chat-altchatcrossloginquestion-circlesearchsmileystarthumbup-downwarning
Vlaanderen
Contacteer ons
    Terug naar overzicht Stuur een e-mail

    Stuur een e-mail naar 1700, de informatiedienst voor al uw vragen aan de overheid.
    U ontvangt een kopie van uw bericht.

    Terug naar overzicht Chat met ons
    Uw chatgesprek wordt automatisch gestart zodra er een medewerker beschikbaar is.
    Even geduld, uw positie in de wachtrij wordt bepaald.

    Toelichting bij Deel VII. De verloning - Titel 3

    Titel 3. De vergoedingen [2]

    Hoofdstuk 1. Gemeenschappelijke bepalingen [2]

    Toelichting bij Art. VII 72

    De hierna bepaalde vergoedingen die als terugbetaling van werkelijk gemaakte kosten voor rekening van de werkgever kunnen worden betaald zijn:[2]

    Omschrijving Rechtsgrond

    reis- en hotelkosten en maaltijdvergoeding voor binnenlandse dienstreizen

    hoofdstuk 2 en 3 (artikelen VII  75 t/m VII 82)

    buitenlandse dienstreis

    hoofdstuk 3 (artikel VII 85)

    expatriatievergoeding

    hoofdstuk 4 (artikel VII 86)

    reis- en maaltijdvergoeding op dienst- en veerboten

    hoofdstuk 5 (artikelen VII 87)

    forfaitaire vergoeding voor verblijfskosten voor het loodsenpersoneel

    hoofdstuk 6 (artikelen VII 88 en VII 89)

    vergoeding voor het werken in Vlissingen

    hoofdstuk 7 (artikel VII 90)

    De term vergoedingen zoals hij in het raamstatuut wordt gebruikt (en ook in het VPS, het stambesluit VOI en het PSWI werd gebruikt) betekent de terugbetaling van werkelijke kosten die het personeelslid moest maken om zijn door de werkgever opgelegde opdracht uit te voeren.[2]

    In principe is die terugbetaling niet onderworpen aan belastingen of inhoudingen sociale zekerheid. Voor de niet belastbaarheid wordt verwezen naar de fiscale wetgeving en de fiscale commentaar daarbij, de in die wetgeving gebruikte term voor de in dit besluit bedoelde 'vergoedingen' is 'kosten eigen aan de werkgever'.[2]

    Vergoedingen kunnen ook geforfaitariseerd zijn. Een voorbeeld hiervan is de kilometervergoeding en de maaltijdvergoeding. (cf. hierna het hoofdstuk 2 reis- en maaltijd- en hotelvergoeding voor binnenlandse dienstreizen en hoofdstuk 3 buitenlandse dienstreis). Dit betekent dat het personeelslid wel een schuldvordering moet indienen maar geen bewijsstukken die zijn aanvraag tot terugbetaling staven (bvb. een BTW-bonnetje ingeval van een maaltijdvergoeding). In welbepaalde, uitzonderlijke gevallen is ook geen schuldvordering nodig (cf. het hoofdstuk 2 reis-, en maaltijd- en hotelvergoeding voor binnenlandse dienstreizen – maandelijkse forfaits).[2]

    Buiten het raamstatuut wordt de term vergoedingen soms ook gebruikt wanneer men in feite toelagen of bezoldigingen bedoelt die belastbaar zijn omdat ze geen terugbetaling zijn van werkelijke kosten.[2]

    Best wordt vermeden om een toelage en een vergoeding in één forfaitair bedrag te steken. Indien het onderscheid niet kan gemaakt worden tussen beide is in dat geval in principe het forfaitair bedrag volledig belastbaar. Voor de gebeurlijke uitzonderingen op deze laatste regel wordt verwezen naar de fiscale regelgeving en commentaar.[2]

    Toelichting bij Art. VII 73

    Dit artikel bevat de algemene bepalingen die gelden voor alle vergoedingen, zijnde:

    -

    betaling maandelijks en na vervallen termijn;

    -

    indexatie (gezondheidsindex) van de bedragen vermeld tegen 100%.[2]

    - stopzetting van de uitbetaling van de geforfaitariseerde vergoedingen, als geen salaris doorbetaald wordt of bij een afwezigheid van langer dan 35 werkdagen (inclusief afwezigheid ingevolge een arbeidsongeval)[18], uitgezonderd woonlastvergoeding (VII 86).[6]

    Uiteraard wordt het begrip vergoeding in art. VII 73 verder consequent verder gebruikt in de zin van "aan de werkgever eigen kosten" of "(werkelijke) beroepskosten die de werknemer moet voorschieten voor zijn werkgever om zijn werkopdrachten te kunnen uitvoeren".[6]

    Een typisch voorbeeld voor de stopzetting bij een afwezigheid die langer duurt dan 35 werkdagen, is de forfaitarisering van de kilometervergoeding en de maaltijdvergoeding voor binnenlandse reizen meer bepaald de forfaitaire bedragen die maandelijks worden betaald voor de personeelsleden met een reizende functie. De vergoeding stoppen bij een kortere afwezigheid dan 35,5 werkdagen zou in dit specifiek geval de deregulering uithollen in die mate dat de forfaitarisering op maandbasis haar doel zou voorbijschieten namelijk de MOD’s en de personeelsleden van werk te ontlasten van repetitief werk.[6]

    Toelichting bij Art. VII 74

    Geen commentaar.

    naar boven

    Hoofdstuk 2. Vergoedingen voor binnenlandse dienstreizen[34]

    Afdeling 1. Algemene bepalingen [34]

    In uitvoering van het actieplan administratieve vereenvoudiging voor het beleidsdomein Bestuurszaken (thans Kanselarij en Bestuur) wordt – nadat ook reeds de omzendbrief buitenlandse dienstreizen onder handen werd genomen – de (verordenende) omzendbrief inzake reis- en dagvergoeding voor binnenlandse dienstreizen (OMZ DVO/BZ/P&O/ 2007/6) opgeheven en wordt de regeling inzake binnenlandse dienstreizen – in sterk vereenvoudigde vorm – verankerd in het VPS en de toelichting door vervanging van de huidige artikelen VPS (art. VII 75-84).

    Toelichting bij Art. VII 75

    In dit hoofdstuk wordt bepaald op welke manier en onder welke voorwaarden de extra kosten (= in vergelijking met personeelsleden die géén dienstreis maken) worden vergoed die het personeelslid maakt in het kader van een binnenlandse dienstreis. De in dit verband werkelijk gemaakte kosten zijn vergoedbaar als kosten eigen aan de werkgever (zie ook artikel VII 72).[34]

    Toelichting bij Art. VII 76

    Een dienstreis wordt gemaakt om een dienstopdracht te vervullen en is wat dit betreft steeds gedekt door de autorisatie van de lijnmanager.[34]

    Een dienstreis impliceert een verplaatsing van de woonplaats of de standplaats naar een bestemming anders dan de/een vaste plaats van tewerkstelling (bv. standplaats of satellietkantoor). Dit betekent dat verplaatsingen van de woonplaats naar de ene of andere vaste plaats van tewerkstelling niet als dienstverplaatsingen, maar wel als woon-werkverplaatsingen worden beschouwd. Ook wanneer de dienstverplaatsing gaat naar een plaats bínnen de standplaats betreft het een woon-werkverplaatsing, wat niet uitsluit dat eventuele bijkomende kosten (d.w.z. bovenop de normale kosten woon-werk) verbonden aan de verplaatsing binnen de standplaats, vergoed worden.[34]
    Wanneer men zich voor de uitoefening van een dienstopdracht moet verplaatsen van de woonplaats over de standplaats/vaste plaats van tewerkstelling naar de bestemming van de dienstreis, wordt het volledige traject als dienstverplaatsing beschouwd, ook indien men voor zijn/haar woon-werkverplaatsingen normaal gezien (d.w.z. wanneer men géén dienstreis moet maken) óók de eigen wagen gebruikt.

    Verplaatsingen in het kader van plaats- en tijdsonafhankelijk werken (PTOW) (bv. naar een satellietkantoor) zijn geen dienstverplaatsingen en geven geen aanleiding tot vergoedingen voor verplaatsings- of maaltijdkosten (zie in dit verband ook artikel VII 109, derde lid, VPS).[34]

    Daarnaast worden voor de toepassing van dit hoofdstuk nog een aantal limitatief opgesomde verplaatsingen gelijkgesteld met een dienstreis, met name de verplaatsingen die het personeelslid maakt, bijvoorbeeld:

    • voor een medisch onderzoek (bv. bij aanwerving of als beeldschermwerker);
    • om aan een vormingsactiviteit deel te nemen (vormingsactiviteiten worden vaak ook op initiatief van of op vraag van het personeelslid bijgewoond. Zodra de lijnmanager de deelname heeft geautoriseerd, wordt het personeelslid geacht de vormingsactiviteit bij te wonen in uitvoering van een dienstopdracht in de zin van deze bepaling);
    • voor het afleggen van een proef als onderdeel van een loopbaanexamen of voor het vaststellen van beroepsgeschiktheid;
    • naar aanleiding van een arbeidsongeval of een ongeval dat zich voordoet op de weg van of naar het werk;
    • voor het inkijken van zijn persoonlijk dossier, evaluatiedossier, de lijst met prestatietoelagen toegekend binnen de entiteit die ter inzage ligt, enz., doch slechts in zoverre betrokken te consulteren documenten niet elektronisch kunnen geraadpleegd worden.[34]

    Toelichting bij Art. VII 77

    Bij het verlenen/autoriseren van de dienstopdracht wordt met de lijnmanager meteen ook afgesproken met welk voermiddel het personeelslid zich naar zijn bestemming begeeft. Het behoort tot de bevoegdheid van de lijnmanager om te beoordelen welk vervoermiddel hij hiervoor functioneel en financieel het meest geschikt acht.[34]

    In de mate van het mogelijke wordt het goedkoopste vervoermiddel gekozen dat het personeelslid toch zo snel mogelijk naar zijn bestemming brengt. Parallel met het bevorderen van het openbaar vervoer voor het woon-werkverkeer, wordt ook voor dienstreizen voorrang gegeven aan het openbaar vervoer. De afweging, die vooraf gebeurt, is de verantwoordelijkheid van de lijnmanager, die deze bevoegdheid kan delegeren.[34]

    Om de vlotte werking van de dienst niet te hinderen gebeurt deze afweging zo veel mogelijk bij algemene richtlijn en zo weinig mogelijk bij een individuele voorafgaande beslissing die voor elke dienstreis wordt gegeven.[34]

    Er wordt bij de keuze van het vervoermiddel rekening gehouden met de bereikbaarheid, de frequentie en de tijdsduur van de verplaatsing.[34]

    Aan een personeelslid dat, nadat de lijnmanager na afweging, heeft geoordeeld dat de dienstreis best met het openbaar vervoer wordt gedaan, desondanks het eigen voertuig gebruikt, wordt geen vergoeding toegekend.[34]

    Toelichting bij Art. VII 78

    Om een vlotte en efficiënte afhandeling te kunnen verzekeren (het betreft m.a.w. een termijn van orde en geen vervaltermijn), moet het personeelslid zijn kostenstaat indienen binnen een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de datum waarop de kosten zijn gemaakt. Het indienen van kostenstaten binnen een redelijke termijn is bovendien noodzakelijk opdat de lijnmanager zou kunnen verifiëren of de prestaties die aan de basis liggen van de ingediende kostenstaat wel degelijk verricht zijn en de ingediende kosten wel degelijk gemaakt zijn.[34]

    Indien het personeelslid binnen drie maand of negentig kalenderdagen na datum van indiening nog steeds geen vergoeding heeft ontvangen, dan heeft hij per maand of per gedeelte van een maand recht op de betaling van een intrest van 3% berekend naar rata van het aantal kalenderdagen vertraging te rekenen vanaf de éénennegentigste dag die volgt op de datum van indiening.[34]

    Toelichting bij Art. VII 79

    Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de loodsen (rivier-, kanaal-, Scheldemonden- en kustloodsen) voor de prestaties waarvoor ze de forfaitaire vergoeding voor reis- en maaltijdkosten ontvangen zoals bepaald in artikel VII 88 en VII 89 VPS, noch op het scheepspersoneel, aangewezen voor de zeedienst of rededienst voor de prestaties die recht geven op zeegeld zoals bepaald in artikel VII 65 VPS.[34]

    Afdeling 2. Reiskosten[34]

    Toelichting bij Art. VII 80

    Het personeelslid dat een dienstreis maakt met eigen voertuig (auto, motor of fiets) ontvangt hiervoor een forfaitaire vergoeding per kilometer. Deze kilometervergoeding wordt berekend volgens de federale werkwijze (zie verder) op basis van een formule waarbij elementen als de brandstofprijs, het verbruik, de aankoopprijs van het voertuig, de belasting op inverkeerstelling, verkeersbelasting, onderhoud (banden, reinigen, onderhoud) alsook takelkosten in rekening worden gebracht.[34]

    De term 'eigen voertuig' moet worden begrepen un de zin van 'niet van de werkgever'; het criterium om het onderscheid tussen beide te  maken, ligt in het antwoord op de vraag of de werkgever de kost draagt of niet.[34]

    Dit betekent dat het personeelslid dat een dienstvoertuig (auto, motor of fiets) ter beschikking krijgt voor zijn dienstreis, voor zijn verplaatsing geen recht heeft op een kilometervergoeding.
    Dit betekent ook dat het personeelslid dat voor een dienstreis gebruik maakt van een voertuig (auto, motor of fiets) van een gezinslid of een particulier geleasede wagen of cambio, voor zijn verplaatsing recht heeft op een kilometervergoeding.[34]

    De kilometervergoeding voor dienstverplaatsingen met eigen motorvoertuig (auto of motor, cfr. artikel VII 74 VPS) wordt elk jaar op 1 juli herzien na beslissing van de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken. Voor zover de aanpassing van de vergoeding voortvloeit uit de toepassing van de ongewijzigde formule (bestaand of ongewijzigd beleid) wordt voor de diensten van de Vlaamse overheid het beddrag herzien overeenkomstig de federale bepalingen en wordt aan de administrateur-generaal van het Agentschap Overheidspersoneel delegatie verleend om het aangepaste bedrag van de kilometervergoeding, alsook de bdragen van de forfaitaire kilometervergoeding voor reizende functies (zie artikel VII 84), jaarlijks mee te delen aan de personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid.[34]

    Eventuele parkeerkosten naar aanleiding van een dienstreis kunnen worden terugbetaald op voorlegging van de gedateerde originele bewijsstukken, wanneer het noodzakelijk was om parkeerkosten te betalen. Dit is het geval indien geen gratis parkeerplaats voorhanden is in de omgeving.[34]

    (Parkeer)boetes worden niet terugbetaald.[34]

    Carpooling – ter info: met het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 werd de vroegere carpoolvergoeding omgezet in een carpooltoelage (cf. artikel VII 44ter VPS).[34]

    Toelichting bij Art. VII 81

    Voor dienstverplaatsingen met het openbaar vervoer (trein, tram, bus, metro, vliegtuig) bezorgt de werkgever het personeelslid voorafgaandelijk een geldig vervoersbewijs.
    Indien het personeelslid herhaaldelijk dienstreizen maakt met het openbaar vervoer, kan de werkgever, indien dit voordeliger uitvalt, ook een (algemeen of beperkt) abonnement geven (naargelang het aantal trajecten dat het personeelslid moet afleggen).[34]

    Indien de werkgever het personeelslid voorafgaandelijk aan de dienstreis geen vervoersbewijs (of abonnement) kan bezorgen, schiet het personeelslid de reiskosten voor en kan hij deze achteraf terugvorderen op voorlegging van de originele en gedateerde bewijsstukken.[34]

    Dienstverplaatsingen met het openbaar vervoer gebeuren steeds in tweede klasse of economy class.[34]

    Ook de kost van het vervoer van een fiets met de trein kan vergoed worden.[34]

    In uitzonderlijke omstandigheden (bv. bij een late avondlijke vergadering waarbij men zich – gelet op het late uur – niet met het openbaar kan verplaatsen en er geen mogelijkheid is tot carpooling) kunnen ook de kosten van taxiritten worden terugbetaald op voorlegging van de originele en gedateerde bewijsstukken. Gelet op het uitzonderlijk karakter dat aan het gebruik van een taxi moet worden verleend, zijn taxiritten en de terugbetaling van de eraan verbonden kosten onderworpen aan de uitdrukkelijke autorisatie van de lijnmanager.[34]

    Afdeling 3. Maaltijdvergoeding[34]

    Toelichting bij Art. VII 82

    De maaltijdvergoeding wordt slechts uitbetaald voor dienstreizen die in totaal minstens zes uur duren.[34]

    Aangezien het een forfaitair vergoedingssysteem betreft, moet het personeelslid voor de terugbetaling van zijn gemaakte maaltijdkosten wel een aanvraag indienen en moet aan de toekenningsvoorwaarden voldaan zijn, maar moeten geen bewijsstukken worden ingediend die zijn aanvraag tot terugbetaling staven.[
    Hoewel het bedrag van de vergoedbare kosten forfaitair wordt berekend, geldt voor de forfaitaire maaltijdvergoeding, net als voor alle vergoedingen, het beginsel dat een vergoeding slechts kan worden toegekend voor werkelijk gemaakte kosten (cf. artikel VII 72 VPS). Overigens is het vanuit deontologisch oogpunt evident dat er tegen de forfaitaire onkostenvergoeding ook reële kosten staan. Daarnaast is het zo dat geen maaltijdvergoeding kan worden toegekend voor dienstverplaatsingen (of daarmee gelijkgestelde verplaatsingen) wanneer het personeelslid in een restaurant van het ministerie of in een door het ministerie erkend restaurant, waar hij toegang heeft, een maaltijd kan gebruiken. Dit restaurant dient zich te bevinden in het gebouw waar de werkzaamheden plaatsvinden of in de onmiddellijke omgeving. Onder ‘onmiddellijke omgeving’ wordt verstaan dat de ambtenaar binnen het anderhalf uur kan terug zijn op de plaats waar de werkzaamheden plaatsvinden.[34]

    Aangezien een maaltijdcheque niet gecumuleerd mag worden met een onkostenvergoeding voor een zelfde maaltijd voor dezelfde dag (KB van 12 oktober 2010), moet de maaltijdvergoeding per dag met de werkgeversbijdrage in een maaltijdcheque (€ 5,91 – cf. artikel VII 109ter VPS) worden verminderd.[34]

    Middagmaal- en avondmaalvergoeding kunnen slechts gecumuleerd worden voor dienstreizen die minstens 12 uur duren. Voor de personeelsleden die vanaf of na 14 uur dienstverplaatsingen maken, kunnen ook twee maaltijdvergoedingen gecumuleerd worden indien de dienstverplaatsing minstens 12 uur duurt.
    Het is niet de bedoeling van deze cumulatieregeling van maaltijdvergoedingen dat personeelsleden dagelijks een dubbele maaltijdvergoeding ontvangen. Cumulatie moet de uitzondering blijven.[34]

    Er wordt geen maaltijdvergoeding toegekend voor dienstreizen binnen een straal van vijf kilometer vanaf de stand- of woonplaats, of binnen een straal van 25 kilometer als het personeelslid zich verplaatst met een motorvoertuig. Voor het bepalen van deze 5/25km grens wordt de werkelijke afstand gehanteerd, waarbij onder ‘werkelijke afstand’ moet worden verstaan de afstand van het traject dat het meest efficiënt is rekening houdend met zowel de factor reistijd (snelste route) als met de factor afstand (kortste route). Het komt toe aan de autoriserende lijnmanager (of zijn gemachtigde) om dit te beoordelen en hierin een concrete afweging te maken.[34]

    Op het principe dat geen maaltijdvergoeding wordt toegekend voor dienstreizen binnen een straal van 25 km (werkelijke afstand), kan door de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken, een tijdelijke en individuele afwijking worden verleend en kan aan betrokken personeelslid dus tijdelijk wel een maaltijdvergoeding worden toegekend, wanneer hij/zij verplicht is om dienstredenen gedurende een bepaalde periode een maaltijd te nemen in een restaurant van een andere overheid (bv. de EU) waar de kostprijs in ruime mate hoger ligt dan in een restaurant van de Vlaamse overheid.[34]

    Afdeling 4. Binnenlandse dienstreis met overnachting[34]

    Toelichting bij Art. VII 83

    Het personeelslid dat een binnenlandse dienstreis maakt met overnachting en zelf de hotelkosten draagt, kan deze kosten vergoed krijgen binnen de grenzen van de maximale logementsvergoeding zoals vastgesteld in de omzendbrief buitenlandse dienstreizen DVO/BZ/P&O/2009/12 (in uitvoering van artikel VII 85 VPS). Voor België bedraagt de maximale logementsvergoeding 150 euro (niet te indexeren).[34]

    Hierbij is vereist dat deze overnachting effectief ook kadert in een ‘dienstreis’ (of gelijkgestelde).[
    Indien bijvoorbeeld een personeelslid wonend te Knokke, met standplaats in Brussel overnacht in Aarlen om daar een vroege vergadering te kunnen bijwonen, heeft het personeelslid recht op terugbetaling van kamer en ontbijt tot een maximaal bedrag van 150 euro (niet te indexeren).[34]

    Een absolute voorwaarde hierbij (cf. definitie ‘dienstreis’) is uiteraard dat de lijnmanager ook de voorafgaandelijke toestemming heeft gegeven om:

    • de dienstverplaatsing met zijn eigen voertuig te maken;
    • een overnachting te voorzien in de dienstreis.[34]

    Voor het overige (d.w.z. naast voormelde logementsvergoeding) heeft het personeelslid dat een binnenlandse dienstreis met overnachting maakt, recht op de maaltijdvergoeding voor een binnenlandse dienstreis wanneer hij zelf zijn (middag- en/of avond)maaltijden moet betalen.[34]

    Afdeling 5. Reizende functie[34]

    Toelichting bij Art. VII 84

    De forfaitarisering op maandbasis van zowel de kilometervergoeding als van de maaltijdvergoeding is facultatief (het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling is niet verplicht te forfaitariseren).
    Het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling kan de reizende functies aanduiden die in aanmerking komen om te genieten van de forfaitarisering op maandbasis. Om in geval van maandelijkse forfaitarisering het forfaitair bedrag te kennen waarop het personeelslid recht heeft, deelt het managementorgaan of de door het managementorgaan gemachtigde lijnmanager hem bij het begin van het (eerste) jaar in de overeenkomstige schijf in zoals in bijlage bij de dienstmededeling van de administrateur-generaal van het Agentschap Overheidspersoneel (bij ongewijzigde formule federaal) inzake de jaarlijkse aanpassing van de kilometervergoeding (voor wat betreft de forfaitaire kilometervergoeding) en bij de dienstmededeling inzake de indexaanpassing (voor wat betreft de forfaitaire maaltijdvergoeding).
    Om het personeelslid te kunnen indelen baseert het managementorgaan of de door het managementorgaan gemachtigde lijnmanager zich op de verreden kilometers van het voorgaande jaar en houdt men rekening met de opdrachten in min of in meer van het volgende jaar. Het forfaitair bedrag blijft in principe zo verder vastgesteld. De volgende jaren wordt alleen rekening gehouden met een wijziging van de opdrachten t.o.v. het afgelopen jaar of een wijziging ingevolge wijziging van de reglementering of nieuwe reglementering. De maandelijkse forfaitaire vergoeding wordt stopgezet hetzij in geval geen salaris meer wordt betaald, na ontslag, pensioen of overlijden (onmiddellijke stopzetting), hetzij bij een afwezigheid die langer als 35 werkdagen duurt (ab initio; zie de algemene bepaling van artikel VII 73, §3).
    Dit forfaitair bedrag wordt maandelijks op een vast tijdstip betaald (bvb. elke tiende van de maand).
    Daarbij dient het aantal kilometers dat per jaar mag verreden worden, te worden beperkt tot 24.000 km teneinde conform te zijn met de fiscale wetgeving (inleveren van bewijsstukken). Wie per jaar niet meer verrijdt dan 24.000 km moet geen bewijsstukken inleveren omdat in dat geval het forfaitair bedrag van de kilometervergoeding geldt.
    De geïndexeerde bedragen van de forfaitaire maaltijdvergoeding worden verminderd met zoveel keer het bedrag van de werkgeversbijdrage in een maaltijdcheque (cf. artikel VII 109ter VPS) dat overeenstemt met het aantal dienstverplaatsingen waarop het forfaitair bedrag is berekend.
    De bedragen van de forfaitaire kilometervergoeding worden jaarlijks op 1 juli (bij ongewijzigde formule federaal) meegedeeld bij de dienstmededeling van de administrateur-generaal van het Agentschap Overheidspersoneel (AgO) inzake de aanpassing van de kilometervergoeding.
    De bedragen van de forfaitaire maaltijdvergoeding worden telkens meegedeeld bij dienstmededeling van de administrateur-generaal van het Agentschap Overheidspersoneel (AgO) inzake de indexaanpassing (indexering maaltijdvergoeding 9,50€ + forfaitaire maaltijdvergoedingen).[34]

    [De fiscale bepalingen (thans onder punt 1.2. ‘Fiscaal aspect’ van de huidige omzendbrief) worden op de website opgenomen onder de rubriek ‘Aanvullende info’.][34]

    naar boven

    Hoofdstuk 3. Buitenlandse dienstreis [2]

    Toelichting bij Art. VII 85

    Hotelkosten en dagvergoeding
    Bij de term dagvergoeding (bij buitenlandse reizen) dient aangemerkt dat naast de kosten van maaltijden ook andere kleine onkosten kunnen vergoed worden; vandaar de meer algemene en gebruikelijke term 'dagvergoeding', waar de dagvergoeding ook andere kleine onkosten kan omvatten zoals onkosten voor faxen of kleine onkosten die inherent zijn aan de uitvoering van de zendingsopdracht (visa, inentingen e.d.m.).[2]

    Eendaagse buitenlandse dienstreizen (d.w.z. dienstreizen van een dag zonder overnachting) worden echter gelijkgesteld met en vergoed zoals binnenlandse dienstreizen.

    "Op eigen kosten" betekent in het geval van buitenlandse reizen dat de ambtenaar de hotelrekening betaalt en achteraf een schuldvordering indient voor de werkelijke uitgaven. Deze werkelijke uitgaven worden slechts terugbetaald aan de hand van de factuur tot het beloop van de in bijlage van de omzendbrief buitenlandse dienstreizen vermelde maximale bedragen voor logies en ontbijt (niet geïndexeerd).

    Tot het beloop van het forfaitair bedrag voor de dagvergoeding wordt uiteraard een schuldvordering, maar worden geen bewijsstukken ingediend.[2]

    Wanneer de kleine uitgaven (t.t.z. kosten die de ambtenaar heeft gemaakt ten behoeve van de dienst of die inherent zijn aan de uitvoering van de zendingsopdracht b.v. telefax naar de administratie) en de maaltijdvergoedingen samen het forfaitaire bedrag van de dagvergoeding overtreffen, dienen bewijsstukken ingediend. In het kader van de officiële vertegenwoordiging van de Vlaamse overheid of voor de promotie van Vlaanderen in het buitenland kan een bedrag aangevraagd worden voor representatieve doeleinden.[2]

    Wekelijks wordt aan de entiteit "Buitenlands beleid" via e-mail of het invullen van een databank of via het toesturen van een diskette meegedeeld welke zendingen naar het buitenland zullen plaatsvinden.
    In geval de overheid de onkosten betaalt, heeft het personeelslid geen recht op een betaling van een vergoeding. Overigens worden in vele gevallen de reservaties vooraf gedaan door de personeelsdienst of de dienst die zich bezighoudt met buitenlands beleid.[2]

    naar boven

    Hoofdstuk 4 - opgeheven[32]

    Toelichting bij Art. VII 86

    - opgeheven[32]

    naar boven

    Hoofdstuk 5. Maaltijdvergoeding op dienst- en veerboten[2]

    De maaltijdvergoeding voor het personeel op dienstboten en op veerboten is specifiek en wordt in een afzonderlijk hoofdstuk ondergebracht.[2]

    Wat artikel VII 87 betreft:

    1.

    De cumulatie van twee maaltijdvergoedingen vanaf 13 uur geldt voor uitzonderlijke situaties.

    2.

    De forfaitaire vergoeding bedoeld in §§ 1 tot 3 wordt betaald na het indienen van een onkostenstaat. Tot deze forfaitaire bedragen respectievelijk van 8,2 euro (te indexeren) en uitzonderlijk de tweede vergoeding van 8,2 euro (voor vaarprestaties van minstens 13 uur) is de ambtenaar vrijgesteld van het indienen van bewijsstukken.

    3.

    De 5-kilometergrens op de Schelde wordt evenwel bepaald door het verlengde van een ingebeelde lijn getrokken door de twee richtingspalen gelegen op ongeveer één kilometer stroomopwaarts van het zuidelijk uiteinde van de kade te Antwerpen (uiteinde van de rede) enerzijds en de hoogspanningslijn die twee pylonen verbindt, waarvan de eerste gelegen is op de rechteroever ongeveer 430 meter bovenwaarts het "Hooglicht Boerenschans" en de tweede op de linkeroever loodrecht op het punt ongeveer 430 meter bovenwaarts het "Hooglicht Boerenschans" anderzijds.[2]

    Door de toekenning van maaltijdcheque dient ook het geïndexeerd bedrag van de maaltijdvergoeding op dienst- en veerboten (art. VII 87) met 2,5 euro (werkgeversbijdrage) te worden verminderd.[6]

    Deze aanpassing werd reeds als voorafname ingevoerd bij rondzendbrief van 28 juni 2007 met kenmerk DVO/BZ/P&O/2007/14.[6]

    Naar aanleiding van de eerste invoering van de maaltijdchequeregeling vanaf 1 juli 2007, werd bepaald dat het geïndexeerde bedrag van de maaltijdvergoeding op dienst- en veerboten wordt verminderd met de nominale waarde van de werkgeversbijdrage in een maaltijdcheque, zijnde 2,5 euro.[8]

    Het sectoraal akkoord 2008-2009 voorziet niet dat de vermindering moet worden aangepast. Derhalve verdient het de voorkeur om voormelde omschrijving te vervangen door "2,5 euro".[8]

    In artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 oktober 2010 (3) wordt uitdrukkelijk bepaald dat een maaltijdcheque niet gecumuleerd mag worden met een onkostenvergoeding voor een zelfde maaltijd voor dezelfde dag. Dit koninklijk besluit treedt in werking op 1 januari 2011.[12]

    Dit betekent dat, om in regel te zijn met deze wettelijke bepaling, de maaltijdvergoeding op dienst- en veerboten met € 3,91 per dag moet worden verminderd (de werkgeversbijdrage in een maaltijdcheque) in plaats van met € 2,5. Aan voornoemde wettelijke bepaling wordt gevolg gegeven vanaf 1 februari 2011 (bij voorafname ingevoerd bij omzendbrief BZ 2011/2 van 10/02/2011.[12]

    naar boven

    Hoofdstuk 6. De forfaitaire reis- en maaltijdvergoeding voor het loodsenpersoneel[2]

    Toelichting bij Art. VII 88

    Voor de vier korpsen is er een forfait voor reis- en maaltijdvergoeding. Voor de kust- en de Scheldemondenloodsen wordt in het forfait een deel 'reiskosten' opgenomen.[2]

    De verhoging van de vergoeding voor de Scheldemondenloodsen betreft enkel de integratie van een forfait voor buskosten van het deeltraject van de dienstverplaatsing Brugge-Vlissingen. De loodsen die deze dienstreis aanvangen in Oostende (standplaats) kunnen nog steeds een treinticket gebruiken voor het deeltraject Oostende-Brugge. Voor de kustloodsen wordt ook een (zeer beperkt) deel woon-werkverkeer (aan het tarief openbaar vervoer) geïntegreerd. Voor de andere korpsen is het zo dat zij voor hun loodsprestaties geen reiskosten meer kunnen hebben zodat alle loodsen, voor de loodsprestaties, kunnen uitgesloten worden van de normale regeling van reis- en maaltijdvergoeding.

    Omwille van een eenvoudige en functionele regeling verliezen de operationele loodsen dit forfait niet tijdens prestaties op de radarcentrales te Zeebrugge of te Zandvliet (LOA, nautisch advies of VTMS-loods), maar zij krijgen dan ook geen extra vergoeding.[2]

    Aan operationele loodsen worden geen maaltijdcheques toegekend aangezien elke maaltijd reeds vergoed wordt. Ter compensatie wordt het forfaitair bedrag van de reis- en maaltijdkosten met 25 euro (100%) verhoogd.[6]

    In uitvoering van het protocolnr. 255.831 van 15 februari 2008 wordt de forfaitaire reis- en maaltijdvergoeding voor de verschillende korpsen verhoogd.[7]

    De verblijfsvergoeding te Vlissingen is een forfaitaire regeling voor de reis- en verblijfskosten in functie van hun prestaties voorzien in de dienst- en beurtregeling. De bijkomende extraverhoging van dit bedrag voor de Scheldemondenloodsen houdt rekening met de specificiteit van hun dienst- en beurtregeling waardoor zij tot 6 dagen van huis weg zijn en te Vlissingen moeten verblijven, wat een belangrijke impact heeft op de reële verblijfskost. Deze maatregel kadert in het aantrekkelijker maken van het zeeloodsenkorps.[7]

    Deze verhoging komt bovenop de reeds toegekende verhoging van 25 euro (verhoging ipv maaltijdcheques) die in het BVR tot uitvoering van het sectoraal akkoord 2005-2007 is opgenomen.[7]

    De Inspectie van financiën heeft in haar advies van 18 april 2008 hieromtrent gesteld dat door de koppeling van deze vergoeding aan de spilindex er reeds een automatische aanpassing is aan de stijgende levensduurte en een vergoeding geen element is van het beloningsbeleid en bijgevolg ook niet kan gebruikt worden om het werken in Vlissingen aantrekkelijker te maken.[7]

    MDK heeft met volgende argumentatie voornoemd advies weerlegd. De aanpassing van de spilindex is geldig voor België en niet voor Nederland en geldt voor de uitgaven in het kader van een normale gezinsbesteding. Het gaat hier om personeelsleden die de facto verplicht worden zich te richten naar restaurantbezoek in Nederland bij gebrek aan eigen infrastructuur.[7]

    De zeeloodsen verblijven 6 dagen in Vlissingen en zijn daarna 5 dagen thuis. Tijdens deze 6 dagen worden de logies verzorgd door de overheid, maar voor hun maaltijden krijgen zij deze vergoeding. Deze vergoeding is de laatste jaren niet meer aangepast aan de stijgende levensduurte in Nederland. Aangezien de kosten gestegen waren, terwijl de vergoeding de gemaakte kosten niet meer dekte, was dit ook een probleem om nieuwe zeeloodsen te rekruteren. Door deze aanpassing komt de vergoeding op een niveau dat alle kosten van de loodsen zal dekken en hierdoor kadert dit ook in het aantrekkelijker maken van de zeeloodsen (ter info: iemand die op buitenlandse zending is naar Nederland heeft recht op 121 euro per dag forfaitaire onkosten). Als je dit zou vertalen naar de zeeloodsen zou het bedrag voor de forfaitaire vergoeding nog hoger moeten liggen.[7]

    De operationele loodsen ontvangen geen maaltijdcheques. Ter compensatie van de verhoging van de werkgeversbijdrage in een maaltijdcheque met € 2 vanaf 1 december 2012, wordt de forfaitaire maaltijdvergoeding voor de operationele loodsen verhoogd met € 18,79 per maand
    (= 2 x 174,3 (=83% van 210 werkdagen/12=€ 29,05/1,5460 = € 18,79).
    De specifieke beurtregeling (6 dagen continu werken, 5 dagen rust) komt ongeveer overeen met 83% van de arbeidsdagen van een full time personeelslid met een gewone arbeidsregeling.[16]

    Regeling multivalente loods[35]

    Het optimalisatieplan (protocol nr. 362.1166 van 16 juni 2017) regelt de inzetbaarheid van de multivalente loodsen waarin de mogelijkheid gecreëerd is dat ze alternerend 1 beurt op de zogenaamde ‘major’traject worden ingezet, gevolgd door 1 beurt op het zogenaamde ‘minor’ traject.[35]

    De multivalente loods ontvangt de forfaitaire vergoeding pro rata het aantal kalenderdagen dat hij in het desbetreffende loodsenkorps ingepland was.[35]

    Voorbeeld:[35]

    Berekening R&M multivalent
    Loods A: 11 dagen zee (6+5), 11 dagen kanaal (6+5), 9 dagen zee (6+3)

     

    Inzet

    R&M

    Bedrag

    zee

    20/31

    543,96

    350,94

    kanaal

    11/31

    153,88

    54,60

    405,54

    Toelichting bij Art. VII 89

    Het bedrag van de forfaitaire vergoeding van artikel VII 88 wordt verminderd met 1/30 per dag ziekteverlof. Voor de loods die multivalent wordt ingezet, wordt deze vermindering toegepast op de vergoeding zoals vermeld in artikel VII 88 van het korps waarbij hij ingepland was (zowel beurt- als rustdagen).[35]

    Voorbeeld [35]

    Berekening R&M multivalent
    Loods A: 11 dagen zee (6+5), 11 dagen kanaal (6+5), 9 dagen zee (6+3)

     

     

    Inzet

    R&M

    Bedrag

    Inhouding

    1 dag ziek zee

    zee

    20/31

    543,96

    350,94

    18,13

     

    kanaal

    11/31

    153,88

    54,60

    0,00

    405,54

    387,41

     

     

    Inzet

    R&M

    Bedrag

    Inhouding

    1 dag ziek kanaal

    zee

    20/31

    543,96

    350,94

    0,00

     

    kanaal

    11/31

    153,88

    54,60

    5,13

    405,54

    400,42

     naar boven

    Hoofdstuk 7. Vergoeding voor het werken in Vlissingen[2]

    Toelichting bij Art. VII 90

    Zoals uit de bewoordingen van § 1 blijkt is het dus de bedoeling de vergoeding toe te kennen aan het personeelslid dat in Vlissingen wordt tewerkgesteld, en niet in Nederland verblijft. Het personeelslid dat in Vlissingen wordt tewerkgesteld, en tevens in Nederland verblijft, heeft m.a.w. geen recht op de vergoeding, aangezien de Vlaamse overheid een verblijfplaats in Nederland niet langer verplicht stelt.[2]

    Uitgangspunten:

    - De oude Vlissingenvergoeding is uitdovend;
    - De kosten voor het gebruik van de Westerscheldetunnel of de veerdienst Breskens-Vlissingen worden terugbetaald en staan los van de organieke Vlissingenvergoeding op zich.
    - De kosten die een personeelslid moet maken om vanuit Vlaanderen in Vlissingen te gaan werken zijn gestegen. Om het verband met de gemaakte kosten duidelijk te maken, moet de Vlissingenvergoeding in zijn geheel gekoppeld zijn aan de geleverde prestaties.[7]

    Berekeningswijze:

    - Een vast deel van 3.332,476 euro (2.380 euro à 100%);
    - Een variabel deel gebaseerd op de afstand heen en terug van de woonplaats naar de standplaats. Voor het bepalen van deze afstand worden de gegevens gebruikt uit het spoorboekje (cfr. punt B.3.2. van het protocolnr. 255.831 van 15 februari 2008). Deze afstand voor een enkele reis wordt verdubbeld en op deze manier krijgt men de afstand heen en terug. Op basis van deze afstand worden 6 zones bepaald. Per zone wordt een factor (aantal kilometers) bepaald. Deze factor wordt vermenigvuldigd met de kilometervergoeding die toegekend wordt voor de verplaatsingen met de eigen wagen van de woonplaats naar de standplaats zoals bepaald in de rondzendbrief reis- en maaltijdvergoeding (nu 0,1764 euro = 60% van het bedrag van de gewone kilometervergoeding).
    - Voor personeelsleden die gaan werken in Vlissingen met een arbeidsregime van 12 uur per dag wordt uitgegaan van 133 prestaties per jaar. Voor alle andere personeelsleden wordt uitgegaan van 210 prestaties per jaar. Deze prestaties worden samen met het aantal kilometers per zone gebruikt voor het berekenen van het variabel deel.[7]

    Volgende zones worden onderscheiden (afstand via de weg):

    - zone 0 = personeelsleden met een bedrijfswagen
    - zone 1 = afstand woonplaats – werkplaats – woonplaats is minder dan 75 km – factor 75
    - zone 2 = afstand woonplaats – werkplaats – woonplaats is minder dan 100 km – factor 100 – 1.675 euro (100%)
    - zone 3 = afstand woonplaats – werkplaats – woonplaats is minder dan 150 km – factor 150 – 2.513 euro (100%)
    - zone 4 = afstand woonplaats – werkplaats – woonplaats is minder dan 200 km – factor 200 – 3.351 euro (100%)
    - zone 5 = afstand woonplaats – werkplaats – woonplaats is groter dan 200 km – factor 225 – 3.770 euro (100%)[7]

    Formule voor de berekening van de vergoeding:

    Jaarbedrag = vast deel + (factor zone*aantal prestaties*percentage kilometervergoeding woonplaats–standplaats) – cfr. punt B.3.2. van het protocolnr. 255.831 van 15 februari 2008.[7]

    Hierna volgt een voorbeeld voor zone 2:

    - 133 prestaties: 3.332,476 + (100*133*0,1764) = 5.678,596 (index 1,4002)
    - 210 prestaties: 3.332,476 + (100*210*0,1764) = 7.036,876 (index 1,4002).[7]

    Dit geeft volgende jaarbedragen:[7]

    zone

    Shift 12u (133/jaar)

    Ander regime (210/jaar)

    jaarbedrag

    Jaarbedrag (100%)

    jaarbedrag

    Jaarbedrag (100%)

    0

    3.332,48

    2.380,00

    3.332,48

    2.380,00

    1

    5.092,07

    3.636,67

    6.110,78

    4.364,22

    2

    5.678,60

    4.055,56

    7.036,88

    5.025,62

    3

    6.851,66

    4.893,34

    8.889,08

    6.348,43

    4

    8.024,72

    5.731,12

    10.741,28

    7.671,24

    5

    8.611,25

    6.150,01

    11.667,38

    8.332,65

    De Vlissingenvergoeding wordt per werkelijke arbeidsdag toegekend. Hiervoor wordt in het geval van een arbeidsprestatie van 12 uur het overeenkomstig jaarbedrag gedeeld door 133. Voor een ander arbeidsregime wordt het overeenkomstig jaarbedrag gedeeld door 210.[7]

    Dit geeft dan volgend resultaat:[7]

    zone

    Shift 12u (133/jaar)

    Ander regime (210/jaar)

    dagbedrag

    dagbedrag (100%)

    dagbedrag

    dagbedrag (100%)

    0

    25,06

    17,89

    15,87

    11,33

    1

    38,29

    27,34

    29,10

    20,78

    2

    42,70

    30,49

    33,51

    23,93

    3

    51,52

    36,79

    42,33

    30,23

    4

    60,34

    43,09

    51,15

    36,53

    5

    64,75

    46,24

    55,56

    39,68

    De bedragen van de Vlissingenvergoeding worden aangepast als de kilometervergoeding voor de verplaatsing met de eigen wagen van woonplaats naar standplaats wijzigt. Om niet telkens daarvoor een statuutswijziging te moeten doorvoeren zal dit gebeuren bij dienstorder van de administrateur-generaal van het Agentschap Oveheidspesoneel[28].[7]

    Door het opheffen van de specifieke vergoeding woonplaats-standplaats vanaf 1 januari 2013 (volledige kilometervergoeding i.p.v. 60%) moet ook voornoemde formule worden aangepast als volgt: (€ 3.332,48 + (factor zone*jaarprestatie*bedrag kilometervergoeding/1,4002/133 (arbeidsprestaties van 12u per dag) of 210 (andere arbeidsregeling)).[16]

    naar boven

    Hoofdstuk 8. Vergoedingen, toelagen en voordelen[9] voor het personeel in het buitenland[2]

    Toelichting bij Art. VII 91

    Dit artikel stelt de toelage, vergoedingen en voordelen[9] vast waarop het statutaire en contractuele personeel dat Vlaanderen in het buitenland vertegenwoordigt, recht heeft, tenzij reglementair anders bepaald.[2]

    Ook uitgezonden personeelsleden van niveau A van DiV kunnen recht laten gelden op sommige deze vergoedingen, toelagen en voordelen.[18]

    Uit de functiebeschrijving van deze adjuncten blijkt dat zij voor de meeste activiteiten de Vlaamse vertegenwoordiger moeten kunnen vertegenwoordigen en/of vervangen. Zij worden ook geaccrediteerd op de diplomatieke lijst van België in de ontvangststaat (net als de VVRs en de VLEVS, de diplomaten van de Franse Gemeenschap enz.).[18]

    Het bedrag en de toekenningsvoorwaarden van de vergoedingen, toelagen en voordelen worden geregeld bij MB en omzendbrief.[18]

    naar boven

    Hoofdstuk 9. Vergoeding voor personeelsleden, tewerkgesteld in Vlissingen[6][32]

    Toelichting bij Art. VII 91bis

    In Nederland bestaat geen systeem van maaltijdcheques. Personeelsleden met standplaats in Vlissingen [32] ontvangen in de plaats van maaltijdcheques een vergoeding van 30 euro per maand à 100%. Dit geldt niet voor de operationele loodsen, stuurmannen en kapiteins.[6]

    Deze aanpassing werd reeds als voorafname ingevoerd bij rondzendbrief van 28 juni 2007 met kenmerk: DVO/BZ/P&O/2007/14.[6]

    In het sectoraal akkoord 2008-2009 wordt de werkgeversbijdrage stapsgewijs opgetrokken van 2,5 euro tot 3,5 euro op 1 september 2008 en tot 3,91 euro op 1 mei 2009.[8]

    De vergoeding voor de personeelsleden met standplaats in Vlissingen [32] wordt overeenkomstig verhoogd.[8]

    Aangezien deze vergoeding wordt toegekend ter compensatie van maaltijdcheques, wordt deze vergoeding voortaan niet meer geïndexeerd (cf. de maaltijdchequeregeling zelf en de compenserende toelage). De wijziging gaat in per 1 september 2008, waardoor de effectieve vergoeding verhoogt van 43,7 euro (30 x 1,4568) tot 61,3 euro (3,5 x 210 /12) (vanaf 1 september 2008) en tot 68,5 euro (3,91 x 210 / 12) vanaf 1 mei 2009.[8]

    Door het verhogen van de werkgeversbijdrage in een maaltijdcheque met € 2 vanaf 1/12/2012, moet de vergoeding voor personeelsleden tewerkgesteld in Vlissingen [32] (die geen maaltijdcheques ontvangen) worden verhoogd met € 35 (€ 2 x 210/12) van € 68,50 tot € 103,50 (bedrag wordt niet geïndexeerd).[16]

    naar boven

    Hoofdstuk 10. Terugbetaling van de kosten voor een beeldschermbril[27]

    Toelichting bij Art. VII 91ter

    Deze bepaling vormt de rechtsgrond voor de terugbetaling van de kosten van een beeldschermbril.[27]

    De modaliteiten voor terugbetaling zijn vastgelegd bij omzendbrief BZ 2014/1 van de Vlaamse minister bevoegd voor de bestuurszaken.[27]

    naar boven


    (1) Koninklijk besluit van 24 december 1964 tot vaststelling van de vergoedingen wegens verblijfkosten toegekend aan de leden van het personeel der federale overheidsdiensten.

    (2) (3) Koninklijk besluit van 12 oktober 2010 tot wijziging van artikel 19bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (B.S. 23 november 2010 – ed. 3).

    naar boven