chat-altchatcrossloginquestion-circlesearchsmileystarthumbup-downwarning
Vlaanderen
Contacteer ons
    Terug naar overzicht Stuur een e-mail

    Stuur een e-mail naar 1700, de informatiedienst voor al uw vragen aan de overheid.
    U ontvangt een kopie van uw bericht.

    Terug naar overzicht Chat met ons
    Uw chatgesprek wordt automatisch gestart zodra er een medewerker beschikbaar is.
    Even geduld, uw positie in de wachtrij wordt bepaald.

    Toelichting bij Deel VII. De verloning - Titel 3

    Titel 3. De vergoedingen [2]

    Hoofdstuk 1. Gemeenschappelijke bepalingen [2]

    Toelichting bij Art. VII 72

    De hierna bepaalde vergoedingen die als terugbetaling van werkelijk gemaakte kosten voor rekening van de werkgever kunnen worden betaald zijn:[2]

    Omschrijving Rechtsgrond

    reis- en hotelkosten en maaltijdvergoeding voor binnenlandse dienstreizen

    hoofdstuk 2 en 3 (artikelen VII  75 t/m VII 82)

    buitenlandse dienstreis

    hoofdstuk 3 (artikel VII 85)

    expatriatievergoeding

    hoofdstuk 4 (artikel VII 86)

    reis- en maaltijdvergoeding op dienst- en veerboten

    hoofdstuk 5 (artikelen VII 87)

    forfaitaire vergoeding voor verblijfskosten voor het loodsenpersoneel

    hoofdstuk 6 (artikelen VII 88 en VII 89)

    vergoeding voor het werken in Vlissingen

    hoofdstuk 7 (artikel VII 90)

    De term vergoedingen zoals hij in het raamstatuut wordt gebruikt (en ook in het VPS, het stambesluit VOI en het PSWI werd gebruikt) betekent de terugbetaling van werkelijke kosten die het personeelslid moest maken om zijn door de werkgever opgelegde opdracht uit te voeren.[2]

    In principe is die terugbetaling niet onderworpen aan belastingen of inhoudingen sociale zekerheid. Voor de niet belastbaarheid wordt verwezen naar de fiscale wetgeving en de fiscale commentaar daarbij, de in die wetgeving gebruikte term voor de in dit besluit bedoelde 'vergoedingen' is 'kosten eigen aan de werkgever'.[2]

    Vergoedingen kunnen ook geforfaitariseerd zijn. Een voorbeeld hiervan is de kilometervergoeding en de maaltijdvergoeding. (cf. hierna het hoofdstuk 2 reis- en maaltijd- en hotelvergoeding voor binnenlandse dienstreizen en hoofdstuk 3 buitenlandse dienstreis). Dit betekent dat het personeelslid wel een schuldvordering moet indienen maar geen bewijsstukken die zijn aanvraag tot terugbetaling staven (bvb. een BTW-bonnetje ingeval van een maaltijdvergoeding). In welbepaalde, uitzonderlijke gevallen is ook geen schuldvordering nodig (cf. het hoofdstuk 2 reis-, en maaltijd- en hotelvergoeding voor binnenlandse dienstreizen – maandelijkse forfaits).[2]

    Buiten het raamstatuut wordt de term vergoedingen soms ook gebruikt wanneer men in feite toelagen of bezoldigingen bedoelt die belastbaar zijn omdat ze geen terugbetaling zijn van werkelijke kosten.[2]

    Best wordt vermeden om een toelage en een vergoeding in één forfaitair bedrag te steken. Indien het onderscheid niet kan gemaakt worden tussen beide is in dat geval in principe het forfaitair bedrag volledig belastbaar. Voor de gebeurlijke uitzonderingen op deze laatste regel wordt verwezen naar de fiscale regelgeving en commentaar.[2]

    Toelichting bij Art. VII 73

    Dit artikel bevat de algemene bepalingen die gelden voor alle vergoedingen, zijnde:

    -

    betaling maandelijks en na vervallen termijn;

    -

    indexatie (gezondheidsindex) van de bedragen vermeld tegen 100%.[2]

    - stopzetting van de uitbetaling van de geforfaitariseerde vergoedingen, als geen salaris doorbetaald wordt of bij een afwezigheid van langer dan 35 werkdagen (inclusief afwezigheid ingevolge een arbeidsongeval)[18], uitgezonderd woonlastvergoeding (VII 86).[6]

    Uiteraard wordt het begrip vergoeding in art. VII 73 verder consequent verder gebruikt in de zin van "aan de werkgever eigen kosten" of "(werkelijke) beroepskosten die de werknemer moet voorschieten voor zijn werkgever om zijn werkopdrachten te kunnen uitvoeren".[6]

    Een typisch voorbeeld voor de stopzetting bij een afwezigheid die langer duurt dan 35 werkdagen, is de forfaitarisering van de kilometervergoeding en de maaltijdvergoeding voor binnenlandse reizen meer bepaald de forfaitaire bedragen die maandelijks worden betaald voor de personeelsleden met een reizende functie. De vergoeding stoppen bij een kortere afwezigheid dan 35,5 werkdagen zou in dit specifiek geval de deregulering uithollen in die mate dat de forfaitarisering op maandbasis haar doel zou voorbijschieten namelijk de MOD’s en de personeelsleden van werk te ontlasten van repetitief werk.[6]

    Toelichting bij Art. VII 74

    Geen commentaar.

    naar boven

    Hoofdstuk 2. Vergoedingen voor binnenlandse dienstreizen[34]

    Afdeling 1. Algemene bepalingen [34]

    In uitvoering van het actieplan administratieve vereenvoudiging voor het beleidsdomein Bestuurszaken (thans Kanselarij en Bestuur) wordt – nadat ook reeds de omzendbrief buitenlandse dienstreizen onder handen werd genomen – de (verordenende) omzendbrief inzake reis- en dagvergoeding voor binnenlandse dienstreizen (OMZ DVO/BZ/P&O/ 2007/6) opgeheven en wordt de regeling inzake binnenlandse dienstreizen – in sterk vereenvoudigde vorm – verankerd in het VPS en de toelichting door vervanging van de huidige artikelen VPS (art. VII 75-84).

    Toelichting bij Art. VII 75

    In dit hoofdstuk wordt bepaald op welke manier en onder welke voorwaarden de extra kosten (= in vergelijking met personeelsleden die géén dienstreis maken) worden vergoed die het personeelslid maakt in het kader van een binnenlandse dienstreis. De in dit verband werkelijk gemaakte kosten zijn vergoedbaar als kosten eigen aan de werkgever (zie ook artikel VII 72).[34]

    Toelichting bij Art. VII 76

    Een dienstreis wordt gemaakt om een dienstopdracht te vervullen en is wat dit betreft steeds gedekt door de autorisatie van de lijnmanager.[34]

    Een dienstreis impliceert een verplaatsing van de woonplaats of de standplaats naar een bestemming anders dan de/een vaste plaats van tewerkstelling (bv. standplaats of satellietkantoor). Dit betekent dat verplaatsingen van de woonplaats naar de ene of andere vaste plaats van tewerkstelling niet als dienstverplaatsingen, maar wel als woon-werkverplaatsingen worden beschouwd. Ook wanneer de dienstverplaatsing gaat naar een plaats bínnen de standplaats betreft het een woon-werkverplaatsing, wat niet uitsluit dat eventuele bijkomende kosten (d.w.z. bovenop de normale kosten woon-werk) verbonden aan de verplaatsing binnen de standplaats, vergoed worden.[34]
    Wanneer men zich voor de uitoefening van een dienstopdracht moet verplaatsen van de woonplaats over de standplaats/vaste plaats van tewerkstelling naar de bestemming van de dienstreis, wordt het volledige traject als dienstverplaatsing beschouwd, ook indien men voor zijn/haar woon-werkverplaatsingen normaal gezien (d.w.z. wanneer men géén dienstreis moet maken) óók de eigen wagen gebruikt.

    Verplaatsingen in het kader van plaats- en tijdsonafhankelijk werken (PTOW) (bv. naar een satellietkantoor) zijn geen dienstverplaatsingen en geven geen aanleiding tot vergoedingen voor verplaatsings- of maaltijdkosten (zie in dit verband ook artikel VII 109, derde lid, VPS).[34]

    Daarnaast worden voor de toepassing van dit hoofdstuk nog een aantal limitatief opgesomde verplaatsingen gelijkgesteld met een dienstreis, met name de verplaatsingen die het personeelslid maakt, bijvoorbeeld:

    • voor een medisch onderzoek (bv. bij aanwerving of als beeldschermwerker);
    • om aan een vormingsactiviteit deel te nemen (vormingsactiviteiten worden vaak ook op initiatief van of op vraag van het personeelslid bijgewoond. Zodra de lijnmanager de deelname heeft geautoriseerd, wordt het personeelslid geacht de vormingsactiviteit bij te wonen in uitvoering van een dienstopdracht in de zin van deze bepaling);
    • voor het afleggen van een proef als onderdeel van een loopbaanexamen of voor het vaststellen van beroepsgeschiktheid;
    • naar aanleiding van een arbeidsongeval of een ongeval dat zich voordoet op de weg van of naar het werk;
    • voor het inkijken van zijn persoonlijk dossier, evaluatiedossier, de lijst met prestatietoelagen toegekend binnen de entiteit die ter inzage ligt, enz., doch slechts in zoverre betrokken te consulteren documenten niet elektronisch kunnen geraadpleegd worden.[34]

    Toelichting bij Art. VII 77

    Bij het verlenen/autoriseren van de dienstopdracht wordt met de lijnmanager meteen ook afgesproken met welk voermiddel het personeelslid zich naar zijn bestemming begeeft. Het behoort tot de bevoegdheid van de lijnmanager om te beoordelen welk vervoermiddel hij hiervoor functioneel en financieel het meest geschikt acht.[34]

    In de mate van het mogelijke wordt het goedkoopste vervoermiddel gekozen dat het personeelslid toch zo snel mogelijk naar zijn bestemming brengt. Parallel met het bevorderen van het openbaar vervoer voor het woon-werkverkeer, wordt ook voor dienstreizen voorrang gegeven aan het openbaar vervoer. De afweging, die vooraf gebeurt, is de verantwoordelijkheid van de lijnmanager, die deze bevoegdheid kan delegeren.[34]

    Om de vlotte werking van de dienst niet te hinderen gebeurt deze afweging zo veel mogelijk bij algemene richtlijn en zo weinig mogelijk bij een individuele voorafgaande beslissing die voor elke dienstreis wordt gegeven.[34]

    Er wordt bij de keuze van het vervoermiddel rekening gehouden met de bereikbaarheid, de frequentie en de tijdsduur van de verplaatsing.[34]

    Aan een personeelslid dat, nadat de lijnmanager na afweging, heeft geoordeeld dat de dienstreis best met het openbaar vervoer wordt gedaan, desondanks het eigen voertuig gebruikt, wordt geen vergoeding toegekend.[34]

    Toelichting bij Art. VII 78

    Om een vlotte en efficiënte afhandeling te kunnen verzekeren (het betreft m.a.w. een termijn van orde en geen vervaltermijn), moet het personeelslid zijn kostenstaat indienen binnen een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de datum waarop de kosten zijn gemaakt. Het indienen van kostenstaten binnen een redelijke termijn is bovendien noodzakelijk opdat de lijnmanager zou kunnen verifiëren of de prestaties die aan de basis liggen van de ingediende kostenstaat wel degelijk verricht zijn en de ingediende kosten wel degelijk gemaakt zijn.[34]

    Indien het personeelslid binnen drie maand of negentig kalenderdagen na datum van indiening nog steeds geen vergoeding heeft ontvangen, dan heeft hij per maand of per gedeelte van een maand recht op de betaling van een intrest van 3% berekend naar rata van het aantal kalenderdagen vertraging te rekenen vanaf de éénennegentigste dag die volgt op de datum van indiening.[34]

    Toelichting bij Art. VII 79

    Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de loodsen (rivier-, kanaal-, Scheldemonden- en kustloodsen) voor de prestaties waarvoor ze de forfaitaire vergoeding voor reis- en maaltijdkosten ontvangen zoals bepaald in artikel VII 88 en VII 89 VPS, noch op het scheepspersoneel, aangewezen voor de zeedienst of rededienst voor de prestaties die recht geven op zeegeld zoals bepaald in artikel VII 65 VPS.[34]

    Afdeling 2. Reiskosten[34]

    Toelichting bij Art. VII 80

    Het personeelslid dat een dienstreis maakt met eigen voertuig (auto, motor of fiets) ontvangt hiervoor een forfaitaire vergoeding per kilometer. Deze kilometervergoeding wordt berekend volgens de federale werkwijze (zie verder) op basis van een formule waarbij elementen als de brandstofprijs, het verbruik, de aankoopprijs van het voertuig, de belasting op inverkeerstelling, verkeersbelasting, onderhoud (banden, reinigen, onderhoud) alsook takelkosten in rekening worden gebracht.[34]

    De term 'eigen voertuig' moet worden begrepen un de zin van 'niet van de werkgever'; het criterium om het onderscheid tussen beide te  maken, ligt in het antwoord op de vraag of de werkgever de kost draagt of niet.[34]

    Dit betekent dat het personeelslid dat een dienstvoertuig (auto, motor, fiets of speed pedelec[49]) ter beschikking krijgt voor zijn dienstreis, voor zijn verplaatsing geen recht heeft op een kilometervergoeding.
    Dit betekent ook dat het personeelslid dat voor een dienstreis gebruik maakt van een voertuig (auto, motor, fiets of speed pedelec[49]) van een gezinslid of een particulier geleasede wagen of cambio, voor zijn verplaatsing recht heeft op een kilometervergoeding.[34]

    De kilometervergoeding voor dienstverplaatsingen met eigen motorvoertuig (auto of motor, cfr. artikel VII 74 VPS) wordt elk jaar op 1 juli herzien na beslissing van de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken. Voor zover de aanpassing van de vergoeding voortvloeit uit de toepassing van de ongewijzigde formule (bestaand of ongewijzigd beleid) wordt voor de diensten van de Vlaamse overheid het beddrag herzien overeenkomstig de federale bepalingen en wordt aan de administrateur-generaal van het Agentschap Overheidspersoneel delegatie verleend om het aangepaste bedrag van de kilometervergoeding, alsook de bedragen van de forfaitaire kilometervergoeding voor reizende functies (zie artikel VII 84), jaarlijks mee te delen aan de personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid.[34]

    Eventuele parkeerkosten naar aanleiding van een dienstreis kunnen worden terugbetaald op voorlegging van de gedateerde originele bewijsstukken, wanneer het noodzakelijk was om parkeerkosten te betalen. Dit is het geval indien geen gratis parkeerplaats voorhanden is in de omgeving.[34]

    (Parkeer)boetes worden niet terugbetaald.[34]

    Carpooling – ter info: met het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 werd de vroegere carpoolvergoeding omgezet in een carpooltoelage (cf. artikel VII 44ter VPS).[34]

    Toelichting bij Art. VII 81

    Voor dienstverplaatsingen met het openbaar vervoer (trein, tram, bus, metro, vliegtuig) bezorgt de werkgever het personeelslid voorafgaandelijk een geldig vervoersbewijs.
    Indien het personeelslid herhaaldelijk dienstreizen maakt met het openbaar vervoer, kan de werkgever, indien dit voordeliger uitvalt, ook een (algemeen of beperkt) abonnement geven (naargelang het aantal trajecten dat het personeelslid moet afleggen).[34]

    Indien de werkgever het personeelslid voorafgaandelijk aan de dienstreis geen vervoersbewijs (of abonnement) kan bezorgen, schiet het personeelslid de reiskosten voor en kan hij deze achteraf terugvorderen op voorlegging van de originele en gedateerde bewijsstukken.[34]

    Dienstverplaatsingen met het openbaar vervoer gebeuren steeds in tweede klasse of economy class.[34]

    Ook de kost van het vervoer van een fiets met de trein kan vergoed worden.[34]

    In uitzonderlijke omstandigheden (bv. bij een late avondlijke vergadering waarbij men zich – gelet op het late uur – niet met het openbaar kan verplaatsen en er geen mogelijkheid is tot carpooling) kunnen ook de kosten van taxiritten worden terugbetaald op voorlegging van de originele en gedateerde bewijsstukken. Gelet op het uitzonderlijk karakter dat aan het gebruik van een taxi moet worden verleend, zijn taxiritten en de terugbetaling van de eraan verbonden kosten onderworpen aan de uitdrukkelijke autorisatie van de lijnmanager.[34]

    Afdeling 3. Maaltijdvergoeding[34]

    Toelichting bij Art. VII 82

    De maaltijdvergoeding wordt slechts uitbetaald voor dienstreizen die in totaal minstens zes uur duren.[34]

    Aangezien het een forfaitair vergoedingssysteem betreft, moet het personeelslid voor de terugbetaling van zijn gemaakte maaltijdkosten wel een aanvraag indienen en moet aan de toekenningsvoorwaarden voldaan zijn, maar moeten geen bewijsstukken worden ingediend die zijn aanvraag tot terugbetaling staven.[
    Hoewel het bedrag van de vergoedbare kosten forfaitair wordt berekend, geldt voor de forfaitaire maaltijdvergoeding, net als voor alle vergoedingen, het beginsel dat een vergoeding slechts kan worden toegekend voor werkelijk gemaakte kosten (cf. artikel VII 72 VPS). Overigens is het vanuit deontologisch oogpunt evident dat er tegen de forfaitaire onkostenvergoeding ook reële kosten staan. Daarnaast is het zo dat geen maaltijdvergoeding kan worden toegekend voor dienstverplaatsingen (of daarmee gelijkgestelde verplaatsingen) wanneer het personeelslid in een personeelsrestaurant van de Vlaamse overheid, waar hij toegang heeft, een maaltijd kan gebruiken. Dit restaurant dient zich te bevinden in het gebouw waar de werkzaamheden plaatsvinden of in de onmiddellijke omgeving. Onder ‘onmiddellijke omgeving’ wordt verstaan dat de ambtenaar binnen het anderhalf uur kan terug zijn op de plaats waar de werkzaamheden plaatsvinden.[34]

    Aangezien een maaltijdcheque niet gecumuleerd mag worden met een onkostenvergoeding voor een zelfde maaltijd voor dezelfde dag (KB van 12 oktober 2010), moet de maaltijdvergoeding per dag met de werkgeversbijdrage in een maaltijdcheque (€ 5,91 – cf. artikel VII 109ter VPS) worden verminderd.[34]

    Middagmaal- en avondmaalvergoeding kunnen slechts gecumuleerd worden voor dienstreizen die minstens 12 uur duren. Voor de personeelsleden die vanaf of na 14 uur dienstverplaatsingen maken, kunnen ook twee maaltijdvergoedingen gecumuleerd worden indien de dienstverplaatsing minstens 12 uur duurt.
    Het is niet de bedoeling van deze cumulatieregeling van maaltijdvergoedingen dat personeelsleden dagelijks een dubbele maaltijdvergoeding ontvangen. Cumulatie moet de uitzondering blijven.[34]

    Er wordt geen maaltijdvergoeding toegekend voor dienstreizen binnen een straal van vijf kilometer vanaf de stand- of woonplaats, of binnen een straal van 25 kilometer als het personeelslid zich verplaatst met een motorvoertuig. Voor het bepalen van deze 5/25km grens wordt de werkelijke afstand gehanteerd, waarbij onder ‘werkelijke afstand’ moet worden verstaan de afstand van het traject dat het meest efficiënt is rekening houdend met zowel de factor reistijd (snelste route) als met de factor afstand (kortste route). Het komt toe aan de autoriserende lijnmanager (of zijn gemachtigde) om dit te beoordelen en hierin een concrete afweging te maken.[34]

    Op het principe dat geen maaltijdvergoeding wordt toegekend voor dienstreizen binnen een straal van 25 km (werkelijke afstand), kan door de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken, een tijdelijke en individuele afwijking worden verleend en kan aan betrokken personeelslid dus tijdelijk wel een maaltijdvergoeding worden toegekend, wanneer hij/zij verplicht is om dienstredenen gedurende een bepaalde periode een maaltijd te nemen in een restaurant van een andere overheid (bv. de EU) waar de kostprijs in ruime mate hoger ligt dan in een restaurant van de Vlaamse overheid.[34]

    Afdeling 3bis. Forfaitaire vergoeding voor het thuis opladen van een volledig elektrisch dienstvoertuig of een dienstvoertuig dat een plug-in hybride is[49]

    Toelichtging bij Art. VII 82bis[49]

    In het kader van de algemene doelstellingen van het Klimaatplan - actieplan mobiliteit (VR 2016 1507 DOC. 0887/1bis nemen personeelsleden van de Vlaamse overheid in het kader van dienstreizen sporadisch een elektrisch of plug-in hybride dienstvoertuig mee naar huis. In vergelijking met een conventioneel benzine- of dieselvoertuig (waarbij onderweg bijgetankt kan worden) is het zo dat een elektrisch voertuig (thuis) opgeladen kan worden aan een regulier stopcontact. Om de terugbetaling van de kosten verbonden aan het thuis opladen mogelijk te maken, wordt een forfaitaire vergoeding voorzien.[49]

    In eerste instantie wordt gewerkt met een forfaitair bedrag, in een latere fase zal een formule in het leven worden geroepen waarbij o.a. de afgelegde afstand ingevoerd zal moeten worden. Deze formule zal technisch gekoppeld worden met het Orafin platform om automatische berekening en verrekening mogelijk te maken.[49]

    Het energietarief

    Voor de terugbetaling of verrekening van de verbruikte stroom voor het opladen van elektrische voertuigen wordt reeds gebruik gemaakt van een centraal en gezamenlijk energietarief. Dit tarief is namelijk gebaseerd op de gemiddelde eenheidsprijs van elektriciteit in euro per kWh volgens de Vlaamse regulator van de energiemarkt (VREG). De VREG publiceert gegevens over de evolutie van de totale elektriciteitsprijzen (incl. btw) voor huishoudelijke afnemers. De totaalprijs bestaat uit: de energiekost voor de leverancier, de nettarieven voor de netbeheerder en de heffingen voor de overheid. Het is een gewogen gemiddelde totaalprijs (€/kWh).[49]

    Al naargelang een leverancier meer klanten heeft, krijgt de prijs van deze leverancier een hoger aandeel in de berekening (vandaar de term ‘gewogen’). Daarnaast varieert ook het aantal toegangspunten per distributienetgebied. Ook hiermee wordt rekening gehouden in de berekening (vandaar de term ‘gewogen’). In de grafiek (zie verderop) worden vier curves getoond:

    • laag verbruik (oranje curve: Da – 600 kWh enkelvoudig verbruik op jaarbasis, 1 persoon)
    • gemiddeld verbruik (blauwe curve: Dc – 1.600 kWh dagverbruik en 1.900 kWh nachtverbruik op jaarbasis, 3 personen)
    • hoog verbruik (groene curve: De – 3.600 kWh dagverbruik, 3.900 kWh nachtverbruik en 12.500 kWh uitsluitend nachtverbruik op jaarbasis, 4 personen)
    • hoog verbruik (grijze curve: Dd – 3.600 kWh dagverbruik, 3.900 kWh nachtverbruik op jaarbasis, 4 personen)[49]

    Electriciteisprijzen

    Figuur 1 - Evolutie van de totale elektriciteitsprijzen (incl. btw) voor huishoudelijke afnemers

    In de berekening wordt uitgegaan van een gemiddeld verbruik. De meest recente beschikbare gegevens dateren van juli 2017, met een gemiddelde elektriciteitsprijs van € 0,29/kWh voor een gemiddeld verbruik.[49]

    Een forfaitair bedrag voor volledig elektrische voertuigen

    De batterijcapaciteit is een cruciaal element bij het berekenen van de forfaitaire vergoeding voor het thuis opladen. Aan de hand hiervan kan nagegaan worden hoeveel stroom de personeelsleden bij hun thuis maximaal zullen verbruiken om het voertuig volledig op te laden. De onderstaande tabel voorziet in een lijst van de huidige elektrische voertuigvloot inclusief de batterijcapaciteit[1].[49]

    Merk

    Model

    Batterijcapaciteit

    Ford

    Transit Connect EV

    28 kWh

    Nissan

    E-NV 200

    24 kWh

    Nissan

    Leaf (1e generatie)

    24 kWh

    Nissan

    Leaf (2de generatie)

    30 kWh

    Renault

    Kangoo Z.E.

    33 kWh

    BMW

    i3 (+Rex)[2]

    33 kWh

     

    De gemiddelde batterijcapaciteit van deze voertuigen bedraagt 28,7 kWh. Opgelet: dit is als het ware een foto van de huidige situatie. Afhankelijk van de elektrische voertuigen die bijkomend in de vloot opgenomen zullen worden dient dit cijfer aangepast te worden. De batterijcapaciteit van de nieuwe generatie elektrische voertuigen wordt steeds groter, eerder richting 40 tot 60 kWh.[49]

    Een aanname voor de bepaling van de grootte van de thuislaadsessie voor volledig elektrische voertuigen

    Om te bepalen hoeveel stroom er thuis wordt geladen moeten we een aanname doen van de resterende batterijcapaciteit wanneer de personeelsleden met het elektrisch voertuig bij hun thuis toekomen. Het is bij elektrische voertuigen bijna nooit het geval dat men toekomt met een zo goed als lege batterij. Meestal bouwt men een zekere marge in om er zeker van te zijn om het volledige traject te kunnen afleggen. Bij het bepalen van het forfaitair bedrag wordt ervan uitgegaan dat men steeds nog 1/5de (of 20%) van de batterijcapaciteit over heeft als men thuis toekomt met het voertuig. Dit wil zeggen dat men de batterij maximaal 4/5de (of 80%) moet bijladen om wederom te kunnen beschikken over de volledige batterijcapaciteit.[49]

    Als bovenstaande aanname wordt toegepast op de gemiddelde batterijcapaciteit van de huidige elektrische voertuigvloot, zijnde 28,7 kWh, dan wil dit zeggen dat men nog 5,7 kWh batterijcapaciteit over heeft als men thuis toekomt. Er kan dus maximaal 23 kWh bijgeladen worden opdat de volledige batterijcapaciteit terug benut kan worden om zich te verplaatsen.[49]

    Bepaling van het forfaitair bedrag voor volledig elektrische voertuigen

    Op basis van de bovenstaande informatie, en de hierin gemaakte aannames, kunnen we het forfaitair bedrag voor het sporadisch thuisladen berekenen volgens de volgende formule:[49]

    Forfaitair bedrag sporadisch thuisladen = 4/5de van gemiddelde batterijcapaciteit x gemiddelde elektriciteitsprijs volgens een gemiddeld verbruik[49]

    Forfaitair bedrag sporadisch thuisladen EV[3]= 23 kWh x € 0,29/kWh incl. BTW = € 6,67,[49]

    De toepassing van de formule en aannames resulteert in een forfaitair bedrag voor het sporadisch thuisladen van € 6,67,- per keer dat men een elektrisch voertuig mee naar huis neemt.[49]

    Een forfaitair bedrag voor plug-in hybride voertuigen

    De onderstaande tabel geeft een overzicht van de plug-in hybride modellen in de voertuigenvloot van de Vlaamse overheid met hun respectievelijke batterijcapaciteit.[49]

    Merk

    Model

    Batterijcapaciteit

    Audi

    A3 e-tron

    8,8 kWh

    BMW

    330e

    7,6 kWh

    BMW

    530e

    9,2 kWh

    BMW

    740Le

    9,2 kWh

    Mercedes

    E 350e

    6,2 kWh

    Mercedes

    GLC 350e

    8,7 kWh

    Mitsubitshi

    Outlander

    12 kWh

    Opel

    Ampera

    16 kWh

    Toyota

    Prius Plug-in

    4,4 kWh

    Volvo

    V60 Twin engine

    11,2 kWh

    Volvo

    S90 T8 Twin engine

    9,6 kWh

    Volvo

    XC90 T8 Twin engine

    9,6 kWh

    Volkswagen

    Passat GTE

    9,9 kWh

    De gemiddelde batterijcapaciteit van deze voertuigen bedraagt 9,4 kWh. Opgelet: dit is als het ware een foto van de huidige situatie. Afhankelijk van de voertuigen die bijkomend in de plug-in hybride vloot opgenomen zullen worden dient dit cijfer aangepast te worden.[49]

    Een aanname voor de bepaling van de grootte van de thuislaadsessie voor een plug-in hybride voertuig

    De batterijcapaciteit van plug-in hybride voertuigen is beduidend lager dan die van volledig elektrische voertuigen. In de praktijk ligt het elektrische rijbereik van deze wagens tussen de 15 km en de 50 km. Dit zijn afstanden die makkelijk overschreden worden, waardoor men vaak met een lege batterij thuis aankomt. Daarom stellen we voor om rekening te houden met de volledige batterijcapaciteit in de berekening van het forfaitair bedrag voor plug-in hybride voertuigen.[49]

    Bepaling van het forfaitair bedrag voor volledig elektrische voertuigen

    Rekening houdend met de hiervoor genoemde elektriciteitsprijs en batterijcapaciteit, komen we tot volgende berekening:

    Forfaitair bedrag sporadisch thuisladen PHEV[4]= 9,4 kWh x € 0,29/kWh incl. BTW = € 2,73,[49]

    De toepassing van de formule en aannames resulteert in een forfaitair bedrag voor het sporadisch thuisladen van € 2,73,- per keer dat men een plug-in hybride voertuig mee naar huis neemt.[49]

    Deze vergoeding wordt niet toegekend:
    - aan de N-functies die in het kader van hun mobiliteitskrediet (artikel V 12bis) geopteerd hebben voor een volledig elektrische of plug-in hybride dienstvoertuig;
    - aan personeelsleden die “permanent” om functionele redenen over een dienstvoertuig beschikken (toepassing artikel VII 109sexies).[49]

    Deze personeelsleden ontvangen deze vergoeding wel in afwachting van de installatie van een thuislaadpunt. Conform artikel 25 (toevoeging artikel VII 109decies) neemt de Vlaamse overheid voor deze personeelsleden de kosten voor de installatie en het jaarlijks onderhoud van een thuislaadpunt voor volledig elektrische en plug-in hybride voertuigen ten laste. [49]

    Op de zitting van 2 oktober 2018 heeft de dienst Voorafgaande Beslissingen in Fiscale Zaken dat de terugbetaling van voornoemde bedragen als “kosten eigen aan de wekgever” kunnen worden beschouwd, conform artikel 31, 2de lid, 1°, in fine WIB92 (dossier 0316.380.841).[49]

    De Vlaamse minister bevoegd voor de Bestuurszaken krijgt delegatiebevoegdheid de vastgestelde bedragen minstens om de twee jaar te herzien. De hoegrootheid van de van deze bedragen moet immers worden aangepast in functie van diverse factoren:
    - de gemiddelde eenheidsprijs van elektriciteit in euro per kWh volgens de Vlaamse regulator van de energiemarkt (VREG);
    - de evolutie wat betreft de batterijtechnologie;
    - nieuwe systemen die continu in ontwikkeling zijn, zoals vehicle-to-grid laden.[49]

    -----------

    [1] In de huidige voertuigvloot is tevens één Tesla model S opgenomen. Deze wordt echter niet meegenomen in de berekening voor de bepaling van het forfaitair bedrag.
    [2] De BMW i3 bestaat zowel in volledig elektrische versie als in een versie met range extender op benzine. Gezien de ruime batterijcapaciteit worden beide modellen in deze berekening opgenomen in de lijst met volledig elektrische voertuigen.
    [3] EV: Elektrisch Voertuig
    [4] PHEV: Plug-in Hybride Elektrisch Voertuig

    Afdeling 4. Binnenlandse dienstreis met overnachting[34]

    Toelichting bij Art. VII 83

    Het personeelslid dat een binnenlandse dienstreis maakt met overnachting en zelf de hotelkosten draagt, kan deze kosten vergoed krijgen binnen de grenzen van de maximale logementsvergoeding zoals vastgesteld in de omzendbrief buitenlandse dienstreizen DVO/BZ/P&O/2009/12 (in uitvoering van artikel VII 85 VPS). Voor België bedraagt de maximale logementsvergoeding 150 euro (niet te indexeren).[34]

    Hierbij is vereist dat deze overnachting effectief ook kadert in een ‘dienstreis’ (of gelijkgestelde).[
    Indien bijvoorbeeld een personeelslid wonend te Knokke, met standplaats in Brussel overnacht in Aarlen om daar een vroege vergadering te kunnen bijwonen, heeft het personeelslid recht op terugbetaling van kamer en ontbijt tot een maximaal bedrag van 150 euro (niet te indexeren).[34]

    Een absolute voorwaarde hierbij (cf. definitie ‘dienstreis’) is uiteraard dat de lijnmanager ook de voorafgaandelijke toestemming heeft gegeven om:

    • de dienstverplaatsing met zijn eigen voertuig te maken;
    • een overnachting te voorzien in de dienstreis.[34]

    Voor het overige (d.w.z. naast voormelde logementsvergoeding) heeft het personeelslid dat een binnenlandse dienstreis met overnachting maakt, recht op de maaltijdvergoeding voor een binnenlandse dienstreis wanneer hij zelf zijn (middag- en/of avond)maaltijden moet betalen.[34]

    Afdeling 5. Reizende functie[34]

    Toelichting bij Art. VII 84

    De forfaitarisering op maandbasis van zowel de kilometervergoeding als van de maaltijdvergoeding is facultatief (het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling is niet verplicht te forfaitariseren).
    Het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling kan de reizende functies aanduiden die in aanmerking komen om te genieten van de forfaitarisering op maandbasis. Om in geval van maandelijkse forfaitarisering het forfaitair bedrag te kennen waarop het personeelslid recht heeft, deelt het managementorgaan of de door het managementorgaan gemachtigde lijnmanager hem bij het begin van het (eerste) jaar in de overeenkomstige schijf in zoals in bijlage bij de dienstmededeling van de administrateur-generaal van het Agentschap Overheidspersoneel (bij ongewijzigde formule federaal) inzake de jaarlijkse aanpassing van de kilometervergoeding (voor wat betreft de forfaitaire kilometervergoeding) en bij de dienstmededeling inzake de indexaanpassing (voor wat betreft de forfaitaire maaltijdvergoeding).
    Om het personeelslid te kunnen indelen baseert het managementorgaan of de door het managementorgaan gemachtigde lijnmanager zich op de verreden kilometers van het voorgaande jaar en houdt men rekening met de opdrachten in min of in meer van het volgende jaar. Het forfaitair bedrag blijft in principe zo verder vastgesteld. De volgende jaren wordt alleen rekening gehouden met een wijziging van de opdrachten t.o.v. het afgelopen jaar of een wijziging ingevolge wijziging van de reglementering of nieuwe reglementering. De maandelijkse forfaitaire vergoeding wordt stopgezet hetzij in geval geen salaris meer wordt betaald, na ontslag, pensioen of overlijden (onmiddellijke stopzetting), hetzij bij een afwezigheid die langer als 35 werkdagen duurt (ab initio; zie de algemene bepaling van artikel VII 73, §3).
    Dit forfaitair bedrag wordt maandelijks op een vast tijdstip betaald (bvb. elke tiende van de maand).
    Daarbij dient het aantal kilometers dat per jaar mag verreden worden, te worden beperkt tot 24.000 km teneinde conform te zijn met de fiscale wetgeving (inleveren van bewijsstukken). Wie per jaar niet meer verrijdt dan 24.000 km moet geen bewijsstukken inleveren omdat in dat geval het forfaitair bedrag van de kilometervergoeding geldt.
    De geïndexeerde bedragen van de forfaitaire maaltijdvergoeding worden verminderd met zoveel keer het bedrag van de werkgeversbijdrage in een maaltijdcheque (cf. artikel VII 109ter VPS) dat overeenstemt met het aantal dienstverplaatsingen waarop het forfaitair bedrag is berekend.
    De bedragen van de forfaitaire kilometervergoeding worden jaarlijks op 1 juli (bij ongewijzigde formule federaal) meegedeeld bij de dienstmededeling van de administrateur-generaal van het Agentschap Overheidspersoneel (AgO) inzake de aanpassing van de kilometervergoeding.
    De bedragen van de forfaitaire maaltijdvergoeding worden telkens meegedeeld bij dienstmededeling van de administrateur-generaal van het Agentschap Overheidspersoneel (AgO) inzake de indexaanpassing (indexering maaltijdvergoeding 9,50€ + forfaitaire maaltijdvergoedingen).[34]

    [De fiscale bepalingen (thans onder punt 1.2. ‘Fiscaal aspect’ van de huidige omzendbrief) worden op de website opgenomen onder de rubriek ‘Aanvullende info’.][34]

    naar boven

    Hoofdstuk 3. Buitenlandse dienstreis [49]

    Afdeling 1. Algemene bepaling[49]

    Naar aanleiding van de implementering van de resolutie betreffende het verduurzamen van buitenlandse dienstverplaatsingen bij de Vlaamse overheid naar analogie van de dienstverplaatsingen bij het Vlaams Parlement, zoals aangenomen door het Vlaams Parlement op 4 juli 2018 (VR 2018 1307_MED.0281_1), wordt – nadat eerder reeds de regeling voor binnenlandse dienstreizen in het VPS werd geïntegreerd – de (verordenende) omzendbrief inzake de vergoedingen voor buitenlandse dienstreizen (OMZ DVO/BZ/P&O/2009/12) impliciet opgeheven en wordt de regeling inzake buitenlandse dienstreizen verankerd in het VPS en de toelichting door vervanging van de delegatiebepaling van artikel VII 85.[49]

    Toelichting bij Art. VII 85

    In dit hoofdstuk wordt bepaald op welke manier en onder welke voorwaarden de extra kosten worden vergoed die het personeelslid maakt in het kader van een buitenlandse dienstreis. De in dit verband werkelijk gemaakte kosten zijn vergoedbaar als kosten eigen aan de werkgever (zie ook artikel VII 72).
    Ook derden die een buitenlandse dienstreis maken in opdracht van de diensten van de Vlaamse overheid kunnen een beroep doen op de vergoedingsregeling voor buitenlandse dienstreizen (met uitzondering van de representatievergoeding van artikel VII 85ter decies) om geheel of gedeeltelijk de terugbetaling van hun kosten te bekomen.
    Deze regeling is ook van toepassing op de kabinetsleden op grond van artikel 23 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 tot organisatie van de kabinetten van de leden van de Vlaamse Regering. Ministers, die overigens geen personeelsleden zijn, vallen niet onder de toepassing van deze regeling, maar wel onder de omzendbrief 2006/38 van 14 juli 2006.[49]

    Afdeling 2. Aanvraag[49]
    Onderafdeling 1. Zendingsaanvraag[49]

    Toelichting bij Art. VII 85bis

    §1. Zoals dit ook voor een binnenlandse dienstreis het geval is (zie de toelichting bij artikel VII 75) wordt een buitenlandse dienstreis steeds gemaakt om een dienstopdracht te vervullen en is de buitenlandse zendingsopdracht wat dit betreft steeds gedekt door de autorisatie van de zendingsaanvraag door de lijnmanager.
    Voor de buitenlandse zendingsopdrachten van de lijnmanager gebeurt deze autorisatie door de functioneel bevoegde minister(s).
    Buitenlandse zendingsopdrachten moeten zowel in duur als in omvang beperkt zijn. Bovendien moet het rechtstreeks belang voor de Vlaamse overheid duidelijk zijn.
    De goedgekeurde zendingsaanvragen worden met het bijhorend programma minstens 10 werkdagen vóór de vertrekdatum ingediend bij de dossierbehandelaar buitenlandse zendingen.
    De dossierbehandelaar buitenlandse zendingen stelt zo snel mogelijk en minstens een week vóór de vertrekdatum het departement Buitenlandse Zaken op de hoogte van de geplande zendingen. Dit stelt het departement Buitenlandse Zaken in staat de betrokken Belgische diplomatieke posten en, in voorkomend geval, de vertegenwoordiger van de Vlaamse Regering in het buitenland en de Vlaamse Economische Vertegenwoordiger tijdig in kennis te stellen van de geplande zending.[49]

    §2. Bij de keuze van de lijnmanager voor het meest verantwoorde voertuig zijn criteria van belang zoals kostprijs, snelheid, veiligheid en duurzaamheid, zonder dat daarbij een vervoermiddel a priori kan uitgesloten worden.
    Een uitzondering op dit laatste vormen de verplaatsingen naar bestemmingen die op minder dan 500 kilometer liggen of waarbij de reis over land minder dan zes uur in beslag neemt. Deze verplaatsingen mogen niet met het vliegtuig worden gedaan, tenzij de verplaatsing met een ander vervoermiddel dan het vliegtuig een onevenredig verlies van tijd of middelen meebrengt, of om andere zwaarwichtige redenen niet opportuun of praktisch uitvoerbaar wordt geacht. Door de opname van bovenstaand duurzaamheidscriterium conformeert de regeling die geldt voor de diensten van de Vlaamse overheid zich met de regeling zoals die bij het Vlaams Parlement wordt toegepast (zie ook bovenstaande resolutie, zoals aangenomen door het Vlaams Parlement op 4 juli 2018).[49]

    Onderafdeling 2. Voorschotten

    Toelichting bij Art. VII 85ter

    Wanneer het personeelslid een deel van de reiskosten, de logies, de kost van de maaltijden en kleine uitgaven, of de representatiekosten moet voorschieten, of zelfs volledig moet prefinancieren, kan het hiervoor een voorschot krijgen zoals bepaald in respectievelijk artikel VII 85sexies, VII 85octies, VII 85decies en VII 85ter decies.
    Het personeelslid dat van deze mogelijkheid gebruik wenst te maken, dient hiervoor een aanvraag in bij de dossierbehandelaar buitenlandse zendingen.
    De aanvraag van de voorschotten wordt bij de zendingsaanvraag gevoegd.[49]

    Afdeling 3. Kosten

    Toelichting bij Art. VII 85quater

    De zendingsaanvraag bevat een raming van de kosten verbonden aan de buitenlandse zending.[49]

    Onderafdeling 1. Reiskosten

    Toelichting bij Art. VII 85quinquies

    §1. De kosten verbonden aan de heen- en terugreis naar/van de buitenlandse bestemming, met inbegrip van de lokale kosten van de verplaatsing naar de bestemming, worden volledig terugbetaald op voorlegging van de stavende stukken (= de originele gedateerde bewijsstukken).
    Zo kunnen ook gebeurlijke tolkosten en de kosten van verplaatsingen van en naar de luchthaven als reiskosten terugbetaald, maar ook bijvoorbeeld kosten verbonden aan de aanvraag van een visum of verplichte inentingen, wanneer zulks noodzakelijk is om de dienstverplaatsing naar het buitenland te kunnen maken.[49]

    §2. Hiermee worden bedoeld de forfaitaire kilometervergoeding voor de binnenlandse dienstreizen alsook – indien een deel van het traject met de fiets wordt afgelegd – de fietsvergoeding (verwijzing naar artikel VII 80, §1).
    Het gebruik van eigen wagen moet noodzakelijk zijn en behoort tot de uitzonderingen, want het eigen voertuig is het duurste, vaak het traagste en het minst veilige vervoermiddel en bijkomend niet milieuvriendelijk. Normaal zal de lijnmanager voor zichzelf of zijn personeel slechts hiervoor kiezen indien de verplaatsing niet met het openbaar vervoer of het vliegtuig kan gebeuren (zie ook artikel wat betreft de keuze van het meest verantwoorde voertuig).[49]

    §. Buitenlandse dienstreizen per trein mogen (in tegenstelling tot binnenlandse dienstreizen met het openbaar vervoer) in eerste klasse worden afgelegd, wanneer dit nodig (bv. om medische redenen) of nuttig (bv. bij langere treinreizen) is. De autoriserende lijnmanager zal hier met andere woorden – in het licht van het beginsel van zorgvuldig beheer van overheidsmiddelen en in het kader van zijn algemene bevoegdheid om het meest geschikte vervoersmiddel te bepalen (cf. artikel VII 85bis, §2) – steeds een concrete afweging moeten maken (kostprijs duurder treinticket eerste klasse vs. noodzaak/nut verhoogd comfort eerste klasse).[49]

    §4. Wanneer de buitenlandse dienstreis per vliegtuig gebeurt (zie in dit verband artikel VII 85bis, §2 wat betreft het duurzaamheidscriterium bij de keuze van het meest geschikte vervoersmiddel), moeten deze in economy class worden aangevraagd. Enkel wanneer de vluchttijd langer dan acht uur bedraagt, kan er in business class gevlogen worden. In uitzondering hierop kan de lijnmanager mits uitdrukkelijke motivering een vliegtuigreis van minder dan acht uur in business class aanvragen (aan de functionele minister, zie artikel VII 85bis, §1, tweede lid).[49]

    Toelichting bij Art. VII 85sexies

    Het personeelslid dat een deel van of alle reiskosten voorschiet, heeft recht op een voorschot ten bedrage van 75% van de totale geraamde reiskosten.
    Wanneer het personeelslid echter reeds de volledige effectieve reiskost heeft betaald vóór vertrek, kan hij het betaalde toch aan 100% recupereren mits voorlegging van de bewijsstukken.[49]

    Onderafdeling 2. Logies

    Toelichting bij Art. VII 85septies

    De kosten van overnachting (logies) worden terugbetaald op voorlegging van de bewijsstukken maximaal ten belope van de maximale logementsvergoeding (categorie 1 en 2) die per land (in principe jaarlijks) wordt vastgesteld bij ministerieel besluit houdende vaststelling van verblijfsvergoedingen toegekend aan personeelsleden en afgevaardigden van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, die zich in officiële opdracht naar het buitenland begeven of zetelen in internationale commissies.
    Het spreekt voor zich dat het er hierbij in het kader van zuinig beheer van overheidsmiddelen op aan komt een hotel of andere overnachtingsplaats te boeken met een goede prijs-kwaliteitverhouding.
    Enkel in uitzonderlijke gevallen en met een degelijke motivering kan de lijnmanager (of de functionele minister in geval van buitenlandse zending van de lijnmanager) een afwijking van deze bedragen toestaan, waarbij de overschrijding van het maximum steeds binnen redelijke perken moet blijven.[49]

    Toelichting bij Art. VII 85octies

    Het personeelslid dat de kosten voor overnachting ter plaatse moet vereffenen, heeft recht op een voorschot ten bedrage van 75% van de geraamde kosten.
    In afwijking hierop heeft het personeelslid op voorlegging van de bewijsstukken toch recht op een voorschot voor het volledige bedrag (100%) wanneer hij de kosten voor overnachting volledig prefinanciert.[49]

    Onderafdeling 3. Dagvergoeding

    Toelichting bij Art. VII 85novies

    §1. Het personeelslid ontvangt een dagelijkse forfaitaire verblijfsvergoeding (categorie 1) die per land (in principe jaarlijks) wordt vastgesteld bij ministerieel besluit houdende vaststelling van verblijfsvergoedingen toegekend aan personeelsleden en afgevaardigden van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, die zich in officiële opdracht naar het buitenland begeven of zetelen in internationale commissies.
    Deze forfaitaire bedragen worden geacht de kosten van de maaltijden (inclusief ontbijt) en van de andere kleine uitgaven te vergoeden. “Kleine uitgaven” kunnen omschreven worden als lokaal gemaakte kosten in het land van bestemming zoals drank, versnaperingen, lokale telefoonkosten, fooien en plaatselijk vervoer. Ze dekken geen huisvestingskosten (zijn vergoedbaar als kosten van logies/overnachting op grond van artikel VII 85decies) en verplaatsingskosten om de plaats van de bestemming te bereiken (zijn vergoedbaar als reiskosten op grond van artikel VII 85quinquies).
    Aangezien personeelsleden ook een maaltijdcheque ontvangen voor de dagen dat men in dienstopdracht in het buitenland is, moeten hoger vermelde federale bedragen van de dagvergoeding worden verminderd met de werkgeversbijdrage in een maaltijdcheque (zie artikelen VII 109ter, VII 194bis en VII 217). Een maaltijdcheque mag immers niet gecumuleerd worden met een onkostenvergoeding voor een zelfde maaltijd voor dezelfde dag (KB van 12 oktober 2010).[49]

    §2. Het overschrijden van de forfaitaire bedragen van de dagvergoeding - zelfs met bewijsstukken - zal uitzonderlijk zijn en binnen redelijke en verantwoorde perken moeten blijven. In zulks geval moeten álle elementen van de dagvergoeding (maaltijden en kleine uitgaven) worden bewezen.[49]

    §3. Enkele voorbeelden van mogelijke situaties:

    vertrek uit België op dag X en aankomst in land van bestemming op dag X: welke dagvergoeding wordt toegekend voor dag X?
    --> recht op een halve dagvergoeding voor dag X (dagvergoeding land van aankomst)

    vertrek uit België op dag X en aankomst in land van bestemming op dag X+1: welke dagvergoedingen worden toegekend voor dag X én voor dag X+1?
    --> recht op een halve dagvergoeding voor dag X (dagvergoeding land van aankomst) en een volledige dagvergoeding voor dag X+1 (dagvergoeding land van aankomst)

    vertrek uit land van bestemming op dag X en aankomst in België op dag X: welke dagvergoeding wordt toegekend voor dag X?
    --> recht op een halve dagvergoeding voor dag X (dagvergoeding land van vertrek)

    vertrek uit land van bestemming op dag X en aankomst in België op dag X+1: welke dagvergoedingen worden toegekend voor dag X én voor dag X+1?
    --> recht op een volledige dagvergoeding voor dag X (dagvergoeding land van vertrek) en een halve dagvergoeding voor dag X+1 (dagvergoeding land van vertrek)[49]

    Onder 'dag van terugkeer' dient te worden verstaan: de dag dat het personeelslid terug is van dienstreis (en dus niet de dag waarop hij de terugreis aanvat in het geval de duur van de terugreis zich uitstrekt over twee dagen).[49]

    §4. Voor sommige landen (bv. Luxemburg en de Verenigde Staten) gelden verschillende bedragen voor de dagvergoeding naargelang de bestemming (zie tabel met buitenlandvergoedingen van de FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking).[49]

    §5. Wanneer in de kosten van de overnachting of door de werkgever ten laste genomen inschrijvingskosten ook maaltijden of andere kleine uitgaven begrepen zitten, moeten de dagforfaits verminderd worden. Eenzelfde kost mag immers maar één keer terugbetaald worden.[49]

    De toe te passen vermindering hangt af van de maaltijd/uitgave die inbegrepen is en ziet er uit als volgt:

    15% van de dagelijkse forfaitaire verblijfsvergoeding, voor het ontbijt;

    35% van de dagelijkse forfaitaire verblijfsvergoeding, voor het middagmaal;

    45% van de dagelijkse forfaitaire verblijfsvergoeding, voor het avondmaal;

    5% van de dagelijkse forfaitaire verblijfsvergoeding, voor kleine uitgaven.[49]

    Toelichting bij Art. VII 85decies

    Het personeelslid kan voor de betaling van zijn maaltijden en kleine uitgaven in het land van bestemming vóór aanvang van de buitenlandse dienstreis steeds een voorschot aanvragen ten bedrage van de halve dagvergoeding.[49]

    Toelichting bij Art. VII 85undecies

    Eendaagse buitenlandse dienstreizen (= buitenlandse dienstreizen van één dag, zonder overnachting) worden vergoed volgens de regeling die geldt voor binnenlandse dienstreizen (zie artikel VII 75 en volgende).
    Dat wil zeggen dat voor verplaatsingen met de eigen wagen de kilometervergoeding wordt betaald en dat – onder bepaalde voorwaarden – een maaltijdvergoeding kan worden toegekend (waarvan het bedrag na indexatie wordt verminderd met de werkgeversbijdrage in een maaltijdcheque zoals bepaald in artikel VII 109ter).[49]

    Onderafdeling 4. Inschrijvingskosten

    Toelichting bij Art. VII 85duodecies

    Het is de bedoeling dat de entiteiten deze kosten rechtstreeks betalen en niet de personeelsleden, zodat ook geen voorschotten nodig zijn. Indien de personeelsleden in sommige omstandigheden deze kosten toch betalen, wordt verwacht dat deze hen onmiddellijk worden terugbetaald (mits bewijs).[49]

    Onderafdeling 5. Representatiekosten

    Toelichting bij Art. VII 85terdecies

    De Vlaamse overheid neemt ook gebeurlijke representatiekosten ten laste wanneer men een dienstreis naar het buitenland maakt in het kader van de officiële vertegenwoordiging van Vlaanderen in het buitenland. Wanneer dit gebeurt onder de vorm van een delegatie, kunnen niet alle deelnemende personeelsleden een representatievergoeding aanvragen, maar enkel de hoogste in rang (delegatieleider).
    Eventuele derden (=niet-personeelsleden van de DVO) die deel uitmaken van een delegatie hebben geen recht op een vergoeding voor representatiekosten.[49]

    Afdeling 4. Verslaggeving

    Toelichting bij Art. VII 85quaterdecies

    Het personeelslid moet enkel een schriftelijk verslag van de buitenlandse dienstopdracht maken wanneer hetzij de lijnmanager hetzij het departement Buitenlandse Zaken daar uitdrukkelijk om verzoekt.
    In geen geval kan de terugbetaling van kosten verbonden aan de buitenlandse dienstopdracht afhankelijk gesteld worden van het naleven van de verslaggevingsverplichting (d.i. wanneer een verslag wordt vereist).[49]

    Afdeling 5. Afrekening
    Onderafdeling 1. Terugbetaling van kosten

    Toelichting bij Art. VII 85quinquiesdecies

    §1 en §2. Na afloop worden de kosten verbonden aan de buitenlandse dienstopdracht (zie afdeling 3) het personeelslid terugbetaald na indiening van een onkostenstaat en op voorlegging van – waar vereist – de nodige bewijsstukken.
    Het spreekt hierbij voor zich dat het principe van functiescheiding bij interne controle moet worden gehandhaafd. Dit houdt in dat een personeelslid zijn eigen onkostenstaten niet kan goedkeuren (geen rechter en partij).
    Voor de betaling en recuperatie van gebeurlijke prestaties buiten de normale arbeidstijdregeling wordt toepassing gemaakt van artikel VII 28, VII 30, VII 31 en VII 32 van dit besluit.[49]

    §3. Indien het personeelslid nalaat zijn onkostenstaat tijdig (d.i. binnen de vier maanden volgend op de datum van terugkomst) in te dienen, kan hij geen terugbetaling meer bekomen. De termijn van vier maanden is met andere woorden geen termijn van orde, maar een bindende vervaltermijn.[49]

    §4. Bij wijze van tegenhanger van de vervaltermijn in hoofde van het personeelslid (artikel VII 85quinquies decies, §3), zal de werkgever van rechtswege interesten (3% op jaarbasis) verschuldigd zijn wanneer hij nalaat een tijdig en correct ingediende onkostenstaat terug te betalen binnen een termijn van drie maanden na indiening.[49]

    Onderafdeling 2. Terugvordering van voorschotten

    Toelichting bij Art. VII 85sexiesdecies

    Na afloop van de buitenlandse dienstopdracht zal bij de afrekening van de kosten ook hetgeen mogelijks te veel of ten onrechte aan voorschotten werd uitbetaald, door het personeelslid op eenvoudige vraag moeten worden terugbetaald.[49]

    naar boven

    Hoofdstuk 4 - opgeheven[32]

    Toelichting bij Art. VII 86

    - opgeheven[32]

    naar boven

    Hoofdstuk 5. Maaltijdvergoeding op dienst- en veerboten[2]

    De maaltijdvergoeding voor het personeel op dienstboten en op veerboten is specifiek en wordt in een afzonderlijk hoofdstuk ondergebracht.[2]

    Wat artikel VII 87 betreft:

    1.

    De cumulatie van twee maaltijdvergoedingen vanaf 13 uur geldt voor uitzonderlijke situaties.

    2.

    De forfaitaire vergoeding bedoeld in §§ 1 tot 3 wordt betaald na het indienen van een onkostenstaat. Tot deze forfaitaire bedragen respectievelijk van 8,2 euro (te indexeren) en uitzonderlijk de tweede vergoeding van 8,2 euro (voor vaarprestaties van minstens 13 uur) is de ambtenaar vrijgesteld van het indienen van bewijsstukken.

    3.

    De 5-kilometergrens op de Schelde wordt evenwel bepaald door het verlengde van een ingebeelde lijn getrokken door de twee richtingspalen gelegen op ongeveer één kilometer stroomopwaarts van het zuidelijk uiteinde van de kade te Antwerpen (uiteinde van de rede) enerzijds en de hoogspanningslijn die twee pylonen verbindt, waarvan de eerste gelegen is op de rechteroever ongeveer 430 meter bovenwaarts het "Hooglicht Boerenschans" en de tweede op de linkeroever loodrecht op het punt ongeveer 430 meter bovenwaarts het "Hooglicht Boerenschans" anderzijds.[2]

    Door de toekenning van maaltijdcheque dient ook het geïndexeerd bedrag van de maaltijdvergoeding op dienst- en veerboten (art. VII 87) met 2,5 euro (werkgeversbijdrage) te worden verminderd.[6]

    Deze aanpassing werd reeds als voorafname ingevoerd bij rondzendbrief van 28 juni 2007 met kenmerk DVO/BZ/P&O/2007/14.[6]

    Naar aanleiding van de eerste invoering van de maaltijdchequeregeling vanaf 1 juli 2007, werd bepaald dat het geïndexeerde bedrag van de maaltijdvergoeding op dienst- en veerboten wordt verminderd met de nominale waarde van de werkgeversbijdrage in een maaltijdcheque, zijnde 2,5 euro.[8]

    Het sectoraal akkoord 2008-2009 voorziet niet dat de vermindering moet worden aangepast. Derhalve verdient het de voorkeur om voormelde omschrijving te vervangen door "2,5 euro".[8]

    In artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 oktober 2010 (3) wordt uitdrukkelijk bepaald dat een maaltijdcheque niet gecumuleerd mag worden met een onkostenvergoeding voor een zelfde maaltijd voor dezelfde dag. Dit koninklijk besluit treedt in werking op 1 januari 2011.[12]

    Dit betekent dat, om in regel te zijn met deze wettelijke bepaling, de maaltijdvergoeding op dienst- en veerboten met € 3,91 per dag moet worden verminderd (de werkgeversbijdrage in een maaltijdcheque) in plaats van met € 2,5. Aan voornoemde wettelijke bepaling wordt gevolg gegeven vanaf 1 februari 2011 (bij voorafname ingevoerd bij omzendbrief BZ 2011/2 van 10/02/2011.[12]

    naar boven

    Hoofdstuk 6. De forfaitaire reis- en maaltijdvergoeding voor het loodsenpersoneel[2]

    Toelichting bij Art. VII 88

    Voor de vier korpsen is er een forfait voor reis- en maaltijdvergoeding. Voor de kust- en de Scheldemondenloodsen wordt in het forfait een deel 'reiskosten' opgenomen.[2]

    De verhoging van de vergoeding voor de Scheldemondenloodsen betreft enkel de integratie van een forfait voor buskosten van het deeltraject van de dienstverplaatsing Brugge-Vlissingen. De loodsen die deze dienstreis aanvangen in Oostende (standplaats) kunnen nog steeds een treinticket gebruiken voor het deeltraject Oostende-Brugge. Voor de kustloodsen wordt ook een (zeer beperkt) deel woon-werkverkeer (aan het tarief openbaar vervoer) geïntegreerd. Voor de andere korpsen is het zo dat zij voor hun loodsprestaties geen reiskosten meer kunnen hebben zodat alle loodsen, voor de loodsprestaties, kunnen uitgesloten worden van de normale regeling van reis- en maaltijdvergoeding.

    Omwille van een eenvoudige en functionele regeling verliezen de operationele loodsen dit forfait niet tijdens prestaties op de radarcentrales te Zeebrugge of te Zandvliet (LOA, nautisch advies of VTMS-loods), maar zij krijgen dan ook geen extra vergoeding.[2]

    Aan operationele loodsen worden geen maaltijdcheques toegekend aangezien elke maaltijd reeds vergoed wordt. Ter compensatie wordt het forfaitair bedrag van de reis- en maaltijdkosten met 25 euro (100%) verhoogd.[6]

    In uitvoering van het protocolnr. 255.831 van 15 februari 2008 wordt de forfaitaire reis- en maaltijdvergoeding voor de verschillende korpsen verhoogd.[7]

    De verblijfsvergoeding te Vlissingen is een forfaitaire regeling voor de reis- en verblijfskosten in functie van hun prestaties voorzien in de dienst- en beurtregeling. De bijkomende extraverhoging van dit bedrag voor de Scheldemondenloodsen houdt rekening met de specificiteit van hun dienst- en beurtregeling waardoor zij tot 6 dagen van huis weg zijn en te Vlissingen moeten verblijven, wat een belangrijke impact heeft op de reële verblijfskost. Deze maatregel kadert in het aantrekkelijker maken van het zeeloodsenkorps.[7]

    Deze verhoging komt bovenop de reeds toegekende verhoging van 25 euro (verhoging ipv maaltijdcheques) die in het BVR tot uitvoering van het sectoraal akkoord 2005-2007 is opgenomen.[7]

    De Inspectie van financiën heeft in haar advies van 18 april 2008 hieromtrent gesteld dat door de koppeling van deze vergoeding aan de spilindex er reeds een automatische aanpassing is aan de stijgende levensduurte en een vergoeding geen element is van het beloningsbeleid en bijgevolg ook niet kan gebruikt worden om het werken in Vlissingen aantrekkelijker te maken.[7]

    MDK heeft met volgende argumentatie voornoemd advies weerlegd. De aanpassing van de spilindex is geldig voor België en niet voor Nederland en geldt voor de uitgaven in het kader van een normale gezinsbesteding. Het gaat hier om personeelsleden die de facto verplicht worden zich te richten naar restaurantbezoek in Nederland bij gebrek aan eigen infrastructuur.[7]

    De zeeloodsen verblijven 6 dagen in Vlissingen en zijn daarna 5 dagen thuis. Tijdens deze 6 dagen worden de logies verzorgd door de overheid, maar voor hun maaltijden krijgen zij deze vergoeding. Deze vergoeding is de laatste jaren niet meer aangepast aan de stijgende levensduurte in Nederland. Aangezien de kosten gestegen waren, terwijl de vergoeding de gemaakte kosten niet meer dekte, was dit ook een probleem om nieuwe zeeloodsen te rekruteren. Door deze aanpassing komt de vergoeding op een niveau dat alle kosten van de loodsen zal dekken en hierdoor kadert dit ook in het aantrekkelijker maken van de zeeloodsen (ter info: iemand die op buitenlandse zending is naar Nederland heeft recht op 121 euro per dag forfaitaire onkosten). Als je dit zou vertalen naar de zeeloodsen zou het bedrag voor de forfaitaire vergoeding nog hoger moeten liggen.[7]

    De operationele loodsen ontvangen geen maaltijdcheques. Ter compensatie van de verhoging van de werkgeversbijdrage in een maaltijdcheque met € 2 vanaf 1 december 2012, wordt de forfaitaire maaltijdvergoeding voor de operationele loodsen verhoogd met € 18,79 per maand
    (= 2 x 174,3 (=83% van 210 werkdagen/12=€ 29,05/1,5460 = € 18,79).
    De specifieke beurtregeling (6 dagen continu werken, 5 dagen rust) komt ongeveer overeen met 83% van de arbeidsdagen van een full time personeelslid met een gewone arbeidsregeling.[16]

    Regeling multivalente loods[35]

    Het optimalisatieplan (protocol nr. 362.1166 van 16 juni 2017) regelt de inzetbaarheid van de multivalente loodsen waarin de mogelijkheid gecreëerd is dat ze alternerend 1 beurt op de zogenaamde ‘major’traject worden ingezet, gevolgd door 1 beurt op het zogenaamde ‘minor’ traject.[35]

    De multivalente loods ontvangt de forfaitaire vergoeding pro rata het aantal kalenderdagen dat hij in het desbetreffende loodsenkorps ingepland was.[35]

    Voorbeeld:[35]

    Berekening R&M multivalent
    Loods A: 11 dagen zee (6+5), 11 dagen kanaal (6+5), 9 dagen zee (6+3)

     

    Inzet

    R&M

    Bedrag

    zee

    20/31

    543,96

    350,94

    kanaal

    11/31

    153,88

    54,60

    405,54

    Toelichting bij Art. VII 89

    Het bedrag van de forfaitaire vergoeding van artikel VII 88 wordt verminderd met 1/30 per dag ziekteverlof. Voor de loods die multivalent wordt ingezet, wordt deze vermindering toegepast op de vergoeding zoals vermeld in artikel VII 88 van het korps waarbij hij ingepland was (zowel beurt- als rustdagen).[35]

    Voorbeeld [35]

    Berekening R&M multivalent
    Loods A: 11 dagen zee (6+5), 11 dagen kanaal (6+5), 9 dagen zee (6+3)

     

     

    Inzet

    R&M

    Bedrag

    Inhouding

    1 dag ziek zee

    zee

    20/31

    543,96

    350,94

    18,13

     

    kanaal

    11/31

    153,88

    54,60

    0,00

    405,54

    387,41

     

     

    Inzet

    R&M

    Bedrag

    Inhouding

    1 dag ziek kanaal

    zee

    20/31

    543,96

    350,94

    0,00

     

    kanaal

    11/31

    153,88

    54,60

    5,13

    405,54

    400,42

     naar boven

    Hoofdstuk 7. Vergoeding voor het werken in Vlissingen[2]

    Toelichting bij Art. VII 90

    Zoals uit de bewoordingen van § 1 blijkt is het dus de bedoeling de vergoeding toe te kennen aan het personeelslid dat in Vlissingen wordt tewerkgesteld, en niet in Nederland verblijft. Het personeelslid dat in Vlissingen wordt tewerkgesteld, en tevens in Nederland verblijft, heeft m.a.w. geen recht op de vergoeding, aangezien de Vlaamse overheid een verblijfplaats in Nederland niet langer verplicht stelt.[2]

    Uitgangspunten:

    - De oude Vlissingenvergoeding is uitdovend;
    - De kosten voor het gebruik van de Westerscheldetunnel of de veerdienst Breskens-Vlissingen worden terugbetaald en staan los van de organieke Vlissingenvergoeding op zich.
    - De kosten die een personeelslid moet maken om vanuit Vlaanderen in Vlissingen te gaan werken zijn gestegen. Om het verband met de gemaakte kosten duidelijk te maken, moet de Vlissingenvergoeding in zijn geheel gekoppeld zijn aan de geleverde prestaties.[7]

    Berekeningswijze:

    - Een vast deel van 3.332,476 euro (2.380 euro à 100%);
    - Een variabel deel gebaseerd op de afstand heen en terug van de woonplaats naar de standplaats. Voor het bepalen van deze afstand worden de gegevens gebruikt uit het spoorboekje (cfr. punt B.3.2. van het protocolnr. 255.831 van 15 februari 2008). Deze afstand voor een enkele reis wordt verdubbeld en op deze manier krijgt men de afstand heen en terug. Op basis van deze afstand worden 6 zones bepaald. Per zone wordt een factor (aantal kilometers) bepaald. Deze factor wordt vermenigvuldigd met de kilometervergoeding die toegekend wordt voor de verplaatsingen met de eigen wagen van de woonplaats naar de standplaats.
    - Voor personeelsleden die gaan werken in Vlissingen met een arbeidsregime van 12 uur per dag wordt uitgegaan van 133 prestaties per jaar. Voor alle andere personeelsleden wordt uitgegaan van 210 prestaties per jaar. Deze prestaties worden samen met het aantal kilometers per zone gebruikt voor het berekenen van het variabel deel.[7]

    Volgende zones worden onderscheiden (afstand via de weg):

    - zone 0 = personeelsleden met een bedrijfswagen
    - zone 1 = afstand woonplaats – werkplaats – woonplaats is minder dan 75 km – factor 75
    - zone 2 = afstand woonplaats – werkplaats – woonplaats is minder dan 100 km – factor 100 – 1.675 euro (100%)
    - zone 3 = afstand woonplaats – werkplaats – woonplaats is minder dan 150 km – factor 150 – 2.513 euro (100%)
    - zone 4 = afstand woonplaats – werkplaats – woonplaats is minder dan 200 km – factor 200 – 3.351 euro (100%)
    - zone 5 = afstand woonplaats – werkplaats – woonplaats is groter dan 200 km – factor 225 – 3.770 euro (100%)[7]

    Formule voor de berekening van de vergoeding:

    Jaarbedrag = vast deel + (factor zone*aantal prestaties*percentage kilometervergoeding woonplaats–standplaats) – cfr. punt B.3.2. van het protocolnr. 255.831 van 15 februari 2008.[7]

    Hierna volgt een voorbeeld voor zone 2:

    - 133 prestaties: 3.332,476 + (100*133*0,1764) = 5.678,596 (index 1,4002)
    - 210 prestaties: 3.332,476 + (100*210*0,1764) = 7.036,876 (index 1,4002).[7]

    Dit geeft volgende jaarbedragen:[7]

    zone

    Shift 12u (133/jaar)

    Ander regime (210/jaar)

    jaarbedrag

    Jaarbedrag (100%)

    jaarbedrag

    Jaarbedrag (100%)

    0

    3.332,48

    2.380,00

    3.332,48

    2.380,00

    1

    5.092,07

    3.636,67

    6.110,78

    4.364,22

    2

    5.678,60

    4.055,56

    7.036,88

    5.025,62

    3

    6.851,66

    4.893,34

    8.889,08

    6.348,43

    4

    8.024,72

    5.731,12

    10.741,28

    7.671,24

    5

    8.611,25

    6.150,01

    11.667,38

    8.332,65

    De Vlissingenvergoeding wordt per werkelijke arbeidsdag toegekend. Hiervoor wordt in het geval van een arbeidsprestatie van 12 uur het overeenkomstig jaarbedrag gedeeld door 133. Voor een ander arbeidsregime wordt het overeenkomstig jaarbedrag gedeeld door 210.[7]

    Dit geeft dan volgend resultaat:[7]

    zone

    Shift 12u (133/jaar)

    Ander regime (210/jaar)

    dagbedrag

    dagbedrag (100%)

    dagbedrag

    dagbedrag (100%)

    0

    25,06

    17,89

    15,87

    11,33

    1

    38,29

    27,34

    29,10

    20,78

    2

    42,70

    30,49

    33,51

    23,93

    3

    51,52

    36,79

    42,33

    30,23

    4

    60,34

    43,09

    51,15

    36,53

    5

    64,75

    46,24

    55,56

    39,68

    De bedragen van de Vlissingenvergoeding worden aangepast als de kilometervergoeding voor de verplaatsing met de eigen wagen van woonplaats naar standplaats wijzigt (zie artikel VII 80, §1)[28].[7]

    Door het opheffen van de specifieke vergoeding woonplaats-standplaats vanaf 1 januari 2013 (volledige kilometervergoeding i.p.v. 60%) moet ook voornoemde formule worden aangepast als volgt: (€ 3.332,48 + (factor zone*jaarprestatie*bedrag kilometervergoeding/1,4002/133 (arbeidsprestaties van 12u per dag) of 210 (andere arbeidsregeling)).[16]

    naar boven

    Hoofdstuk 8. Vergoedingen, toelagen en voordelen[9] voor het personeel in het buitenland[2]

    Toelichting bij Art. VII 91

    Dit artikel stelt de toelage, vergoedingen en voordelen[9] vast waarop het statutaire en contractuele personeel dat Vlaanderen in het buitenland vertegenwoordigt, recht heeft, tenzij reglementair anders bepaald.[2]

    Ook uitgezonden personeelsleden van niveau A van DiV kunnen recht laten gelden op sommige deze vergoedingen, toelagen en voordelen.[18]

    Uit de functiebeschrijving van deze adjuncten blijkt dat zij voor de meeste activiteiten de Vlaamse vertegenwoordiger moeten kunnen vertegenwoordigen en/of vervangen. Zij worden ook geaccrediteerd op de diplomatieke lijst van België in de ontvangststaat (net als de VVRs en de VLEVS, de diplomaten van de Franse Gemeenschap enz.).[18]

    Het bedrag en de toekenningsvoorwaarden van de vergoedingen, toelagen en voordelen worden geregeld bij MB en omzendbrief.[18]

    naar boven

    Hoofdstuk 9. Vergoeding voor personeelsleden, tewerkgesteld in Vlissingen[6][32]

    Toelichting bij Art. VII 91bis

    In Nederland bestaat geen systeem van maaltijdcheques. Personeelsleden met standplaats in Vlissingen [32] ontvangen in de plaats van maaltijdcheques een vergoeding van 30 euro per maand à 100%. Dit geldt niet voor de operationele loodsen, stuurmannen en kapiteins.[6]

    Deze aanpassing werd reeds als voorafname ingevoerd bij rondzendbrief van 28 juni 2007 met kenmerk: DVO/BZ/P&O/2007/14.[6]

    In het sectoraal akkoord 2008-2009 wordt de werkgeversbijdrage stapsgewijs opgetrokken van 2,5 euro tot 3,5 euro op 1 september 2008 en tot 3,91 euro op 1 mei 2009.[8]

    De vergoeding voor de personeelsleden met standplaats in Vlissingen [32] wordt overeenkomstig verhoogd.[8]

    Aangezien deze vergoeding wordt toegekend ter compensatie van maaltijdcheques, wordt deze vergoeding voortaan niet meer geïndexeerd (cf. de maaltijdchequeregeling zelf en de compenserende toelage). De wijziging gaat in per 1 september 2008, waardoor de effectieve vergoeding verhoogt van 43,7 euro (30 x 1,4568) tot 61,3 euro (3,5 x 210 /12) (vanaf 1 september 2008) en tot 68,5 euro (3,91 x 210 / 12) vanaf 1 mei 2009.[8]

    Door het verhogen van de werkgeversbijdrage in een maaltijdcheque met € 2 vanaf 1/12/2012, moet de vergoeding voor personeelsleden tewerkgesteld in Vlissingen [32] (die geen maaltijdcheques ontvangen) worden verhoogd met € 35 (€ 2 x 210/12) van € 68,50 tot € 103,50 (bedrag wordt niet geïndexeerd).[16]

    naar boven

    Hoofdstuk 10. Terugbetaling van de kosten voor een beeldschermbril[27]

    Toelichting bij Art. VII 91ter

    Deze bepaling vormt de rechtsgrond voor de terugbetaling van de kosten van een beeldschermbril.[27]

    De modaliteiten voor terugbetaling zijn vastgelegd bij omzendbrief BZ 2014/1 van de Vlaamse minister bevoegd voor de bestuurszaken.[27]

    naar boven


    (1) Koninklijk besluit van 24 december 1964 tot vaststelling van de vergoedingen wegens verblijfkosten toegekend aan de leden van het personeel der federale overheidsdiensten.

    (2) (3) Koninklijk besluit van 12 oktober 2010 tot wijziging van artikel 19bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (B.S. 23 november 2010 – ed. 3).

    naar boven