejaarstoelage. Afwezigheden met verlies van salaris geven aanleiding tot pro rata vermindering van het vakantiegeld en de eindejaarstoelage, behalve in de hierna vermelde gevallen. Het vakantiegeld en de eindejaarstoelage wordt voor contractuelen niet verminderd bij ziekteverlof (inclusief carensdag), arbeidsongeval, moederschapsrust en voorbehoedend verlof. Hierdoor wordt de berekening voor contractuelen volledig gelijkgesteld met die van de vastbenoemden; Reden: contractuelen ontvangen tijdens de moederschapsrust en bepaalde gedeelten van het ziekteverlof (periode buiten de periode van gewaarborgd en/of aanvullend loon), van het vaderschapsverlof en geboorteverlof[37] geen salaris van de werkgever;

    -

    Tot 30/06/09 is er enkel vervroegde betaling van vakantiegeld en eindejaarstoelage bij uitdiensttreding bij de diensten van de Vlaamse overheid. Concreet betekent dit dat er dus geen vervroegde uitbetaling gebeurt als een personeelslid bijvoorbeeld muteert van een departement naar een IVA of EVA met rechtspersoonlijkheid die onder de definitie van het begrip "diensten van de Vlaamse overheid" valt, zoals gedefinieerd in artikel I 2 van het VPS.[9]

    Omwille van RSZ-verplichtingen (DIMONA) is een afrekening van vakantiegeld en eindejaarstoelage nodig in de volgende gevallen:

    - wijziging van RSZ-nummer (de facto: van rechtspersoon)

    - wijziging van RSZ-werknemerscode (de facto: wijziging tussen volgende hoedanigheden: contractueel, statutair, GECO, jobstudent en beroepsinlevingscontract).

    De tekst van het artikel wordt in deze zin aangepast vanaf 1/7/09 d.m.v. de wijziging van 29/05/09. De wijziging van entiteit binnen eenzelfde rechtspersoon en de aanstelling in een mandaat zal dus geen afrekening van beide toelagen meer tot gevolg hebben.

    Dit brengt met zich mee dat er een financieringsprobleem blijft in geval van mutatie binnen dezelfde rechtspersoon: de volledige last van VG en EJT inclusief eventuele achterstallen komen voor rekening van de nieuwe entiteit. Hiervoor wordt binnen Vlimpers naar een andere oplossing gezocht (aanrekeningscode koppelen aan periodes, ...).[9]

    -

    Bij beëindiging van de tewerkstelling[9] gebeurt de uitbetaling van het verschuldigd vakantiegeld of de verschuldigde eindejaarstoelage in de loop van de maand volgend op de beëindiging van de tewerkstelling bij de diensten van de Vlaamse overheid.

    2. vakantiegeld

    2.1

    De referteperiode is het kalenderjaar dat voorafgaat aan het vakantiejaar.

    2.2

    Het vakantiegeld bedraagt 92% van het brutomaandsalaris van de maand april van het vakantiejaar.

    2.3

    RSZ-regeling inzake het dubbel vakantiegeld[23]

    2.3.1

    algemeen principe[23]

    Het dubbel vakantiegeld is geen loon waarop "gewone" sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd zijn.[23]

    2.3.2

    regeling privésector (gecoördineerde wetten jaarlijkse vakantie van 28 juni 1971)[23]

    De RSZ-reglementering heeft een "bijzondere werknemersbijdrage" ingesteld. het percentage van deze inhouding is identiek aan dat van de door de werknemers verschuldigde sociale zekerheidsbijdragen (13,07%).[23]

    Deze inhouding moet aan de RSZ worden gestort.[23]

    Deze inhouding gebeurt niet op het gedeelte van het wettelijk dubbel vakantiegeld dat overeenstemt met het loon vanaf de derde dag van de vierde vakantieweek.[23]

    2.3.3

    publieke sector - federaal[23]

    Diverse wettelijke bepalingen voorzien in een inhouding van 13,07% ten laste van de werknemer op vakantiegelden toegekend aan de personeelsleden van de overheidssector in de ruime zin van het woord. In tegenstelling tot de op de werknemers van de privésector toegepaste inhoudingen op het dubbel vakantiegeld, die doorgestort worden aan het globaal beheer van de sociale zekerheid, was er geen bestemming voorzien voor de inhoudingen op de vakantiegelden van de ambtenaren die onder de vakantieregeling van de openbare sector vallen.[23]

    De wet van 17 september 2005 houdende de invoerin van een egalisatiebijdrage voor pensioenen (B.S. ba, 6/10/2005) voorziet de doorstorting van deze 13,07% voor de personeelsleden van de openbare diensten.[23]

    Het gaat om de volgende openbare diensten:

    - het federaal administratief openbaar ambt;

    - de federale openbare instellingen;

    - de regieën;

    - de geïnegreerde politiediensten en het leger;

    - de federale autonome overheidsbedrijven;

    - de Hoven en rechtbanken;

    - de Raad van State, het Rekenhof en het Arbitragehof.[23]

    De bijdrage is verschuldigd voor zowel de contractuele als de statutaire ambtenaren.[23]

    De RSZ int enkel de bijdrage voor de contractuele personeelsleden.[23]

    Voor de statutaire ambtenaren gebeurt een gelijkaardige inning door het "Fonds voor het evenwicht van de pensioenstelsels" (een begrotingsfonds opgericht in de schoot van de FOD Financiën).[23]

    2.3.4

    Vlaamse ministeries en Agentschappen met rechtspersoonlijkheid[23]

    Op het dubbel vakantiegeld regime overheidssector van de vastbenoemde + contractuele personeelsleden wordt een "loonmatigingsbijdrage" ad 13,07% ingehouden (= werknemersbijdrage; zie art. VII 21 VPS en de toelichting er bij).[23]

    Er bestaat geen enkele wettelijke bepaling die de Vlaamse overheid verplicht om deze "loonmatigingsbijdrage" door te storten aan de RSZ of een andere instantie. De Vlaamse overheid heeft vor de inhouding van 13,07% dus dezelfde rechtsgrond als de federale overheid had vóór 2005.[23]

    Zowel voor de ambtenaren als contractuelen wordt op de eerste schijf die overeenstemt met 85% van het maandsalaris een inhouding verricht van 13,07%; op de resterende schijf van 7% (86 tot 92%) wordt de bijzondere inhouding niet verricht.[23]

    De beperking tot de inhouding van 85% (en dus geen inhouding op resterende schijf van 7%) vindt zijn motivatie ind e gelijkschakeling met de privésector (zie supra punt 2.3.2).[23]

    Op grond van artikel 19, § 1 van het KB van 28 november 1969 wordt op het wettelijk dubbel vakantiegeld een bijzondere werknemersbijdrage ingehouden, met uitzondeirn van de aanvullende bedragen die bepaald zijn bij de CAO's nrs. 52, 54 en 59 en die voorzien in een aanvullende vergoeding gelijk aan het dubbel vakantiegeld voor de derde dag van de vierde vakantieweek. Dit bedrag stemt overeen met 7% van het vakantiegeld (verschil tussen 92% en 85%).[23]

    2.3.5

    lokale besturen

    Op grond van de wet van 24 oktober 2011 (11) (B.S. 24/10/2011) moeten de lokale besturen aangesloten bij de RSZPPO (Poolsysteem) de 13,07% op het (dubbel) vakantiegeld overheidssector dorostorten aan het gesolidariseerd pensioenfonds van de RSZPPO (zie o.o. wet 24.11.2011, art. ', § 3).[23]

    2.4

    Indien het personeelslid, met wie de arbeidsrelatie wordt beëindigd, zijn jaarlijkse vakantie niet heeft kunnen opnemen, wordt hem het salaris voor de niet opgenomen vakantiedagen uitbetaald. Het gaat hier in feite om het zogenoemde "enkel vakantiegeld" (= loon voor de dagen jaarlijkse vakantie)(zie toelichting bij artikel VII 11). Dat het niet opnemen van de vakantiedagen het gevolg is van "dienstredenen" wordt niet meer opgenomen om in overeenstemming te zijn met de wet van 9 maart 2003 houdende instemming met het Verdrag nr. 132 betreffende vakantie met behoud van loon (verdrag van 24 juni 1970 van de Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie – B.S. 22/7/2003) – zie toelichting bij artikel VII 11.

    3. eindejaarstoelage

    3.1

    De referteperiode is de periode van 1 januari tot 30 september;

    3.2

    In uitvoering van het sectoraal akkoord 2005-2007 (punt 7.5) werd de eindejaarstoelage als volgt verhoogd:

    -

    voor de personeelsleden van de rang D1: verhoging van 5% tot 73,5 % m.i.v. de eindejaarstoelage 2006 (i.p.v. 70%);

    -

    voor de personeelsleden van de rang D2, D3, C1 en B1: verhoging van 4% tot 67,6 % m.i.v. de eindejaarstoelage 2007 (i.p.v. 65%);

    -

    voor de personeelsleden van de rang A1, C2, C3, B2 en B3: verhoging van 3% tot 60,8 % m.i.v. de eindejaarstoelage 2008 (i.p.v. 59%);

    -

    voor de personeelsleden van de rang A4 - A2: verhoging van 3% tot 54,6 % m.i.v. de eindejaarstoelage 2009 (i.p.v. 53%).[6]

    De rang die men heeft in de maand november is doorslaggevend om het % te bepalen.

    In uitvoering van punt 3.9 van het sectoraal akkoord 2010-2012 wordt het percentage van de eindejaarstoelage met 9% verhoogd ten opzichte van de percentages van het kalenderjaar 2011 (5% vanaf 2013 en 4% vanaf 2014).

    3.3

    Voor de berekening van de RSZ op de eindejaarstoelage moet  een onderscheid gemaakt worden tussen ambtenaren en contractuelen:

    3.3.1

    contractuelen

    Voor contractuelen is het volledig bedrag onderworpen aan de RSZ(2).

    3.3.2

    Voor ambtenaren is het percentage van het bedrag dat overeenstemt met de huidige berekeningswijze vrijgesteld van RSZ. Op de verhoging is wel RSZ(3) verschuldigd.

    KB 19.11.1990 - RSZ op toelagen

    --> onderwerping van bestaande toelagen aan RSZ op de verhoging

    Opgelet: onderstaande percentages zijn te lezen als % van het maandsalaris

    huidige EJ 2000 in verhouding tot brutomaandsalaris

    verhoging

    Rang

    eindejaarstoelage vanaf kalenderjaar

    vrij van RSZ (vastgesteld bij uitvoering SA 2001-2002 – overgang vast en variabel gedeelte naar %)

    wel RSZ op

    2012

    2013

    2014

    2012

    2013

    2014

    A4

    54,60%

    57,33%

    59,51%

    33,50%

    21,10%

    23,83%

    26,01%

    A3

    54,60%

    57,33%

    59,51%

    34,00%

    20,60%

    23,33%

    25,51%

    A2L

    54,60%

    57,33%

    59,51%

    35,00%

    19,60%

    22,33%

    24,51%

    A2A

    54,60%

    57,33%

    59,51%

    35,00%

    19,60%

    22,33%

    24,51%

    A2E

    54,60%

    57,33%

    59,51%

    35,00%

    19,60%

    22,33%

    24,51%

    A2M

    54,60%

    57,33%

    59,51%

    36,00%

    18,60%

    21,33%

    23,51%

    A2

    54,60%

    57,33%

    59,51%

    36,00%

    18,60%

    21,33%

    23,51%

    A1

    60,80%

    63,84%

    66,27%

    38,00%

    22,80%

    25,84%

    28,27%

    B3

    60,80%

    63,84%

    66,27%

    38,50%

    22,30%

    25,34%

    27,77%

    B2

    60,80%

    63,84%

    66,27%

    39,00%

    21,80%

    24,84%

    27,27%

    B1

    67,60%

    70,98%

    73,68%

    43,50%

    24,10%

    27,48%

    30,18%

    C3

    60,80%

    63,84%

    66,27%

    40,00%

    20,80%

    23,84%

    26,27%

    C2

    60,80%

    63,84%

    66,27%

    39,50%

    21,30%

    24,34%

    26,77%

    C1

    67,60%

    70,98%

    73,68%

    43,00%

    24,60%

    27,98%

    30,68%

    D3

    67,60%

    70,98%

    73,68%

    42,00%

    25,60%

    28,98%

    31,68%

    D2

    67,60%

    70,98%

    73,68%

    43,00%

    24,60%

    27,98%

    30,68%

    D1

    73,50%

    77,18%

    80,12%

    47,50%

    26,00%

    29,68%

    32,62%

    voorbeeld berekening vakantiegeld 2012

    gegevens:

    salarisschaal C112

    jaarsalaris in 2004: 17.190 euro (100%)

    jaarsalaris vanaf april 2012: 17.960 (100%)

    index tot 31/5/2011: 1,5157

    index vanaf 1/6/2011: 1,5460

    index vanaf 1/3/2012: 1,5769

    1) volledige prestaties tijdens de referteperiode 2011:

    Het brutosalaris voor de maand april 2012 bedraagt 2.360,09 euro ((17.960 x 1,5769):12).
    De betrokkene ontvangt een brutovakantiegeld van 2.171,28 euro (2.360,09 euro x 92%).

    2) de eerste 6 maanden van het refertejaar deeltijdse prestaties (zonder bonus)) aan 50%, de laatste 6 maanden prestaties aan 100%:

    De berekening van het brutovakantiegeld gebeurt als volgt:
    12.027,44(4) x 5 + 13.287,87 + 26.575,74(7) x 6 
    26.054,88(6) x 5    26.575,74    26.575,74 x 6

    Herleiding tot dezelfde noemer:
    13.287,87 x 5 + 13.287,87 + 26.575,74 x 6 = 239.181,70 = 0,75
    26.575,74 x 5     26.575,74    26.575,74 x 6    318.908,9

    0,75 x 92%(5) = 0,69

    Het brutovakantiegeld voor de betrokkene bedraagt:
    1.973,99 (salaris april 2005) X 0,69 = 1.362,05 euro.

    berekening eindejaarstoelage 2012
    gegevens: salarisschaal C112
              jaarsalaris in 2012: 17.960 euro (100%)
              index = 1,5460
              index vanaf maart 2012 = 1,5769

    1) volledige prestaties tijdens de referteperiode (januari tot september) 2012: :
    Het brutosalaris voor de maand november 2012 bedraagt 2.360,09 euro = ((17.960 x 1,5769):12).

    De betrokkene ontvangt een bruto-eindejaarstoelage van 1.595,42 euro (2.360,09 x 67,6%).

    2) de eerste 6 maanden van de referteperiode (januari tot juni) deeltijdse prestaties aan 50%, de laatste 3 maanden (juli tot september) prestaties aan 100%:

    De berekening van de bruto-eindejaarstoelage gebeurt als volgt:

    1.156,92 x 2 +  1.180,05 x 4 +  2.360,09 x 3
    2.313,85 x 2     2.360,09 x 4     2.360,09 x 3

    Herleiding tot dezelfde noemer
    1.180,05 x 2 + 1.180,05 x 4  + 2.360,09 x 3 = 2.360,09 + 4.720,2 + 7.080,27 = 0,6667
    2.360,09 x 2    2.360,09 x 4     2.360,09 x 3                21.240,81

    0,6667 x 67,6% = 0,4507

    De bruto-eindejaarstoelage voor de betrokkene bedraagt:
    2.360,09 (salaris november 2012) x 0,4507 = 1.063,69 euro.

    Nieuwe regeling VG / EJT
    Sedert uitvoering S.A. 2001–2002 + VPS DVO

    Invloed op berekening VG en EJT

     

    1. Loopbaanincidenten

     

    Inhouding van salaris (tuchtstraf)

    ja

    Tuchtschorsing (zonder salarisverlies)

    nee

    Tuchtschorsing (met inhouding salaris)

    ja

    p>Schorsing in belang van de dienst (zonder salarisverlies)

    nee

    Schorsing in belang van de dienst (met inhouding salaris)

    ja

    Ongewettigde afwezigheid

    ja

    Staking-georganiseerde werkonderbreking

    ja

    Vakantie - feestdagen

    nee

    Ouderschapsverlof (afgeschaft door onderhavig besluit)

    ja

    Loopbaanonderbreking (alle vormen, dus ook de bijzondere)

    ja

    Tewerkstelling ten behoeve van externe werkgever (met behoud salaris)

    nee

    Tewerkstelling ten behoeve van externe werkgever (zonder bezoldiging)

    ja

    Verlof opdracht ministerieel kabinet

    nee

    Opdracht algemeen belang (met behoud van salaris)

    nee

    Opdracht algemeen belang (zonder bezoldiging)

    ja

    Verlof ter beschikking koning of prins

    nee

    Ambt erkende politieke groep (met behoud van salaris)

    nee

    Ambt erkende politieke groep (zonder bezoldiging)

    ja

    Vormingsverlof (met behoud van salaris)

    nee

    Vormingsverlof (zonder bezoldiging)

    ja

    Omstandigheidsverlof

    nee

    Onbetaald verlof (voorheen gecontingenteerd verlof) (zowel dienstactiviteit als non-activiteit)

    ja

    Politiek verlof – dienstvrijstelling

    nee

    Politiek verlof - facultatief; van ambtswege

    ja

    Politiek verlof (non-activiteit)

    ja

    Vakbondsverlof

    nee

    Deeltijdse prestaties

    ja

    Non-activiteit

    ja

    Proeftijd extern/intern

    ja

    Verlof adoptie of pleegvoogdij = opvangverlof

    nee

    Verlof voorafgaand aan de pensionering

    ja

    Schorsing contract op eigen verzoek

    ja

    Schorsing betwisting arbeidsongeschiktheid

    ja

    Omstandigheidsverlof: vaderschapsverlof bevallig partner (contractuelen)[9]

    nee

    2. Ziekte, moederschapsrust en arbeidsongeval

    Ziekteverlof, arbeidsongeval, moederschapsrust

    nee

    Vrijstelling prophylaxie (voorbehoedend verlof)

    nee

    Verhoging vakantiegeld jonge werknemers

    Voor de berekening van het vakantiegeld neemt men eveneens in aanmerking de periode vanaf 1 januari van het referentiejaar, zoals bedoeld in artikel VII 21, tot de dag vóór de datum waarop het personeelslid wordt in dienst genomen, op voorwaarde dat hij:

    1.

    minder dan 25 jaar oud is op het einde van het referentiejaar;

    2.

    uiterlijk in dienst is getreden op de laatste werkdag van de vier maanden volgend op:

    - hetzij de datum waarop hij de inrichting heeft verlaten waarin hij zijn studie heeft gedaan onder de voorwaarden bepaald in artikel 62 van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders;

    - hetzij de datum waarop aan de leerovereenkomst een einde is gekomen.

    Het personeelslid moet het bewijs leveren dat hij aan de gestelde voorwaarden voldoet. Dit bewijs kan door alle rechtsmiddelen worden geleverd, getuigen inbegrepen.

    Het vakantiegeld wordt betaald in de loop van de maand mei van het jaar gedurende hetwelk de vakantie moet worden toegekend.

    De eindejaarstoelage wordt in een keer uitbetaald tijdens de maand december van het in aanmerking genomen jaar.[2]

    Afdeling 3. Toelage voor het uitoefenen van een hoger ambt [2]

    Toelichting bij Art. VII 23

    opgeheven[23]

    Afdeling 4. Diensthoofdentoelage [2]

    Toelichting bij Art. VII 25

    Voert de diensthoofdentoelage in voor de ambtenaren van rang A1 die de functie van diensthoofd uitoefenen in een buitendienst van de entiteit of instelling waar op het organigram geen betrekking van rang A2 voorzien is.

    Er wordt bepaald dat de diensthoofden worden aangesteld door het de lijnmanager. Deze kan deze bevoegdheid delegeren aan het afdelingshoofd.

    De diensthoofdentoelage ondergaat dezelfde verminderingen als het salaris, zoals bijvoorbeeld bij verlof voor deeltijdse prestaties (overname PSWI).[2]

    Toelichting bij Art. VII 26

    bepaalt de hoegrootheid van de diensthoofdentoelage op 10% van het geïndexeerd salaris.[2]

    Afdeling 5. Projectleiderstoelage [2]

    Toelichting bij Art. VII 27

    De projectleiderstoelage wordt vastgesteld volgens dezelfde methodiek als de toelage voor tijdelijke functieverzwaring (artikel VII 44bis), d.w.z. door de tijdelijke functieverzwaring die het leiden van een project inhoudt te wegen aan de hand van de functiematrix[39]. Hieraan wordt een toelage gekoppeld die het verschil tussen het oorspronkelijk salaris van de functiehouder en een bedrag vast te stellen binnen de onder- en bovengrens van de betrokken functieklasse overbrugt.[23]

    Er is een overgangsregeling voorzien voor de op 1 maart 2014 lopende projecten in die zin dat de ambtenaren die op 1 maart 2014 zijn aangesteld als projectleider (of in een hoger ambt) de toelage behouden zoals toegekend op basis van de regeling die gold op de datum van aanstelling (zie artikel VII 170, eerste lid).[23]

    Afdeling 6. Toelage voor prestaties buiten de normale arbeidstijdregeling [2]

    Toelichting bij Art. VII 28 - VII 32

    Deze afdeling regelt de toekenning van een toelage voor:

    -

    overuren;

    -

    verstoringstoelage;

    -

    zondagprestaties;

    -

    nachtprestaties;

    -

    zaterdagprestaties.

    a) overuren
    Regelt de betaling van een toelage of toekenning van inhaalrust voor overuren.[2]

    Een personeelslid presteert overuren wanneer hij bij uitzondering verplicht wordt prestaties te verrichten die verbonden zijn aan zijn functie maar die toch niet als normaal kunnen worden beschouwd (m.a.w. die de hem opgelegde arbeidsduur overschrijden - normaliter 38 uur per week en/of 7u36 per dag).[2]

    De toelage is gelijk aan het aantal gepresteerde overuren en wordt berekend op basis van het salaris vermeerderd met de haard- en standplaatstoelage, de toelage tijdelijke functieverzwaring[34], de examentoelage en de bevorderingspremie.(zie artikel VII 31).[2]

    inhaalrust:
    De compensatie is gelijk aan het aantal te betalen overuren.
    De compensatieregeling blijft beperkt tot afdelingen met een normaal dienstrooster (gemiddeld 38 uur per week met normale dagprestaties in een werkweek van maandag tot vrijdag). De diensten met een beurtrolsysteem of de continudiensten hebben allen reeds een compensatieregeling eigen aan hun dienst, zodat het opleggen van een uniforme compensatieregeling voor deze diensten aanzienlijke organisatorische - en personeelsproblemen zou stellen.

    De toelage voor overuren wordt verhoogd tot 125% indien de ambtenaar niet vóór het begin van zijn normale diensttijd verwittigd werd (VII 28,§ 2);

    Overuren gepresteerd op vraag van de hiërarchisch meerdere verricht in het kader van telethuiswerk kunnen eveneens leiden tot overloon of compensatie.

    b) verstoringstoelage
    Indien een personeelslid bij uitzondering buiten zijn diensttijd of permanentieplicht (d.w.z. bij een verplichte wachtbeurt) wordt opgeroepen voor een onvoorzien en dringend werk ontvangt hij een toelage van 4/1850 slechts de eerste dag (VII 31). Indien hij de volgende dag nog deelneemt aan dit "onvoorzien en dringend werk" ontvangt hij niet meer de verstoringstoelage.

    Ambtenaren van niveau A evenals de ambtenaren op proef van dit niveau blijven uitgesloten van deze toelagen.

    Deze toelage van 4/1850 kan slechts éénmaal toegekend worden voor hetzelfde onvoorziene en dringend werk. Voor de uren die effectief voor het vervullen van dit dringend werk gepresteerd worden, ontvangt het betrokken personeelslid de toelage van 1/1850 per overuur.

    Een praktisch voorbeeld zal dit verduidelijken. Een personeelslid bevindt zich thuis in rust. Hij wordt opgebeld dat hij dringend een afwezig personeelslid dient te vervangen. Voor zijn onvoorziene opkomst, ontvangt het personeelslid dan 4/1850. Wanneer de extra-prestatie 5 uren duurt, ontvangt betrokkene voor elk uur nogmaals 1/1850, wat dus betekent dat betrokkene voor zijn extra-oproeping en prestaties 9/1850 (en dus geen 20/1850 (5X4/1850)) zal ontvangen. De zogenaamde verstoringstoelage wordt dus slechts éénmaal toegekend omdat men gedurende zijn rust wordt gestoord. Eens opgeroepen worden de gepresteerde overuren gewoon verloond aan 1/1850 per uur.

    c) toelage voor nacht-, zaterdag- en zondagswerk

    Nachtprestaties zijn prestaties die tussen 22.00 uur en 6.00 uur worden verricht.

    In uitvoering van het sectoraal akkoord 2005-2007 wordt de toelage voor nachtprestaties verhoogd van 2 tot 3 euro (100%).[6]

    Deze aanpassing werd reeds als voorafname ingevoerd bij rondzendbrief van 18 juli 2006 met kenmerk PEBE/DVO/2006/8.[6]

    Met zondagswerk of zondagsprestaties worden gelijkgesteld prestaties op een wettelijke, decretale of erkende feestdag: o.m. tweede paasdag, tweede sinksendag, 11 juli, 2 november, 15 november, 26 december.

    De compensatie voor nacht- en zaterdagprestaties is gelijk aan het aantal te betalen uren indien het overuren zijn. Nacht- of zaterdag­prestaties worden steeds betaald, maar kunnen slechts gecompenseerd worden indien het overuren zijn.

    De compensatie voor zondagsprestaties is gelijk aan het dubbel van het aantal te betalen uren indien het overuren zijn. Indien het geen overuren zijn, is de compensatie gelijk aan het aantal te betalen uren.

    Voorbeelden

    1)

    Een personeelslid (van niveau C) is verplicht om 2 uur zondagprestaties te verrichten aan het einde van zijn 38-urige werkweek.

    Hij heeft recht:

    a)

    ofwel per gepresteerd uur, op 1/1850 van zijn jaarlijkse brutobezoldiging, voor prestaties op een zondag en 1/1850 omdat elk gepresteerd uur hier ook een overuur is, dus in totaal 4/1850;

    b)

    ofwel per gepresteerd uur op 1 uur compensatie voor prestaties op een zondag en 1 uur compensatie (voor overuren), omdat elk gepresteerd uur hier ook een overuur is. Dus 2 uur compensatie per gepresteerd uur (in totaal 4 uur compensatie).

    2)

    Een ander personeelslid is verplicht tot 2 uur zondagsprestaties. Hij werkt de vrijdag vóór de bedoelde zondag, 2 uur minder; hij gaat gewoon vroeger naar huis in afspraak met de dienstchef of m.a.w. hij heeft gemiddeld nog geen 38 u gepresteerd.

    Hij heeft recht:

    a)

    ofwel op 1/1850 van de jaarlijkse brutobezoldiging per gepresteerd uur voor prestaties op een zondag (of in totaal 2/1850);

    b)

    ofwel op 1 uur compensatie per gepresteerd uur op zondag (of in totaal 2 uur).

    3)

    Een personeelslid is verplicht om 2 uur zaterdagprestaties te verrichten aan het einde van zijn 38-urige werkweek.

    Hij heeft recht:

    a)

    ofwel per gepresteerd uur, op 1 euro (100%) per uur gepresteerd op een zaterdag en 1/1850 van zijn jaarlijkse brutobezoldiging omdat elk gepresteerd uur hier ook een overuur is (of in totaal 2 euro (100%) en 2/1850);

    b)

    ofwel per gepresteerd uur, op 1 euro (100%) per uur gepresteerd op een zaterdag en 1 uur compensatie omdat elk uur hier ook een overuur is (of in totaal 2 euro (100%) en 2 uur compensatie).

    4)

    Een ander personeelslid is verplicht tot 2 uur zaterdagsprestaties. Hij werkt de vrijdag vóór de bedoelde zaterdag, 2 uur minder; hij gaat gewoon vroeger naar huis in afspraak met de dienstchef of m.a.w. hij heeft gemiddeld nog geen 38 u gepresteerd).

    Hij heeft recht op 1 euro (100%) per gepresteerd uur voor prestaties op een zaterdag, maar hij heeft geen recht op compensatie (of in totaal 2 euro (100%)).

    5)

    De voorbeelden sub 3 en 4 gelden ook voor nachtprestaties.[2]

    In uitvoering van het sectoraal akkoord 2005-2007 worden de toelagen voor overuren en zaterdagwerk toegekend aan de personeelsleden van de rang A1, met uitzondering van de A1 met een diensthoofdentoelage.[6]

    Ook de personeelsleden met de functie van operationele loods (eveneens rang A1) worden hiervan uitgesloten. Deze component wordt immers geïntegreerd in hun loodstoelage zoals bedoeld in artikel VII 60, § 1 van het VPS.[6]

    Deze aanpassing werd reeds als voorafname ingevoerd bij rondzendbrief van 18 juli 2006 met kenmerk: PEBE/DVO/2006/8.[6]

    Afdeling 7. De gevaartoelage [2]

    Toelichting bij Art. VII 33

    Het bedrag van de gevaartoelage werd als volgt bepaald:

    aantal uren gevaarlijk, ongezond of hinderlijk werk gedurende een maand

    Bedrag toelage/uur

    minder dan 7 uur

    1,10 euro (100%)

    Van 7 tot 25 uur 25u

    1,20 euro (100%)

    meer dan 25u

    1,25 euro (100%)

    De lijst van werken waarvoor een gevaartoelage wordt uitbetaald is vastgelegd in bijlage 7 van het statuut. De omschrijvingen van deze werken worden bij omzendbrief verduidelijkt.

    Voor de berekening van de totale duur tijdens dewelke een personeelslid gedurende de maand gevaarlijk, ongezond of hinderlijk werk heeft verricht, wordt de duur van de verschillende periodes waarin hij gevaarlijk, ongezond of hinderlijk werk heeft verricht, samengeteld.
    Wanneer deze totale duur een gedeelte van een uur beslaat, of naast volledige uren ook een gedeelte van een uur omvat, wordt dit gedeelte afgerond naar een vol uur wanneer het minimum 30 minuten bedraagt. Indien het minder dan 30 minuten bedraagt, valt het weg.

    Wanneer 2 of meer werken die als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk worden beschouwd, gelijktijdig worden verricht, wordt de duur ervan slechts éénmaal in aanmerking genomen.

    In uitvoering van punt 3 van het protocol nr. 250.811 van 10 september 2007 hebben de operationele loodsen vanaf 1 juli 2007 recht op de gevaartoelage.[7]

    Loodsen hebben deelfde rechten en plichten als andere ambtenaren van rang A1. Zij kunnen bijgevolg ook aanspraak maken op de gevaartoelage die in uitvoering van het sectoraal akkoord 2003-2004 met ingang van 1 oktober 2004 werd toegekend aan de personeelsleden van niveau A. Voor de operationele loodsen gaat het om de werken 25 (werken in de hoogte), 60 (prestaties in de werkjol van de kotter van de loodsdienst) en 62 (prestaties in de werkjol van de tender, de sleep- of bebakeningsdienst) en werk 33 (werk in abnormaal gevaarlijke omstandigheden door personeel van het Zeewezen).[7]

    In afwijking van andere regelingen (bv. zaterdag- en nachtprestaties) wordt deze toelagecomponent niet geglobaliseerd en opgenomen in de loodstoelage. De toelage voor gevaarlijk werk wordt maandelijks berekend op basis van het aantal uren in kwestie.[7]

    Forfait DAB Vloot[35]

    De toepassing van de organieke regeling inzake gevaarlijk werk, is bij de DAB Vloot niet of nauwelijks toepasbaar op het scheepspersoneel. Het gaat immers over ruim 500 personeelsleden van wie het gevaarlijk werk een vast onderdeel is van hun takenpakket. Daarom opteerde de DAB Vloot ervoor om de detailregistratie waar mogelijk te vervangen door een onderbouwde “forfaitaire” regeling (een tweede lumpsum). De impact van een forfaitaire regeling betekende een werklastvermindering binnen de DAB Vloot van 1VTE.[35]

    Audit Vlaanderen merkte in een detectieaudit (rapport van 14 juni 2012) evenwel op dat voor dergelijke forfaitaire regeling geen rechtsgrond voorhanden is.[35]

    Daarom wordt aan de Vlaamse minister bevoegd voor de bestuurszaken een delegatiebevoegdheid gegeven om voor de DAB Vloot een forfaitaire regeling vast te stellen. Dit creëert een rechtsgrond voor de toepasselijke regeling bij de DAB Vloot.[35]

    Toelichting nopens een aantal specifieke regelingen van gevaarlijk werk:

    Toelichting bij Art. VII 34

    Geeft een opsomming van de werken vermeld in bijlage 7 waarvoor een ander (hoger) bedrag wordt uitbetaald.
    werk 60-61-62. Het specifieke werk van het aan of van boord brengen van de loodsen met de werkjol, vanuit de loodskotter aan de Westpost, werd in het verleden uitsluitend door RMT-personeelsleden verricht.

    Een werkjol wordt bemand door twee scheepsbeambten (matrozen) terwijl een derde de hijskraan bedient om de werkjol in en uit het water te hijsen.
    Het werk in de werkjol is ongetwijfeld het meest risicovolle werk dat door een personeelslid van het ministerie moet verricht worden.

    werk 63. De toelage wordt bepaald op 14 euro (100%) per uur.
    Deze toelage vervangt de vroeger bestaande "vliegtoelage", die werd toegekend op basis van een koninklijk besluit van 13 november 1980 (Wegenfonds) en een ministerieel besluit van 31 december 1976 (ministerie van Openbare Werken).

    Onder "opnames uit de lucht" wordt verstaan, het nemen vanuit de lucht van foto's en opnames van overstromingen, ongevallen e.d.

    werk 64. De toelage wordt bepaald op 9,10 euro per uur. Dit uurbedrag werd bepaald op basis van het gemiddelde van de cijfergegevens van de jaren 1993 tot en met 1996, die werden toegekend op basis van het ministerieel besluit van 5 maart 1976. In plaats van verschillende bedragen voor het eerste half uur en elk kwartier daarboven, wordt thans één bedrag per uur bepaald.

    Er wordt, in vergelijking met vroeger, geen hoger bedrag meer toegekend bij duikerswerk buiten de bedieningsuren van de kunstwerken of bij nacht, op zaterdag, zondag of feestdag. Het nieuwe bedrag is wel cumuleerbaar met de statutair bepaalde regeling van nacht-, zaterdag- en zondagprestaties.

    Voor "sneeuwruimingswerk" (punt 50 van bijlage 7) op de regionale luchthavens en voor "blus- en reddingswerken" op de regionale luchthavens wordt de toelage voor gevaarlijk, ongezond en hinderlijk werk bepaald op 2,50 euro per uur (100%), of het dubbele van de statutair voorziene toelage voor andere gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke werken.

    Dit hoger bedrag vindt zijn grondsslag in:

    -

    het behouden van de verworven rechten;

    -

    het zeer gevaarlijk karakter van beide activiteiten.

    Om de start- en landingsbanen zeer snel sneeuwvrij te maken, gebeurt het sneeuwruimen met bepaalde chemicaliën. Blus- en reddingswerken (werk 66) zijn eveneens zeer gevaarlijk ingevolge de vaak zeer snel ontvlambare, giftige en ontplofbare stoffen.[2]

    Afdeling 8. De prestatietoelagen

     (art. VII 35 tot en met VII 40) [2]

    Onder prestatietoelagen worden verstaan:

    -

    de managementstoelage;

    -

    de functioneringstoelage.

    Managementstoelage

    functioneringstoelage

    voor wie?

    - secretaris-generaal, administrateur-generaal, hoofd strategische adviesraden, de gedelegeerd bestuurder, de algemeen directeur

    - middenkader

    alle personeelsleden behalve diegenen die in aanmerking komen voor een managements- of staftoelage

    voorwaarden

    uitstekend functioneren ten opzichte van de verwachtingen die in de planning werden geformuleerd.

    bedrag

    tussen 0 en 20% van hun salaris

    tot maximum 15% van hun salaris

    wie kent toe?

    - secretaris-generaal, admini-strateur-generaal, hoofd strategische adviesraden, de gedelegeerd bestuurder, de algemeen directeur: de Vlaamse Regering

    - middenkader: hoofd entiteit, raad of instelling

    managementorgaan van de entiteit, raad of instelling, tenzij de evaluatoren geen deel uitmaken van de entiteit, raad of instelling, in welk geval de beleidsraad beslist

    [6]

    Met salaris wordt bedoeld het geïndexeerde jaarsalaris van toepassing in de maand december van het evaluatiejaar, eventueel verhoogd met de toelage voor tijdelijke functieverzwaring of de mandaattoelage zoals gedefinieerd in art. V 12, § 2[34].

    De instanties bevoegd voor de toekenning van een prestatietoelage beschikken dus over een "glijdende vork". Er kan worden beslist de toelage in vaste bedragen of in percenten toe te kennen. Deze keuze tussen een percentage en een bedrag laat meer ruimte voor de leidinggevenden. De glijdende vork van 0 tot 20 % (of 15%) van het salaris komt tegemoet aan een grotere mogelijkheid om te differentiëren onder de uitstekend/­zeer goed werkende medewerkers.

    -

    de managementstoelage is een toelage, geen weddensupplement; de managementstoelage wordt niet in de wedde opgenomen; de managementstoelage komt niet in aanmerking voor pensioen, verlofgeld, eindejaarstoelage;

    -

    de toelagen komen maar in aanmerking voor pensioen bij wet of indien inherent aan het ambt (art. 8 van de wet 21/7/1844, gewijzigd bij de wet van 21/5/91).
    Deze toelage komt niet voor in de lijst van de toelagen bedoeld bij art. 8 van voormelde wet.[2]

    Toelichting bij Art. VII 36

    Op grond van het huidig artikel VII 36 wordt het percentage van de managementtoelage voor de secretaris-generaal, de administrateur-generaal, de gedelegeerd bestuurder, het hoofd van het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad en de algemeen directeur, bepaald door de Vlaamse Regering.[9]

    Dit was een bewuste keuze uit oogpunt van coördinatie en gelijke toepassing, ook al beschikken een aantal entiteiten met rechtspersoonlijkheid over een raad van bestuur, waarvan slechts enkele (GO! en OPZ’s) ook decretaal gemachtigd zijn om de N-functie aan te stellen.[9]

    Deze formulering druist volgens GO! in tegen de autonomie van de inrichtende macht van het GO!, zoals deze wordt gewaarborgd door het bijzondere decreet inzake het GO!.[9]

    Het VPS is integraal van toepassing op het personeel van de administratieve diensten van het GO!.[9]

    Het GO! is in tegenstelling tot de andere entiteiten opgericht bij Bijzonder decreet (Bijzonder decreet betreffende het gemeenschapsonderwijs dd. 14.06.1998).
    In de hiërarchie der normen zijn de daarin opgenomen bepalingen van een hogere norm dan deze van een gewoon decreet, maar ook van het VPS in het bijzonder.[9]

    De structuur en de bevoegdheden van de onderscheiden niveaus binnen het GO! worden vastgelegd in voornoemd Bijzonder decreet.[9]

    De Raad van het GO! is een democratisch verkozen orgaan, waarbij alle geledingen beschreven binnen het GO! op onafhankelijke en democratische manier participeren bij de verkiezing. De leden van de raden van bestuur van andere entiteiten worden aangeduid door Vlaamse Regering en belangengroepen.[9]

    De grondwetgever heeft in artikel 24 bepaald dat de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap tot inrichten van onderwijs kan worden overgedragen aan één of meerdere autonome organen. De bijzondere decreetgever heeft hierbij een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de normering-functie van het Vlaams Parlement en de Vlaamse Regering enerzijds en de uitoefening van de inrichtende macht van het gemeenschapsonderwijs anderzijds die bij uitsluiting de zaak wordt van de openbare instelling.
    (Parl. Stukken 1988/1989 - 161/1 en 1997-1998 - 1095/3.)[9]

    Het was hierbij de bedoeling om voor het gemeenschapsonderwijs een 'vrijheidsraad' op te richten die de vrijheid benadert van die van de inrichtende machten van het vrij onderwijs, met de verbintenis tot inrichten van neutraal onderwijs.[9]

    De Raad stelt de afgevaardigd bestuurder aan en kan hem ook ontslaan.[9]

    De evaluatie van de afgevaardigd bestuurder gebeurt jaarlijks door de Raad, hierbij bijgestaan door het Agentschap Overheidspersoneel[29] of zijn rechtsopvolger en een externe instantie.[9]

    Het is dan ook aangewezen dat de Raad de hoogte van de managementtoelage kan bepalen. Hierbij zal door de raad van bestuur van het GO! dezelfde procedure worden gevolgd als deze die wordt toegepast voor de andere N-functies, met inbegrip van criteria en percentages.[9]

    Toelichting bij Art. VII 38

    Aangezien het Gemeenschapsonderwijs geen deel uitmaakt van een beleidsdomein, beslist het managementorgaan van het Gemeenschapsonderwijs over de toekenning van de functioneringstoelage als de evaluatoren geen deel uitmaken van het Gemeenschapsonderwijs.[12][12]

    Toelichting bij Art. VII 39

    Door een wijziging 29/05/09 kunnen overeenkomstig artikel V 13 en V 30 VPS, de in artikel VII 35 bedoelde personeelsleden met hun akkoord (met uitzondering van het middenkader) na hun opruststelling of vrijwillige uitdiensttreding geëvalueerd worden voor hun prestaties in het evaluatiejaar of in de evaluatieperiode waarin de betrokkene op rust werd gesteld of vrijwillig uit dienst treedt. Overeenkomstig artikel VII 39 kan hen op basis van deze evaluatie een prestatietoelage toegekend worden.[9]

    De middenkaderfuncties vermeld in artikel V 33 VPS en de andere personeelsleden die op rust gesteld worden of vrijwillig uit dienst treden in het evaluatiejaar of in de evaluatieperiode volgend op het evaluatiejaar, worden overeenkomstig artikel IV 1 §3 VPS geëvalueerd vóór de datum van de opruststelling of vrijwillige uitdiensttreding. Overeenkomstig artikel VII 39 kan hen op basis van deze evaluatie een prestatietoelage toegekend worden.[9]

    Afdeling 9. Bevorderingspremie [2]

    De in artikel VII 41 bedoelde premie wordt toegekend wanneer het salaris verbonden aan de salarisschaal van de bevorderingsgraad niet ten minste naar gelang het niveau 1.240, 870 en 745 euro hoger is dan het salaris verbonden aan de salarisschaal van de oude graad.

    In praktijk wordt betrokkene dus ingeschaald op de eerste trap van de functionele loopbaan van de nieuwe graad maar er wordt een vergelijking gemaakt tussen de twee salarisbedragen. Deze verhoging blijft gedurende het volledig verloop in de nieuwe salarisschaal gegarandeerd (het bedrag wordt bijgevolg verhoogd op alle trappen van de geldelijke loopbaan) totdat het bedrag van de nieuwe salarisschaal respectievelijk 1.240 euro, 870 euro of 745 euro hoger is dan dat van de oude graad.

    Dit houdt in dat gedurende de loopbaan van de betrokkene steeds de oude salarisschaal (met periodieke verhogingen echter zonder evolutie in de functionele loopbaan) moet vergeleken worden met de salarisschaal verbonden aan de nieuwe graad (met periodieke verhogingen en evolutie in de functionele loopbaan).
    Uiteraard bouwt betrokkene schaalanciënniteit op in zijn nieuwe schaal vanaf de bevorderingsdatum.

    Voor de berekening van het pensioen wordt het salaris in aanmerking genomen dat effectief werd uitbetaald maar dan zonder de eventueel betaalde bevorderingspremie (aangezien deze premie niet beschouwd wordt als salaris zoals bedoeld in het VPS). Dit houdt dus in dat de bevorderingspremie niet in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het pensioen.

    Voorbeelden

    Voorbeeld 1

    Een ambtenaar wordt bevorderd naar niveau A. Zijn oude salarisschaal is B213. Hij wordt ingeschaald in A111 en krijgt wanneer het bedrag uit schaal A111 (X) minder dan 1240 euro hoger ligt dan het bedrag uit de vorige schaal (Y) een bevorderingspremie ter waarde van het verschil tussen Y + 1240 en X.

    Geldelijke anciënniteit

    Oude salarisschaal
    B 213
    Y

    Nieuwe salarisschaal
    A111
    X

    Verschil

    Wordt effectief betaald (miv ev. bevorderingspremie max. 1240 euro)

    14

    28.100

    28.850

    750

    28.850+490

    15

    28.850

    30.300

    1450

    30.300

    16

    28.850

    30.300

    1450

    30.300

    Voorbeeld 2

    Een ambtenaar wordt bevorderd naar niveau B. Zijn oude salarisschaal is C112. Hij wordt ingeschaald in B111 en krijgt wanneer het bedrag uit schaal B111 (X) minder dan 870 euro hoger ligt dan het bedrag uit de vorige schaal (Y) een bevorderingspremie ter waarde van het verschil tussen Y + 870 euro en X.

    Geldelijke anciënniteit

    Oude salarisschaal
    C112
    Y

    Nieuwe salarisschaal
    B111
    X

    Verschil

    Wordt effectief betaald (miv ev. bevorderingspremie max. 870 euro)

    23

    21.780

    22.780

    1000

    22.780

    24

    22.780

    23.530

    750

    23.530+120

    25

    22.780

    24.480

    1700

    24.480

    26

    22.780

    24.480

    1700

    24.480

    27

    23.780

    24.480

    700

    24.480+170

    Voorbeeld 3

    Een ambtenaar met 8 jaar geldelijke anciënniteit wordt bevorderd naar niveau B. Zijn oude salarisschaal is C114. Schaal C114 ligt echter merkelijk hoger dan bevorderingsschaal B111.

    Betrokkene wordt wel in B111 ingeschaald maar behoudt het salaris van zijn vorige schaal met daarbovenop de bevorderingspremie van 870 euro. Het bedrag uit schaal B111 (X) ligt immers minder dan 870 euro hoger dan het bedrag uit de vorige schaal (Y).

    Bij bevordering in graad of salarisschaal kan men echter overeenkomstig artikel VII 3 §1 VPS nooit een lager salaris hebben dan men zou genoten hebben in de vorige graad of salarisschaal volgens de regeling die van toepassing is op de datum van de bevordering.

    Dit betekent dat wanneer een ambtenaar bevordert naar een hoger niveau en het salaris in zijn nieuwe graad ligt lager dan in zijn graad van herkomst, de ambtenaar zijn vroeger salaris (verhoogd met de bevorderingspremie) behoudt totdat zijn salaris in zijn nieuwe graad hoger wordt. Dit betekent ook dat betrokkene nog de periodieke salarisverhogingen in zijn oude schaal geniet, echter niet dat de betrokken ambtenaar ook de loopbaan in zijn vorige graad behoudt.

    Bij bevordering naar B111 kan men dus nooit minder verdienen dan men in schaal C114 zou genoten hebben. Aangezien schaal B111 over de ganse lijn lager ligt dan schaal C114 blijft de bevorderingspremie verschuldigd totdat betrokkene in niveau B een jaarsalaris zal genieten dat minimaal 870 euro hoger ligt dan dat in schaal C114.

    In casu zal dit zo blijven tot betrokkene bevorderd wordt in de functionele loopbaan naar schaal B113. In schaal B113 is geen bevorderingspremie meer verschuldigd.

    Geldelijke anciënniteit

    Oude salarisschaal
    C114
    Y

    Nieuwe salarisschaal
    B111
    X

    Verschil

    Wordt effectief betaald (miv ev. bevorderingspremie max. 870 euro)

    7

    21.530

    18.9630

    -2.600

    21.530+870

    8

    21.530

    18.930

    -2.600

    21.530+870

    9

    22.280

    19.690

    -2.590

    22.280+870

    10

    22.280

    19.690

    -2.590

    22.280+870

    11

    22.280

    19.690

    -2.590

    22.280+870

    12

    23.030

    20.460

    -2.590

    23.030+870

    13

    23.030

    20.460

    -2.590

    23.030+870

    14

    23.030

    20.460

    -2.590

    23.030+870

    Na bevordering in de fulo naar B112

    Geldelijke anciënniteit

    Oude salarisschaal
    C114
    Y

    Nieuwe salarisschaal
    B112
    X

    Verschil

    Wordt effectief betaald (miv ev. bevorderingspremie max. 870 euro)

    15

    21.780

    23.030

    -750

    23.780+870

    16

    23.780

    23.030

    -750

    23.780+870

    17

    23.780

    23.030

    -750

    23.780+870

    18

    24.480

    23.780

    -700

    24.480+870

    19

    24.480

    23.780

    -700

    24.480+870

    20

    24.480

    23.780

    -700

    24.480+870

    21

    25.230

    24.480

    -750

    25.230+870

    22

    25.230

    24.480

    -750

    25.230+870

    na bevordering in de fulo naar B113

    Geldelijke anciënniteit

    Oude salarisschaal
    C114
    Y

    Nieuwe salarisschaal
    B113
    X

    Verschil

    Wordt effectief betaald (miv ev. bevorderingspremie max. 870 euro)

    23

    25.230

    27.010

    1800

    27.030

    24

    26.030

    27.630

    1600

    27.630

    25

    26.030

    27.630

    1600

    27630

    26

    26.030

    27.630

    1600

    27.630

    27

    27.030

    28.280

    1250

    28.280

    28

    27.030

    28.280

    1250

    28.280

    Afdeling 10. Toelage voor permanentie en ploegenwerk[2]

    Onderafdeling 1. Permanentietoelage[2]

    Toelichting bij Art. VII 42

    § 1. Er wordt aan de personeelsleden die door de lijnmanager worden aangeduid om zich buiten de diensturen voor interventies thuis beschikbaar te houden een permanentietoelage toegekend.

    -

    door de lijnmanager aangeduid zijn om zich beschikbaar te houden voor een interventie, d.w.z. de toelage is enkel bedoeld voor degenen van wie wordt vereist dat zij bij een oproep onmiddellijk beschikbaar zijn, en niet voor diegenen die op vrijwillige basis bij een oproep (vb. vervanging van een zieke collega in ploegensysteem) aan het werk gaan, en die niet de verplichting hebben bereikbaar te zijn. Deze laatste krijgen bij effectief optreden de verstoringstoelage.

    -

    buiten de diensturen: het gaat om een beschikbaarheid op uren dat normaal, volgens de geldende arbeidsregeling, niet moet gewerkt worden.[2]

    Dit houdt in dat voor permanentieopdrachten die binnen de normale arbeidstijdregeling verricht worden geen toelage wordt verstrekt.

    -

    thuis (in brede zin): Het begrip "thuis" dient in ruime zin te worden geïnterpreteerd. Het betekent dat geen toelage wordt toegekend indien men van permanentie is op zijn normale werkplaats. Maar het betekent evenmin dat iemand "thuis" (in zijn woning) moet blijven. Bij een oproep moet men wel binnen een "redelijke" termijn de opdracht (interventie) kunnen uitvoeren.[2]

    Wanneer de permanentietaak ertoe leidt dat het personeelslid effectief moet optreden worden de gewone toelagen voor overuren, zaterdag-, zondag- en nachtprestaties betaald.[2]

    § 2. Het maandelijks bedrag van de in § 1 bedoelde toelage bedraagt:[2]

    aantal uren permanentie per maand

    maandelijkse toelage (aan 100%)

    21 <= aantal uren <= 50

    75 euro

    51 <= aantal uren <= 100

    100 euro

    101 <= aantal uren <= 200

    125 euro

    aantal uren > 200

    140 euro

     

    § 3. Hierna volgt een schematisch overzicht van de bestaande statutaire, organieke regelingen waarmee de permanentietoelage niet cumuleerbaar is.[2]

     

    hoofdstuk raamstatuut deel VII, titel 2

    afdeling

    omschrijving

    3

    2

    toelage voor de milieu-inspectie

    2

    4

    diensthoofdentoelage

    3

    7

    toelage voor de personeelsleden van MDK, tewerkgesteld bij het Beheers- en Exploitatieteam van de Schelderadarketen te Vlissingen

    3

    10

    huisvesting (vrije woonst), woondervingstoelage en bijzondere dienstopdrachtentoelage

    3

    11

    toelage voor onregelmatige prestaties voor de wachters der waterwegen

    3

    13

    bijzondere toelageregeling voor het loodspersoneel

    artikel VPS

    omschrijving

    VII 118

    loodstoelagen

    VII 120

    personeelsleden op 1/1/94 tewerkgesteld bij het Beheers- en Exploitatieteam te Vlissingen

    VII 130

    overgangsregeling vrije woonst of vervangende toelage

    Er is evenmin cumulatie mogelijk tussen de permanentietoelage en de "verstoringstoelage" tijdens de periode dat het personeelslid van permanentie is. Tijdens de periode dat een personeelslid van permanentie is, weet hij dat een oproeping tot de mogelijkheden behoort, en moet daarvoor dus geen verstoringstoelage toegekend worden. Wanneer een personeelslid niet van permanentie is (dus niet door de dienstleiding verplicht is aangeduid om beschikbaar te zijn), en toch opgeroepen wordt om bijvoorbeeld een zieke collega te vervangen (op vrijwillige basis), wordt de verstoringstoelage toegekend.[2]

    Onderafdeling 2. Toelage voor ploegenarbeid [2]

    Toelichting bij Art. VII 43

    § 1. Aan het personeelslid dat een volledige maand in een ploegensysteem is ingeschakeld, wordt een toelage toegekend van 100 euro (100%) per maand. Dit komt overeen met een uurtoelage van 0,74 euro (100%) per uur.[2]

    Om op de toelage aanspraak te kunnen maken is vereist dat prestaties worden verricht in een arbeidsregeling van opeenvolgende ploegen, die elkaar met maximaal 1/4 overlappen. Deze voorwaarde geldt uiteraard niet bij "onderbroken dienst".[2]

    Een aantal voorbeelden zullen dit verduidelijken:

    1)

    Een uurregeling waarbij de arbeidsprestaties van ploeg 1 een aanvang nemen om 6.00h en eindigen om 15.00h en de prestaties van ploeg 2 lopen van 8.00h tot 17.00h geven geen recht op de toelage voor ploegenwerk aangezien de uurregelingen van de 2 ploegen elkaar voor 6 uren (dus 3/4) overlappen.

    2)

    Een uurregeling waarbij de arbeidsprestaties van ploeg 1 een aanvang nemen om 6.00h en eindigen om 14.00h en de prestaties van ploeg 2 lopen van 12.00h tot 20.00h, geven wel recht op een toelage voor ploegenwerk, aangezien de uurregelingen van de 2-ploegen elkaar voor 2 uur (dus = maximum van 1/4) overlappen.[2]

    Onderbroken dienst:
    Deze toelage wordt ook toegekend aan de personeelsleden tewerkgesteld in een "onderbroken dienst". Het gaat hier bijvoorbeeld om de personeelsleden tewerkgesteld op de kunstwerken waar met getijden wordt gewerkt (vb. werken van 6 u tot 10u en van 16u tot 20u).[2]

    § 2. Bij onvolledige maanden ploegenarbeid (in dienst, uitdienst, vliegende brigades) bedraagt de toelage 1/134 van 100 euro per uur (= 0,75 euro à 100% per uur) dat effectief ploegenarbeid wordt verricht. Dit wil zeggen bij onvolledige maanden de toelage niet wordt uitbetaald voor vakantieverlof, ziekte e.d. [2]

    De parameter van 1/134 is als volgt te verklaren:[2]
    134 is het gemiddeld aantal werkuren per maand. Dit wordt als volgt bekomen:
    1976 werkuren per jaar

    35 verlofdagen per jaar = 266 uren
    14 feestdagen per jaar = 106,4 uren
    = 372,4 uren

    --> 1976 werkuren – 372,4 verlofuren = 1.603,6 werkuren per jaar

    --> 1.603,6 werkuren per jaar: 12 = 133,6 werkuren per maand (afgerond 134)

    De in deze afdeling bedoelde toelage is niet cumuleerbaar met de toelage bedoeld in Deel VII, Titel 2, Hoofdstuk 3, afdeling 13  - Bijzondere toelageregeling voor het loodsenpersoneel - van dit statuut.[2]

    Indien het personeelslid recht heeft op het forfaitair bedrag van 100 euro (100%), d.w.z. een volledige maand in een ploegensysteem is ingeschakeld, wordt het bedrag van de toelage in geval van deeltijdse prestaties pro rata berekend.[2]

    Onderafdeling 3. Algemene bepalingen [2]

    Toelichting bij Art. VII 44

    Voor dezelfde periode kan slechts één van de bedoelde toelagen worden toegekend. Deze bepaling is vooral van belang voor de zogenaamde "vliegende brigades" die slechts toevallig en dus niet continu in een ploegensysteem zijn tewerkgesteld. Beide toelagen zijn evenmin cumuleerbaar met enige andere gunstigere regeling (vb. winterdienst).[2]

    Voor de duidelijkheid volgt hierna een schematisch overzicht van de cumulatiemogelijkheid tussen permanentietoelage, ploegenpremie en verstoringstoelage.[2]

    cumul in dezelfde periode

    ploeg

    permanentie

    verstoringstoelage

    ploeg

    -

    neen

    ja

    permanentie

    neen

    -

    neen

    verstoringstoelage

    ja

    neen

    -

    voorbeeld:
    een personeelslid was in oktober van permanentie van 23/10 tot 29/10, telkens van 18 u tot 8 u. Hij wordt opgeroepen voor een interventie op 25/10 om 6 u. Op 31/10 om 22 u wordt hij eveneens opgeroepen voor een interventie.

    Hij ontvangt, bovenop eventueel overloon en toelage voor zaterdag-, zondag- en nachtprestaties:
    - 100 euro (100%) voor de 98 uren permanentie van 23/10 tot 29/10.
    - 4/1850 als verstoringstoelage voor de interventie op 31/10.[2]

    Afdeling 11. Toelage voor tijdelijke functieverzwaring[23]

    Toelichting bij Art. VII 44bis

    Om personeelsleden te stimuleren om tijdelijk bijkomende of zwaardere taken op te nemen, waardoor de functiezwaarte tijdelijk verhoogt, wordt de mogelijkheid voorzien voor het hoofd van de entiteit, raad of instelling (deze bevoegdheid is dus niet delegeerbaar) om een toelage toe te kennen voor de tijd dat deze taken uitgeoefend worden. Deze beslissing wordt voorafgaandelijk ter advies voorgelegd aan het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling.[23]

    De tijdelijke functieverzwaring kan voortvloeien uit het feit dat het personeelslid binnen de eigen entiteit, raad of instelling tijdelijk belast wordt met bijkomende of zwaardere taken (bv. tijdelijk zwaardere functie, leidinggevende rol, toegenomen complexiteit, leiden van of meewerken aan een project, enz.).[23]

    Alle personeelsleden kunnen deze toelage genieten, d.w.z. zowel contractuele als statutaire en ongeacht het niveau, met uitzondering van (cf. geldelijke arbeidsvoorwaarden topkader, deel V):
    -      management- en projectleidersfuncties van N-niveau;
    -      algemeen directeurs;
    -      hoofden van het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad.[23]

    Het topkader wordt uitgesloten van de toelage voor tijdelijke functieverzwaring, omdat:
    -      de N-functies reeds door de Vlaamse Regering volgens een eigen wegingsmethodiek zijn ingedeeld in klassen (A, B, C, D) en ze een mandaattoelage ontvangen waarvan het bedrag afhankelijk is van de klasse waarin de N-functie ingedeeld is;
    -      de functies in het topkader niet kunnen gewogen worden aan de hand van het verplicht te gebruiken wegingsinstrument (=de functiematrix[39], zie verder);
    -      er reeds een geldelijke regeling bestaat voor het tijdelijk en bijkomend waarnemen van de leiding van een andere entiteit of project, voor zover de vervanging 3 maanden of langer duurt;
    -      de toelage door de Vlaamse Regering (of bij delegatie door de functioneel bevoegde minister) zou moeten toegekend worden (topkader kan zichzelf geen toelagen toekennen).[23]

    De functieverzwaring is steeds tijdelijk. Hierbij kunnen grosso modo twee scenario’s onderscheiden worden: ofwel wéét men van bij de aanvang (ab initio) precies hoe lang de functieverzwaring normaliter zal duren (zie hieronder 1), ofwel kan men bij de aanvang niet precies zeggen hoe lang de functieverzwaring normaliter zal duren (zie hieronder 2):

    1. de precieze duurtijd van de tijdelijke functieverzwaring kan vooraf (d.w.z. van bij de aanvang of ab initio) worden bepaald (bv. gekoppeld aan de duurtijd van een concreet project, vervanging van een collega met verlof voor opdracht of detachering). In dit geval moet de duurtijd minimum 30 kalenderdagen bedragen, en geldt een bovengrens van maximaal 5 jaar. Dit betekent dat het hoofd van de entiteit, raad of instelling  meteen de vooraf gekende duurtijd van de tijdelijke functieverzwaring kan hanteren in zoverre deze de maximumduur van 5 jaar niet overschrijdt. Na afloop van deze vooraf bepaalde duurtijd, kan het hoofd van de entiteit, raad of instelling deze periode – opnieuw na advies van het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling – indien nodig (bv. om een project waarvan de duurtijd wordt overschreven te kunnen afwerken) expliciet (dus nooit stilzwijgend) nog maximum 1 maal verlengen met een periode van maximaal 1 jaar.

      In het geval de tijdelijke functieverzwaring vroegtijdig wordt stopgezet (bv. omdat het naar het kabinet gedetacheerd personeelslid wiens taken tijdelijk worden overgenomen vroegtijdig terugkomt), dan wordt uiteraard ook de betaling van de hieraan gekoppelde toelage (zie verder) stopgezet (cf. §2 in fine van dit artikel: “(…) kan (…) een toelage toekennen voor de tijd dat het personeelslid de bijkomende of zwaardere taken uitoefent”).

    2. de precieze duurtijd van de tijdelijke functieverzwaring kan vooraf niet bepaald worden (bv. opname bijkomende of zwaardere taken waarvan men bij de start niet exact weet voor hoe lang precies, vervanging van een langdurig ziek personeelslid waarvan men niet weet wanneer die terugkomt). In dit geval bedraagt de duurtijd eveneens minimum 30 kalenderdagen, maar geldt er een bovengrens van 1 jaar, waarbij het hoofd van de entiteit, raad of instelling deze periode – opnieuw na advies van het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling – expliciet (dus nooit stilzwijgend) maximaal 1 keer kan verlengen met een periode van maximaal 1 jaar.[23]

    Ook hier geldt dat, wanneer de tijdelijke functieverzwaring wordt stopgezet,  ook de betaling van de hieraan gekoppelde toelage (zie verder) wordt stopgezet (cf. §2 in fine van dit artikel).[23]

    De tijdelijke functieverzwaring wordt geobjectiveerd aan de hand van de functiematrix[39] (gevalideerd door Vlaamse Regering op 22 november 2013); dit is een raamwerk met aanduiding van functiefamilies (kolommen) en functieklassen[39] (rijen). De basisfunctiebeschrijving wordt eerst ingedeeld in de matrix om de basisfunctieklasse te bepalen; de tijdelijk verzwaarde functiebeschrijving wordt daarna gewogen. Door het toevoegen van verzwarende elementen, bijvoorbeeld projectleiderschap of bijkomende/zwaardere taken, en eventueel het toevoegen van extra resultaatgebieden, en scores op de indelingscriteria wordt de functieverzwaring geobjectiveerd.[23]

    Een verzwaring van de functie houdt in dat de tijdelijk uitgeoefende functie minstens één functieklasse zwaarder weegt dan de basisfunctie.[23]

    Specifieke functies die niet kunnen worden ingedeeld via het geautomatiseerde indelingsinstrument moeten apart worden gewogen.[23]

    Eens de tijdelijke functieverzwaring op geobjectiveerde wijze is vastgesteld (zie hierboven) kan hiervoor aan de functiehouder een toelage voor tijdelijke functieverzwaring worden toegekend voor de tijd dat het personeelslid de bijkomende of zwaardere taken uitoefent (zie hieronder).[23]

    Het hoofd van de entiteit, raad of instelling bepaalt het bedrag van de toelage voor tijdelijke functieverzwaring. Dit is het verschil tussen het oorspronkelijk salaris van de functiehouder en een bedrag vast te stellen binnen de voor de betrokken functieklasse vastgelegde ondergrens en bovengrens (zie tabel hieronder, die wordt opgenomen als bijlage 10 bij het VPS). In dit ‘oorspronkelijk’ salaris zijn desgevallend begrepen de toelagen voor specifieke personeelscategorieën zoals vermeld in hoofdstuk 3.[23]

    Voor de vaststelling van de toelage binnen het opgegeven bereik kan het hoofd van de entiteit, raad of instelling rekening houden met de interne billijkheid binnen de entiteit, de geldelijke anciënniteit van de functiehouder, de relevante ervaring van de betrokken functiehouder, de voorziene duurtijd, de budgettaire mogelijkheden, de minimale beloning voor het opnemen van een zwaardere functie, en dergelijke meer.[23]

    Het bedrag van de toelage mag echter niet lager zijn dan 5% van het oorspronkelijk salaris van het personeelslid aan wie wordt gevraagd om tijdelijk een zwaardere functie op te nemen, zónder dat dit met zich meebrengt dat daardoor de bovengrens van de functieklasse overschreden wordt. In voorkomend geval wordt de toelage afgetopt op de bovengrens en wordt dus een kleiner percentage toegekend of geen toelage toegekend.[23]

    Het bedrag van de toelage voor tijdelijke functieverzwaring wordt bovendien begrensd:
    -      voor functiehouders met een management- of projectleidersfunctie van N-1 niveau (middenkader) tot maximaal het verschil tussen het oorspronkelijk salaris en het overeenstemmende salaris voor dezelfde geldelijke anciënniteit in de salarisschaal A 311;
    -      voor de andere functiehouders tot maximaal het verschil tussen het oorspronkelijk salaris en het overeenstemmende salaris voor dezelfde geldelijke anciënniteit in de salarisschaal A 213 (hierdoor vallen een aantal functies de facto buiten de scope voor tijdelijke functieverzwaring: bv. senior experten (rang A2E), hoofdadviseurs (rang A2M), navorsers (2de schaal), directeur-ingenieur en -informaticus (2de schaal), wetenschappelijk directeur).[23]

    Tabel koppeling functieklasse - ondergrens/bovengrens: zie bijlage 10 VPS

    De in bovenstaande tabel (bijlage 10 VPS) vermelde grensbedragen kunnen enkel gebruikt worden voor de vaststelling van het bedrag van de toelage voor tijdelijke functieverzwaring binnen de context van het huidige beloningsbeleid en vormen op geen enkele wijze een voorafname op welke beslissing dan ook betreffende een aangepast loopbaan- of beloningsbeleid.[23]

    Hieronder twee concrete voorbeelden ter illustratie:[23]

    Situatie A

    Een dossier- en gegevensbeheerder in functieklasse 12[39], zoals financieel dossierbeheerders, medewerkers begroting en boekhouding, HR-medewerker loonadministratie, wordt aangeduid om de teamleider die met loopbaanonderbreking gaat te vervangen gedurende een jaar. Dit heeft impact op de complexiteit, de optimalisatie van de werking van de dienst en het coördineren. Deze nieuwe verantwoordelijkheden worden in de functiebeschrijving opgenomen. De scores op de indelingscriteria wijzigen zoals hierna weergegeven. De functie wordt hierdoor ingedeeld in functieklasse 14[39] van dezelfde functiefamilie.

    Niveauberekening

    • Complexiteit: 2 -> 3

    • Autonomie bij de behandeling: 2

    • Optimalisatie van de werking: 2 -> 3

    • Coördineren / kennisdelen: 2 -> 3

    • Sociale interactie: 2

    Berekening toelage

    • Huidige situatie: hoofdmedewerker, C211, 18 jaar geldelijke anciënniteit, jaarwedde -> 100% = 24.730 euro

    • Grensbedragen functieklasse 14: van 24.300 euro (ondergrens) tot 29.700 euro (bovengrens)

    • De lijnmanager beslist het verschil met het gemiddelde van de onder- en bovengrens (= 27.000 euro) te overbruggen

    • 27.000 euro - 24.730 euro = 2.270 euro (op jaarbasis) > minimaal bedrag toelage ten belope van 5% van het oorspronkelijk salaris (1.236,50 euro = 24.730 euro x 5%)

    -> geïndexeerd: 2.270 euro x 1,6084 = 3.651,07 euro (op jaarbasis)

    Situatie B

    Een technisch specialist in functieklasse 15[39], zoals studie-ingenieur, architect, bouwkundig ingenieur, binnenhuisarchitect, herverkavelaar, landschapsdeskundige, wordt aangeduid om gedurende een periode een aantal collega’s van niveau 1 te coördineren en zich zelf enkel over de meer complexe opdrachten te ontfermen. Deze nieuwe tijdelijke verantwoordelijkheden worden in de functiebeschrijving opgenomen. De scores op de indelingscriteria wijzigen zoals hierna weergegeven. De functie wordt hierdoor ingedeeld in functieklasse 16[39] van dezelfde functiefamilie.

    Niveauberekening

    • Complexiteit van de opdrachten: 1 -> 2

    • Type opdracht: 1

    • Risico (op vlak van techniek, veiligheid of financieel): 1

    • Aansturen van anderen: 1 -> 2

    • Externe vertegenwoordiging: 1

    Berekening toelage

    • Huidige situatie: ingenieur, A122, 7 jaar geldelijke anciënniteit, jaarwedde -> 100% = 34.280 euro

    • Grensbedragen functieklasse 16: van 31.500 euro (ondergrens) tot 38.500 euro (bovengrens)

    • Lijnmanager wil het verschil met het gemiddelde van de onder- en bovengrens (=35.000 euro) overbruggen

    • 35.000 euro - 34.280 euro = 720 euro (op jaarbasis)

    MAAR < minimaal bedrag toelage ten belope van 5% van het oorspronkelijk salaris (1.714 euro = 34.280 euro x 5%), dus bedrag toelage wordt vastgesteld op 1.714 euro; én 34.280 euro + 1.714 euro = 35.994 euro < 38.500 euro (bovengrens)

    -> geïndexeerd: 1.714 euro x 1,6084 = 2.757 euro (op jaarbasis)

    -> incl. patronale van gemiddeld 15%: 2.757 x 1,15 = 3.170 euro (op jaarbasis)[23]

    De kwaliteit van voormelde wegingen alsook de vaststelling van de toelagebedragen (=overbrugging bedrag tussen ondergrens/bovengrens) wordt gewaarborgd door het beleidsdomein Bestuurszaken door middel van:
    -      een jaarlijkse rapportering;
    -      ondersteuning ad hoc d.m.v. niet-bindende adviezen.[23]

    De toelagen voor tijdelijke functieverzwaring worden intern bekend gemaakt conform de transparantieregeling van omzendbrief DVO/BZ/P&O/2007/18 inzake openbaarheid beloningsbeleid d.m.v. een lijst met namen en percentages die ter inzage ligt bij de personeelsdienst (MOD).[23]

    De toekenning van een toelage voor tijdelijke functieverzwaring mag niet leiden tot het uitstellen van bevorderingen. Een bevordering is immers definitief, terwijl het hier gaat om een tijdelijke toelage.[23]

    Afdeling 12. Toelage voor carpooling[23]

    Toelichting bij Art. VII 44ter

    Tot en met 31 december 2013 werd in geval van carpooling de kilometervergoeding voor de bestuurder met de helft wordt verhoogd. De Vlaamse Regering voerde deze maatregel in om personeelsleden ertoe aan te sporen om ook voor dienstreizen zoveel als mogelijk de verplaatsing samen af te leggen, en dit in het kader van de milieu- en mobiliteitsproblematiek.[23]

    Met een brief van 18 maart 2010 stelde de RSZ naar aanleiding van een inspectiecontrole dat op de extra vergoeding in geval van carpooling sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd zijn, tenzij de werkgever kan bewijzen dat de kosten die de bestuurder maakt werkelijk de helft meer bedragen.
    Zowel de RSZ als de fiscus aanvaarden als “vrijgesteld” bedrag, het bedrag van de kilometervergoeding dat de federale overheid aan haar personeelsleden toekent.[23]

    Met een brief van 28 april 2010 vroeg de Vlaamse minister voor Bestuurszaken, Geert Bourgeois, aan mevrouw Laurette Onkelinx, federaal minister bevoegd voor sociale zaken, om via een wijziging van het Koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de RSZ-wet, ook het supplement carpooling vrij te stellen van RSZ. Dezelfde vraag werd aan de FOD Financiën gesteld met een brief van 24 april 2009.[23]

    Als gevolg van het schrijven aan mevrouw Onkelinx heeft de RSZ er zich akkoord mee verklaard om, in afwachting van een antwoord van de bevoegde federale minister van Sociale Zaken, geen verdere stappen in het dossier te ondernemen.[23]

    Wegens het uitblijven van een antwoord van de federale minister werd de vraag herinnerd met een brief van 19 juli 2011 en 26 januari 2012.[23]

    Met een brief van 15 juli 2013 heeft de RSZ aan het departement Bestuurszaken laten weten dat een normale afhandeling van het dossier zich opdringt wegens het uitblijven van een nieuw standpunt op beleidsvlak.[23]

    Wat betreft de belastingen deelde de FOD Financiën met een brief van 27 oktober 2009 niet akkoord te kunnen gaan om het supplement carpooling aan te merken als een niet-belastbare bezoldiging. Zij stellen dat niet kan worden aangenomen dat de verhoogde kilometervergoeding overeenstemt met de werkelijke gemiddelde kostprijs per kilometer. Dit zou er in de praktijk immers op neerkomen dat door het feit dat de bestuurder passagiers meeneemt, de gemiddelde kostprijs per kilometer steeds met de helft zou stijgen.  Het supplementcarpooling is dus een belastbare bezoldiging van werknemers in de zin van artikel 31, 2de lid WIB 92.[23]

    Door het feit dat op het supplement carpooling dus zowel RSZ-bijdragen als bedrijfsvoorheffing verschuldigd zijn, wordt dit met ingang van 1 januari 2014 in het VPS ondergebracht als een “toelage” en niet meer als een “vergoeding”.[23]

    De toelage voor carpooling wordt toegekend als een “personeelslid als passagier wordt meegenomen. De tekst van dit artikel bepaalt dus niet dat in geval van carpooling de medereizigers van dezelfde entiteit moeten zijn als de chauffeur.
    Het personeelslid dat collega’s die bij de DVO werken meeneemt, heeft dus recht op het supplement carpooling, de medereizigers hebben geen recht op een kilometervergoeding.[23]

    In afwijking van de andere toelagen zal deze toelage niet maandelijks maar één keer per jaar worden betaald, namelijk in het eerste kwartaal van het jaar volgend op het jaar waarop de dienstreizen betrekking hebben. Dit geldt voor alle entiteiten, ook voor de entiteiten die (nog) niet bij Vlimpers zijn aangesloten. De motivering is dat de bedragen onvoldoende zijn om een maandelijkse berekening (netto, rsz, fiscaliteit) en betaling te verantwoorden.[23] De gegevens inzake de carpooltoelage worden ingebracht in het gemeenschappelijke boekhoudsysteem van de Vlaamse overheid (Orafin). Orafin stuurt deze gegevens voor betaling jaarlijks (het eerste kwartaal van het daaropvolgend kalenderjaar) door naar Vlimpers. Vlimpers zorgt voor de uitbetaling, de aangifte aan RSZ en belastingen.[32]

    Entiteiten die niet met Orafin werken, hebben een keuzevrijheid tussen maandelijkse of jaarlijkse betaling.[32]

    Indien een beslissing wordt genomen dat een bepaalde entiteit tot Orafin toetreedt, impliceert dit wel dat de carpooltoelage jaarlijks wordt betaal.[32]

    naar boven

    Hoofdstuk 3. Toelagen voor specifieke personeelscategorieën [2]

    Afdeling 1. Gemeenschapsinstellingen Bijzondere Jeugdzorg [2]

    Toelichting bij Art VII 45

    Voor de personeelsleden tewerkgesteld in de GBJ's zijn er drie toelagen voorzien:

    De personeelsleden niveau B, C en D van de Gemeenschapsinstellingen voor Bijzondere Jeugdzorg ("De Zande": Ruislede en Beernem en de "Kempen" te Mol) die regelmatig in contact komen met geplaatste jongeren ontvangen een jaarlijkse toelage van 877 euro (100%).

    De personeelsleden van niveau D die belast zijn met de beroepsopleiding van jongeren in deze instellingen ontvangen een vakopleidingstoelage van 2,50 euro (100%) per gepresteerd lesuur.

    Rekening houdend met het feit dat de nieuwe vakleraars geworven worden in niveau C, wordt er een maandelijkse toelage van 125 euro (100%) toegekend aan het personeelslid van niveau D die belast is met de functie van vakleraar in de Gemeenschapsinstellingen voor Bijzondere Jeugdzorg en die het bewijs levert dat hij een cursus inzake pedagogische bekwaamheid volgt of gevolgd heeft. Men is wel verplicht de volledige cursus te volgen, zoniet verliest men de toelage.[2]

    Deze toelage kan gecumuleerd worden met de uurtoelage van 2,50 euro (100%) per gepresteerd lesuur die wordt toegekend aan personeelsleden van niveau D, die ter vervanging van personeelsleden van niveau B, vakopleidingen geven in de werkplaatsen van de Gemeenschapsinstellingen voor Bijzondere Jeugdzorg.[2]

    Ingeval de toelage niet volledig verschuldigd is, wordt de pro-rata regeling toegepast van artikel VII 6.[2]

    In de federale instellingen voor Bijzondere Jeugdzorg De Grubbe en het Federaal detentiecentrum wordt voor opvoedkundige taken beroep gedaan op personeelsleden van het agentschap Jongerenwelzijn.[12]

    Voor de federale jeugdinstelling De Grubbe wordt de toelage toegekend vanaf 1 maart 2002, voor het federaal detentiecentrum in Tongeren vanaf 1 juli 2010 (BVR 29/04/2011).[12]

    Op grond van het huidig artikel VII 45 VPS ontvangen de personeelsleden van de gemeenschapsinstellingen, behalve niveau A, een jeugdzorgtoelage van 877 euro tegen 100% per jaar (5b).[12]

    Vanaf 1 juli 2010 wordt de jeugdzorgtoelage ook toegekend aan de consulenten.[12]

    Deze wijziging geeft uitvoering aan punt 3.a. van het protocol nr. 274.908(5c).[12]

    Oorspronkelijk was het voorstel om de jeugdzorgtoelage (eveneens 877 euro tegen 100% per jaar) tevens toe te kennen aan de consulenten (niveau B) van de afdeling Preventie- en Verwijzersbeleid van het agentschap Jongerenwelzijn, tewerkgesteld in:
    * een comité voor Bijzondere Jeugdzorg;
    * een sociale dienst bij de jeugdrechtbank;
    * een regionaal preventieteam.[12]

    De consulenten zijn allemaal in niveau B tewerkgesteld, zodat het toepassingsgebied tot de personeelsleden in dit niveau is beperkt. Een aantal personeelsleden zijn tewerkgesteld in niveau A, maar hebben een eerder leidinggevende functie, en komen niet rechtstreeks in contact met de jongeren.[12]

    Op vraag van de functioneel bevoegde entiteit wordt thans bepaald dat de jeugdzorgtoelage wordt toegekend aan “het personeelslid van niveau B werkzaam in de buitendiensten van de afdeling Preventie- en Verwijzersbeleid, met uitzondering van de administratieve teams”. Dit tekstvoorstel blijft in overeenstemming met voornoemd protocol nr. 274.908. Het gaat om een zuivere herformulering om de doelgroep beter te vatten. De herformulering gebeurt naar aanleiding van de nieuwe functie- en teambenamingen. Zo worden er ook experten-consulenten toegevoegd aan de multidisciplinaire teams. Op basis van de oorspronkelijke formulering van dit artikel zou er onduidelijkheid geweest zijn of deze consulenten recht hebben op de toelage, terwijl dit wel de bedoeling is.[12]

    Er wordt niet langer gesproken over consulenten omdat de teamverantwoordelijken hulpverlening en preventie recht hebben op deze toelage conform het initiële opzet. Zij nemen nog een consulentenrol op maar worden anders benoemd in het PEP. Door deze formulering wordt vermeden dat bij elke wijziging van functie- of teambenaming een wijziging van het VPS nodig is.

    Indien deze personeelsleden in het kader van een loopbaanpad overgaan naar een administratieve functie, en worden toegevoegd aan een administratief team, verliezen zij het recht op de jeugdzorgtoelage.

    Door de zesde staatshervorming wordt de naam van het federaal detentiecentrum vervangen door “het Vlaams detentiecentrum De Wijngaard” en is een aanpassing van de rechthebbenden op de toelagen noodzakelijk.
    Met de invoering van het decreet integrale jeugdhulp werd de organisatiestructuur van het agentschap Jongerenwelzijn grondig gewijzigd (nieuwe afdeling ITP en omvorming van de afdeling Preventie-en Verwijzersbeleid). Met het wijzigingsbesluit Modern HR van 21 februari 2014 werd artikel VII 45§2 VPS dat voorziet in een jeugdzorgtoelage voor bepaalde personeelsleden van het agentschap Jongerenwelzijn met ingang van 1 maart 2014 daaraan aangepast.
    De naam ‘Verwijzersbeleid’ werd echter niet aangehouden in het uiteindelijk goedgekeurde decreet, en is gewijzigd naar de afdeling ‘Ondersteuningscentra en Sociale Diensten bij de Jeugdrechtbank’.[32]

    Afdeling 2. Milieutoelage [2]

    Toelichting bij Art. VII 46 - 47

    Artikel VII 46 van het VPS kent een milieutoelage toe aan de toezichthoudende personeelsleden van de afdeling Milieu-inspectie.[18]

    Dit artikel voorziet een toelage van € 432 (->100%) per maand voor de personeelsleden van niveau C en B en rang A1, en een toelage van € 216 (à 100%) per maand voor de personeelsleden van rang A2 als begeleider en coördinator.
    Om deze toelage te genieten moeten per kwartaal minimum 21 controles (niveau C en B en rang A1) of 7 controles (rang A2) worden uitgevoerd.[18]

    De toekenningsvoorwaarden voor de milieutoelage werden nooit aangepast aan de creatie van een aantal nieuwe rangen op A2-niveau (A2E en A2M). Vanaf 1 juli 2011 kan de milieutoelage ook worden toegekend aan de personeelsleden van de rangen A2E en A2M (bedrag en voorwaarden zoals rang A2).[18]

    Sinds 1 juli 2011 is er een toezichthoudend ambtenaar aangesteld die de graad van senior-adviseur (rang A2E, schaal A213) heeft, en die, net als de toezichthoudend ambtenaren van rang A2, leiding geeft aan een dienst met toezichthoudend ambtenaren die milieu-inspecties uitvoeren. Dit personeelslid van rang A2E is ook in het systeem van permanente beschikbaarheid is opgenomen, en soms controles uitoefent buiten de diensturen, en dit vooral bij grote risicobedrijven.[18]

    Afdeling 3. Toelagen voor rekenplichtigen [2]

    Toelichting bij Art. VII 48 - 49

    Met dit besluit wordt een verschillende toelage toegekend aan de volgende 3 categorieën van rekenplichtigen:

    -

    de speciale rekenplichtigen (de centraliserend rekenplichtige van de uitgaven, de centraliserend rekenplichtige van de ontvangsten, de rekenplichtige van de geschillen. Worden gelijkgesteld met speciale rekenplichtigen: de rekenplichtige van het MINA-fonds, van het VIF, van het VIPA en van de Dienst voor Gemeenschaps- en Gewestbelastingen;

    -

    de gewone en de buitengewone rekenplichtigen, die houder zijn van een financiële rekening;

    -

    de controleurs van de vastleggingen.

    De toelage kan nog uitgebreid worden tot andere categorieën van rekenplichtigen (bvb. rekenplichtige van de materialen).[2]

    In deze bepaling is dus de vroegere "kastoelage" (stambesluit VOI’s) geïntegreerd. De toelage wordt niet enkel voorzien voor personeelsleden die op een financiële dienst werken, maar ook diegene die een financiële verantwoordelijkheid hebben, hetzij in contanten, hetzij girale of elektronische verrichtingen uitvoeren en voor het beschouwde kwartaal het bedrag van 7.400 euro bereiken. [2]

    Onder financiële rekeningen wordt verstaan:

    gemengde rekeningen waarop gestort worden:

    - alle ontvangsten lastens de begroting van de Vlaamse overheid;

    - de ontvangsten die de instellingen innen krachtens reglementeringen vastgelegd door de Vlaamse regering;

    ontvangstenrekeningen waarop alle andere ontvangsten dan deze vermeld in 1° gestort worden;

    reservefondsen- rekeningen waarop de bedragen worden geplaatst die de openbare instelling afzonderlijk mag beheren ingevolge een bestaande wettelijke, decretale of reglementaire grondslag.[2]

    Toelichting bij Art. VII 49bis

    De premie voor rekenplichtigheid werd oorspronkelijk toegekend om de betrokkenen toe te laten zich desgevallend te kunnen verzekeren tegen de specifieke risico’s van hun taak als rekenplichtige enerzijds en om de functie van rekenplichtige aantrekkelijker te maken en meer continuïteit en kwaliteit in de rekenplichtigheid te krijgen anderzijds.[6]

    Ook aan de personeelsleden werkzaam op een financiële dienst in een IVA of EVA met rechtspersoonlijkheid of die een financiële verantwoordelijkheid hebben overeenkomstig hun functiebeschrijving en die in de dagelijkse praktijk financiële verrichtingen uitvoeren en opvolgen onder handtekening van het hoofd van de entiteit, instelling of raad, of zijn gedelegeerde, wordt de toelage voor rekenplichtigen toegekend. Dit is de vroegere kastoelage die bestond binnen de Vlaamse Openbare Instellingen die in de premie voor rekenplichtigheid werd geïntegreerd.[6]

    Op dit ogenblik loopt het project Orafin-BBB dat de, sedert de invoering van het Beter Bestuurlijk Beleid, noodzakelijke aanpassingen aan het financieel systeem, Orafin, invoert. Een belangrijke stap hierbij is de rationalisatie van de structuur van de financiële rekeningen van de Vlaamse gemeenschap.[6]

    De nieuwe wijze van werken heeft weinig of geen invloed op de taken van de verschillende actoren die tussenkomen in het boekhoudkundig proces. De huidige rekenplichtigen binnen de miisteries verliezen dan weliswaar hun rekening maar niet hun werk. De invoer van gegevens in het financieel systeem Orafin verloopt identiek voor de boekhoudorganisatie van de centrale rekening, 001, als voor de boekhoudorganisaties van de rekenplichtigen. De rekenplichtigen veranderen alleen van naam, ze worden vereffenaars. Ook voor de speciale rekenplichtigen, zoals bvb. de rekenplichtigen van de geschillen, van de DAB’s VIF en Mina e.a., blijven het werk en de verantwoordelijkheden hetzelfde.[6]

    Die naamsverandering heeft wel tot gevolg dat de aan de gewone, buitengewone en speciale rekenplichtigheid gekoppelde premie (zie artikel VII 48 en artikel VII 49 van het Vlaams Personeelsstatuut) vervalt voor de betrokken personeelsleden.[6]

    In afwachting van een definitieve regeling werd beslist een bewarende maatregel uit te werken voor de rekenplichtigen, onder de voorwaarde dat ze dezelfde opdracht uitoefenen. Ook dient de regeling uitdovend te zijn, zodat er geen nieuwe rekenplichtigen binnen de ministeries kunnen worden aangesteld. Er zullen geen nieuwe decentrale rekeningen meer geopend worden en dus zullen er ook geen nieuwe rekenplichtigen kunnen worden aangesteld. Voor de huidige rekenplichtigen, m.n. de buitengewone rekenplichtigen op 31/12/2006 en de gewone en speciale rekenplichtigen op 31/12/2007, geldt dan de overgangsmaatregel dat zij de premie kunnen behouden, als ze dezelfde opdracht blijven uitvoeren.[6]

    Concreet betekent dit dat de premie echt uitdovend is, omdat de rekenplichtigen binnen de ministeries gewoon verdwijnen.

    Deze regeling is een bewarende maatregel en geldt tot op het ogenblik dat de functies van de betrokken personeelsleden worden heringeschaald in het kader van een vernieuwd beloningsbeleid.[6]

    Afdeling 4. Gezagvoerderstoelage [2]

    Toelichting bij Art. VII 50

    regelt de gezagvoerderstoelage voor personeelsleden van niveau D van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust, die belast worden met het gezag over een schip, terwijl een dergelijke functie normaliter toebedeeld wordt aan een personeelslid van hogere rang.[2]

    De hoegrootheid van de toelage bedraagt 1/1976 van 2.235 euro à 100% op jaarbasis per uur werkelijke prestatie.[2]

    Voor de speciaal assistent (functie matroos of stoker) die belast is met de functie van schipper bedraagt de toelage 1/1976 van 1.120 euro à 100% per uur werkelijke prestatie.[2]

    Voor de stuurman bedraagt vanaf 1 juni 1995 de gezagvoerders­toelage 1/1976 van 2.730 euro à 100%.[2]

    Voor de hoofdschipper bedraagt vanaf 1 oktober 2004 de gezagvoerderstoelage 1/1976 van 2.730 euro à 100%. De toekenning van de gezagvoerderstoelage aan de hoofdschipper die de kapitein of stuurman vervangt biedt een oplossing aan een structureel probleem, namelijk de aanhoudende onmogelijkheid om stuurlui van onder andere de loodsboot (vb. de Zeeleeuw) aan te werven.[2]

    De toekenning van een gezagvoerderstoelage voor de leidinggevende hoofdassistent (functie hoofdschipper) is bijgevoegd ingevolge het akkoord tussen de overheid en de representatieve vakorganisaties m.b.t. een aantal lopende dossiers van de IVA Maritieme Dienstverlening en Kust, meer in het bijzonder de invoering van leidinggevende functies binnen de DAB Vloot (uitvoering PIP/PEP).[2]

    Afdeling 5. Toelage voor technische bekwaamheid [2]

    Toelichting bij Art. VII 51

    De toelage van 6,50 euro wordt toegekend per effectief gepresteerde dag. Dit betekent dat op het einde van de maand het aantal gepresteerde uren (eventueel geregistreerd via een prikklok)dient gedeeld te worden door 7,36 (h) om het aantal volledige dagen te bepalen waarvoor de toelage verschul­digd is.

     Deze toelage wordt toegekend binnen de agentschappen Agodi en AHOVOKS van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming.

     In het kader van PTOW wordt sinds begin 2017 bij AHOVOKS het prikken stelselmatig stopgezet. Hierdoor kan de huidig gehanteerde werkwijze voor de berekening van de toelage (maandelijks geregistreerde prikklokuren/7u36) niet meer worden gehanteerd.

     Door het stoppen met het prikkloksysteem wordt geopteerd voor een administratief eenvoudig systeem om de te betalen maandelijkse toelage te berekenen. De toelage wordt gelinkt aan het aantal toegekende maaltijdcheques. Dit heeft als voordeel dat geen maandelijkse opgaven meer in Vlimpers moeten worden opgeladen. 

    AgODi en AHOVOKS wensen niet over te stappen naar de alternatieve telling.

    Op te merken valt wel dat er door de link met de toegekende maaltijdcheques (gewone telling) voor een halve dagprestatie (= één maaltijdcheque) wel een volledige toelage wordt uitbetaald.

    ]

    Afdeling 6. Toelage voor het secretariaat van de Vlaamse Regering[28] [2]

    Toelichting bij Art. VII 52

    Tot 31/05/08 ontvangen de personeelsleden belast met secretariaatstaken van de Vlaamse Regering een toelage van 2.382 euro per jaar aan100%. Dit bedrag (2.382 euro of 96.089 Belgische frank) werd oorspronkelijk vastgesteld in het Besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 1992 tot toekenning van een toelage aan sommige personeelsleden van het Departement Coördinatie, die belast zijn met de uitvoerende taken in verband met het secretariaat van de Vlaamse Executieve. Hetzelfde bedrag werd overgenomen in het VPS en stemt overeen met de kabinetstoelage zoals vastgesteld in het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 1988 tot bepaling van de samenstelling en de werking van de Kabinetten van de Gemeenschapsministers, zoals gewijzigd bij besluit van 6 maart 1991.[6]

    Met het kabinetsbesluit van 27 juli 1999 werd het bedrag van de kabinetstoelage opgetrokken tot 123.000 Belgische frank (3.049,09 euro). De secretariaatstoelage werd echter niet overeenkomstig aangepast.[6]

    Met het kabinetsbesluit van 14 september 2001werd de kabinetstoelage formeel afgeschaft en wordt een "salariscomplement" toegekend dat varieert van persoon tot persoon, al naargelang de afspraak met de minister. Op dit ogenblik gaat het om een gemiddelde van 5.694 euro aan 100% op jaarbasis. Dit bedrag wordt vanaf 01/06/08 als maximum in het VPS ingeschreven. In het kader van de responsabilisering bepaalt de leidend ambtenaar aan wie de toelage wordt toegekend alsook het bedrag met als beperking voornoemd maximum.[6]

    Afdeling 6bis. Toelage voor facilitaire kabinetsondersteuning[10]

    Toelichting bij Art. VII 52bis

    Bij besluit van de Vlaamse Regering van 4 december 2009 (principiële goedkeuring op 25 september 2009) werd met ingang van 1 september 2009 bepaald dat de personeelsleden die worden ingezet bij de facilitaire kabinetsondersteuning, een forfaitaire toelage genieten die niet cumuleerbaar is met de normale toelagen voor extra prestaties (overuren, zaterdag,- zondag- en nachtwerk).[10]

    De in dit artikel beoogde personeelscategorie "ondersteunend personeel" stemt overeen met de vroegere categorie "uitvoerend en aanvullend personeel".
    Gelet op de parallel werd voor de personeelsleden die worden ingezet voor de kabinetsondersteuning volgende vork bepaald: het minimum van € 3.000 à 100% per jaar komt overeen met de vroegere kabinetstoelage voor de categorie "uitvoerend en aanvullend personeel" (BVR 27 juli 1999) en het maximum van € 5.694 à 100% per jaar komt overeen met het gemiddelde van de salariscomplementen van kabinetsmedewerkers (zoals meegedeeld n.a.v. de invoering van de secretarietoelage).
    De lijnmanager bepaalt per personeelslid het bedrag van de toelage binnen voormelde vork.
    De hoogte van de toelage is afhankelijk van de functiebeschrijving en de frequentie van de extraprestaties (overuren, nachtwerk, weekendwerk) (advies Raad van State 47.361/3 van 10 november 2009 wat betreft de vraag naar criteria).[10]

    Ter informatie kan nog worden vermeld dat:

    -

    deze toelage geschorst wordt (art. VII 15 VPS):
    a) in het geval dat er geen recht is op salaris (bv. in geval van ziekte van een contractueel personeelslid na de periode van gewaarborgd week- of maandloon);

    b) bij een onafgebroken afwezigheid van 35 werkdagen (schorsing vanaf de 1ste dag afwezigheid).

    -

    er geen cumul zal mogelijk zijn tussen deze toelage en de toelagen voor overwerk, zaterdag-, zondag- en nachtprestaties (art. VII 71 VPS);

    -

    de toelage pro rata van de prestaties wordt betaald (art. VII 16, 2° VPS).[10]

    Daarnaast kan worden gesteld, met betrekking tot de chauffeurs, dat op basis van artikel VII 83 VPS het managementcomité van de entiteit per betrokken personeelslid een forfaitair bedrag "maaltijdvergoeding" per maand kan bepalen, uitgaande van het aantal dienstreizen per maand. Aangezien het waarschijnlijk is dat de chauffeurs kabinetsondersteuning ook frequente weekendprestaties zullen leveren, wordt de tabel met forfaits per maand en per jaar, die gevoegd is bij de dienstorder van 7 oktober 2008 nr. DVO/DBZ/AR/2008/5 uitgebreid met forfaits tot 266 maaltijdvergoedingen per jaar (momenteel zijn er forfaits tot 226 per jaar).[10]

    Het forfait voor 266 maaltijdvergoedingen is gelijk aan € 3.090, geïndexeerd. Dit maximum komt overeen met de kost van de chauffeursvergoeding bij een ministerieel kabinet.[10]

    Afdeling 7. BET-toelage [2]

    Toelichting bij Art. VII 53

    Het betreft de organieke regeling. De overgangsregeling is opgenomen in artikel VII120.[2]

    Afdeling 8. Gemeenschappelijke of Interne Dienst voor preventie en bescherming op het werk[20]

    Toelichting bij Art. VII 54

    De preventieadviseur werkzaam in een GDPB of IDPB geniet van een preventietoelage. De toelage verschilt al naargelang het niveau (niveau 1 of niveau 2).[20]

    Het KB van 17 mei 2007 betreffende de vorming en de bijscholing van de preventieadviseurs van de interne en externe diensten voor preventie en bescherming op het werk preciseert waaruit de aanvullende vorming enerzijds van niveau 1 en anderzijds van niveau 2 bestaat.[20]

    Het getuigschrift van aanvullende vorming van het eerste niveau komt overeen met een multidisciplinaire basisvorming van 120 uren en een multidisciplinaire specialisatie niveau 1 van 280 uren of een specialisatiemodule ergonomie, arbeidshygiëne of psychosociale aspecten niveau 1 van 280 uren.[20]

    Het getuigschrift van aanvullende vorming van het tweede niveau komt overeen met een multidisciplinaire basisvorming van 120 uren en een multidisciplinaire specialisatie niveau 2 van 90 uren.[20]

    Indien een preventieadviseur met een getuigschrift niveau 2 tijdens zijn tijdelijke aanstelling als preventieadviseur niveau 1 behaalt, wordt zijn preventietoelage opgetrokken.[20]

    De preventietoelage komt bovenop het organieke salaris in de basisgraad waarin de preventieadviseur is aangesteld. Er is geen toelage voorzien voor de preventieadviseur-coördinator aangezien de geldelijke waardering voor deze functie vervat is in de salarisschaal A 287.[20]

    Naast de preventietoelage blijft de normale regeling van reis- en verblijfskosten van toepassing op de personeelsleden van de GDPB en IDPB en vormt de verzekering voor stoffelijke schade van deze personeelsleden een belangrijk voordeel.[20]

    Afdeling 9. Sociale Dienst voor het Vlaams overheidspersoneel[2]

    Toelichting bij Art. VII 55

    Ook hier werd uitgegaan van reeds in het VPS bestaande bedragen

    - secretaris en penningmeester: 1.785 euro[2]

    Afdeling 10. Huisvesting en vervangende toelage[2]

    Toelichting bij Art. VII 56

    § 1 van dit artikel bepaalt dat het hoofd van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust en de Agentschappen Waterwegen en Zeekanaal, De Scheepvaart, het Psychiatrisch Zorgcentrum Geel en Rekem en Jongerenwelzijn[30], de functies en arbeidsplaatsen vaststelt waaraan het gebruik van een woning, ter beschikking gesteld door de werkgever, verbonden is. Het gaat om functies die gehouden zijn tot bijzondere dienstverplichtingen (vb. nachtelijke controles, permanenties e.d.).

    Het gaat dus om alle afdelingen en VOI’s waar in de "vroegere structuur" (voor 1/1/2006) dergelijke regeling van toepassing was. Voor het agentschap Jongerenwelzijn gaat het over personeelsleden die vanaf 1 januari 2015 in het kader van de staatshervorming overgeheveld werden van de FOD Justitie - Jeugdsanctierecht.[30]

    Het hoofd bepaalt tevens:

    -

    de aard van de voordelen (huisvesting, verlichting, verwarming of enkel huisvesting);

    -

    de daaraan verbonden dienstverplichtingen.

    In tegenstelling tot de technici met de functie van Bos- of Natuurwachter (zie § 2) bestaat er hier geen woonstverplichting, alhoewel het wonen in de onmiddellijke omgeving van de werkplaats om praktische en functionele redenen aan te bevelen is.

    § 2. Aan de technici met de functie van Bos- of Natuurwachter wordt een woonstverplichting opgelegd, hetzij in een woning die door de werkgever wordt ter beschikking gesteld, hetzij in het ambtsgebied. Deze woonstverplichting is essentieel omwille van de taak van de Bos- of Natuurwachter (goede bewaking, het verstrekken van hulp in noodsituaties zoals brand, storm, ongevallen, vermiste personen e.d.)

    § 3. Het personeelslid die een huisvesting bewoont waarvan het ministerie hem het genot verleent, geniet een voordeel van alle aard, waarvan de waarde wordt bepaald op een bepaald percentage van het gemiddelde van het minimum- en het maximumsalaris van de salarisschaal waarin betrokkene wordt bezoldigd:

    aard van het voordeel

    percentage van het gemiddelde van de salarisschaal - bruto

    enkel huisvesting

    10%

    huisvesting, verwarming en verlichting

    12,5%

    Voor de duidelijkheid volgt hierna een fictieve berekening van het salaris van een personeelslid dat een woning ter beschikking heeft:

    brutomaandsalaris:

    1.975,04

    FOP (7,5%):

    -  148,12

    ZIV (3,55%):

    -   70,10

    -----------

    belastbaar maandsalaris:

    1.756,82

    (zonder voordeel van alle aard)

    waarde voordeel:

    183,64

    belastbaar maandsalaris:

    1.756,82

    -----------

    totaal belastbaar bedrag:

    1.940,46

    (inclusief voordeel van alle aard)

    Bedrijfsvoorheffing:

    -  551,93

    waarde van het voordeel

    -  183,64

    ------------

    (neutralisatie)

    netto:

    1.204,89

    (8)

    § 4. In geval de dienstbetrekking wordt beëindigd of in geval van overlijden van het personeelslid is een huurprijs verschuldigd. Afhankelijk van de reden van het einde van de dienstbetrekking wordt een termijn bepaald waarbinnen de woning moet worden ontruimd.[2]

    Toelichting bij Art. VII 57

    De personeelsleden bedoeld in artikel VII 56 die ingevolge de uitgeoefende functie recht hebben op het genot van een woning (omdat ze bijzondere dienstverplichtingen hebben), en de Bos- en natuurwachters die "woonstplicht hebben, doch geen woning ter beschikking hebben, ontvangen een "vervangende toelage" van 1.640 euro per jaar (100%).

    Onder "bijzondere dienstopdracht" moet worden verstaan, een opdracht die van die aard is dat de persoon die belast wordt met de uitvoering ervan op regelmatige tijdstippen bepaalde taken moet uitvoeren, en daarvoor onmiddellijk beschikbaar moet kunnen zijn. (eventueel in beurtrolsysteem).[2]

    Afdeling 11. Toelage voor onregelmatige prestaties voor de Wachters der Waterwegen [2]

    Toelichting bij Art. VII 58

    Op basis van § 1 ontvangen deze personeelsleden een toelage van 620 euro (100%) per jaar. Het gaat om een forfaitaire toelage voor onregelmatige prestaties, ongeacht het aantal uren.

    § 2. Het in § 1 vermeld bedrag is een "basistoelage" die wordt verhoogd met bepaalde coëfficiënten. De grootte van deze coëfficiënten is afhankelijk van:

    -

    de waterbemeestering;

    -

    de bedieningsregeling;

    -

    het aantal beweegbare kunstwerken;

    -

    het aantal kilometer waterweg.

    Een differentiatie aan de hand van voornoemde coëfficiënten is verantwoord, aangezien het aantal uren onregelmatige prestaties sterk kan variëren, afhankelijk van de sector waarbinnen de wachter moet opereren. De toelage wordt eventueel pro rata berekend, en geïndexeerd.

    Aangezien het gaat om een forfaitaire toelage voor onregelmatige prestaties is deze toelage niet cumuleerbaar met de statutair bepaalde toelagen voor overuren, nacht-, zaterdag- en zondagprestaties.[2]

    Afdeling 12. Luchthaventoelage [2]

    Toelichting bij Art. VII 59

    § 1 bepaalt dat aan de ambtenaar, tewerkgesteld op de regionale luchthavens, een toelage wordt toegekend van 82 euro (100%) per maand. [2]

    Deze toelage vervangt volgende toelagen die enkel aan de over­gehevelde personeelsleden werden toegekend:

    -

    productiviteitspremie;

    -

    kastoelage;

    -

    brevettoelage;

    -

    toelage voor ploegenwerk.[2]

    § 2 voert, in het kader van de verworven rechten, een garantieregeling in voor de personeelsleden van wie de som van voornoemde toelagen in 1998 per maand meer bedroeg dan 82,00 euro. Zij behouden dit hoger bedrag totdat hogergenoemde 82,00 euro (door indexatie) hoger wordt.[2]

    Afdeling 13. Bijzondere toelageregeling voor het loodspersoneel [2]

    Toelichting bij Art. VII 60

    § 1. Deze paragraaf geeft uitvoering aan het akkoord tussen de overheid en de representatieve vakorganisaties over de sector zeewezen dd. 10 oktober 2001.
    Vanaf 1 januari 1999 worden de loodstoelagen algemene loods verhoogd. Deze verhoging is berekend op basis van de in de loodstoelagen geïntegreerde component nachtwerk, omgezet volgens de norm "werkdruk" aangezien door stijging van de werkdruk vaker nachtprestaties moeten verricht worden (uurtoelage), en herleid naar 1/3 (cfr. protocol 18.46 van 22 december 1994). BVR 31 januari 2003.[2]

    Bij een algemene baremaherziening voor niveau A (1% verhoging vanaf 1 december 2004) worden de loodstoelagen voor 2/3 gekoppeld aan de loonsverhoging (dus 2/3 van 1%), inclusief toelage bij arbeidsongeval, administratieve opdracht en helitoelage.[2]

    In uitvoering van het sectoraal akkoord 2005-2007 wordt de toelage voor zaterdagwerk toegekend aan personeelsleden van de rang A1 en wordt de toelage voor nachtprestaties verhoogd van 2 euro naar 3 euro.[6]

    Als gevolg daarvan dienen de loodstoelagen te worden verhoogd. Overeenkomstig het protocol 18.46 wordt de berekening voor de verhoging van de toelagen herleid tot 1/3.[6]

    Voor de component zaterdagwerk wordt uitgegaan van 233 uur zaterdagwerk per loods per jaar, zijnde 199 beschikbaarheidsdagen - 27 beurtdagen vakantie = 172 beurtdagen; 52 zaterdagen/365 = 14,25%; 172 beurtdagen x 14,25% = 24,5 beurtdagen zaterdagwerk.

    1 beurtdag is ongeveer 9,5 uur, dus 24,5 beurtdagen x 9,5 uur = 233 uren zaterdagwerk.[6]

    Dit geeft volgend resultaat:

    zaterdagwerk

    à 1/3

    operationele loodsen

    rivier

    kanaal

    Scheldemonden

    kust

    233u zaterdag

    0,52

    0,52

    0,39

    0,52

    Voor de component nachtwerk wordt uitgegaan van dezelfde gegevens van het protocol zeewezen van 10 oktober 2001 waarbij de nachttoelage werd verhoogd van 38,5 BEF tot 80 BEF.[6]

    Dit geeft volgend resultaat:

    nachttoelage operationele loodsen

    à 1,1262

    rivier

    kanaal

    Scheldemonden

    kust

    bedrag nacht 1992

    1.284,53

    1.216,34

    878,49

    885,18

    verhoging naar 80F= + 41,5 BEF

    1.384,63

    1.311,12

    946,94

    954,15

    norm protocol

    150

    150

    200

    150

    verhoging per prestatie

    9,23

    8,74

    4,73

    6,36

    =1/3

    3,08

    2,91

    1,58

    2,12

    à 100%

    2,73

    2,59

    1,40

    1,88

    verhoging 2 > 3 euro à 100%

    2,66

    2,51

    1,36

    1,83

    [6]

    De uitbreiding van de toelage voor overuren wordt niet geïncorporeerd in de loodstoelage (zit reeds vervat in de loodstoelagen).[6]

    Deze aanpassing werd reeds als voorafname ingevoerd bij rondzendbrief van 5 oktober 2007 met kenmerk: DVO/BZ/P&O/2007/20.[6]

    Conform artikel VII 64, §2 van het VPS worden de loodstoelagen bij een algemene verhoging van de salarisschalen voor 2/3 gekoppeld aan de gemiddelde salarisverhoging van niveau A. Dit artikel geeft uitvoering aan deze bepaling voor wat de loodstoelagen van de operationele loodsen betreft (inclusief toelage arbeidsongeval, helitoelage, administratieve opdracht).[8]

    Uitvoering sectoraal akkoord 2008-2009

    De lineaire baremieke verhoging met 2% met een maximum van 50 euro bruto per maand aan index 1,4282 geeft voor alle salarisschalen in niveau A een gemiddelde verhoging van 1,11%. De loodstoelagen (zowel operationele loods en andere loodsen) worden bijgevolg met 2/3 van 1,11% verhoogd.[8]

    Loodstoelage na laatste besluit zeewezen

    Loodstoelage

    groep 1

    groep 2

    groep 3

    groep 4

    na 6 jaar

    na 9 jaar

    na 14 jaar

    rivierloodsen

    141,09

    168,27

    206,22

    245,34

    kanaalloodsen

    140,94

    168,12

    206,07

    245,19

    Scheldemonden-

    loodsen

    55,10

    78,26

    94,43

    138,72

    kustloodsen

    90,43

    122,14

    169,98

    205,44

    algemene toelage

    toelage voor extra prestaties

    geven van opleiding

    loods, chefloods (dagdienst)

    12.815,20

    2.305

    loods, chefloods (continudienst) of nautisch dienstchef

    12.815,20

    5.361

    loods, kapitein van de loodsboot

    12.915,20

    13.321

    10.000

    loods, stuurman van de loodsboot

    80% van de toelage van de kapitein

    Loodstoelage vanaf 1/1/2009 (SA08-09 - verhoging 2%)

    Loodstoelage

    groep 1

    groep 2

    groep 3

    groep 4

    na 6 jaar

    na 9 jaar

    na 14 jaar

    rivierloodsen

    142,13

    169,52

    207,75

    247,16

    kanaalloodsen

    141,98

    169,36

    207,59

    247,00

    Scheldemonden-

    loodsen

    55,51

    78,84

    95,13

    139,75

    kustloodsen

    91,10

    123,04

    171,24

    206,96

    algemene toelage

    toelage voor extra prestaties

    geven van opleiding

    loods, chefloods (dagdienst)

    12.910,00

    2.322

    loods, chefloods (continudienst) of nautisch dienstchef

    12.910,00

    5.400

    loods, kapitein van de loodsboot

    12.910,00

    13.420

    10.074

    loods, stuurman van de loodsboot

    80% van de toelagen van de kapitein

    [8]

    Multivalentie[35]

    Het optimalisatieplan (protocol nr. 362.1166 van 16 juni 2017) regelt de inzetbaarheid van de multivalente loodsen waarin de mogelijkheid gecreëerd is dat ze alternerend 1 beurt op de zogenaamde ‘major’traject worden ingezet, gevolgd door 1 beurt op het zogenaamde ‘minor’ traject.[35]

    De multivalente loods ontvangt de loodstoelage conform het korps waarbij hij prestaties levert (dit geldt zowel voor prestaties tijdens de beurt als tijdens de rust).[35]

    De “huidige” loodsen die multivalent willen varen blijven tijdens het opleidingsjaar tot hun korps behoren, en ontvangen de daaraan verbonden loodstoelage.[35]

    Verhoging LT4 en compenserende toelage[35]

    Ten gevolge van de aanpassing of inkorting van de technische loopbaan van de loodsen met operationele functie, wordt in uitvoering van het optimalisatietraject – schaalvergroting nagegaan welke financiële impact dit heeft op de loodsen in de loodstoelagegroep 4 van het betrokken korps.[35]

    De basis is de nota “schaalvergroting” - agendapunt 5 van de gemengde werkgroep loodsen van 23 januari 2015.[35]

    Enerzijds wordt er 4 jaar nadat de nieuwe technische loopbaan volledig in voege is (geen overgangsperiode) berekend wat de definitieve financiële impact is. Deze berekening zal een aanpassing van het bedrag van de loodstoelage in loodstoelagegroep 4 van het desbetreffende korps als gevolg hebben.[35]

    Anderzijds wordt in de periode van 4 jaar voorafgaand aan de definitieve evaluatie bekeken in welke mate een tijdelijke compensatie wordt voorzien voor het reeds geleden verlies. Deze berekening wordt maandelijks gemaakt en wordt jaarlijks afgesloten met een eventuele uitbetaling tot gevolg.[35]

    1. Jaarlijkse compensatie[35]

    De vaststelling van het bedrag van de jaarlijkse compenserende toelage gebeurt in 4 stappen:[35]

    1ste stap: vaststelling van  de verhouding.
    Maandelijks wordt de verhouding opgemaakt van het aantal geleverde prestaties in loodstoelagegroep 4 t.o.v. het aantal prestaties van het korps en het aantal loodsen in loodstoelagegroep 4 t.o.v. het aantal loodsen van het korps.[35]

    Het gemiddelde van de maandelijkse verhoudingen is de jaarlijkse verhouding. Enkel indien deze jaarlijkse verhouding onder de laagste verhouding van de referteperiode valt, wordt een compensatie voorzien.[35]

    De referteperiode is de periode 4 jaar voorafgaand aan de invoering van de nieuwe technische loopbaan.[35]

    Gedurende de referteperiode wordt jaarlijks de verhouding conform bovenstaande berekend wat resulteert in een waaier tussen de laagste en de hoogste verhouding.[35]

    Bv. 51,99% van de loodsen doen 52,95% van de prestaties. De jaarlijkse verhouding is 1,018. De laagste verhouding van de referteperiode is 1,036. Vermits de jaarlijkse verhouding onder de laagste verhouding van de referteperiode ligt, zal er een compenserende toelage toegekend worden.[35]

    2de stap: vaststelling van het aantal minder prestaties LT 4[35]

    Per loodsenkorps wordt bekeken hoeveel loodsprestaties door de loodsen LT 4 minder werden gepresteerd.[35]

    Het aantal prestaties dat de loodsen in loodstoelagegroep 4 minder hebben gepresteerd, wordt bekomen door het verschil te maken tussen het aantal prestaties dat ze werkelijk hebben gedaan en het aantal prestaties dat ze hadden moeten doen op jaarbasis.[35]

    Het aantal prestaties dat ze hadden moeten doen wordt bekomen door het aantal loodsen in loodstoelagegroep 4 t.o.v. het aantal loodsen van het korps te vermenigvuldigen met het gemiddelde van de jaarlijkse verhoudingen van de referteperiode.[35]

    Het verschil, in percentage, wordt dan vergeleken met het aantal loodsprestaties in loodstoelagegroep 4 van dat jaar om een absoluut cijfer te krijgen.[35]

    Bv. De gemiddelde jaarlijkse verhouding van de referteperiode is 1,056.[35]

    51,99% van de loodsen hadden (51,99x1,056) 54,94% van de prestaties moeten doen. Ze hebben er echter 52,95% waardoor er een verschil is van 1,98%.[35]

    1,98% van de loodsprestaties in LT4 (20.993,50) is 416,84 prestaties die minder gepresteerd werden.[35]

    3de  stap: berekening compenserende toelage per korps[35]

    Het aantal minder prestaties per korps (2de stap) wordt vermenigvuldigd met het bedrag van loodstoelage 4 die op dat moment gold. Het aldus bekomen bedrag wordt gedeeld door het aantal beschikbaarheidsdagen van de LT4 groep binnen het korps in dat jaar.[35]

    Bv. De toelage bedraagt € 58.254 (416,84 prestaties x 139,75 (LT4)). € 58.254 gedeeld door 13.225 beschikbaarheidsdagen is € 4,40 compensatie per beschikbaarheidsdag;[35]

    4de stap : individuele vaststelling van de jaarlijkse compenserende toelage[35]

    Voor de individuele toekenning per loods wordt het bedrag van de jaarlijkse compensatie (zie 3de stap) vermenigvuldigd met het aantal beschikbaarheidsdagen van de betrokken loods in dat jaar.[35]

    Methodiek zoals uiteengezet in de nota schaalvergroting van de gemengde werkgroep loodsen van 23 januari 2015:
    De berekening zal maandelijks plaatsvinden.
    De verrekening en de uitbetaling van de compensatie zal jaarlijks gebeuren.
    Ter controle van het rekenmodel worden alle scheepsbewegingen per lengte, diepgang, categorie en LT groep aangeleverd.
    Indien blijkt dat de aannames in het voorbeeld van het rekenmodel niet correct zijn, zal het rekenmodel in overleg verder worden verfijnd.[35]

    2. Definitieve aanpassing bedrag loodstoelage groep 4[35]

    Na 4 jaar wordt berekend hoeveel prestaties er gemiddeld minder gepresteerd zijn ten opzichte van het gemiddelde van de referteperiode en welk verlies dit vertegenwoordigt (prestaties x loodstoelagebedrag).[35]

    Het geleden verlies wordt samengeteld met het reeds uitbetaalde loodstoelagebedrag. Deze som wordt gedeeld door de effectief geleverde loodsprestaties met als quotiënt het nieuwe loodstoelagebedrag.[35]

    Als dusdanig wordt de LT4 voor de Scheldemondenloodsen met ingang van 1 januari 2016 verhoogd van € 139,75 (à 100%) tot € 142,61 (à 100%).[35]

    Voor de Rivierloodsen is de aanpassing van de technische loopbaan doorgevoerd op 1 september 2017 (eventuele aanpassing van de LT 4 in 2021). Voor de andere korpsen (Kanaal, Kust) is er nog geen concrete planning voor een aanpassing van de technische loopbaan.[35]

    In de loodstoelageloopbaan van de verschillende loodsenkorpsen worden vanaf 01/01/2008 volgende wijzigingen aangebracht in uitvoering van het protocolnr 255.831 van 15 februari 2008.

    -

    De LT-loopbaan 6-6-2 wordt vervangen door de LT-loopbaan 6-3-5, waardoor men dus sneller overgaat van LT2 naar LT3;

    -

    De bedragen van de LT3 en LT4 worden bovendien verhoogd voor elk korps.

    Deze verhoging komt bovenop de reeds toegekende verhoging door incorporatie van de factor zaterdagwerk (toekenning aan rang A1) en nachtwerk (optrekken van 2 euro tot 3 euro) in uitvoering van het sectoraal akkoord 2005-2007.[7]

    Volgens MDK kan deze verhoging als volgt worden gemotiveerd. De gemiddelde omvang van de schepen die zich aandienen voor de Vlaamse haven is sedert het vastleggen van de toelagen van de loodsen in 1995 met 100% toegenomen. Dit betekent uiteraard een verhoogde verplichting tot het zich eigen maken van nieuwe technieken en het volgen van een verhoogd aantal bijkomende opleidingen. Er is ook in 2004 een overeenkomst gesloten met de rivierloodsen om de technische loopbaan in te korten. In 2007, gekoppeld aan dit akkoord is er ook een overeenkomst gesloten met de kustloodsen die een effectieve inkorting van de technische loopbaan inhield. Een zelfde akkoord wordt thans onderhandeld met de zeeloodsen. Ook de kanaalloodsen zijn bereid gevonden om de maximum omvang van de schepen t.o.v. het beschikbare areaal uit te breiden. Vermits de technische loopbaan in 1995 door de overheid werd losgekoppeld van de financiële loopbaan heeft dit nooit onmiddellijk effect op de verloning. Deze grote schepen worden bediend door loodsen uit groep 3 en groep 4. Toch heeft de overheid hierdoor hogere inkomsten omdat deze grotere schepen meer inkomsten genereren. Hierbij kan verwezen worden naar de omzetgroei van de DAB Loodswezen met 14% in 2007. Kortom, zowel wat betreft de inspanningen die van de loodsen als wat de inkomsten voor de overheid betreft zijn deze aanpassingen ruimschoots verantwoordt.[7]

    Recuperatie integratie loodstoelagen in salaris[35]

    Het tweede akkoord van 4 maart 2016 bepaalt dat de integratie van een deel van de toelagen in het salaris gebeurt op basis van de BAFO van 14 maart 2014. Er wordt een bedrag van 1/12 van € 7.460 (à 100%) gerecupereerd op de maandelijks te betalen bruto loodstoelage. Uiteraard geldt dit enkel voor de loodsen die bezoldigd worden in één van de salarisschalen die werd verhoogd door de integratie (A143 – A144) Indien het bedrag van de toelage niet zou volstaan, gebeurt de recuperatie van het saldo op het brutomaandsalaris.[35]

    De recuperatie van het naar de salarissen verschoven deel van de toelagen gebeurt dus eveneens vanaf de toelagen verschuldigd voor de prestaties van oktober 2017; deze (verlaagde) toelagencomponent wordt betaald in november (maand x+1).
    (deze recuperatie mag dus niet ingevoerd worden voor de toelagen over september, betaald in oktober!)[35]

    § 2 bepaalt dat de bedragen van de loodstoelage maandelijks worden uitbetaald; 50% wordt rechtstreeks aan de individuele loods (alg. functie) betaald; de andere 50% wordt in een groepsfonds gestort en onder de loodsen van die groep verdeeld volgens het aantal beurtdagen en gelijkgestelde dagen van de betrokken maand. Voor de kustloodsen is de verdeling 85% - 15%.
    Speciaal dient vermeld te worden dat de mogelijkheid om een loods in rust op te roepen en ook te vergoeden via de gelijkstelling met een beschikbaarheiddag, slechts in werking trad op 1 juni 1997. Na evaluatie van de verhoogde beschikbaarheid kan dit 'derde gedachtestreepje' desgevallend geschrapt worden.[2]

    Volgens de regeling van artikel VII 60, §2, zoals deze gold vóór het besluit van de Vlaamse Regering van 14 februari 2014, werden de dagen als loods-lesgever niet met beschikbaarheidsdagen gelijkgesteld. De prestaties als loods-lesgever werden vergoed aan de loodscoëfficiënt 0,5 (tarief rivierloodsen).[22]

    Deze regeling betekent dat de loods die lesgeeft wel in het groepsfonds inbrengt, maar voor die prestaties als lesgever niet deelt uit het groepsfonds (aangezien de verdeling van het groepsfonds gebeurt op basis van het aantal beschikbaarheidsdagen).[22]

    Om voldoende lesgevers te kunnen vinden, werkte de functioneel bevoegde entiteit  een "officieuze" regeling uit (kennisgeving nr. 04/055 dd. 2/6/2004), die niet in overeenstemming was met het VPS. Deze kennisgeving stelde dat voor een administratieve opdracht (dus ook het lesgeven) wel een beschikbaarheidsdag wordt toegekend. Om de pariteit in het groepsfonds niet te verstoren moet deze bijkomende beschikbaarheidsdag gecompenseerd worden binnen de 3 maanden na de prestatie.[22]

    In de praktijk gebeurde deze recuperatie echter niet, waardoor de verdeling van het groepsfonds verstoord werd.[22]

    Daarom werd met het BVR van 14 februari 2014 de "officieuze" regeling (met verplichte recuperatie van de beschikbaarheidsdag) statutair te verankeren, zodat de verplichte recuperatie "afdwingbaar" wordt.[22]

    Voor de activiteiten als loods-lesgever krijgt de loods een (extra) beschikbaarheidsdag, die uiterlijk drie maanden na de dienstopdracht moet gerecupereerd worden.[22]

    Tevens bepaalt het voorstel dat de loods in afwijking hiervan kan kiezen om de verloning voor deze administratieve opdracht individueel toegekend te krijgen. In dit geval krijgt hij geen beschikbaarheidsdag. Deze keuze kan jaarlijks herroepen worden.[22]

    Inzetten loodsen in rust[35]

    In uitvoering van het optimalisatieplan (protocol nr. 362.1166 van 16 juni 2017) wordt de mogelijkheid gecreëerd om loodsen in hun rustdagen, bij hoogdringendheid, in te zetten.[35]

    Deze mogelijkheid was reeds voorzien in het VPS, maar beperkt tot de laatste rustdag. Deze beperking tot de laatste rustdag wordt, in uitvoering van het optimalisatieplan opgeheven vanaf 1 oktober 2017.[35]

    § 3 bepaalt dat in het geval van een functiewijziging naar loods met de algemene functie of aanwerving[18], de periode van aanstelling in een andere nautische functie, geneutraliseerd wordt voor de opklimming in de loodstoelagenloopbaan.[2]

    § 4 bepaalt voor arbeidsongeval en gelijkaardige situaties, een toelage van 36,50 euro per kalenderdag aan 100%, analoog aan de toekenning in de vroegere regeling van de '3/3' van het grondslagbedrag van de veranderlijke bezoldiging. De arbeidsongevallentoelage bestaat enkel voor het loodsenpersoneel.[2]

    Het bedrag van de toelage zoals deze in het VPS van 15 juli 2002 was opgenomen (14,50 euro, bij BVR van 19 november 2004 verhoogd tot 14,60 euro) stond nog weinig in verhouding tot het gederfde inkomen in geval van arbeidsongeval of beroepsziekte. De loods kan dan immers geen prestatiegebonden loodstoelage genereren, hetgeen oploopt tot een gemiddelde inkomensderving van 2.000 € per maand (gemiddeld over de korpsen en de bevoegdheidscategorieën). Een groot deel van de globale maandelijkse verloning van de operationele loodsen bestaat immers uit de prestatiegebonden loodstoelage.[2]

    Hiertegenover staat dat, onverminderd het gevaarlijk werk dat de loods ontegensprekelijk uitoefent, de afwezigheid wegens erkend arbeidsongeval / ongeval op de weg van of naar het werk beperkt is.[2]

    Aantal kalenderdagen afwezigheid wegens erkend arbeidsongeval:
    1996:  92
    1997:  173
    1998:  339
    1999:  159
    2000:  155
    2001:  227
    2002:  513
    2003:  316
    2004:  460.[2]

    § 5. De loods met de algemene functie die een dienstopdracht vervult, ontvangt per 4u een forfaitaire toelage van 50,33 euro à 100%, met een maximum van 100,63 euro per dag. Deze extra­toelage wordt volledig individueel toegekend. De betrokken loodsen met de algemene functie putten wel uit het groepsfonds aangezien zij beschikbaar zijn.[2]

    Als voorbeelden van administratieve opdracht kunnen vermeld worden: de dienst vertegenwoordigen op een vergadering; fungeren als lesgever; namens de dienst in een onderzoeksraad of een jury zetelen; simulatoropdrachten.
    Syndicale opdrachten (bvb. de vakorganisatie of de loodsenver eniging op een vergadering vertegenwoordigen) geven geen recht op deze extratoelage.[2]

    Verder moet gesteld dat deze laatste toelage bovenop de te verdelen budgettaire massa komt.[2]

    Het lesgeven als loods wordt vergoed met een administratieve opdracht. Dit lesgeven gebeurt om niet teveel financieel verlies te lijden en omdat het niet altijd mogelijk is lessen te geven tijdens een zeebeurt tijdens hun vrije dagen. Naast een administratieve opdracht hebben de lesgevers ook recht op een extra beschikbaarheidsdag. Aangezien zij voor het lesgeven geen prestatie krijgen brengen zij niets in het groepsfonds, maar delen wel mee voor een extra dag. Dit veroorzaakt wrevel bij de andere loodsen. Daarom wordt het lesgeven niet meer verloond als administratieve opdracht, maar met een coëfficiënt van een loodstoelage (bvr 20/02/2004).[2]

    Administratieve opdracht “werkoproepen”[35]

    Een andere afspraak in de op 4 maart 2016 gesloten akkoorden is dat de administratieve opdracht “werkoproepen” wordt verloond aan de coëfficiënt 0,5 per 4 uur (conform de verloning voor de administratieve opdracht lesgeven). Tot op heden werden die administratieve opdrachten verloond aan een forfaitair bedrag van € 50,70 (100%) conform artikel VII 60, §5 VPS.[35]

    Dit werd reeds opgenomen in het ministerieel besluit van 9 juni 2016 tot vaststelling van de loodscoëfficiënten, maar vereist ook een aanpassing van artikel VII 60, §5 VPS.[35]

    § 6. Bij vacante betrekking van chefloods of langdurige afwezigheid van een chefloods, ontvangt de loods met de algemene functie die deze functie gedurende tenminste 30 kalenderdagen waarneemt, voor deze periode de overeenkomstige salarisschaal en toelagen.[2]

    § 7. Individuele verloning kanaalloodsen[35]

    In hetzelfde akkoord van 4 maart 2016 werd afgesproken dat de kanaalloodsen op vrijwillige basis kunnen uitstappen uit de verdeling van de loodstoelagen tussen 50% in het groepsfonds en 50% individueel. Zij kunnen per periode van één kalenderjaar (telkens ingaand op 1 januari) opteren voor een 100% individuele toekenning van de loodstoelage.[35]

    Voor het jaar dat dit ontwerpbesluit in voege treedt (2017) kan de keuze voor de resterende periode van dat kalenderjaar na de definitieve goedkeuring worden gemaakt.[35]

    Een kanaalloods die vrijwillig individueel vaart krijgt geen betoelaging via het groepsfonds, en dus ook geen beschikbaarheidsdag, behalve de verlofdagen die met toepassing van artikel X 9, vijfde lid, werden opgespaard tijdens een periode van betoelaging via het groepsfonds.[35]

    Anders geformuleerd. Voor de kanaalloodsen die individueel varen is de aanrekening van vakantiedagen op het groepsfonds (beschikbaarheidsdagen) enkel mogelijk voor de tijdens een periode van betoelaging via het groepsfonds opgespaarde vakantiedagen. Dit om te vermijden dat de kanaalloodsen tijdens een periode van individuele verloning een groot aantal vakantiedagen opsparen om deze dan op te nemen tijdens de periode van collectieve verloning (groepsfonds).Hieruit volgt dus ook dat de gewone jaarlijkse vakantiedagen tijdens de periode van individueel varen niet aangerekend worden op het groepsfonds vanaf het moment van individueel varen (bv. 1.7 of 1.10.2017).[35]

    Voorbeeld:[35]

    In 2017 heeft een kanaalloods nog 30 van zijn 38 vakantiedagen van 2017 niet opgenomen, en hij gaat individueel varen. Deze 30 dagen worden niet met een beschikbaarheidsdag gelijkgesteld.[35]

    Ook de door de kanaalloodsen opgespaarde vakantiedagen tijdens de periode dat zij voor de individuele verloning opteren, worden niet met beschikbaarheidsdagen gelijkgesteld.[35]

    § 8. Compenserende toelage[35]

    Zie toelichting “verhoging LT4 en compenserende toelage”.[35]

    Definitieve aanpassing bedrag loodstoelage groep 4[35]

    Na 4 jaar wordt berekend hoeveel prestaties er gemiddeld minder gepresteerd zijn ten opzichte van het gemiddelde van de referteperiode en welk verlies dit vertegenwoordigt (prestaties x loodstoelagebedrag).[35]

    Het geleden verlies wordt samengeteld met het reeds uitbetaalde loodstoelagebedrag. Deze som wordt gedeeld door de effectief geleverde loodsprestaties met als quotiënt het nieuwe loodstoelagebedrag.[35]

    Als dusdanig wordt de LT4 voor de Scheldemondenloodsen met ingang van 1 januari 2016 verhoogd van € 139,75 (à 100%) tot € 142,61 (à 100%).[35]

    Voor de Rivierloodsen wordt de aanpassing van de technische loopbaan doorgevoerd vanaf 1 september 2017 (eventuele aanpassing van de LT 4 in 2021). Voor de andere korpsen (Kanaal, Kust) is er nog geen concrete planning voor een aanpassing van de technische loopbaan.[35]

    Toelichting bij Art. VII 62

    voert een garantieregeling in, aangezien de toelageregeling verloopt volgens graadanciënniteit en ontkoppeld is van de technische loopbaan. Hierdoor zal de loods met de algemene functie die weigert of onbekwaam is om schepen volgens zijn bevoegdheid te beloodsen, de toelagen ontvangen volgens de lengte van de schepen die hij wel beloodst. Voor oudere loodsen wordt bepaald dat zij, in geval van medische redenen, maximaal naar loodstoelage 2 kunnen terugvallen.[2]

    Toelichting bij Art. VII 63

    voert de toelagen in voor het ander nautisch personeel op rang A1 in. Er wordt een 'algemene' toelage van 4.245 euro à 100% per jaar ingevoerd die overeenstemt met het saldo van de '3/3' van het grondslagbedrag van de veranderlijke bezoldiging, en daarenboven 'bijzondere' toelagen die toegekend worden voor de speciale omstandigheden waarin moet gewerkt worden. Ingevolge de algemene baremaherziening voor niveau A gelden vanaf 1 december 2004 volgende bedragen:

    -

    toelage voor extraprestaties voor de loods met de functie van chefloods in continuregeling of die als nautisch dienstchef de verantwoordelijkheid draagt voor een loodsstation: 5.361 euro[6] à 100% per jaar;

    -

    toelage voor extraprestaties voor de loods met de functie van chefloods in dagdienst: 2.305 euro à 100% per jaar;

    -

    bijzondere toelage voor de kapitein van de loodsboot: 13.321 euro[6] à 100% per jaar.[2]

    Er wordt voorts bepaald dat:

    -

    de loods met de functie van stuurman (dus de vast aangestelde), 80%  van de toelagen van de kapitein ontvangt;

    -

    de loods met de algemene functie die gedurende een maand als chefloods of als stuurman fungeert, bezoldigd wordt à rato van de toelagen en het salaris van de chefloods en de stuurman; dit is enkel de bedoeling bij vacatures in afwachting van een werving; de aanduiding gebeurt door de omgekeerde anciënniteitregel (cf. protocol nr. 18.46 van 22.12.94).[2]

    In uitvoering van het sectoraal akkoord 2005-2007 wordt de toelage voor zaterdagwerk toegekend aan personeelsleden van de rang A1 en wordt de toelage voor nachtprestaties verhoogd van 2 euro naar 3 euro.[6]

    Als gevolg daarvan dienen de toelagen voor extraprestaties voor de chefloodsen (continudienst en hoofd van het station), kapiteins en stuurmannen te worden verhoogd. Overeenkomstig het protocol 18.46 wordt de berekening voor de verhoging van de toelagen herleid tot 1/3.[6]

    Voor de component zaterdagwerk wordt voor de chefloodsen uitgegaan van 1 zaterdag werken op 4 of 13 zaterdagen op jaarbasis à 7u36 = 98,8 uur per chefloods. Zaterdagwerk s 1 euro per uur = 98,8 euro /3 = 33 euro à 100%.[6]

    Voor de kapiteins en stuurmannen wordt uitgegaan van 18 zeebeurten, zoals ook gebeurde in 2001. Dit geeft 18 X 1 X 8 uur = 144 uur (à 1 euro) = 144/3 = 48 euro à 100% per jaar.[6]

    Voor de component nachturen wordt uitgegaan van 28 uren en 18 beurten.[6]

    Dit geeft volgend resultaat:[6]

    chefloods continu

    208,33

    chefloods dag

    0,00

    chefloods hoofd st.

    208,33

    Kapitein

    168,00

    stuurman

    Deze aanpassing werd reeds als voorafname ingevoerd bij rondzendbrief van 5 oktober 2007 met kenmerk: DVO/BZ/P&O/2007/20.[6]

    In uitvoering van het protocolnr. 255.831 van 15 februari 2008 wordt de algemene toelage voor de chefloodsen en de kapiteins van de loodsboot met ingang van 1 januari 2008 verhoogd met 12.000 euro geïndexeerd tot 12.815,20 euro aan 100% (4.245 (huidig bedrag) x 1,4002 (index)= 5.943,85 + 12.000 = 17.943,85/1,4002 = 12.815,20 euro).[7]

    Vanaf 1 maart 2005 wordt de functie van kapitein van de loodsboot Tender waargenomen door een personeelslid met de graad van hoofdschipper bij de DAB Vloot en wordt de functie van stuurman van de loodsboot niet meer uitgeoefend door loodsen.[2]

    In principe zullen voor de trajecten van en naar Vlissingen de Vlaamse zeeloodsen de Tender loodsen en aldus de gezagvoerende hoofdschipper assisteren. Ondertussen worden de hoofdschippers verder opgeleid om de functie uit te oefenen. Dit wordt zodanig georganiseerd dat er voor de loodstaak geen extra loods wordt gepord maar de taak uitgevoerd wordt door de eerste beurtloods onder de Vlaamse passagier-zeeloodsen.[2]

    De eerste beurtloods assisteert de hoofdschipper. Voor de trajecten waarop geen zeeloodsen worden vervoerd worden in principe geen loodsen ingezet tenzij de hoofdschipper hierom specifiek zou vragen.[2]

    In de toekomst zal in overleg met de vakorganisaties een aangepast profiel voor zowel het gezag over de loodsboot Tender en in een verdere fase over de slices worden vastgesteld.[2]

    Voor het effectief geven van een opleiding aan de hoofdschippers - gezagvoerder van de loodsboot Tender ontvangen de kapiteins van de loodsboot een bijzondere toelage van 10.000 euro (100%) per jaar. De stuurmannen ontvangen 80% van dit bedrag. De modaliteiten van deze opleiding worden uitgewerkt door de administratie Ambtenarenzaken en de administratie Waterwegen en Zeewezen (DAB Vloot). Deze opleiding zal bestaan in een administratief/technische opleiding en een uitbreiding van het vaargebied (reizen op Vlissingen).[2]

    Als bijkomende taak zullen de kapiteins - stuurmannen bij het wisselen van de loodsboot ter hoogte van de Westpost de continuïteit van het gezag verzekeren. Concreet betekent dit dat op het ogenblik van de ploegwissel de kapitein van de loodsboot die de kruispost(kotter)functie uitvoert overstapt op de loodsboot die als tender fungeerde en bij de ploegwissel de kruispost functie waarneemt. Dit betekent een uitbreiding van de tijdsbesteding van de kapitein - stuurman met één wacht.[2]

    Bij de DAB Vloot wordt gewerkt met een kader van vijf vaste kapiteins van de loodsboot.[2]

    Actueel wordt bij de DABV gewerkt met een kader van 4 kapiteins en 2 stuurmannen. Door de voorgestelde constructie is een kader van 5 kapiteins nodig en 1 stuurman.[2]

    Er wordt derhalve een vergelijkende competentieproef[6] voor kapitein van de loodsboot georganiseerd.[2]

    Vanaf 1 oktober 2017 werd een deel van de toelage (€ 7.460 à 100%) geïntegreerd in het salaris (A144).[35]

    Een bedrag van 1/12 van € 7.460 (à 100%) wordt gerecupereerd via een maandelijkse inhouding op de toelagen bedoeld in dit artikel (toelage extra-prestaties en algemene toelage).[35]

    Het gaat om volgende toelagen:[35]

     

    Algemene toelage (à 100%)

    Toelage extra-prestaties (à 100%)

    loods, chefloods (dagdienst)

    12.910 euro

    2.322 euro

    loods, chefloods (continudienst) of nautisch dienstchef

    12.910 euro

    5.400 euro

    loods, kapitein van de loodsboot

    12.910 euro

    13.420 euro

    Indien het bedrag van de maandelijkse bruto toelage niet zou volstaan voor de recuperatie, zal het saldo gerecupereerd worden op het maandelijks brutosalaris.[35]

    Voor de loods, stuurman van de loodsboot gebeurt de recuperatie op 80% van het bedrag van de toelage van de kapitein, hetzij € 10.328 à 100%.[35]

    Afdeling 14. Zeegeld [2]

    Toelichting bij Art. VII 65

    De oude zeegeldregeling (kb. 18.8.76) werd nagenoeg ongewijzigd geïntegreerd in het VPS. De enige wijzigingen betroffen de nieuwe graadbenamingen van het VPS en de uitbreiding van het toepassingsgebied door de overheveling op 1 maart 1997 van RMT-personeelsleden.[2]

    § 1 en § 2. De integratie in het VPS gebeurt met de dezelfde bedragen als in de oude regeling.[2]

    Door de toekenning van maaltijdcheques werd het geïndexeerd bedrag van het dagbedrag van het zeegeld met 2,5 euro verminderd (art. VII 65)[6].[12]

    Deze aanpassing werd reeds als voorafname ingevoerd bij rondzendbrief van 28 juni 2007 met kenmerk: DVO/BZ/P&O/2007/14.[6]

    In artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 oktober 2010 (8b) wordt uitdrukkelijk bepaald dat een maaltijdcheque niet gecumuleerd mag worden met een onkostenvergoeding voor een zelfde maaltijd voor dezelfde dag. Dit koninklijk besluit treedt in werking op 1 januari 2011.[12]

    Dit betekent dat, om in regel te zijn met deze wettelijke bepaling, het dagbedrag zeegeld met € 3,91 per dag moet worden verminderd (de werkgeversbijdrage in een maaltijdcheque)  in plaats van met € 2,5. Aan voornoemde wettelijke bepaling wordt gevolg gegeven vanaf 1 februari 2011 (bij voorafname ingevoerd bij omzendbrief BZ 2011/2 van 10/02/2011).[12]

    Een werkgroep ad hoc (vertegenwoordigers van het departement bestuurszaken, DAB Vloot, MDK en de 3 representatieve vakorganisaties) vergaderde omtrent de problematiek van voedingsgeld, zeegeld, recht op maaltijdcheques e.d. op 3 november 2011 en 28 november 2011. Deze werkgroep kwam tot een consensus omtrent een nieuw voorstel waarbij alle personeelsleden op gelijke voet worden behandeld en de fiscale en RSZ-reglementering correct wordt toegepast.
    Dit voorstel werd besproken opeen vergadering van het Sectorcomité XVIII van 13 februari 2012 (protocol van akkoord nr. 309.992).[18]

    1. Personeel bemanning kotter, tender en zeehond
    Op het dagbedrag zeegeld worden geen verminderingen voor verkregen voeding meer toegepast en de bemanningsleden krijgen gratis voeding aan boord. Op het zeegeld wordt bedrijfsvoorheffing ingehouden (betreft uitsluitend statutaire personeelsleden) en de gratis voeding wordt zowel naar de fiscus als de RSZ als voordeel in natura aangegeven (op basis van een voordeel van € 2,48 per dag).
    Derhalve ontvangen de betrokken personeelsleden voor de dagen dat ze zeegeld ontvangen geen maaltijdcheques meer.
    Ondanks het feit dat de berekening naar de toekomst kan evolueren (verhoging nominale waarde maaltijdcheques, verhoging kostprijs voeding) zal eens de keuze gemaakt, geen parallel systeem van vergelijking gebeuren.[18]

    2. kapiteins en stuurmannen  
    Naast het fiscaal voordeel zal de gratis voeding voortaan ook aan de RSZ als voordeel in natura worden aangegeven (eveneens RSZ op € 2,48  per dag).[18]

    3. operationele loodsen (zee- en kust)
    Naast het fiscaal voordeel zal de gratis voeding voortaan ook aan de RSZ als voordeel in natura worden aangegeven (eveneens RSZ op € 2,48  per dag).[18]

    4. andere dagschepen
    De dagschepen hebben normaal geen voeding aan boord. De personeelsleden behouden bijgevolg het recht op maaltijdcheques en zeegeld.
    Indien een dagschip uitzonderlijk continu vaart, geldt dezelfde regeling als op de kotter, tender en zeehond (dus gratis voeding, geen inhouding kostprijs voeding, geen maaltijdcheque).[18]

    Het dagbedrag van het zeegeld wordt toegekend voor prestaties op zee en geldt enkel voor sommige varende personeelsgroepen van de IVA Maritieme Dienstverlening en Kust (Oostende, Vlissingen, Zeebrugge, Nieuwpoort). Het is slechts partieel te vergelijken met de vergoeding wegens verblijfkosten (KB van 24 december 1964). Het zeegeld is immers een toelage (wegens extraprestatie) en geen vergoeding. In de aanhef van het besluit van de Prins-regent van 26 juli 1948 wordt vermeld dat het zeegeld "een bijkomende wedde en tevens een naarstigheidspremie is".
    Het jaarbedrag van het zeegeld is een toelageforfait dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het pensioen. Daarvoor betalen de betrokken personeelsleden een persoonlijke bijdrage van 7,5%  (fonds voor overlevingspensioenen). De Vlaamse overheid is als werkgever bevoegd voor de bepaling van het bedrag. De federale overheid erkent de berekeningsbasis voor het pensioen. Voor deze categorie van het varend personeel is dit een pensioenvoordeel supplementair aan de "actieve diensten" (pensioenbreuk in 50sten).[2]

    De oude regeling voorzag dat het dagbedrag wordt toegekend overeenkomstig de werkelijk uitgeoefende functie (zelfs wanneer deze van de graad verschilt). Aangezien dit maar voorkomt bij hoger ambt, is het niet nodig hiervoor een speciale regeling te behouden. In beide gevallen wordt uiteraard de toelage verbonden aan de uitgeoefende functie toegekend.[2]

    Deze voordelen worden toegekend aan de personeelsleden die aan de kust aangewezen worden voor de rededienst of de zeedienst (hogere bedragen). Aangezien het begrip zeedienst nu nauwkeurig omschreven is, en de aanduiding formeel door de dienstleiding geschiedt, kan hierover geen twijfel meer bestaan. In het Sectorcomité XVIII werd overeengekomen om voor de toe­kenning van de toelage steeds dezelfde tijdseenheid te gebruiken (per begonnen periode van 24u - §§ 1 en 2).
    Met zeedienst worden gelijkgesteld de prestaties van de rededienst naar een haven van een ander redegebied en naar de loodsboot op station.[2]

    De bedragen van het zeegeld worden bij een algemene baremaherziening van de salarisschalen van het varend personeel verhoogd of verlaagd met een coëfficiënt die verkregen wordt door de som van het rekenkundige gemiddelden van de nieuwe schalen van de betrokken ambtenaren, te delen door de som van de rekenkundige gemiddelden van de schalen die geldig zijn op de datum van inschaling.[2]

    Bij de salarisverhoging met 1% voor de niveaus C en D op 1 december 2002 werden de bedragen inzake zeegeld eveneens verhoogd met 1%, behalve voor de loods (chefloods) en loods-stagiair (beiden niveau A). Ingevolge de salarisverhoging vanaf 1 december 2004 met 1% voor de niveaus A en B, werd ook het zeegeld voor de loods (chefloods) en loods-stagiair met 1% verhoogd.[2]

    Ingevolge voornoemde bepaling van het VPS werd deze aanpassing doorgevoerd met ingang van dezelfde datum als de salarisverhoging met 1%. Het bedrag voor de loods (chefloods) wordt het dagbedrag opgetrokken van 16,50 euro tot 16,69 euro. Voor de stagiair-loods wordt het dagbedrag opgetrokken van 14,00 euro tot 14,16 euro en het jaarbedrag wordt opgetrokken van 1.930,50 euro tot 1.952,00 euro.[2]

    Door de invoering van leidinggevende functies D3 bij de DAB Vloot werd de lijst aangepast.[2]
    Bij het besluit van 29/05/09 werd het volgende bepaald: Een zeegeld wordt eveneens toegekend aan de speciaal hoofdassistent - functie kok ingescheept. Door een bevorderingsronde zijn een aantal koks bevorderd. Er zijn 11 koks, 7 in D2 en 4 in D1.[9]

    Naar aanleiding van de eerste invoering van de maaltijdchequeregeling vanaf 1 juli 2007, wer bepaald dat de geïndexeerde dagbedragen van het zeegeld worden verminderd met de nominale waarde van de werkgeversbijdrage in een maaltijdcheque, zijnde 2,5 euro.[8]

    Het sectoraal akkoord 2008-2009 voorziet niet dat deze vermindering moet worden aangepast. Derhalve verdient het de voorkeur om vermelde omschrijving te vervangen door "2,5 euro".[8]

    § 3. Deze paragraaf (en ook de laatste zin van § 6) wordt geschrapt door het BVR van 1 februari 2013.
    De bemanningen van kotter, tender en Zeehond krijgt gratis voeding aan boord. De vroegere regeling van het voedingsgeld (kostprijs bereiding voeding aan boord - af te trekken van het dagbedrag zeegeld) wordt afgeschaft.
    De gratis voeding wordt qua finaliteit en RSZ verrekend (€ 2,48 per dag) en de personeelsleden ontvangen voor die dagen geen maaltijdcheque.
    Deze regeling wordt ook toegepast voor de kapitein, stuurmannen en operationele loodsen aan boord van bedoelde schepen.
    Wat de andere dagschepen betreft: daar geldt geen gratis voeding aan boord, dus recht op MC.[18]

    Artikel VII 65, § 5 van het VPS bepaalt het volgende:
    Bij een algemene herziening van de salarisschalen van het varend personeel worden de bedragen, vermeld in § 1, verhoogd of verlaagd met een coëfficiënt die verkregen wordt door de som van de rekenkundige gemiddelden van alle nieuwe schalen van de in § 1 genoemde ambtenaren, te delen door de som van de rekenkundige gemiddelden van de schalen die geldig zijn op de datum van inschaling.
    Het rekenkundige gemiddelde wordt verkregen door de som van het minimum en het maximum van de salarisschaal door twee te delen. De coëfficiënt wordt berekend tot op vier decimalen.[8]

    Op grond van deze bepaling dienen naar aanleiding van de lineaire loonsverhoging met 2% in uitvoering van het sectoraal akkoord 2008–2009 de bedragen te worden verhoogd. De gemiddelde verhogingscoëfficiënt van het zeegeld bedraagt 1,0172.  De dagbedragen en jaarbedragen van het zeegeld worden dus verhoogd met 1,72%.  Enkel de dagbedragen worden uitbetaald.  De jaarbedragen verhogen de facto de berekeningsbasis voor de pensioenen. De betrokken personeelsleden ondergaan een extra werknemersbijdrage van 7,5% (FOP) die wordt ingehouden op hun salaris.[8]

    § 6. De genothebbers van de zeetoelage worden onder de zeegeldregeling gebracht; zij ontvangen vanaf 1.3.97 voor elke prestatie op zee met het hydrografisch vaartuig of met een baggerschip, het voor de scheepstechnicus voorziene dagbedrag[18].[2]

    Afdeling 15. De huisbewaarder [2]

    Onderafdeling 1. Voordelen en rechten toegekend aan de huisbewaarder [2]

    Toelichting bij Art. VII 66

    Als vergoeding voor de plichten heeft de huisbewaarder alleen voordelen in natura: nl. kosteloze huisvesting, verwarming en verlichting.[2]

    Concreet betekent dit dat voor "taken inherent aan de functie" van huisbewaarder, zoals deze in principe in de functiebeschrijving zijn opgenomen, geen toelage voor overuren kan toegekend worden. Als voorbeeld van dergelijke taken kunnen worden beschouwd:

    -

    aanwezigheid ingevolge werken uitgevoerd door een aannemer;

    -

    brandalarm. (nota ASA van 18 juli 2003).[2]

    1. Pensioenvoordeel van het voordeel in natura[22]

    Het VPS bepaalt dat de huisbewaarder als vergoeding voor de plichten, alleen voordelen in natura, namelijk kosteloze huisvesting, verwarming en verlichting krijgt.[22]

    Daarnaast bestaat voor de huisbewaarder in de pensioenreglementering een pensioenvoordeel. Hiervoor is de Vlaamse overheid niet bevoegd (federale materie) zodat het niet in het VPS is opgenomen. Op basis van een forfaitair bedrag worden deze voordelen in natura in aanmerking genomen als pensioenvoordeel. De wettelijke basis hiervoor is artikel 1 van het Koninklijk besluit van 29 april 1965 betreffende de
    valorisatie van de voordelen in natura toegekend aan de concièrges van de verschillende ministeries en van de instellingen welke tot die ministeries behoren
    .[22]

    Dit artikel 1 luidt als volgt: “Voor de berekening van het rust- en overlevingspensioen wordt de tegenwaarde van de door huisbewaarders van de ministeries en daaronder ressorterende inrichtingen genoten voordelen in natura, zoals die bepaald zijn in artikel 5 van het besluit van de Regent van 30 november 1950 betreffende de huisvesting van sommige categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel vastgesteld op 12,5 t.h. van het gemiddelde tussen het minimum- en het maximumbedrag van de weddeschaal aan de Rijksambtenaren met de graad van bode-kamerbewaarder toegekend”.[22]

    Met het koninklijk besluit van 10 april 1995 tot vaststelling van de weddeschalen der aan verscheidene ministeries gemene graden werd de graad van bode-kamerbewaarder afgeschaft vanaf 1 januari 1994, en vervangen door de graad van beambte. Hierdoor gebeurde de berekening van het pensioenvoordeel op het gemiddelde van de salarisschaal 42/A.[22]

    Ingevolge het koninklijk besluit van 5 september 2002 wordt de "beambte" vanaf 1/12/2002 (na het volgen van een bepaalde opleiding) benoemd in de graad van administratief medewerker (salarisschaal DA 1).[22]

    Vanaf 1/12/2002 bedroeg de waarde van het voordeel in natura dan ook 154,87 euro (100%) per maand, of 12,5% van het gemiddelde van de salarisschaal DA1.[22]

    Bij koninklijk besluit van 5 juli 2010 (B.S. 16/7/2010) werden de bedragen van de federale salarisschaal DA1 aangepast. Vanaf 1 oktober 2010 bedraagt het voordeel per maand €155,68 (100%) ipv € 154,87 (100%).[22]

    2. Sociale zekerheidsbijdragen op het pensioenvoordeel[22]

    Op het bedrag van het voordeel zijn geen gewone RSZ-bijdragen verschuldigd (3,55% ZIV, sector geneeskundige verzorging).[22]

    De op het forfaitair voordeel verschuldigde werknemersbijdragen voor het rust- en overlevingspensioen (7,5%) worden ten laste genomen door de overheid (artikel 2 van het KB van 29 april 1965).[22]

    3. Vaststelling verschuldigde bedrijfsvoorheffing op het pensioenvoordeel[22]

    Het bedrag van de tegenwaarde van het voordeel, vermeerderd met 7,5% wordt beschouwd als een belastbaar voordeel. Dit bedrag wordt dus gevoegd bij het belastbaar inkomen, zodat er bedrijfsvoorheffing op verschuldigd is.[22]

    Toelichting bij Art. VII 67

    De huisbewaarder dient zelf in te staan voor de verhuiskosten van het eigen meubilair, tenzij wanneer de diensten zelf hun lokalen verlaten en zich vestigen in een nieuw dienstgebouw waar de betrokkene weer als huisbewaarder wordt aangesteld.[2]

    Onderafdeling 2. De Toelage voor vervanging van huisbewaarder [2]

    Toelichting bij Art. VII 68

    De salarisschaal waarop de toelage is gebaseerd wordt bepaald op de laagste schaal in de loopbaan van assistent (D111) i.p.v. de vroegere laagste schaal van niveau 4 (40/1).[2]

    De huisbewaarder kan ook vervangen worden bij elke langdurige afwezigheid van tenminste één week. De beslissing tot vervanging wordt genomen door de lijnmanager van de entiteit, raad of instelling.[2]

    Onderafdeling 3. Beëindiging van de functie van huisbewaarder [2]

    Toelichting bij Art. VII 69

    Wanneer de aanstelling van de huisbewaarder wordt beëindigd wordt een termijn van drie maanden voorzien om een andere woning te zoeken. In geval van afzetting, ontslag van ambtswege of ontslag om dringende redenen door de werkgever of de werknemer wordt de termijn ingekort tot 1 maand.[2]

    Afdeling 16. Specifieke toelageregeling voor het personeel van de grote varende eenheden van de DAB Vloot[22]

    Toelichting bij Art. VII 70

    • Voor de Kotter en de Tender wordt de lumpsum ingevoerd. Aldus wordt voor het proces 'beloodsen' een uniforme regeling voorzien.

      De lumpsum dekt volledig de te leveren prestaties en de aanwezigheid op zee gedurende een week.

      De lumpsum is identiek voor de Tender en de Kotter, hetgeen de uitwisselbaarheid van het personeel bevordert.

    • Op de Kotter en op de Tender is er een normale weekprestatie van 72 uur voor alle functies.

    • De vaste toelage is afhankelijk van de functie:                       

      -

      Matroos: 36 uur

      -

      Schipper en (hoofd)scheepstechnicus: 38 uur

      -

      Kok: 40 uur

      -

      Leidinggevend hoofdassistent (functie. Hoofdschipper): 38 uur

    • Pro memorie: evolutie in uren per zeebeurt van één week(9).

      (netto; 4 uur dekking binnenbeurt)

    Functies

    Vóór protocol

    19/05/04

    Protocol 208.652

    19/05/04

    Huidig voorstel

    Matroos

    - Kotter

    - Tender

                19
                36.5

                30
                28

                32
                32

    (Hoofd)schipper en (hoofd)scheepstechnicus

    - Kotter

    - Tender

                19
                36.5

                30
                28

                34
                34

    Kok

    - Kotter

    - Tender

                27
                41

                36
                34

                36
                36

    Leidinggevend hoofdassistent (functie hoofdschipper)

                38

    Sleepdienst (Zeehond)

    • Voor de Zeehond (sleepdienst) wordt teruggekeerd naar een overurenregeling. De prestaties op dit schip vertonen veel meer dalen en pieken en zijn duidelijk te linken aan heel specifieke opdrachten waardoor de gepresteerde uren beheersbaar / controleerbaar zijn.                       

      -

      Normale weekprestaties van 70 uur.

      -

      Eerste overuur op dagbasis aan 125 %, de volgende aan 150% vergoed.

      -

      Aspect overschrijding daggrens komt te vervallen (normale prestaties kunnen enkel aan 100% worden vergoed en niet aan 125 % zoals vroeger tussen het negende en tiende uur). = besparing 1,5 uur + verhoging transparantie.

      -

      1/3 de van de niet-gepresteerde uren worden vergoed onder de vorm van overuren.

    • De functies op de Zeehond verliezen uiteindelijk 1,5 uur per zeebeurt ten aanzien van de situatie voor het protocol 208.652 van 19/05/04.[2]

    Deze specifieke regeling voor de sleepdienst was oorspronkelijk enkel in de toelichting bij artikel VII 70 opgenomen. Als gevolg van de detectie-audit van IAVA (rapport 1101 004) wordt deze specifieke regeling statutair verankerd met het BVR van 14 februari 2014.[22]

    Gemeenschappelijke bepalingen

    • De vroegere regelingen worden formeel opgeheven. In de periode van 1 maart 2004 tot 28 februari 2005 was dit de regeling zoals overeengekomen in het protocol van 19 mei 2004 (protocolnr. 208.652) en voorheen de omzendbrief van 26 maart 1975, zoals gewijzigd vanaf 15 maart 2000 (werkgroep Vloot).

    • Tot de datum van inwerkingtreding van de nieuwe regeling blijft de regeling van het protocol nr. 208.652 van 19 mei 2004 behouden, d.w.z.:                       

      -

      Lumpsum voor Tender, Kotter en Zeehond.

      -

      Geen uitbetaling van ingediende aanvragen extra prestaties (overuren).

      -

      Geen terugvorderingen van de correcties voor de Tender en de Zeehond voor de maanden maart, april en mei 2004.[2]

    Afdeling 17. STCW-toelage (Standards of Training Certification and Watch keeping) [7]

    Toelichting bij Art. VII 70bis

    Om toe te laten dat de DAB Vloot zijn opdrachten op een volwaardige manier kan uitvoeren, met inbegrip van opdrachten voor derden, en klaar is voor het inzetten van nieuwe beloodsingsmiddelen, dienen alle varende personeelsleden te beschikken over het voor hun functie voorziene STCW-vaarbevoegdheidsbewijs. De geldigheidsduur van deze vaarbevoegdheidsbewijzen is beperkt in de tijd. Het behalen en behouden ervan veronderstelt een terugkerende leerinspanning, die toeneemt naargelang de hoogte van het STCW. Het ILO-certificaat is een certificaat van de International Labor Organisation.[7]

    Daarom wordt een STCW-toelage ingevoerd. De voorwaarde is het bezitten van een geldig STCW-vaarbevoegdheidsbewijs overeenkomstig de functie.[7]

    De STCW-toelage werd met het BVR van 1/2/2013 aangepast voor de schipper-stuurman en de schipper.
    In vergelijking met de situatie bij de invoering van de toelage vanaf 1 juli 2007, blijken de nieuwbouwschepen minder groot te zijn (minder dan 500 brutoton) waardoor de eis van een hoger STCW-vaarbevoegdheidsbewijs vervalt.
    In het BVR van 1/2/2013 wordt de vereiste van een lager STCW-bewijs bij de functies van schipper-stuurman en hoofdschipper opgenomen. Het bedrag van de STCW-toelage blijft, ondanks de vereiste van een lager vaarbevoegdheidsbewijs, ongewijzigd.[18]

    De personeelsleden met de graad van schipper (functie schipper-stuurman) en de graad van hoofdschipper/leidinggevend hoofdassistent (functie hoofdschipper) behouden de toelage evenwel slechts indien zij de “Bridge Resource Management” opleiding hebben gevolgd, en hiervan een trainingscertificaat kunnen voorleggen (nieuwe bijkomende voorwaarde). Deze bijkomende voorwaarde wordt in het VPS ingeschreven.[18]

    De betrokken personeelsleden hebben het recht en de plicht om de opleidingen te volgen voor het behalen en behouden van het STCW-vaarbevoegdheidsbewijs.[7]

    De volgorde voor het volgen van een opleiding hangt zowel af van het beschikbaar vormingsaanbod bij de aanbieder, de duur van de vereiste opleiding alsook van de urgentie van het beantwoorden aan de STCW-normen De volgende verdere verduidelijking:

    -

    voor matroos (II-4 rating forming part of a navigational watch) en motorist (III-4 rating forming part of an engineering watch) is de vereiste bijkomende opleiding relatief kort van duur en kan dan ook op kortere termijn worden georganiseerd.

    -

    voor bepaalde modules werken bepaalde instellingen met een cyclisch aanbod en kan dus de cursus ook pas gevolgd worden op het ogenblik dat deze georganiseerd wordt - bijvoorbeeld het Centrum voor Volwassenenonderwijs organiseert bepaalde modules slechts in bepaalde trimesters soms om de 2 jaar.

    -

    in functie van de nieuwbouw van schepen en de urgentie waarop men "wel" aan de ISM-verplichting en aan de STCW-vereisten moet voldoen worden ook in eerste instantie die personeelsleden gevormd die deel uitmaken of zullen uitmaken van de bemanning van deze schepen. Bijvoorbeeld de nieuwe kleine beloodsingsmiddelen die eind 2009 in de vaart komen zullen reeds een STCW-gecertifieerde bemanning vereisen (dus dit is vroeger dan

    eind 2012).[7]

    Recuperatie van de integratie in het salaris van de toelage[35]

    Wat betreft de STCW-toelage wordt op basis van de BAFO van 14 maart 2014 vanaf 1 oktober 2017 een bedrag van € 1.690 (à 100%) geïntegreerd in het salaris. Voor de personeelsleden met de functie van kok, matroos of stoker is dit € 940 (à 100%).[35]

    Dit in het salaris geïntegreerde bedrag wordt maandelijks gerecupereerd van de toelage technische bekwaamheid à rato van 1/12 van € 1.690 (100%) of 1/12 van € 940 (100%) voor de functies kok, matroos of stoker op jaarbasis (recuperatie op de toelagen vanaf de prestaties oktober 2017).[35]

    De recuperatie gebeurt uiteraard enkel voor de personeelsleden die bezoldigd worden in één van de salarisschalen waarin de STCW toelage werd geïntegreerd:[35]

    • Hoofdmotorist: D311T
    • Hoofdschipper: D241T / D242T
    • Kok ingescheept: D231T/D232T
    • Schipper / motorist: D142T / D143T
    • Matroos/stoker : D132T / D133T
    • Hoofdscheepstechnicus : C241T/ C242T
    • Scheepstechnicus: C143T / C144T

    Indien het bedrag van de maandelijkse bruto toelage niet zou volstaan voor de recuperatie, zal het saldo gerecupereerd worden op het maandelijks brutosalaris.[35]

    Afdeling 18. Toelage voor technische bekwaamheid [7]

    Toelichting bij Art. VII 70ter

    Alle verkeersleiders, loodsdienstcoördinatoren en rededienstcoördinatoren ontvangen vanaf 1 januari 2008 een vaste toelage van 2.250 euro per jaar à 100% voor technische bekwaamheid. Alle titularissen op 1 januari 2008 worden geacht om over deze technische bekwaamheden te beschikken. De nieuwe titularissen moeten de nodige bekwaamheden verwerven tijdens de proeftijd alvorens deze toelage wordt toegekend.[7]

    De toelage technische bekwaamheid wordt niet toegekend aan verkeersleiders, lodico's, redico's tijdens hun proeftijd omdat de filosofie achter deze toelage is dat ze tijdens de proeftijd de technische bekwaamheden moeten verwerven om de functie goed uit te oefenen.[9]

    Door de generieke proeven zullen echter een aantal contractuelen (verkeersleiders, lodico's) statutair worden waardoor ze opnieuw een proeftijd opgelegd krijgen en bijgevolg hun toelage voor technische bekwaamheid zullen verliezen terwijl ze hun functie soms al 10 jaar uitoefenen en dit ook tijdens hun statutaire proeftijd zullen doen. Om dit te verhelpen wordt met de wijziging van 29/05/09 bepaald dat de toelage ook tijdens de proeftijd wordt toegekend, als de proeftijd aansluit op een contractuele tewerkstelling in dezelfde functie.[9]

    De verkeersleiders en regioverkeersleiders van de centrale Zandvliet en Zeebrugge waarop artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 september 2007 betreffende de opleiding, de kwalificatie en de aansprakelijkheid van de personeelsleden die belast zijn met de begeleiding van de scheepvaart op de maritieme toegangswegen buiten het havengebied en het personeel van het MRCC (Maritiem Reddings- en Coördinatie Centrum), van toepassing is, ontvangen bovenop de algemene toelage van 2.250 euro, een bijkomende toelage van 1.000 euro (100%) op voorwaarde dat ze in het bezit zijn van een geldig VTS-certificaat.[7]

    Zij dienen ten laatste op 31 december 2008 in het bezit te zijn van een geldig VTS (Vessel Traffic System)-certificaat, zoniet wordt de bijkomende toelage van 1.000 euro niet verder uitbetaald totdat ze opnieuw voldoen aan de voorwaarden.[7]

    De maritiem verkeersleiders waarop artikel 12 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 september 2007(10) van toepassing is, ontvangen bovenop de algemene toelage van 2.250 euro, een bijkomende toelage van 500 euro (100%) op voorwaarde dat ze in het bezit zijn van een geldig MRCC-certificaat.[7]

    Zij dienen ten laatste op 30 juni 2009 in het bezit te zijn van een geldig MRCC-certificaat, zoniet wordt de bijkomende toelage van 500 euro niet verder uitbetaald totdat ze opnieuw voldoen aan de voorwaarden.[7]

    Zowel de STCW-toelage als de toelage voor technische bekwaamheid vallen onder de toepassing van artikel VII 15 en de uitbetaling wordt dus stopgezet bij een afwezigheid van langer dan 35 kalenderdagen.[7]

    Recuperatie van de integratie in het salaris van de toelage[35]

    Wat betreft de toelage technische bekwaamheid wordt op basis van de BAFO van 14 maart 2014 een bedrag van € 1.690 (à 100%) geïntegreerd in het jaarsalaris.[35]

    Dit in het salaris geïntegreerde bedrag wordt maandelijks gerecupereerd van de toelage technische bekwaamheid à rato van 1/12 van € 1.690 (100%).[35]

    De recuperatie gebeurt uiteraard enkel voor de personeelsleden die bezoldigd worden in één van de salarisschalen waarin de toelage technische werd geïntegreerd:[35]

    • Regioverkeersleider: C311T
    • Teamplanner loodsdienstcoördinator: C211T/C212T
    • Radarwaarnemer: C133T/C134T
    • Loodsdienst- of rededienstcoördinator: C113T/C114T
    • Maritiem verkeersleider: B232T

    Indien het bedrag van de maandelijkse brutotoelage niet zou volstaan voor de recuperatie, zal het saldo gerecupereerd worden op het maandelijks brutosalaris.[35]

    Afdeling 19. Compenserende toelage[8]

    Toelichting bij Art. VII 70quater

    Wat betreft de ARP’s (agentschappen met rechtspersoonlijkheid) die een maaltijdchequeregeling hebben met een werkgeversbijdrage hoger dan € 3,91 (met name De Scheepvaart, FIT, IWT, OVAM, SERV, Syntra Vlaanderen, VMSW, VLAO, VAPH, VMM en W&Z) werd in het sectoraal akkoord 2008-2009 afgesproken dat agentschapspecifiek een compenserende maatregel zou worden uitgewerkt met het oog op een netto koopkrachtverhoging van 296,1 euro per jaar (eveneens gefaseerd ingevoerd).[8]

    Na overleg werd vastgesteld dat het niet mogelijk was per entiteit een alternatieve regeling uit te dokteren die volledig in orde is met fiscaliteit en RSZ, en die bovendien de afgesproken nettokoopkrachtverhoging garandeerde, tenzij door een combinatie van verschillende chequeregelingen (sport- en cultuurcheques) enz. 
    Het bleek niet mogelijk om per entiteit één regeling (vb. een forfaitarisering van toelagen en/of vergoedingen) uit te werken die van toepassing kon zijn op alle personeelsleden, of verschillende maatregelen die uitsluitend van toepassing waren op de verschillende deelgroepen, zonder risico op cumul.
    Binnen het kader van een regeling conform aan de RSZ-reglementering en fiscaliteit bleef slechts één piste over, nl. die van een compenserende toelage. Dit impliceert dat het nettobedrag wordt "gebruteerd". Gelet op de verschillende werknemersbijdragen voor RSZ e.d.m. wordt een verschillend maandbedrag voorgesteld voor statutaire en contractuele personeelsleden.  Wat de bedrijfsvoorheffing betreft werd gerekend met een marginale aanslagvoet van 40%.
    De agentschappen die tot deze compenserende toelage toetreden worden in §2 opgesomd.  IWT en SERV moeten de regeling zelf in hun personeelsregelgeving opnemen. De Vlaamse Milieumaatschappij is van plan om het bedrag van € 296,1 gedeeltelijk te realiseren door optrekking van de werkgeversbijdrage van 4,36 naar 4,91 en het overeenkomstig verminderen van de werknemersbijdrage, en het saldo in een bruto toelage op te nemen. Dit zal ook worden geregeld in hun ASB.[8]

    Voor de personeelsleden van VLAO en Syntra Vlaanderen wordt de koopkrachtverhoging gerealiseerd door enerzijds een "gedeeltelijke" compenserende toelage en anderzijds door het optrekken van de werkgeversbijdrage in de huidige maaltijdchequeregeling.[8]

    Het "bruteren" heeft wel tot gevolg dat de kostprijs van de maatregel hoger wordt.  De Vlaamse Regering besliste uitdrukkelijk dat de kost van het sectoraal akkoord 2008-2009 zich diende te ontwikkelen binnen het budget van € 24 mln.  Dit budget is volledig opgebruikt door de salarisverhoging en de upgrading van de maaltijdcheques t.w.v. € 296,1 per VTE. (nettobedrag).  Voor de kost van het bruteren zijn derhalve geen middelen "sectoraal akkoord" voorhanden.[8]

    De Vlaamse economische vertegenwoordigers en het ondersteunend personeel in het buitenland van het FIT ontvangen deze compenserende toelage niet. Deze toelage wordt toegekend ter compensatie van de verhoging van de werkgeversbijdrage in een maaltijdcheque vanaf 1 september 2008. Aangezien de vertegenwoordigers en het ondersteunend personeel in het buitenland geen maaltijdcheques ontvangen, komen zij ook niet in aanmerking voor de compenserende toelage. Het niet toekennen van maaltijdcheques aan de vertegenwoordigers in het buitenland wordt gemotiveerd door het feit dat zij reeds over andere toelagen en vergoedingen beschikken en maaltijdcheques in het buitenland niet bruikbaar zijn.[8]

    Door het optrekken van de nominale waarde van de maaltijdcheque tot € 7 vanaf 1 december 2012 (punt 3.7 van het sectoraal akkoord 2010-2012), wordt de maaltijdchequeregeling binnen alle entiteiten van de diensten van de Vlaamse overheid die onder dit sectoraal akkoord vallen, geüniformiseerd.[16]

    Hierdoor wordt bovenvermelde "organieke" regeling inzake compenserende toelage (voor de entiteiten die voorheen een gunstigere maaltijdchequeregeling hadden) opgeheven en als overgangsmaatregel opgenomen voor de personeelsleden in dienst bij deze entiteiten vóór 1 december 2012 (zie artikel VII 164).[16]

    Afdeling 20. Arbeidsmarkttoelage voor arts en arts-specialist[9]

    Toelichting bij Art. VII 70quinquies

    Door de daling van het aantal uitgereikte diploma’s voor arts en arts-specialist en de daaruit voortvloeiende dalende instroom is het beroep van arts de laatste jaren een knelpuntenfunctie geworden. De toekenning van een toelage wil hieraan remediëren. De toekenning van deze toelage moet als pilootproject beschouwd worden naar andere (specifieke) knelpuntfuncties toe.
    Dat betekent dat aan de hand van het succes van dit pilootproject ook andere knelpuntfuncties in aanmerking kunnen komen voor een arbeidsmarkttoelage.[9]

    De toelage van 4.650 euro (100%) voor de arts (rang A1) werd bepaald uitgaande van de financiële loopbaan van arts (A31-A32-A33) bij de federale overheid.[9]

    De A3-loopbaan van een arts bij de federale overheid is derhalve het ijkpunt voor de toekenning van een arbeidsmarkttoelage van de arts, maar niet van de specialistentoelage. De verloning bij de Vlaamse overheid van de specialist (incl. de specialistentoelage) is quasi over het gehele loopbaan gunstiger is dan de A3-loopbaan van een arts bij de federale overheid.[9]

    De toekenning van de toelage van 4.650 euro mag niet tot gevolg hebben dat het salaris verhoogd met de toelage hoger ligt dan 51.360 euro (100%). In voorkomend geval wordt de toelage verminderd tot 2.250 euro (100%).[9]

    Aan de arts-specialist (rang A1) wordt een toelage toegekend van 6.000 euro (100%).[9]

    Aan de arts-specialist (rang A1) met verloning volgens de P-schalen wordt de toelage van 6.000 euro (100%) slechts toegekend vanaf 12 jaar geldelijke anciënniteit.[9]

    P-schalen komen enkel voor binnen een aantal agentschappen. Bij Kind en Gezin genieten de arts-specialisten echter van een C-schaal (de C-schalen stemmen inhoudelijk wel overeen met de P-schalen). Om ook de arts-specialisten van Kind en Gezin de arbeidsmarkttoelage te laten genieten (het is immers de bedoeling om aan alle artsen deze toelage toe te kennen), werd artikel VII 70quinquies uitgebreid tot de arts-specialisten met een C-schaal (BVR 29/04/2011).[12]

    De toelagen kunnen niet gecumuleerd worden met de diensthoofdentoelage bedoeld in artikel VII 151.[9]

    Afdeling 21. Toelage voor de matroos die tijdelijk fungeert als schipper-bootsman[22]

    Toelichting bij Art. VII 70sexies

    Op het personeelsplan van de DAB Vloot zijn 8 VTE schipper- bootsman voorzien. In de situatie vóór het BVR van 14/2/2014 zijn er 7 functies “schipper-bootsman” ingevuld. Van deze 7 functies zijn er 2 functiehouders die tijdelijk ongeschikt zijn om hun functie uit te oefenen, waardoor er in de praktijk slechts 5 schippers-bootsmannen effectief inzetbaar zijn.[22]

    Dit operationeel probleem zal deels worden verholpen door het organiseren van een competentieproef voor graadverandering van speciaal assistent (functie matroos) naar schipper. Desondanks zullen nog steeds matrozen als schipper-bootsman moeten ingezet worden.[22]

    Betrokken personeelsleden kunnen hiervoor geen aanspraak maken op de statutair voorzien gezagvoerderstoelage (artikel VII 50 VPS) aangezien zij niet het gezag over een varende eenheid voeren).[22]

    Daarom wordt met het BVR van 14/2/2014 voor de matrozen die de functie van schipper-bootsman uitoefenen een specifieke toelage ingevoerd (cfr. Regeling gezagvoerderstoelage - artikel VII 50 VPS).[22]

    De specifieke toelageregeling voor de Tender/Kotter en sleepdienst is uiteraard niet cumuleerbaar met de organieke regeling in het VPS inzake overuren, permanentie en verstoringstoelage. Deze decumul werd opgenomen in artikel VII 71.[22]

    Om de dienstverlening van de DAB Vloot te verzekeren springen 2 matrozen (toestand op 1/4/2014) in als schipper-stuurman ter vervanging van langdurig afwezigen op de Ter Streep (hydrografisch vaartuig op de Noordzee) en de Zeehond (multifunctionele boeienlegger op de Schelde).
    Deze schepen mogen niet uitvaren zonder schipper-stuurman aan boord.
    Het personeelsplan voorziet 7 functies van schipper-stuurman waarvan momenteel slechts 5 beschikbaar. De afwezigheid van 2 van de 7 functies (28%) kan niet opgevangen worden door de 5 overblijvende titularissen waardoor de langdurig afwezigen moeten vervangen worden.
    De twee inspringende matrozen doen dit zonder enige tegemoetkoming doch hebben ontegensprekelijk een hogere verantwoordelijkheid tijdens de uitvoering van de functie van schipper-stuurman.[27]

    De statutaire bepalingen, zoals deze bestonden vóór het BVR van 3 oktober 2014, geven geen oplossing:
    • art. VII 50 (gezagvoerderstoelage) is niet van toepassing omdat de schipper-stuurman op deze schepen geen gezagvoerder is
     art. VII 70bis (STCW-toelage) is niet van toepassing omdat de matroos dienstdoend schipper-stuurman niet de graad van schipper heeft
    • art. VII 70sexies (uurtoelage) is beperkt tot de matrozen die de functie van schipper-bootsman tijdelijk uitoefenen (en dus niet de functie van schipper-stuurman).[27]

    Daarom wordt artikel VII 70sexies met het BVR van 3 oktober 2014 uitgebreid tot de matrozen die de functie van schipper-stuurman tijdelijk uitoefenen (toepassing vanaf 1 april 2014).[27]


    Afdeling 22. Risicotoelage voor personeelsleden van het team Mobiele Eenheid van het Vlaams Centrum voor Elektronisch Toezicht van de afdeling Justitiehuizen van het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin[34]

    Toelichting bij Art. VII 70septies

    In het kader van de zesde staatshervorming werden personeelsleden overgeheveld van de FOD Justitie. Zij werden ondergebracht in de afdeling Justitiehuizen van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.[34]

    Sommige van deze personeelsleden, met name de personeelsleden van de Mobiele Eenheid van het Vlaams Centrum voor Elektronisch Toezicht, gaan bij de justitiabelen aan huis om de elektronische enkelband aan te sluiten/te (des)activeren/technische problemen in het kader van het elektronisch toezicht te verhelpen.[34]

    Voornoemde personeelsleden worden daarbij blootgesteld aan bepaalde risico’s omdat zij moeten opereren in een “bedreigende (soms vijandige) omgeving”. Deze omgeving waarbij deze mensen 7d/7d werken mag niet onderschat worden: zij voeren de vrijheidsbeperking van volwassenen effectief uit in de woning van de justitiabele. De context van de woning waarin de werknemer van de mobiele eenheid terecht komt, is hen op voorhand totaal onbekend. Het instrument van elektronisch toezicht wordt ook ingezet voor de opvolging van geradicaliseerde (jong)volwassenen als onderdeel van een globale aanpak van radicalisering.[34]

     

    naar boven

    Hoofdstuk 4. Cumulatiebepalingen [2]

    Toelichting bij Art. VII 71

    Dit artikel geeft een globaal overzicht van de decumul tussen de diverse statutaire toelagen.[2]

    (1) Koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
    (1b) Koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding ten gunste van personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk.
    (1c) Bericht nr 4 van de Diensten van de Eerste Minister, gepubliceerd in het B.S. van 21 juli 1970 en errata gepubliceerd in het B.S. van 8 augustus 1970
    (1d) WET van 3 juli 1967 betreffende [de preventie van of] de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector
    (1e) Vb. Cassatiearrest van 22 maart 1993 (rolnummer 9424)
    (1f) opname in jaarbezoldiging (JB)
    (1g)B = verder betalen
    (1h)S = stopzetten vanaf de 1ste dag afwezigheid
    (1i)ZV = zonder voorwerp
    (1j)BG12 = gemiddelde van de laatste 12 maanden berekenen en van zodra geweten is dat afwezigheid hoogstens 35 werkdagen duurde, betalen (dus in achterstal) om terugvordering te vermijden.
    (1k)NB = niet betalen, noch berekenen
    (2) werknemersbijdrage 13,07% en werkgeversbijdrage 23,33%.
    (3) werknemersbijdrage 3,55% en werkgeversbijdrage 9,74%.
    (4) 13.027,44 euro is het brutojaarsalaris aan 50% prestatie (index 1,5157)
             13.287,87 euro is het brutojaarsalaris aan 50% prestatie (index 1,5460)
    (5) % van het brutomaandsalaris
    (5b) Hetzelfde artikel voorziet tevens in een vakopleidingstoelage en een toelage voor technische bekwaamheid voor bepaalde personeelsleden van niveau D van de gemeenschapsinstellingen.
    (5c) Protocol nr. 274.908 houdende de conclusies van de onderhandelingen van 11 mei 2009 die gevoerd werden in het Sectorcomité XVIII Vlaamse Gemeenschap en Vlaams Gewest over het bemiddelingsvoorstel consulenten bij de afdeling Preventie- en Welzijnsbeleid van het Agentschap Jongerenwelzijn.
    (6) 26.575,74 euro is het brutomaandsalaris aan 100% prestaties (index 1,5460)
    (7) 26.054,88 euro is het brutomaandsalaris aan 100% prestaties (index 1,5157)
    (8) netto-salaris zonder voordeel van alle aard = 1.293,36 euro (1.975,04 - 148,12 (7,5% FOP) - 70,10 (3,55% ZIV) = 1.756,82 belastbaar - 463,46 bedrijfsvoorheffing)
    (8b) Koninklijk besluit van 12 oktober 2010 tot wijziging van artikel 19bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (B.S. 23 november 2010 – ed. 3).
    (9) Uren voor protocol op basis van 80 uur prestatie gemiddeld op Kotter en 78 uur gemiddeld op Tender.
    (10) Artikel 7 en 12 van het BVR van 14/9/2007 bepalen dat de herhalingstrainingen van de vbs-operatoren (personeelslid van het verkeersbegeleidingssysteem dat in een verkeerscentrale belast is met de begeleiding van de scheepvaart op de maritieme toegangswegen buiten het havengebied - artikel 7) en van de MRCC-operatoren (personeelslid van het MRCC dat belast is met de coördinatie van opsporings- of reddingsoperaties – artikel 12) deel uitmaken van de evaluaties op basis van het VPS.
    (11) Wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen