chat-altchatcrossloginquestion-circlesearchsmileystarthumbup-downwarning
Vlaanderen
Contacteer ons
    Terug naar overzicht Stuur een e-mail

    Stuur een e-mail naar 1700, de informatiedienst voor al uw vragen aan de overheid.
    U ontvangt een kopie van uw bericht.

    Terug naar overzicht Chat met ons
    Uw chatgesprek wordt automatisch gestart zodra er een medewerker beschikbaar is.
    Even geduld, uw positie in de wachtrij wordt bepaald.

    Toelichting bij Deel VII. De verloning - Titel 4

    Titel 4. De sociale voordelen[2]

    Hoofdstuk 1. De vergoeding voor begrafeniskosten[2]

    Toelichting bij Art. VII 92 - 94

    Bij dit artikel wordt bepaald dat als compensatie voor de begrafeniskosten een vergoeding uitgekeerd wordt die overeenstemt met het maandelijks bedrag van de laatste bruto-activiteitsbezoldiging van de ambtenaar.

    Voor het toekennen van de vergoeding wordt het volledige maandelijks bedrag van de bruto-activiteitsbezoldiging in aanmerking genomen. Dit betekent geen rekening wordt gehouden met bijvoorbeeld verlof voor deeltijdse prestaties op het ogenblik van het overlijden van de ambtenaar. (bron: advies afdeling Regelgeving van 12 juni 1998 aan het VIZO)

    Deze bezoldiging omvat, in voorkomend geval, de salariscomplementen en de toelagen die bij het salaris behoren.[2]

    De vergoeding mag het twaalfde niet overschrijden van het bedrag vastgesteld bij toepassing van artikel 39, eerste, derde en vierde lid van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.

    Hierna volgt een overzicht van de evolutie van het maximumbedrag van de vergoeding:

    datum bedrag  
    vanaf 01/01/2007 € 2.867,63  
    vanaf 01/01/2008 € 2.924,99  
    vanaf 01/01/2009 € 3.067,48  
    vanaf 01/01/2011 (B.S. 26/01/2011) € 3.128,83 [9]
    vanaf 01/01/2012 (B.S. 06/04/2012) € 3.150,73 [18]
    vanaf 01/01/2013 (B.S. 25/07/2013) € 3.410,60  
    vanaf 01/01/2016 (B.S. 12/02/2015) € 3.453,54  
    vanaf 01/01/2017 (B.S. 02/02/2017) € 3.522,51

     

    Vanaf 01/01/2018 (B.S. 15/01/2018)     € 3.621,70
    Vanaf 01/01/2019 (B.S. 11/01/2019) € 3.694,19
    Vanaf 01/01/2020 (B.S. 13/01/2020) €3.734,82

    Artikel 39 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bepaalt: "Overschrijdt het jaarloon met ingang van 1 januari 2005 32.106 euro (40.927,18 euro per jaar vanaf 1 januari 2013), dan komt het voor de vaststelling van de vergoedingen en renten, slechts tot het beloop van die som in aanmerking.
    Voor de leerling en voor de minderjarige werknemers die tijdelijk arbeidsongeschikt zijn, kan het in aanmerking te nemen loon niet lager zijn dan 1.487,36 euro per jaar.

    Bovenvermelde loonbedragen worden gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen op de wijze bepaald door de Koning. (cf. het koninklijk besluit van 21 december 1971). De aanpassing van het maximumbedrag van de begrafenisvergoeding is het gevolg van deze koppeling aan de schommelingen van het indexcijfer.

    De Koning kan deze bedragen wijzigen na advies van de Nationale Arbeidsraad.[2]

    In principe wordt de begrafenisvergoeding betaald aan degene die de kosten heeft gedragen. In sommige gevallen kan de bevoegde Vlaamse minister of zijn gemachtigde beslissen dat de begrafenisvergoeding niet wordt toegekend aan de gerechtigde of aan degene die de kosten heeft gedragen.[2]

    Het contractuele personeelslid heeft geen recht op de begrafenisvergoeding[2] (ressorteert wat deze regeling betreft onder de ziekteverzekering), met uitzondering in de hierna vermelde situatie.

    Op basis van artikel 3, 2° a) van de arbeidsongevallenwet van 3 juli 1967 hebben de rechthebbenden van een personeelslid dat overlijdt is ingevolge een arbeidsongeval, recht op een begrafenisvergoeding. Voor contractuele personeelsleden is dit de enige situatie waarbij aan de rechthebbenden een begrafenisvergoeding wordt toegekend. De toekenning gebeurt overeenkomstig dezelfde modaliteiten als de toekenning van de begrafenisvergoeding aan rechthebbenden van  statutairen (artikel 5 van het KB van 24 januari 1969).
    Het recht voor de rechthebbenden van contractuelen die overlijden ingevolge een arbeidsongeval moet niet statutair worden verankerd, aangezien dit recht voortvloeit uit bovenvermelde arbeidsongevallenwet van 3 juli 1967.

    naar boven

    Hoofdstuk 2. Woon-werkverkeer met het openbaar vervoer[2]

    Toelichting bij Art. VII 95

    §1.[49] Voor het woon-werkverkeer met het openbaar vervoer heeft de Vlaamse overheid met zowel de NMBS, De LIJN als de MIVB een overeenkomst "derde-betalerssysteem" gesloten. Met de NMBS werd deze regeling reeds ingevoerd op 15 juni 1992, voor de De Lijn op 1 mei 1994.[2]

    Het derde-betalerssysteem houdt in dat de kostprijs maandelijks door de vervoermaatschappij wordt gefactureerd aan de Vlaamse overheid. Het personeelslid moet bijgevolg geen enkel bedrag meer betalen bij de aanvraag van een eerste abonnement, noch bij de verlenging. Een uitzondering hierop bestaat bij De Lijn, waar het personeelslid bij elke validatie van zijn abonnement 1 euro dient te storten alvorens De Lijn de validatie doorvoert en het abonnement (nieuwe validatie) naar het thuisadres van het personeelslid met de post toestuurt.[2]

    Met de TEC (transport en commun – de Waalse tegenhanger van De Lijn) bestaat dergelijke overeenkomst niet.[2]

    1. woon-werkverkeer met de trein:

    Vanaf 19 maart 2013 heeft de NMBS de MOBIB-kaart ingevoerd. In een eerste fase gebeurt de invoering van MOBIB voor alle abonnementen (één jaar, 3 maanden, maand of week) enkel voor nieuwe abonnees. Voor de bestaande abonnees worden enkel voor de jaarabonnementen vervangen.

    De MOBIB-kaart wordt niet ingevoerd voor de "Railflex" of complexe treinkaarten (vb. via-traject). Deze abonnementen blijven bestaan in papieren vorm.

    De aanvraag van een treinkaart gebeurt door middel van een attest "aanvraag voor een woon-werktreinkaart tegen verminderde prijs derde-betaler"". Dit attest kan bij de MOD van de entiteit worden bekomen.

    Naast dit attest moet het personeelslid (abonnee) zijn elektronische identiteitskaart of een ander document dat zijn identiteit aantoont, kunnen voorleggen. Een pasfoto is niet vereist (ofwel neemt de loketbediende een scan van de identiteitskaart of wordt via webcam ter plaatse een foto genomen).

    De "erewoord"verklaring (onderste luik van dit attest) wordt op het ogenblik dat het attest wordt afgeleverd ter plaatse door het personeelslid ondertekend, en bewaard door de MOD.

    Met het bovenste luik van het attest dient het personeelslid zich naar het loket van de NMBS te begeven om zijn treinkaart aan te vragen.

    Aangezien een treinkaart onmiddellijk wordt aangemaakt is er in principe geen terugbetaling van biljetten meer.

    Na het vervallen van de treinkaart (MOBIB-kaarten vervallen na 5 jaar) moet u aan de hand van een nieuw attest een volledig nieuwe treinkaart aanvragen.

    Het "derde-betalerssystseem" geldt niet alleen voor de gewone treinkaarten (week, maand, 3 maand en jaar) maar ook voor de treinkaart voor deeltijds werkenden (de Railflex).

    Niet alleen de kost van de treinkaart maar ook de aanmaakkost (5 euro voor een MOBIB-kaart) wordt volledig door de Vlaamse overheid ten laste genomen.

    Bij een gemengde treinkaart NMBS-MIVB wordt de pesoonlijke MOBIB-kart (uitgegeven door MIVB dus en vorozien van een foto) gebruikt om het abonnemen NMBS (eventueel in combinatie met MIVB of De Lijn of TEC) op te plaatsen.

    Voor het traject De Lijn/TEC bij de gemengde abonnementen ontvangt de abonnee voorlopig nog een apart valideringsstrookje.

    2. woon-werkverkeer met De Lijn:

    Het personeelslid moet zich bij de aanvraag van een eerste abonnement met een attest uitgereikt door de MOD naar de "lijnwinkel" te begeven en 1 euro betalen. Bij een volgende validatie ontvangt het personeelslid van De Lijn een overschrijvingsformulier om 1 euro te betalen, waarna het abonnement wordt toegestuurd.[2]

    Met betrekking tot de abonnementen van De Lijn moet bovendien worden opgemerkt dat de geldigheid niet beperkt is tot een bepaald traject, maar op alle trajecten van De Lijn (bus en tram) in Vlaanderen en Brussel en dit sedert 1 juli 2002.[2]

    3. woon-werkverkeer MIVB:

    Sinds 1 juni 2010 is de MIVB overgestapt naar de MOBIB-kaart.

    De aanvraag voor een abonnement wordt door de MOD via een excelbestand naar de MIVB opgestuurd en het abonnement wordt aan het personeelslid toegestuurd.

    4. fiscaliteit:

    De fiscale regeling bij gebruik van het openbaar vervoer is afhankelijk van het feit of het personeelslid opteert voor het systeem van de forfaitaire beroepskosten of de beroepskosten bewijst.[2]

    4.1. forfaitaire beroepskosten:

    Het bedrag van de tussenkomst van de werkgever in de kosten van een abonnement openbaar vervoer is volledig vrijgesteld van belastingen.[2]

    De bijdrage van de werkgever in het woon-werkverkeer met het openbaar vervoer wordt wel vermeld op de loonfiche 281.10 (vak 12a code 254). Het personeelslid moet dit zelfde bedrag invullen op de belastingaangifte in vak 1254-07 of 2254-74 (totaal bedrag terugbetaling woon-werkverkeer) maar ook tegenboeken door hetzelfde bedrag te vermelden in vak 1255-06 of 2255-73 (vrijstelling).[2]

    4.2. werkelijke beroepskosten:

    Het personeelslid kan een forfait van 0,15 EUR per afgelegde kilometer in aanmerking nemen als beroepskosten, zonder dat de in aanmerking genomen afstand tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling hoger dan 100 kilometer (inkomstenjaar 2007) mag zijn.[2]

    In dit geval dient het bedrag vermeld op de loonfiche 281.10 (vak 12a code 254) wel te worden vermeld op de belastingsaangifte in vak 1254 of 1255, maar mag het niet worden tegengeboekt door de vermelding in vak 1255 of 2255.[2]

    5. Abonnement eerste klasse NMBS voor personeelsleden met een handicap of chronische ziekte:

    Personeelsleden met een handicap of chronische ziekte kunnen aanspraak maken op een abonnement eerste klasse waarvan de kostprijs volledig ten laste van de werkgever is. Voorwaarde is de opname van deze maatregel én de redenen ervan in het integratieprotocol. .[49]

    §2 Bij een verlof dat voor een duur van ten minste drie maanden wordt aangevraagd, wordt het abonnement vanaf de ingangsdatum van het verlof stopgezet.
    Als een verlof initieel voor minder dan drie maanden werd aangevraagd maar wordt verlengd, wordt het abonnement stopgezet vanaf het moment dat duidelijk is dat de termijn van drie maanden zal worden bereikt. Dit zal in het bijzonder het geval zijn bij ziekteverlof, waar vaak niet van bij de start geweten is hoe lang de afwezigheid zal duren.
    Bv. op het initiële ziektemeldingsformulier wordt een arbeidsongeschiktheid voorgeschreven van twee maanden. Op het einde van deze periode, wordt de ziekte verlengd met twee maanden. Op het moment van verlenging wordt het abonnement op het openbaar vervoer stopgezet, aangezien op dat moment geweten is dat de termijn van drie maanden zal worden bereikt. Bij hervatting wordt het abonnement terug geactiveerd. [49]

    naar boven

    Hoofdstuk 3. Tegemoetkoming naar een moeilijk bereikbare werkplaats[2]

    Toelichting bij Art. VII 96 - VII 101

    Het personeelslid dat die zijn werkplaats moeilijk of niet met het gemeenschappelijk openbaar vervoer kan bereiken:

    - ofwel omdat de werkplaats te ver van een halte van het gemeenschappelijk openbaar vervoer gelegen is;
    - ofwel wegens de door de overheid opgelegde arbeidstijdregeling;
    - ofwel door de gebrekkige uurregeling van het gemeenschappelijk openbaar vervoer aan de werkplaats;

    heeft recht op een tegemoetkoming zoals bepaald in artikel VII 99, VII 100 of VII 100bis[9].[2]

    Wel worden een aantal personeelscategorieën uitgesloten zoals:

    - de personeelsleden met de functie van operationele loods;
    - de personeelsleden van de winterdienst, omdat deze met een dienstwagen worden opgehaald.[2]

    Tot 1 januari 2001 werd de reistijd voor het woon-werkverkeer van de radarwaarnemers gedeeltelijk aangerekend als arbeidstijd, meer bepaald:

    - aanrekening van 1u45 reistijdcompensatie per prestatie voor de radarwaarnemers tewerkgesteld op de radarcentrale Zandvliet;
    - aanrekening van 0u45 reistijdcompensatie per prestatie voor de radarwaarnemers tewerkgesteld op de radarcentrale Zeebrugge.[2]

    Het personeelsplan voorziet echter niet langer een reistijdcompensatie voor de radarwaarnemers die in dienst treden na 01.01.2001.
    Voor personeelsleden aangeworven vóór deze datum blijft de reistijdcompensatie verder gehandhaafd, dit vanuit historische context dat de al in dienst zijnde personeelsleden in dienst getreden zijn met de overweging dat een reistijdcompensatie geregeld was. Zij blijven derhalve uitgesloten van de tussenkomst voor moeilijk bereikbare arbeidsplaatsen.[2]

    Als moeilijk of niet te bereiken werkplaats worden beschouwd:

    werkplaatsen waarvan de dichtstbijzijnde halte van het gemeenschappelijk openbaar vervoermiddel zich op minimum 3 km van de werkplaats bevindt;

    werkplaatsen die zich op minder dan 3 km van een halte van een openbaar vervoermiddel bevinden maar waar de ambtenaar onder een zodanige arbeidstijdregeling (ploegensysteem) dient te presteren dat het begin en/of einduur buiten de bedieningsuren van het gemeenschappelijk openbaar vervoer vallen;

    werkplaatsen die zich op minder dan 3 km van een halte van een openbaar vervoermiddel bevinden maar waar de frequentie van het openbaar vervoermiddel zo laag is dat de personeelsleden ook bij normale arbeidstijden geen gebruik kunnen maken van het gemeenschappelijk openbaar vervoer. Werkplaatsen met een glijdende arbeidstijdregeling zijn hiervan uitgesloten;

    alle kunstwerken op de scheepvaartwegen die in het kader van de optie 2003 zullen bediend worden hetzij in een regime van 6u. tot 22u., hetzij in een regime van 24u/24u.;

    alle kunstwerken die in het kader van de waterbemeestering onderworpen zijn aan een groepsbediening.[2]

    De werkplaatsen en de praktische modaliteiten worden per entiteit vastgelegd bij dienstorder.[2]

    Er dient te worden opgemerkt dat het wel degelijk de werkplaats moet zijn die moeilijk bereikbaar is en niet de woonplaats. Indien een personeelslid het gemeenschappelijk openbaar vervoer niet kan gebruiken door het feit dat hij afgelegen woont, is dit zijn vrije keuze met alle gevolgen van dien.[2]

    Toelichting bij Art. VII 99

    Er wordt voorrang gegeven aan het organiseren van dienstvervoer, hetzij volledig, hetzij vanaf een verzamelpunt, bijvoorbeeld een halte van het gemeenschappelijk openbaar vervoer.
    Paragraaf 1 bepaalt dat aan de bestuurders van dienstwagens die in het kader van het woon-werkverkeer geregeld andere personeelsleden die de werkplaats niet of moeilijk kunnen bereiken met het openbaar vervoer gaan ophalen, een jaarlijkse forfaitaire toelage van 254 euro (100%) wordt toegekend. De toelage wordt dus enkel uitbetaald aan chauffeurs van dienstwagens die wel degelijk andere personeelsleden die de arbeidsplaats moeilijk of niet met het gemeenschappelijk openbaar vervoer kunnen bereiken, gaan ophalen.
    De ambtenaar die ressorteert onder de specifieke regeling van de winterdienst en buiten deze periode personeelsleden ophaalt ontvangt een jaarlijkse forfaitaire toelage van 127 euro (100%).[2]

    In paragraaf 3 wordt vermeld dat de toelage wordt uitbetaald pro rata van het aantal maanden waarin de ambtenaar in voldoende mate anderen is gaan ophalen. Om de administratieve formaliteiten te beperken, wordt de pro rata berekening niet toegepast gedurende het jaarlijks vakantieverlof en de feestdagen vermeld in titel 2 van deel X van het Vlaams personeelsstatuut voor ambtenaren die normaliter anderen ophalen.[2]

    Deze regeling komt, met uitzondering van een correcte toepassing van de regeling voor de winterdienst en de uitdovende regeling voor sommige bedienaars van de kunstwerken, in de plaats van de regeling van bijkomend verlof a rato van 1,5 minuut per afgelegde kilometer.[2]

    Toelichting bij Art. VII 100

    Bij gebrek aan dienstvervoer heeft het personeelslid dat met een privé- vervoermiddel naar het werk komt, recht op een tegemoetkoming die gelijk is aan de volledige kostprijs van een maandtreinkaart 2e klas voor dezelfde afstand.
    Er is geen pro rata regeling ingeval van onvolledige prestaties.
    Met het oog op het bevorderen van carpooling ontvangen zowel de chauffeur als de passagier(s) deze werkgeversbijdrage.[2]

    In geval van carpooling geldt het gehele traject (met inbegrip van de eventuele omweg om passagiers op te halen) als normale reisweg naar en van het werk, zowel wat de chauffeur als wat de passagier(s) betreft. Het traject voor de passagier neemt pas een aanvang op de plaats waar hij werd opgehaald.[2]

    Er is geen cumulatie mogelijk van de werkgeversbijdrage voor moeilijk bereikbare werkplaatsen en de gewone werkgeversbijdrage in het woon-werkverkeer.
    Personeelsleden die de afstand per fiets overbruggen hebben de keuzemogelijkheid tussen de fietsvergoeding en de werkgeversbijdrage voor moeilijk bereikbare werkplaatsen.[2]

    Er was geen duidelijke bepaling vanaf wanneer deze tegemoetkoming wordt stopgezet in geval van (langdurige) afwezigheid. Het betreft de tegemoetkoming voor personeelsleden die met een eigen motorvoertuig naar de moeilijk bereikbare werkplaats komen. Aangezien het gaat om het toekennen van een vergoeding voor het dekken van effectieve kosten die in het kader van een woon-werkverkeer worden gemaakt, wordt de vergoeding nu stopgezet bij een ononderbroken afwezigheid van één maand.[49]

    Toelichting bij Art. VII 100bis

    Artikel VII 96 bepaalt dat het personeelslid dat zijn werkplaats moeilijk of niet met het gemeenschappelijk openbaar vervoer kan bereiken:

    - ofwel omdat de werkplaats te ver ligt van een halte van het gemeenschappelijk openbaar vervoer;
    - ofwel wegens de door de overheid opgelegde arbeidstijdregeling;
    - ofwel door de gebrekkige uurregeling van het gemeenschappelijk openbaar vervoer aan de werkplaats;

    recht heeft op een tegemoetkoming zoals bepaald in artikel VII 99 of VII 100.[9]

    Artikel VII 100 zegt dat bij gebrek aan dienstvervoer het personeelslid dat met een eigen motorvoertuig naar de moeilijk bereikbare werkplaats komt, recht heeft op een tegemoetkoming ten bedrage van de volledige maandelijkse kostprijs van een treinkaart 2e klas voor dezelfde afstand. Ook de eventuele passagiers hebben recht op deze tegemoetkoming.[9]

    Dit forfaitair bedrag op maandbasis kan niet worden toegekend aan personeelsleden die slechts enkele malen per maand verplaatsingen moeten doen naar hun vaste werkplaats met hun eigen wagen wegens het late uur of wegens de frequentie van het openbaar vervoer. Alhoewel nergens strikt bepaald, ging men ervan uit dat een personeelslid ongeveer 15 keer per maand de verplaatsing moest doen om op de tegemoetkoming aanspraak te kunnen maken.[9]

    Ook personeelsleden die evenwel slechts enkele keren per maand de verplaatsing doen, zouden op de forfaitaire tegemoetkoming aanspraak moeten kunnen maken, en dit bij beslissing van het afdelingshoofd. Vandaar de toevoeging van artikel 100bis.[9]

    Wanneer een personeelslid voor het woon-werktraject moeilijk bereikbare arbeidsplaatsen een fietsvergoeding aanvraagt, kan hij bij gebruik van een motorvoertuig voor ditzelfde traject nog aanspraak maken op 1/20 van het b edrag van de kostprijs van een maandtreinkaart, per dag dat het motorvoertuig wordt gebruikt.[49]

    Toelichting bij Art. VII 101

    voorziet nog in een overgangsregeling voor ambtenaren voor wie thans een gunstigere regeling bestaat.[2]

    naar boven

    Hoofdstuk 4. Toekenning van een fietsvergoeding[2]

    Toelichting bij Art. VII 102

    §1. Historiek: In het kader van de administratieve eenvoud werd op 4 juni 1999 bij de invoering van de fietsvergoeding bepaald dat een personeelslid recht had op een fietsvergoeding als hij ten minste 80% van de effectief te werken dagen per maand de fiets gebruikt voor de woon-werkverplaatsing. Hij diende een jaarlijkse erewoordverklaring in te dienen.[49]

    De 80-regel had voor gevolg dat:

    - personeelsleden die op structurele basis thuiswerken (1 of meer dagen per week) de 80% grens de facto niet halen (thuiswerk is wel een arbeidsdag maar zonder woon-werkverkeer);

    - een personeelslid dat afwisselend de fiets gebruikt (de ene dag niet de andere dag wel) evenmin de 80% grens haalt, terwijl een personeelslid die de ene maand met de fiets komt en de volgende maand niet, wel aan de voorwaarden voldoet.[49]

    Het effect van thuiswerk werd niet doorgerekend in de betaling van de fietsvergoeding. Het was de bedoeling dit voortaan wel te doen.[49]

    Om voornoemde problemen op te lossen, werd van de 80%-regel afgestapt door de VPS-wijziging van 29.05.2009.[49

    Vanaf 1 januari 2009 wordt de fietsvergoeding voor het woon-werkverkeer betaald pro rata het gemiddeld aantal dagen per kwartaal dat de fiets wordt gebruikt voor woon-werkverkeer.[49]

    Op de jaarlijkse erewoordverklaring moet het personeelslid in de huidige regeling inschatten hoeveel dagen op "kwartaalbasis" hij de woon-werkverplaatsing zal afleggen, rekening houdend met telewerk, deeltijdse prestaties, af en toe gebruik van de fiets, maar niet jaarlijkse vakantie of ziekte. Er kwam dus een pro rataberekening bij afwezigheden, zonder onderscheid of het ging om thuiswerken, af en toe gebruik van de fiets, deeltijdse prestaties enz.[49]

    Voor continudiensten bleef de bestaande regeling behouden. Deze personeelsleden moeten in de huidige regeling een maandelijkse verklaring indienen, waarop zij vermelden hoeveel dagen per maand zij de fiets gebruiken.[49]

    De Vlaamse minister bevoegd voor de bestuurszaken stelde in 2009 de toekenningsmodaliteiten vast met de omzendbrief DVO/BZ/P&O/2009/10 van 28 oktober 2009. De relevante bepalingen van deze omzendbrief worden opgenomen in het VPS. Andere elementen worden hetzij opgenomen in de toelichting hetzij gepubliceerd op de webpagina.[49]

    Nieuwe regeling: Na een bevraging in 2018 bij de verschillende entiteiten van de Vlaamse overheid werden vragen gesteld bij de correctheid van de fietsvergoeding. Voor de vrijstelling van bedrijfsvoorheffing en sociale zekerheidsbijdragen is het immers vereist dat de fietsvergoeding wordt toegekend op basis van het effectief aantal dagen fietsgebruik. De vergoeding, vermeld in artikel VII 102, §2 van het VPS, wordt daarom vanaf nu bepaald op basis van het aantal dagen dat het personeelslid het volledige of een gedeelte van het woon-werktraject naar de standplaats effectief met de fiets of de speed pedelec aflegt. Daarom werd beslist om voor de Vlimpersgebruikers de fietsvergoeding te koppelen aan de aanwezigheden in de kalender van Vlimpers.[49]

    In het voorstel moeten ‘permanente fietsgebruikers’ (zie § 4) in principe slechts één keer een aanvraag indienen, waarna de fietsvergoeding voor het opgegeven traject automatisch wordt toegekend op dagen waarop men naar de standplaats gaat (dus niet bij verlof, telewerk, …). ‘Occasionele fietsgebruikers’ (zie § 5) dienen via een maandelijkse aanvraag in Vlimpers hun werkelijke fietsgebruik door te geven. Dit systeem leunt aan bij het huidige systeem voor de continudiensten.[49]

    Entiteiten die onder het VPS vallen, maar geen gebruik maken van Vlimpers, dienen een gelijkaardige aanvraagprocedure uit te werken.[49]

    Een pijnpunt van de bestaande regeling zijn ook de onduidelijke cumulatieregels. Het is immers niet steeds duidelijk wat het gevolg is van het combineren van een abonnement openbaar vervoer met een fietsvergoeding voor hetzelfde traject. Deze onduidelijkheid heeft een ontradende werking aangezien personeelsleden die de fiets willen gebruiken denken hierdoor hun abonnement voor het openbaar vervoer te zullen verliezen. Om dit op te lossen wordt in het huidige voorstel een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de fietsgebruikers uit §4 en deze uit §5.[49]

    De fietsvergoeding wordt toegekend voor de fiets of speed pedelec zoals beschreven in het Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer (BS 9 december 1975) voor zover de eventuele ondersteuning niet door een verbrandingsmotor wordt geleverd.[49]

    Er is recht op een fietsvergoeding voor:
    - het volledige woon-werktraject;
    - een gedeelte van het woon-werktraject (vóór- en/of natraject – naast gebruik van een ander transportmiddel).[49]

    Onder volledig woon-werktraject wordt verstaan: de verplaatsing met de fiets van de woonplaats (verblijfplaats) tot aan de standplaats, zonder dat een ander transportmiddel wordt gebruikt.[49]

    Onder gedeelte van het woon-werktraject wordt verstaan: de verplaatsing met de fiets vanaf de woonplaats of verblijfplaats tot op een plaats vanwaar het openbaar vervoer of een ander transportmiddel (bijvoorbeeld bij carpooling) wordt gebruikt voor de verdere woon-werkverplaatsing (voortraject), of de verplaatsing met de fiets vanaf een halte van het openbaar vervoer of de plaats waar een ander transportmiddel wordt verlaten, tot aan de standplaats (natraject).[49]

    Het woon-werktraject is niet steeds het kortste traject. Omdat elke concrete situatie moet beoordeeld worden, is het niet opportuun dit gedetailleerd in het VPS te omschrijven. Het personeelslid moet hier in overleg met zijn lijnmanager tot een overeenkomst kunnen komen. Om discussies achteraf te vermijden, is het aan te raden om hier duidelijke afspraken over te maken. Indien de kortste weg bijvoorbeeld over een vier rijvaksbaan loopt met heel druk verkeer, en het personeelslid via een omweg, een veilige weg kan nemen langs een plattelandsweg, lijkt het voor de hand liggend dat het te verantwoorden is om in deze situatie het aantal afgelegde kilometers langs de veiligere weg te vergoeden.[49]

    §2. In uitvoering van punt 3.10 van het sectoraal akkoord 2010-2012 werd de fietsvergoeding voor het woon-werkverkeer met ingang van 1 januari 2013 opgetrokken van € 0,15 per kilometer naar € 0,21 per kilometer. De afstanden van 500 meter en meer worden afgerond naar boven, de afstanden van minder dan 500 meter worden afgerond naar beneden.[49]

    §3. Aangezien de minimumafstand voor een enkele rit één kilometer bedraagt, wordt een enkele rit van bijvoorbeeld 700 meter niet afgerond tot één kilometer. In dat geval is er geen recht op een fietsvergoeding.[49]

    §4. Het personeelslid dat ten minste tachtig procent van het aantal dagen dat hij het woon-werktraject naar de standplaats aflegt, een geheel of een gedeelte van dat traject met de fiets of de speed pedelec aflegt, heeft voor datzelfde traject (het traject dat men met de fiets of speed pedelec aflegt) geen recht op een abonnement op het openbaar vervoer overeenkomstig art. VII 95. Met uitzondering van plotse wijzigingen van het fietsgedrag, wordt het percentage van 80 procent bekeken per jaar.[49]

    Dit personeelslid zal een fietsvergoeding ontvangen voor elke dag dat hij het woon-werktraject naar de standplaats aflegt.[49]

    Dit personeelslid vraagt de fietsvergoeding in principe jaarlijks online aan d.m.v. een verklaring op eer. Dit personeelslid kan er ook voor kiezen om de fietsvergoeding maandelijks online aan te vragen (bijvoorbeeld in geval van twee verblijfplaatsen). De maandelijkse online aanvraag doet men best in het begin van de maand volgend op de maand waarop de fietsvergoeding betrekking heeft (gezien de vervaltermijn uit §6).[49]

    Indien een personeelslid een plotse wijziging van zijn fietsgedrag vaststelt of verwacht waardoor het 80 procent niet langer haalt of zal halen, dan dient het dit zo spoedig mogelijk te melden aan het DCPA (personeelsdienst). Dit personeelslid zal dan overstappen op het systeem zoals voorzien in paragraaf 5.[49]

    Voorbeeld: Een personeelslid verwacht in 2020 80 procent te halen en doet dit ook gedurende de eerste 10 maanden van 2020 (periode 1). Dit personeelslid zal echter wegens omstandigheden in november en december veel minder vaak gebruik maken van de fiets waardoor het gedurende die twee maanden de 80 procent toch niet zal halen (periode 2). Het personeelslid meldt dit aan het DCPA. Vanaf november zal het personeelslid een maandelijkse aangifte doen overeenkomstig paragraaf 5. Bij dergelijke plotse wijzigingen zal het percentage niet langer bekeken worden per jaar maar wel per periode.[49]

    Indien dit personeelslid tevens recht heeft op een tegemoetkoming moeilijk bereikbare werkplaats, dan heeft hij recht op een tegemoetkoming zoals voorzien in art. VII 100bis.[49]

    §5. Het personeelslid dat op minder dan tachtig procent van de werkdagen dat het het woon-werktraject naar de standplaats aflegt, een geheel of een gedeelte van dat traject met de fiets of de speed pedelec aflegt, heeft ook recht op een abonnement op het openbaar vervoer overeenkomstig art. VII 95.[49]

    Er werd dus gekozen om cumulatie tussen een abonnement op het openbaar vervoer en een fietsvergoeding mogelijk te maken en dit om volgende redenen:
    - het stimuleren van het fietsgebruik (het personeelslid verliest geen abonnement bij minder dan 80 procent);
    - gebrek aan flexibiliteit in aanbod vervoersbewijzen van de vervoersmaatschappijen binnen het derdebetalerssyteem;
    - administratieve lasten als steeds abonnement moet worden stopgezet om een periode fietsvergoeding te verkrijgen.[49]

    Dit personeelslid vraagt de fietsvergoeding maandelijks online aan en dit bij voorkeur (gezien de vervaltermijn uit § 6) in het begin van de maand volgend op de maand waarop de fietsvergoeding betrekking heeft. Deze maandelijkse aanvraag beperkt het aantal rechtzettingen die de oude regeling tot gevolg had (jaarlijkse inschatting). Bovendien was deze jaarlijkse inschatting zeer moeilijk te maken.[49]

    §6. Bij de oude regeling heerste er onduidelijkheid over de vraag of de fietsvergoeding met terugwerkende kracht kan worden aangevraagd. Deze bepaling lost deze onduidelijkheid op en geeft het personeelslid voldoende tijd om de aanvraag tot het bekomen van een fietsvergoeding in te dienen.[49]

    In geval van misbruiken:

    Als wordt vastgesteld dat een personeelslid valse verklaringen aflegt of een wijziging niet tijdig doorgeeft, worden de uitbetaalde bedragen teruggevorderd. Er kunnen ook tuchtsancties overeenkomstig deel VIII van het VPS van 13 januari 2006 worden opgelegd. Valse verklaringen kunnen ook aanleiding geven tot strafrechtelijke vervolging overeenkomstig het Koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen.[49]

    Om de diensten de tijd te geven om de nodige processen uit te werken en om te vermijden dat gedurende hetzelfde jaar twee regelingen moeten worden toegepast, heeft dit artikel uitwerking met ingang van 1 januari 2020. Het recht op een fietsvergoeding bij gebruik van de speed pedelec treedt wel reeds in werking op 1 april 2019.[49]

    naar boven

    Hoofdstuk 5. Woon-werkverkeer in het buitenland[2]

    Toelichting bij Art. VII 103

    Dit artikel bepaalt dat het personeelslid dat in Vlissingen wordt tewerkgesteld, en er niet verblijft recht heeft op de volledige terugbetaling van de verplaatsingskosten met de veerdienst Breskens-Vlissingen (heen en terug) of de kosten voor de Westerscheldetunnel.[2]

    naar boven

    Hoofdstuk 6. Woon-werkverkeer voor personen met een handicap[2]

    Toelichting bij Art. VII 104

    Bepaalde personen met een handicap kunnen ingevolge hun handicap het openbaar vervoer niet gebruiken voor het woon-werkverkeer. Aan de personen die aan de voorwaarden voldoen om over een parkeerkaart uitgereikt door de FOD Sociale Zekerheid te beschikken[6], en de woon-werkverplaatsing met de wagen afleggen, met de taxi, of een ander vervoer (vb. een te betalen dienst die personen met een beperkte mobiliteit van en naar het werk brengt) wordt een vergoeding toegekend die gelijk is aan de kostprijs van een treinkaart tweede klasse over dezelfde afstand. Het percentage ongeschiktheid kan worden aangetoond via een officieel attest van bv. de dienst voor uitkeringen aan personen met een handicap van het Ministerie van Sociale Voorzorg, het Fonds voor Beroepsziekten e.d.[2]

    De voorwaarde van 66% arbeidsongeschiktheid beantwoordde niet aan de doelstelling van deze bepaling, namelijk een tegemoetkoming voorzien voor gehandicapten die niet het openbaar vervoer voor de woon-werkverplaatsing kunnen gebruiken.[6]

    Daarom wordt dit criterium vervangen door de voorwaarde dat het personeelslid ofwel aantoont dat hij over een parkeerkaart beschikt, ofwel een attest voorlegt waaruit volgt dat hij voldoet aan de criteria.[6]

    De quotering met betrekking tot de mobiliteit is immers een belangrijk element voor het uitreiken van zo’n parkeerkaart en sluit dus nauwer aan bij de doelstelling van dit artikel.[6]

    In uitvoering van punt 3.4 van het sectoraal akkoord 2010-2012 wordt de bestaande regeling voor het woon-werkverkeer voor gehandicapten (tegenwaarde treinkaart 2de klasse) vanaf 1/7/2012 uitgebreid tot de personeelsleden die recht hebben op de Vlaamse Ondersteuningspremie en waarbij doorhun handicap het zich verplaatsen in 2de klasse met het openbaar vervoer moeilijk is. Voor wie dit voorzien is als maatregel in het integratieprotocol, wordt een verhoogde tussenkomst tot het equivalent van de kostprijs van een treinkaart 1ste klasse voorzien.[16]

    Het 4de lid van dit artikel voorziet in een decumul tussen de tegemoetkoming aan een gehandicapte voor het woon-werkverkeer die het openbaar vervoer niet kan gebruiken (tegenwaarde treinkaart zelfde afstand) en het ten laste nemen van de kostprijs van een abonnement voor het woon-werkverkeer (artikel VII 95).[32]

    Het "totale woon-werkverkeer" bestaat uit verschillende "deeltrajecten":

    - "voortraject" = traject van woonplaats naar halte openbaar vervoer;
    - "volledig traject" = traject woonplaats – standplaats;
    - "natraject" = traject halte openbaar vervoer naar standplaats.[32]

    De mogelijkheid bestaat dat een gehandicapte het "voortraject" niet met het openbaar vervoer (bus) kan nemen, wegens toegankelijkheid van de bussen van De Lijn. Hij neemt daarom zijn wagen tot aan het station, maar neemt dan wel de trein tot aan de standplaats. In dit geval heeft betrokkene recht op een tegemoetkoming op basis van artikel VII 104 (regeling gehandicapten) maar ook recht op een abonnement openbaar vervoer ten laste van de werkgever (art. VII 95).[32]

    Er is dus geen decumul aangezien het om een ander "deeltraject" van de totale woon-werkverplaatsing gaat.[32]

    Vanaf 1 oktober 2019 (BVR van 6 september 2019) wordt de doelgroep die een vergoeding (gelijk aan de kostprijs van een treinkaart 1ste klasse) krijgt voor de woon-werkverplaatsing met de wagen, uitgebreid naar alle personeelsleden met een handicap of chronische ziekte waarbij de maatregel is opgenomen in het integratieprotocol.[49]

    Aangezien het gaat om het toekennen van een vergoeding voor het dekken van effectieve kosten die in het kader van het woon-werkverkeer worden gemaakt, wordt voorgesteld de vergoeding stop te zetten bij een ononderbroken afwezigheid van één maand.[49]

    naar boven

    Hoofdstuk 7. Tegemoetkoming stoffelijke schade[2]

    Toelichting bij Art. VII 105

    De omzendbrief DVO/BZ/P&O/2007/5 regelt de terugbetaling van de stoffelijke schade aan het eigen voertuig tijdens dienstverplaatsingen voor de personeelsleden van de ministeries van de Vlaamse Gemeenschap.[12]

    Alleen auto”s, bromfietsen, motorfietsen en fietsen zijn verzekerd.[12]

    naar boven

    Hoofdstuk 8. Hospitalisatieverzekering[2]

    Toelichting bij Art. VII 106

    Deze bepaling geeft een statutaire grondslaag aan de afspraak van het sectoraal akkoord 1999-2000 voor de diensten van de Vlaamse regering en sommige VOI van 6 juli 2000 (VR/PV/2000/27-punt 39) dat voorzag dat de Vlaamse regering voor de personeelsleden een hospitalisatieverzekering ten laste van de werkgever zal invoeren.[2]

    In uitvoering van deze bepaling van het sectoraal akkoord werd door de Vlaamse regering dd. 28 september 2001 de polis voor een hospitalisatieverzekering van 1 oktober 2001 tot 31 september 2005 gegund aan AXA Royale Belge NV. Bij beslissing van de Vlaamse Regering van 16 september 2005 werd een nieuwe polis afgesloten van 1 oktober 2005 tot 31 september 2009 bij Fortis AG.[2]

    Gelet op de wetgeving inzake overheidsopdrachten wordt periodiek een nieuwe polis afgesloten waarin de voorwaarden van deze hospitalisatieverzekering bepaald worden.
    Bij elke nieuwe polis worden de voorwaarden herbekeken en eventueel aangepast aan de situatie op de markt van de hospitalisatieverzekeringen.[2]

    naar boven

    Hoofdstuk 9. Rechtsbijstand[2]

    Toelichting bij Art. VII 107

    Deze bepaling voert het sectoraal akkoord 2003-2004 voor de diensten van de Vlaamse regering en sommige VOI uit hierin wordt bepaalt dat de Vlaamse gemeenschap zich engageert om voor haar personeelsleden die vervolgd worden voor daden die zij dienden te stellen vanuit hun openbare functie, te voorzien in de noodzakelijke rechtsbijstand.[2]

    naar boven

    Hoofdstuk 10. Aanvulling uitkering voor een contractueel personeelslid bij de geboorte van een kind[37]

    Toelichting bij Art. VII 108

    Het contractuele personeelslid heeft voor maximaal vijftien weken, in geval van geboorte van één kind, en voor maximaal negentien weken, in geval van geboorte van een meerling, recht op het verschil tussen de moederschapsuitkeringen en het normale nettoloon over dezelfde periode. Dit verschil zal door de werkgever na afloop van het moederschapsrust[9] worden uitbetaald. Het geldt als een "aanvulling van de voordelen, toegekend voor de verschillende takken van sociale zekerheid". Als gevolg hiervan is dat verschil geen loon in de zin van de Loonbeschermingswet van 12 april 1965 (artikel 2, laatste lid, 2°), en moeten er op deze aanvulling geen bijdragen van de sociale zekerheid worden betaald. Op de moederschapsuitkeringen zelf (82 of 75% van het gederfd loon) wordt geen RSZ ingehouden, en geen bedrijfsvoorheffing betaald.[2]

    Aanpassing van het aantal weken waarin aan contractuelen het supplement bij de moederschapsuitkeringen wordt uitbetaald ingevolge de wijziging van het artikel 39 van de Arbeidswet door de wet van 20/7/2006 houdende diverse bepalingen (verlenging van de moederschapsrust met 1 week in geval van 6 of 8 weken ononderbroken arbeidsongeschiktheid vóór de werkelijke bevallingsdatum).[2]

    De nieuwe regeling geldt voor de bevallingen vanaf 1 september 2006.

    Bij verlenging van de postnatale rustperiode in geval van hospitalisatie van het kind na de eerste 7 kalenderdagen vanaf de geboorte, wordt het supplement op de moederschapsuitkeringen gedurende max. 24 weken doorbetaald.[2]

    Er geldt ook een vergelijkbare regeling wat het vader- en geboorteverlof van een contractueel personeel betreft en dat niet wordt doorbetaald door de werkgever.[37]

    Toelichting bij Art. VII 108bis

    Dit artikel voert inzake geboorteverlof een regeling in waarbij voor de dagen die ten laste zijn van de mutualiteit de werkgever een toelage uitbetaalt die het verschil tussen de uitkering en het nettoloon dicht.[37]

    .

    naar boven

    Hoofdstuk 11. Plaats- en tijdsonafhankelijk werken[27]

    Toelichting bij Art. VII 109

    Paragraaf 1: Wat betreft de hoogte van de forfaitaire vergoeding voor het professioneel gebruik van de eigen internetverbinding, aanvaardt zowel de fiscus als de RSZ een vergoeding van € 20 per maand om vrijgesteld te zijn van belastingen en sociale zekerheidsbijdragen.[44]

    De lijnmanager kan aldus een van de volgende beslissingen nemen:

    1° hij kent geen vergoeding toe;

    2° hij neemt de  kostprijs van de internetaansluiting en het internetabonnement ten laste via het derde-betalersysteem;

    3° er wordt forfaitaire vergoeding van 20 euro per maand toegekend voor het professionele gebruik van de eigen internetverbinding van het personeelslid.[44]

    Wat betreft punt 1° (het derde-betalerssysteem) (HB+), wordt sinds november 2016, zowel bij Proximus als Telenet ook een “basic internet” aangeboden, naast de reeds bestaande internetformules.[44]

    Paragraaf 2: De lijnmanager kan aan een personeelslid een forfaitaire vergoeding van 20 euro per maand toekennen indien het personeelslid e tijdens plaats- en tijdsonafhankelijk werken gebruik maakt van een eigen privé aangekocht ICT- toestel. Onder zo’n ICT-toestel kan onder andere een eigen desktop, laptop, of tablet vallen en alle andere toestellen die dezelfde functionaliteiten hebben als de voormelde toestellen.[44]

    Deze toelage kan door de lijnmanager worden toegekend als de volgende twee voorwaarden cumulatief vervult zijn:

    1. het gebruik van een eigen ICT-toestel past binnen het veiligheidsbeleid van een entiteit, raad of instelling. Het is de lijnmanager die beslist of het gebruik van een eigen ICT-toestel past binnen het veiligheidsbeleid;
    2. het personeelslid beschikt niet over een door de werkgever ter beschikking gesteld ICT-toestel dat hij in het kader van PTOW kan gebruiken. Als een personeelslid bijvoorbeeld beschikt over een door de werkgever ter beschikking gestelde laptop of tablet of een ander mobiel toestel, maar verkiest om deze in het kader van PTOW niet mee naar huis te nemen, dan kan er geen vergoeding worden toegekend bij gebruik van eigen ICT-middelen.[44]

    Aangezien een vergoeding een tegemoetkoming is voor een door het personeelslid gemaakte kost en in verhouding moet staan tot deze kost, kan deze vergoeding slechts worden uitbetaald als het personeelslid effectief aan PTOW heeft gedaan en conform de hoger vermelde regels gebruik heeft gemaakt van eigen ICT-middelen tijdens de uitoefening van PTOW.[44]

    naar boven

    Hoofdstuk 12. Maaltijdcheques[6]

    Toelichting bij Art. VII 109bis

    1ste lid. Om niet als loon te worden beschouwd waarop RSZ-bijdragen verschuldigd zijn, zijn in artikel 19bis, § 2 van het koninklijk besluit van 28 november 1969(1) 7 voorwaarden opgesomd waarom cumulatief moet zijn voldaan.[6]

    Eén van de voorwaarden is dat het aantal toegekende maaltijdcheques moet gelijk zijn aan het aantal dagen waarop de werknemer effectief arbeidsprestaties levert. Voorheen was in de RSZ-reglementering een minimumduur van de dagprestatie opgenomen, maar deze werd met het koninklijk besluit van 3 februari 1998(2) opgeheven.[6]

    Historisch gezien werden maaltijdcheques ingevoerd om werknemers die niet over een bedrijfsrestaurant beschikken, de mogelijkheid te geven een warme maaltijd te nuttigen op of toch nabij hun werkplaats. Niet iedere werknemer kan genieten van een lunch in een bedrijfsrestaurant. Die vaststelling gaf aanleiding tot het ontstaan van maaltijdcheques.[6]

    Deze historiek verklaart ook het algemeen principe dat één maaltijdcheque per effectieve werkdag wordt toegekend. Op dagen dat geen prestaties worden verricht stelt het probleem van het nuttigen van een maaltijd zich immers niet. In feite heeft men dus recht op een maaltijdcheque per verplaatsing naar de werkplaats.[6]

    Dit verklaart ook de verschillende behandeling tussen een personeelslid dat deeltijdse prestaties levert (vb. 50%) maar elke dag een halve dag komt werken, of een personeelslid dat de ene week twee dagen werkt en de andere week drie dagen.[6]

    Afwezigheden van een volledige dag die niet als arbeidsprestatie worden beschouwd geven dus geen aanleiding tot de toekenning van een maaltijdcheque (vb. dag jaarlijkse vakantie, ziekteverlof, omstandigheidsverlof enz.).[6]

    In het tweede lid van deze paragraaf worden een aantal personeelscategorieën uitgesloten van het recht op maaltijdcheques:

    - operationele loodsen[18]:
      Gelet op de historiek van het ontstaan van de maaltijdcheques kan het niet toekennen ervan aan voornoemde categorie verantwoord worden. Operationele loodsen krijgen ofwel "gratis" eten aan boord (wettelijke verplichting voor de kapitein) ofwel worden de kosten voor een maaltijd reeds op één of andere manier vergoed.[18]
     

    Gelet op het voorstel inzake de wijziging van het zeegeld worden alle personeelsleden voor de dagen dat ze voeding aan, boord van een vaartuig krijgen ten laste van de begroting van de Vlaamse overheid, uitgesloten van het recht op een maaltijdcheque.[18]

     

    Daartegenover wordt er geen inhouding meer verricht van de kostprijs van de voeding op het dagbedrag zeegeld (zie ook protocolnr. 309.992).[18]

     

    Vierde lid: Naar aanleiding van het ontwerp van ministerieel besluit tot invoering van de maaltijdcheque in elektronische vorm en tot vaststelling van de personeelscategorieën en diensten van de Vlaamse overheid die voor de berekening van het aantal maaltijdcheques een beroep doen op de alternatieve telling, heeft de Raad van State in zijn advies nr. 51.343/3 van 22 mei 2012 een opmerking geformuleerd.[18]

     

     

    - occasionele medewerkers IVA Sport Vlaanderen[34] en gidsen KMSKA:
      Zowel de werkgever als de vakorganisaties hadden een aantal bekommernissen indien maaltijdcheques aan deze categorieën zouden worden toegekend. Het gaat meestal om contracten van zeer korte duur, met prestaties van soms slechts één uur per dag. De meeste lesgevers bij het IVA Sport Vlaanderen[34] zijn bovendien niet gekend bij de RSZ. Dimona is voor hen niet verplicht en er gebeurt geen DMFA-aangifte (max. 25 dagen per jaar is er gen RSZ-onderwerping).
       
    - standplaats Vlissingen[34]:
      In Nederland kent men geen systeem van maaltijdcheques. Personeelsleden die in Nederland werken (standplaats in Vlissingen[34] kunnen bijgevolg geen maaltijdcheque gebruiken voor het nuttigen van een maaltijd op een werkdag (principe van de maaltijdcheque). Daarom krijgen zij geen maaltijdcheques maar een "vervangende" vergoeding (zie artikel VII91bis).
       
    - vertegenwoordigers in het buitenland en het ondersteunend personeel:
      Krijgen ook geen maaltijdcheques, genieten reeds van andere toelagen en vergoedingen.
       
    - de personeelsleden in hun hoedanigheid van huisbewaarder of hun vervangers:
      De meesten hebben naast hun functie van huisbewaarder nog een andere functie binnen de diensten van de Vlaamse overheid op basis waarvan zij wel maaltijdcheques zullen ontvangen. Huisbewaarders hebben bovendien enkel voordelen in natura, zodat er geen inhouding van het werknemersaandeel op hun nettosalaris kan gebeuren.[6]

    Hun vervangers zijn geen personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid en worden uitgesloten.[6]

    2de lid. Het principe van één maaltijdcheque per dag zou voor bepaalde personeelscategorieën nadelig kunnen zijn (vb. continudiensten met 12u prestaties per dag). De RSZ-reglementering voorziet daarom de mogelijkheid van een "alternatieve telling". Met een brief van 28 augustus 2006 bevestigde de RSZ dat dit ook in de openbare sector mag toegepast worden. Het principe is vastgelegd in artikel 19bis, § 2, 2° van het KB van 28/11/1969. Het totaal aantal "effectief" gepresteerde uren tijdens het kwartaal worden gedeeld door het normale aantal arbeidsuren per dag bij de werkgever. Indien deze bewerking een decimaal getal oplevert, wordt het afgerond op de hogere éénheid. Indien het aldus verkregen getal groter is dan het maximum aantal werkbare dagen van de voltijds tewerkgestelde werknemer in het kwartaal, wordt het tot dit laatste beperkt.[6]

    Met betrekking tot de opsomming in het ministerieel besluit van de entiteiten die op 1 april 2012 zijn overgestapt van maaltijdcheques in papieren vorm naar maaltijdcheques in elektronische vorm merkte de Raad van State op dat een minister slechts beschikt over de hem uitdrukkelijk toegewezen bevoegdheden, en niet over een algemene uitvoeringsbevoegdheid. De Raad van State stelde dat ofwel het desbetreffende artikel in het ministerieel besluit moest geschrapt worden, ofwel de Vlaamse regering in een specifieke rechtsgrond moest voorzien, waarbij aan de bevoegde minister de bevoegdheid wordt verleend om deze aangelegenheid te regelen.[18]

    Met de toevoeging van het vierde lid wordt aan de Vlaamse minister van Bestuurszaken deze bevoegdheid verleend.[18]

    Toelichting bij Art. VII 109ter

    In uitvoering van punt 3.7 van het sectoraal akkoord 2010–2012 wordt de nominale waarde van de maaltijdcheques vanaf 1 december 2012 verhoogd tot € 7, via de verhoging van de werkgeversbijdrage met € 2 (van € 3,91 tot € 5,91).[16]

    Dit artikel wijzigt overeenkomstig het bedrag van de werkgeversbijdrage in een maaltijdcheque en het bedrag van de nominale waarde van een maaltijdcheque.[16]

    Evolutie van de maaltijdchequeregeling 

    1. Sectoraal akkoord 2005 - 2007

    De maaltijdcheques werden voor het eerst veralgemeend ingevoerd voor alle personeelsleden vanaf 1 juli 2007 in uitvoering van punt 5.3. van het sectoraal akkoord 2005 – 2007.
    Tot vóór 1 juli 2007 konden in uitvoering van het sectoraal akkoord 2003 – 2004 de entiteiten en/of agentschappen van de Vlaamse overheid, die niet over eigen cateringservice beschikken, eigen initiatieven ontwikkelen binnen hun beschikbare budgettaire middelen.

    Vanaf 1 juli 2007 bedroeg de nominale waarde van een maaltijdcheque € 5 (€ 2,5 werkgeversbijdrage en € 2,5 werknemersbijdrager).

    De entiteiten waar een voordeliger regeling bestond behielden deze regeling.

    Aan operationele loodsen worden geen maaltijdcheques toegekend aangezien elke maaltijd reeds vergoed wordt. Ter compensatie werd het forfaitair bedrag van de reis- en maaltijdkosten met € 25 (100%) verhoogd, tot volgende bedragen:

    Korps

    bedrag tegen 100% per maand

    rivier- en kanaalloodsen

    € 117,50

    Scheldemondenloodsen

    € 220,50

    kustloodsen

    € 85,50

    In Nederland bestaat geen systeem van maaltijdcheques. Personeelsleden met standplaats in Vlissingen of Amsterdam (Brakke Grond) ontvangen in de plaats van maaltijdcheques een vergoeding van 30 euro per maand à 100%.

    2. Sectoraal akkoord 2008 – 2009

    Inzake de maaltijdcheques werd overeengekomen de nominale waarde te behouden op € 5, maar de werknemersbijdrage te minimaliseren tot € 1,09 en de werkgeversbijdrage overeenkomstig op te trekken.

    Deze maatregel werd gefaseerd ingevoerd:
    - op 1 september 2008: verhoging van de werkgeversbijdrage met € 1 tot € 3,50 en vermindering van de werknemersbijdrage met € 1 tot € 1,50;
    - op 1 mei 2009: verhoging van de werkgeversbijdrage met € 0,41 tot € 3,91 en vermindering van de werknemersbijdrage met € 0,41 euro tot € 1,09.

    Wat de personeelsleden die binnen hun agentschap een gunstiger maaltijdche-queregeling hadden (met name De Scheepvaart, FIT, IWT, OVAM, SERV, Syntra Vlaanderen, VMSW, VLAO, VAPH, VMM en W&Z), werd in het sectoraal akkoord  afgesproken dat agentschapspecifiek een compenserende maatregel uitgewerkt zou worden met het oog op een netto koopkrachtverhoging van € 296,1 per jaar.
    Deze maatregel werd eveneens gefaseerd ingevoerd:
    - op 1 september 2008 het equivalent van € 1
    - op 1 mei 2009 het equivalent van € 0,41.

    Na overleg werd vastgesteld dat het niet mogelijk was per entiteit een alternatieve regeling uit te dokteren die volledig in orde is met fiscaliteit en RSZ, en die bovendien de afgesproken nettokoopkrachtverhoging garandeerde, tenzij door een combinatie van verschillende chequeregelingen (sport- en cultuurcheques) enz. 
    Binnen het kader van een regeling conform aan de RSZ-reglementering en fiscaliteit bleef slechts één piste over, nl. die van een compenserende toelage. Dit impliceert dat het nettobedrag wordt “gebruteerd”. Gelet op de verschillende werknemersbijdragen voor RSZ e.d.m. wordt een verschillend maandbedrag voorgesteld voor statutaire en contractuele personeelsleden.  Wat de bedrijfsvoorheffing betreft werd gerekend met een marginale aanslagvoet van 40%.

    De personeelsleden van bovenvermelde agentschappen ontvingen een compenserende toelage waarvan het bedrag als volgt werd bepaald (niet te indexeren bedragen):

    Periode

    Bedrag vast benoemden

    Bedrag contractuelen

    1-9-201-09-2008 tot 30-4-2009

    € 30,50

    € 33,50

    Vanaf 1-5-2009

    € 43,00

    € 47,50

    De personeelsleden van het Vlaams Agentschap voor Ondernemen en Syntra Vlaanderen ontvingen volgende compenserende toelage:

    Periode

    Bedrag vast benoemden

    Bedrag contractuelen

    1-9-201-09-2008 tot 30-4-2009

    € 17,00

    € 18,50

    Vanaf 1-5-2009

    € 29,00

    € 32,50

    Voor de personeelsleden van VLAO en Syntra Vlaanderen werd de koopkrachtverhoging gerealiseerd door enerzijds een “gedeeltelijke” compenserende toelage en anderzijds door het optrekken van de werkgeversbijdrage in de huidige maaltijdchequeregeling.

    3. Sectoraal akkoord 2010 – 2012

    Met ingang van 1 december 2012 werd een nominale waarde van de maaltijdcheque verhoogd tot € 7 (via verhoging van de werkgeversbijdrage).

    De compenserende toelage werd uitdovend gemaakt (personeelsleden die vanaf 1/12/2012 in dienst treden ontvangen de toelage niet meer).

    Samenvattend overzicht waarde maaltijdcheques   

    datum

    Nominale waarde

    WG-bijdrage

    WN-bijdrage

    1/7/2007

    € 5,00

    € 2,50

    € 2,50

    1/9/2008

    € 5,00

    € 3,50

    € 1,50

    1/5/2009

    € 5,00

    € 3,91

    € 1,09

    1/12/2012

    € 7,00

    € 5,91

    € 1,09

    4. Maaltijdcheques en bedrijfsrestaurant

    De RSZ maakt een fundamenteel onderscheid tussen bedrijfsrestaurants waar men maaltijden beneden kostprijs verstrekt, en bedrijfsrestaurants die ten minste de kostprijs van de maaltijd doorrekenen aan de personeelsleden. Onder kostprijs van een maaltijd moet worden verstaan, de totale prijs die de maaltijd aan de werkgever kost (ingrediënten, lonen,...). In algemene zin moet men stellen dat de kostprijs van een normale maaltijd gesitueerd moet worden in de buurt van de maximumtussenkomst van de werkgever in de maaltijdcheque. In deze context is het bedrag van die tussenkomst trapsgewijs omhoog gegaan van 4,91 EUR in 2009 tot 5,91 EUR vanaf 1 januari 2011.

    Het gaat hier om normale maaltijden (soep of klein voorgerecht, (warme) hoofdschotel, nagerecht en drank), niet om snacks of tussendoortjes.
    Als in een bedrijfsrestaurant de maaltijden niet beneden de kostprijs worden aangeboden, is er geen cumulatieprobleem met maaltijdcheques. In dat geval staat het de werknemer vrij de maaltijd al dan niet met een maaltijdcheque te betalen. Betaalt hij met een maaltijdcheque, dan mag er geld worden teruggegeven indien de maaltijd minder kost dan de faciale waarde van de maaltijdcheque.

    Als in een bedrijfsrestaurant de maaltijden wel beneden de kostprijs worden aangeboden, moeten de werknemers die maaltijdcheques ontvangen, verplicht één volledige maaltijdcheque afgeven om een maaltijd te verwerven en mag er geen geld worden teruggegeven.

    Om in regel te zijn met deze RSZ-reglementering werd in de bedrijfsrestaurants van de Vlaamse overheid de prijssetting aangepast, en worden de prijzen per “onderdeel” vastgesteld. Op dit ogenblik worden volgende prijzen gehanteerd:
    -       € 0,5 voor voorgerecht;
    -       € 4 voor hoofdschotel;
    -       € 0,7 voor nagerecht;
    -       € 0,75 voor frisdrank.
    Totaal = € 5,95

    Toelichting bij Art. VII 109quater

    Dit artikel regelt het al dan niet recht hebben op maaltijdcheques bij bepaalde verlofvormen en dienstvrijstellingen.[6]

    Het 1ste lid handelt over de verschillende verlofvormen. Bij verlof voor prestaties bij een externe werkgever, verlof voor opdracht en verlof voor prestaties bij een politieke groep, is als regel gesteld dat er behoud is van het recht op maaltijdcheques indien het salaris door de Vlaamse overheid wordt doorbetaald. De RSZ stelt hieromtrent in een brief van 29 januari 2004 aan de dienst Personeelsregelgeving, dat de oorspronkelijke werkgever verder maaltijdcheques moet toekennen voor de werkelijk gepresteerde arbeidsdagen waarop personeelsleden met verlof voor opdracht zijn bij een andere dienst of instelling. Het gaat immers om prestaties (met lonen en dagen op de RSZ-aangifte) waarvoor de Vlaamse overheid verder de hoedanigheid heeft van werkgever. Met de dienst of instelling waarnaar het personeelslid "gedetacheerd" is moeten de nodige afspraken worden gemaakt zodat het juiste aantal maaltijdcheques kunnen toegekend worden. Er moet tevens over gewaakt worden dat geen maaltijdcheques van 2 verschillende instanties worden verkregen voor dezelfde dagprestatie.[6]

    Het 2de lid handelt over de verschillende vormen van dienstvrijstellingen. Voor het behoud van maaltijdcheques bij dienstvrijstelling werd een onderscheid gemaakt tussen dienstvrijstelling waaraan het personeelslid "vrijwillig" deelneemt(vb. bloed geven, vrijwillige brandweer e.d.) en dienstvrijstellingen die "gelijkgesteld kunnen worden met een arbeidsdag" (vb. sportdag, voorbereiding bevorderingsexamen, teamdag). Ook voor oproeping door het gerecht of oproeping door een andere overheid wordt een maaltijdcheque toegekend.[6]

    In volgende tabel wordt voor de duidelijkheid nog eens een overzicht gegeven van alle mogelijke verlofvormen en dienstvrijstellingen en het al dan niet recht hebben op een maaltijdcheque.[6]

    Artikel VPS Verlofvorm Behoud MC

    VIII, 2, 3°

    Tuchtschorsing

    neen

    Deel IX

    Schorsing in het belang van de dienst

    neen

    X 9 en X 10

    Vakantie

    Neen, behalve halve dag of enkele uren verlof

    X 11

    Wettelijke, decretale en reglementaire feestdagen

    Neen, is steeds volledige dag, tenzij die dag wordt gewerkt (bv. continudiensten)

    X 13 – X 15

    Moederschapsrust

    neen

    X 16

    Opvangverlof

    neen

    X 17 – X 24

    Ziekteverlof

    Neen, tenzij ziekteverlof geen ganse dag duurt

    X 25 – X 17

    Deeltijdse prestaties

    neen, tenzij gedeeltelijke prestaties

    X 28 – X 41

    Loopbaanonderbreking (alle mogelijke vormen))

    Neen, tenzij gedeeltelijke prestaties

    X 42 -  X 43

    Externe werkgever

    Neen, tenzij salaris betaald door DVO

    X 44 – X 48

    Detachering kabinet

    Ja

    X 49 – X 53

    Verlof voor opdracht

    Neen, tenzij salaris betaald door DVO

    X 54

    Terbeschikkingstelling Koning

    ja

    X 55 – X 58

    Verlof politieke groep

    Neen, tenzij salaris betaald door DVO

    X 59 – X 60

    Vormingsverlof

    Ja

    X 61

    omstandigheidsverlof

    Neen, tenzij geen volledige dag

    X 62 – X 63

    Onbetaald verlof

    Neen, tenzij geen volledige dag

    X 65

    Politiek verlof - dienstvrijstelling

    Neen, tenzij geen volledige dag

    X 66

    Facultatief politiek verlof

    Neen, tenzij geen volledige dag

    X 67

    Ambtswege politiek verlof

    Neen, tenzij geen volledige dag

    X 72

    Verlof federale bepalingen

    Neen, tenzij geen volledige dag, wel recht op maaltijdcheque voor vakbondsverlof

     

    Dienstvrijstellingen:

     

    X 73

    vakbondsactiviteiten

    ja

    X 74

    * vrijwilliger brandweer, Rode Kruis e.a.

    Neen, levert geen prestaties, tenzij geen volledige dag

    X 75

    * voorzitter, bijzitter stembureau

    Neen, levert geen prestaties, tenzij geen volledige dag

    X 76

    * onbezoldigd topsporter

    Neen, levert geen prestaties, tenzij geen volledige dag

    X 77

    * afstaan beenmerg of organen

    Neen, levert geen prestaties, tenzij geen volledige dag

    X 78

    * begeleiden gehandicapten en zieke bij reizen

    Neen, levert geen prestaties, tenzij geen volledige dag

    X 79

    * Bloed en plasmadonatie

    Neen, levert geen prestaties, tenzij geen volledige dag

    X 80

    * Prenataal onderzoek

    Neen, levert geen prestaties, tenzij geen volledige dag

    X 80

    * borstvoeding

    Ja

     

    * Voorbereiding bevorderingsexamens

    Ja, kan gelijkgesteld worden met een arbeidsdag

     

    * Preventief medisch onderzoek

    Neen, tenzij op initiatief van de werkgever

     

    * Andere dienstvrijstellingen

    Ja, indien ze gelijkgesteld kunnen worden met een arbeidsdag (vb. sportdag, oproeping medisch onderzoek, teamdag) of de oproeping voor het gerecht of door een andere overheid).

    In uitvoering van de afspraken in het sectoraal akkoord 2005 – 2007 werd geen maaltijdcheque toegekend bij een buitenlandse dienstreis. Dit omwille van de administratieve eenvoud (overnemen bedragen dagvergoeding van FOD Buitenlandse Zaken.[27]

    De RSZ-inspectie ging niet akkoord met deze regeling.[27]

    Artikel 19bis, § 2 van het uitvoeringsbesluit van de RSZ-wet van 28 november 1969 somt de voorwaarden op waaraan de toekenning van maaltijdcheques moet voldoen opdat deze niet als loon zouden beschouwd worden.[27]

    Eén van de voorwaarden is dat het aantal toegekende maaltijdcheques moet gelijk zijn aan het aantal dagen waarop de werknemer arbeid verricht. Naar aanleiding van een controle van de RSZ-inspectie bij Syntra Vlaanderen en Toerisme Vlaanderen, is gebleken dat de RSZ haar eigen reglementering zeer strikt interpreteert.[27]

    Bijgevolg moet ook voor de arbeidsdagen dat men met dienstopdracht in het buitenland is, een maaltijdcheque worden toegekend, en moet het bedrag van de dagelijkse forfaitaire vergoeding verminderd worden met het werkgeversaandeel in de maaltijdcheque.[27]

    De aangepaste regeling heeft uitwerking met ingang van 1 april 2014. Dit is de datum waarop de aangepaste dagbedragen voor buitenlandse dienstreizen in werking treden. Door de toepassing vanaf 1 april 2014 zal de voorgestelde wijziging in overeenstemming zijn met de RSZ-reglementering. Deze stelt dat het in overeenstemming brengen van het aantal maaltijdcheques met het aantal arbeidsdagen moet gebeuren uiterlijk de laatste dag van de eerste maand die volgt op het kwartaal waarop de maaltijdcheques betrekking hebben.[27]

    Er is geen recht op een maaltijdcheque in geval van tuchtschorsing of schorsing in het belang van de dienst.[6]

    In geval van deelname aan een georganiseerde werkonderbreking is er enkel recht op een maaltijdcheque als die dag prestaties worden geleverd. Bij een volledige dag staking is er geen recht op een maaltijdcheque.[6]

    In geval van "lock-out" (men kan het gebouw niet betreden) is er recht op een maaltijdcheque indien het personeelslid niet deelneemt aan de staking en die dag bv. thuiswerkt of de afwezigheid verantwoord wordt door een attest dat me zich heeft aangeboden maar ingevolge overmacht de werkplek niet kon betreden.[6]

    De ganse regeling van de maaltijdcheques werd reeds als voorafname ingevoerd bij rondzendbrief van 28 juni 2007 met kenmerk: DVO/BZ/P&O/2007/14.[6]

    Toelichting bij Art. VII 109quinquies

    Geen commentaar.

    Toelichting bij Art. VII 109sexies

    In Vlimpers zijn er 130 dienstvoertuigen geregistreerd die voor privé-gebruik aangewend worden (betreft de 13 ministeries) en waarvoor de Vlaamse gemeenschap de CO2-taks betaalt en het betrokken personeelslid de bedrijfsvoorheffing.
    Dit aantal toont aan dat er naast het topkader van het N-niveau, nog een grote groep personeelsleden is die momenteel een dienstwagen mag aanwenden voor privégebruik (minstens woonwerkverkeer). 
    Over de samenstelling van deze groep kan het volgende worden gesteld:

    - er zijn contractuele personeelsleden waarbij het voordeel van het privégebruik opgenomen is in de arbeidsovereenkomst; indien dit niet het geval is, kan er toch in hoofde van deze contractuele personeelsleden sprake zijn van feitelijk verworven recht;
    - een aantal gebruiken kunnen functioneel verantwoord worden; zij het dat het vaak niet valt onder "louter functioneel gebruik" zoals omschreven in de Rondzendbrief(3);
    - een aantal andere situaties zijn wellicht historisch gegroeid;
    - tenslotte kan er in enkele situaties sprake zijn van een mondelinge overeenkomst, en zal het voordeel van het privégebruik voortspruiten uit een "deal" om een bepaalde functie uit te oefenen.[9]

    De vraag van de IKW van 10 oktober 2007 om in het VPS een aantal criteria in te schrijven op basis waarvan de functioneel bevoegde minister en de minister bevoegd voor de bestuurszaken per entiteit beslissen over het privégebruik, biedt de mogelijkheid om tegemoet te komen aan een aantal bijzondere situaties.[9]

    Criteria zijn evenwel moeilijk te formuleren. Criteria kunnen eigenlijk maar functiegebonden zijn terwijl dit juist niet het geval is. Vaak betreft het, zoals hoger aangeduid, historisch gegroeide situaties of voordelen die verankerd zijn in een arbeidsovereenkomst. Het lijkt daarom, gelet op de gegeven omstandigheden, best om hiervoor, in het kader van het individueel personeelsbeheer, door de lijnmanager een beslissing te laten nemen. Dit wordt zo opgenomen in het VPS door de wijziging van 29.05.2009.[9]

    Omwille van de transparantie moeten de lijnmanagers nadien aan de functioneel bevoegde minister(s) en de minister van bestuurszaken rapporteren over de wijze waarop ze gebruik hebben gemaakt van de managementsvrijheid om personeelsleden toe te laten gebruik te maken van hun dienstwagen voor privégebruik (zie ook omzendbrief KB/BZ/2017/4 van 24 februari 2017 betreffende de verwerving en vervreemding, gebruik en beheer van dienstvoertuigen ).[9]

    naar boven

    Hoofdstuk 14. Kinderbijslag[12]

    Dit hoofdstuk neemt enkele betalingsmodaliteiten van de kinderbijslag op in het VPS, zodat het KB van 26 maart 1965 betreffende de kinderbijslag voor bepaalde categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel kan worden opgeheven.[12]

    De wet van 4 april 2014 tot wijziging van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders (B.S. 5/5/2014) creëert één wettelijk kader voor werknemers én zelfstandigen.[32]

    De kinderbijslagwet van 19 december 1939 wordt omgevormd tot een "algemene kinderbijslagwet – afgekort AKBW".[32]

    De Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers (RKW) wordt omgevormd tot het "Federaal Agentschap voor de Kinderbijslag – FAMIFED".[32]

    Hierna volgt een vergelijking van de betalingsmodaliteiten van de kinderbijslag tussen:
    - de vorige regeling in het KB van 26 maart 1965;
    - het KB tot wijziging van het KB van 26 maart 1965;
    - de Algemene Kinderbijslagwet (AKBW);[32]
    - voorliggend voorstel van integratie in het VPS.[12]

    Ter informatie enkele definities:

    Rechthebbende

    De persoon wiens arbeidsprestaties recht geven op kinderbijslag (= ons personeelslid, doorgaans de vader)

    Rechtgevende

    Het rechtgevend kind

    Bijslagtrekkende

    De persoon die de kinderen opvoedt (volgens de SWKL doorgaans de moeder (4)

    Vanaf 1/4/2011 wordt de kinderbijslag voor de 13 ministeries door de RKW betaald.[12]

    K.B. van 26 maart 1965
    (vorige regeling)

    KB tot wijziging van het K.B. van 26 maart 1965

    de AKBW[32]

    Voorstel integratie VPS

    1. de laatste werkdag v/d maand (samen met het salaris)

    de laatste werkdag v/d maand

    uiterlijk de 10de dag na de vervallen maand

    de laatste werkdag v/d maand

    2. betaling aan de rechthebbende meestal de vader (maar op louter verzoek aan de moeder)

    betaling aan de bijslagtrekkende

    betaling aan de bijslagtrekkende

    betaling aan de bijslagtrekkende (in overgang aan rechthebbend personeelslid tot 30 juni 2010)

    3. drievoudige kinderbijslag aan de personeelsleden v/h het hoofdbestuur (=ministeries) die hun standplaats in het buitenland hebben

    ongewijzigd

    /

    Status quo

    4. schoolattest: kinderbijslag toegekend tot de kinderen 21 jaar worden (ook als ze geen les meer volgen tenzij ze een winstgevende activiteit uitoefenen)

    toekenning tot 31 augustus van het jaar waarin het kind 18 jaar wordt (tenzij schoolattest)

    toekenning tot 31 augustus van het jaar waarin het kind 18 jaar wordt (tenzij schoolattest)

    toekenning tot 31 augustus van het jaar waarin het kind 18 jaar wordt (tenzij schoolattest). Voor het lopend schooljaar 2009 - 2010: betaling tot 21 jaar zonder schoolattest

    5. voorafbetaald aan een uitdovende categorie van personeelsleden (5)

    betaling na vervallen termijn

    n.v.t.

    overgangsregeling voor de voorafbetaling:1° de kinderbijslag voor maart 2011 wordt uitbetaald op 15 maart 2011;
    2° de kinderbijslag voor april 2011 wordt uitbetaald op 29 april 2011;

    Toelichting bij Art. VII 109septies [54]

    Ingevolge de 6de staatshervorming is elke deelentiteit vanaf 1 januari 2019 bevoegd voor de gezinsbijslagen.

    De reglementering is vastgelegd als volgt:

    - Vlaamse Gemeenschap (Nederlandstalig taalgebied): decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid (B.S. 31 juli 2018);

    - Waalse Gewest (Franstalig taalgebied): decreet van 8 februari 2018 betreffende het beheer en de betaling van de gezinsbijslagen (B.S. 1 maart 2018);

    - Duitstalige Gemeenschap (Duitstalig taalgebied): decreet van 23 april 2018 betreffende de gezinsbijslagen (B.S. 12 juni 2018);

    - Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad): ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag (B.S. 8 mei 2019), gewijzigde regeling pas vanaf 2020.

    Om te bepalen welke regeling van toepassing is, werd op 6 september 2017 een samenwerkingsakkoord gesloten (B.S. 26 januari 2018).

    Artikel 2 van dit samenwerkingsakkoord stelt de aanknopingspunten vast om de uitsluitende bevoegdheid van een deelentiteit te bepalen. Deze aanknopingspunten zijn in volgorde:

    1. de wettelijke woonplaats van het kind;
    2. de verblijfplaats van het kind;
    3. de lokalisatie van de vestigingseenheid (of exploitatiezetel) van de huidige (of laatste) werkgever van de sociaal verzekerde;
    4. de wettelijke woonplaats of laatste verblijfplaats van de sociaal verzekerde in België;
    5. ……..

    Indien er wordt vastgesteld dat er meerdere sociaal verzekerden onder de toepassing van dezelfde aanknopingsfactor vallen, wordt de bevoegdheid van een deelentiteit bepaald door de oudste van hen.[54]

    Toelichting bij Art. VII 109octies [54]

    Dit artikel regelt het “supplement gezinsbijslag" voor bepaalde personeelsleden tewerkgesteld in het buitenland. Het betreft, wat de diensten van de Vlaams overheid aanbelangt:
    - de uitgezonden personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken;
    - de Vlaamse economische vertegenwoordigers en de technologieattaché tewerkgesteld bij FIT.

    Het supplement gezinsbijslag wordt toegekend van zodra deze personeelsleden 6 maanden in het buitenland verblijven, maar dan wel vanaf de eerste dag van tewerkstelling in het buitenland.

    Het supplement wordt enkel toegekend op de gezinsbijslagen die:

    • maandelijks betaald worden;
    • niet-inkomensgerelateerd zijn.

    Er wordt geen toeslag toegekend voor “schoolgerelateerde” uitgaven. Voor schoolkosten bestaat reeds een andere vergoeding (artikel VII 91, 7° VPS).

    Een aantal uitzonderingen worden in het artikel opgenomen.

    Hierna volgt een schematisch overzicht van de elementen waarop het supplement wel en niet wordt toegepast:

    Deelentiteit/

    taalgebied

    Wettelijke basis

    Aard van de bijslag

    Wel supplement

    Geen supplement

    Niet van toepassing

    Nederlands taalgebied

    Decreet van 27/4/2018 (B.S. 31/07/2018)

    Startbedrag geboorte (artikel 9 – 10)

     

    X

     

     

    Startbedrag adoptie (artikel 11)

     

    X

     

     

    Basisbedrag (artikel 13)

    X

     

     

     

    Wezentoeslag één van de ouders overleden (artikel 14 en 15, §1)

    X

     

     

     

    Wezentoeslag beide ouders overleden (artikel 15, §2)

     

     

    X

     

    Zorgtoeslag kinderen met speciale ondersteuningsbehoef-ten (artikel 16)

    X

     

     

     

    Pleegzorgtoeslag (artikel 17)

     

    X

     

     

    Sociale toeslag (artikel 18)

     

    X

     

     

    Universele participatietoeslagen (artikel 19 – 22)

     

    X

     

     

    Selectieve participatietoeslagen (artikel 24 – 50)

     

    X

     

     

    Kinderopvangtoeslag (artikel 51 – 52)

     

    X

     

     

    Kleutertoeslag (artikel 53 – 56)

     

    X

     

    Overgangsbe-palingen

    Kinderbijslag (artikel 210 – 211)

    X

     

     

     

    Leeftijdsbijslag (artikel 212 – 213)

    X

     

     

     

    Kinderbijslag voor wezen (artikel 214 – 217)

    X

     

     

     

    Zorgtoeslag kinderen met specifieke ondersteuningsbehoef-te (artikel 218)

    X

     

     

     

    Pleegzorgtoeslag (artikel 219 – 220)

     

    X

     

     

    Forfaitaire bijslag voor een kind dat in een instelling is geplaatst (artikel 221)

     

    X

     

     

    Sociale toeslagen (artikel 222 – 224)

     

    X

     

     

     

     

     

     

    Duits taalgebied

    Decreet van 23 april 2018 (B.S. 12/06/2018)

    Basiskinderbijslag (artikel 8 – 14)

    X

     

     

     

    Jaarlijkse bijslag (artikel 15 – 16)

     

    X

     

     

    Bijslag voor grote gezinnen (artikel 17 - 18)

     

    X (zie beslissing van het MACO (managementcomité van 14/11/2018 (overeen-komstige componen-ten Vlaamse Regering – grote gezinnen  bestaat in Vlaamse regeling niet)

     

     

    Sociale bijslag (artikel 19 – 20)

     

    X (is maandelijks maar geen supplement – niet voorzien in Vlaanderen - zie beslissing MACO 14/11/18)

     

     

    Bijslag voor kinderen met een beperking (artikel 21 – 22)

    X

     

     

     

    Wezenbijslag volledige wezen (artikel 23 – 24)

     

     

    X

     

    Wezenbijslag halfwezen (artikel 25 – 26)

    X

     

     

     

    Geboortepremie (artikel 30 – 33)

     

    X

     

     

    Adoptiepremie (artikel 34)

     

    X

     

     

     

     

     

     

    Franstalig taalgebied

    Decreet van 8/2/2018 (B.S. 1/03/2018)

    Kraamgeld en adoptiepremie (artikel 7 – 8)

     

    X

     

     

    Basisbedrag (artikel 9, §1)

    X

     

     

     

    Wezenbijslag één ouder (artikel 9, §2)

    X

     

     

     

    Wezenbijslag beide ouders (artikel 9,§2)

     

     

    X

     

    Forfaitaire bijslag bij particulier geplaatst kind (artikel 10)

     

    X

     

     

    Toeslag kinderen minstens 3 kinderen (artikel 11)

     

    X (bestaat in Vlaamse regeling niet  + inkomens-gerelateerd – zie beslissing MACO 14/11/2018

     

     

    Toeslag éénoudergezin (artikel 12)

     

    X

     

     

    Sociale toeslag (artikel 13)

     

    X

     

     

    Toeslag één gezinslid gehandicapt of uitkering (artikel 14)

     

    X (bestaat in Vlaamse Regeling niet – zie beslissing MACO 14/11/2018)

     

     

    Wees van beide ouders (artikel 15)

     

     

    X

     

    Kind met een handicap (artikel 16)

    X

     

     

     

     

    Jaarlijkse leeftijdstoeslag (artikel 17)

     

    X

     

     

     

     

     

     

    Brussels Hoofdstedelijk Gewest

    Ordonnantie van 25 april 2019 (B.S. 8/5/2019) – vanaf 1/1/2020

    Maandelijkse basiskinderbijslag (artikel 7)

    X

     

     

     

    Wezentoeslag (artikel 8)

    X

     

     

     

    Sociale toeslag (artikel 9)

     

    X

     

     

    Toeslag aandoening van het kind (artikel 12)

    X

     

     

     

    Forfaitaire bijslag plaatsing privépersoon (artikel 13)

     

    X

     

     

    Forfaitaire toeslag plaatsing in instelling (artikel 14)

     

    X

     

     

    Jaarlijkse leeftijdsbijslag (artikel 15)

     

    X

     

     

    Kraamgeld (artikel 16)

     

    X

     

     

    Adoptiebijslag (artikel 17)

     

    X

     

     

     

     

     

     

     [54]

    naar boven

    Hoofdstuk 15. Aanvullend pensioen voor de contractuele personeelsleden

    Toelichting bij Art. VII 109novies

    Dit artikel regelt, in uitvoering van artikel 12, tweede lid, van het decreet betreffende het Vlaams Pensioenfonds en het publieke pensioenstelsel voor de werknemers van de diensten van de Vlaamse overheid en andere besturen, de (collectieve) aanvullende pensioentoezegging voor de contractuele personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid (ressorterend onder het VPS) door aan deze contractuele personeelsleden het recht op een aanvullend pensioen (=bijzondere arbeidsvoorwaarde) toe te kennen.[43]

    De essentiële kenmerken van het publiek pensioenstelsel dat voor de diensten van de Vlaamse overheid door een pensioenfonds (het Vlaams Pensioenfonds) zal worden toegekend, zijn vastgesteld in artikel 12, §1, van hoger vermeld decreet. Hierin wordt bepaald dat het aanvullend pensioen:

    1° uitsluitend door de werkgever wordt gefinancierd (100% patronale bijdragen, dus geen werknemersbijdragen);

    2° met vaste bijdragen (het betreft een pensioentoezegging van het type ‘vaste bijdragen’, dus geen ‘te bereiken doel’- of ‘cash balance’-plan).[43]

    De nadere uitwerking in arbeidsvoorwaarden van de kenmerken van het aanvullend pensioenstelsel wordt met dit artikel in de rechtspositie ingeschreven. Dit artikel vormt de basis voor de meer gedetailleerde uitwerking in het pensioenreglement.[43]

    Wat betreft de arbeidsvoorwaarden wordt in deze rechtspositie bepaald:

    1° hoe de vaste bijdrage wordt berekend
    a. op basis van een percentage: het bijdragepercentage wordt bepaald op 3%
    b. toe te passen op volgende berekeningsbasis:

    De berekeningsbasis is het rekenkundig gemiddelde van het voltijdse bruto maandsalaris van de eerste en de laatste tewerkstellingsmaand (formulering rekening houdend met in- en uitdiensttredingen in de loop van het jaar) van het kalenderjaar:

    • verhoogd met de haard- of standplaatstoelage;
    • en vermenigvuldigd met een factor 13,82 ter incorporatie van het vakantiegeld en de eindejaarstoelage (eventuele andere toelagen, zoals bv. prestatietoelagen, toelagen voor specifieke personeelscategorieën, enz., worden niet opgenomen in de berekeningsbasis).

    Het recht op aanvullend pensioen wordt opgebouwd pro rata van de prestaties. Er worden m.a.w. geen pensioenrechten opgebouwd gedurende periodes van onbezoldigde afwezigheid.

    De periodes van (onbezoldigde) afwezigheid ingevolge ziekteverlof (artikel X 17 e.v. VPS),moederschapsrust (artikel X 13 en X 14 VPS) vader- of meemoederschapsverlof (artikel X 15 VPS) en geboorteverlof (artikel X 61bis VPS) worden gelijkgesteld met werkelijk geleverde prestaties.

    Een periode van arbeidsongeval en beroepsziekte wordt beschouwd als ziekteperiode; dit hoeft dan ook niet apart vermeld te worden.
    De gelijkstelling heeft voornamelijk belang voor de onbezoldigde periodes van ziekte en moederschapsrust. In de praktijk betekent dit dat ziekte en moederschapsrust geen impact hebben op de normale aangroei van de pensioenrechten.

    Het recht wordt derhalve niet opgebouwd op basis van het effectief uitbetaalde salaris. De techniek van verrekening van deeltijdse prestaties en onbezoldigde periodes verloopt via een formule die het gemiddelde van het voltijdse bruto maandsalaris van januari en december (of van de 1ste en laatste maand van tewerkstelling om de situaties van in- en uitdiensttredingen correct mee te nemen), vermenigvuldigd met een prestatiebreuk die de verhouding weergeeft van de periodes van deeltijdse prestaties én onbezoldigde periodes (met uitsluiting van de gelijkgestelde periodes) ten opzichte van een voltijdse tewerkstelling.

    2° dat het enkel om een waarborg aanvullend pensioen gaat

    Het pensioenstelsel voorziet in een waarborg ‘aanvullend pensioen’, zoals bepaald in artikel 2, 10° van het decreet, en dus niet in een waarborg voor overlijden (tenzij UKMS, zie verder) of voor invaliditeit.

    3° dat het aanvullend pensioen wordt uitbetaald onder de vorm van een eenmalig kapitaal

    De fiscaliteit van een kapitaalsplan is gunstiger dan van een renteplan. Een kapitaalsplan is bovendien interessant omwille van het feit dat het personeelslid onmiddellijk over het kapitaal beschikt.
    Ingeval van een kapitaalsplan heeft de aangeslotene op grond van artikel 28, §1 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid (hierna verkort geciteerd als de ‘WAP’) wel het recht om de omvorming in een rente te vragen.

    Het moment van uitbetaling (in de rechtspositie algemeen verwoord als ‘bij pensionering’) is wettelijk geregeld, d.i. in beginsel bij de effectieve ingang van het wettelijk rustpensioen met betrekking tot de beroepsactiviteit die aanleiding gaf tot de opbouw van de prestaties (zie art. 27 e.v. WAP). Deze datum wordt nader gepreciseerd in het pensioenreglement.
    Bij uittreding worden de verworven reserves beschikbaar gesteld voor overdracht (zie art. 32 WAP). Bij overlijden van de aangeslotene vóór de pensioenleeftijd is er uitbetaling aan de begunstigde(n).

    In dit laatste geval (bij vroegtijdig overlijden) wordt in de rechtspositie bepaald dat de tot dan opgespaarde reserve uitbetaald wordt (UKMS = Uitgesteld Kapitaal Met terugbetaling van de Spaarreserve).

    Er wordt geen specifieke rendementsgarantie bepaald. Dat betekent dat de wettelijke rendementsgarantie geldt zoals voorzien in artikel 24, §3 WAP (voor 2018 vastgesteld op 1,75%).

    4° wat de aansluitingsvoorwaarden zijn (scope – onmiddellijke aansluiting)

    a. alle contractuele personeelsleden zijn aangesloten, ongeacht of het een contract van bepaalde of onbepaalde duur betreft (=collectief karakter van het Vlaams pensioenstelsel)

    met uitzondering van:

    i. de contractuele personeelsleden met een arbeidsovereenkomst voor studententewerkstelling (=‘jobstudenten’);

    ii. het personeel dat niet onder de Belgische Sociale Zekerheid ressorteert; de facto gaat het over de personeelsleden die aangesloten zijn bij de Dienst Overzeese Sociale Zekerheid en over het naar lokaal recht aangeworven personeel in het buitenland: zij hebben weliswaar een contract met de DVO, maar arbeidsvoorwaarden die (kunnen) afwijken van het VPS en/of een sociale zekerheidsregeling (inclusief eerste pijler) bij de DOSZ of naar buitenlands recht;

    iii. de personeelsleden van Sport Vlaanderen die tewerkgesteld zijn met een arbeidsovereenkomst voor occasioneel personeel (AOP’s, dit zijn contracten voor 1 of enkele dagen): het betreft de occasionele medewerkers van het agentschap Sport Vlaanderen met sporttechnische, sportpedagogische of sportorganisatorische kwalificatie afdelingen Sportkader-opleiding, Sportpromotie en Inspectie en Bloso-centra, zoals bedoeld in artikel 2, §4 van het ministerieel besluit van 14 mei 2008 houdende vaststelling van de bijkomende of specifieke opdrachten bij de diensten van de Vlaamse overheid;

    iv. de occasionele lesgevers van de VDAB, zoals gedefinieerd in artikel 1, 10°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2014 houdende de agentschapsspecifieke regeling van de rechtspositie van het personeel van de VDAB (ASB VDAB), en zoals tevens opgenomen in bijlage 1 (punt 7.3) bij het ministerieel besluit van 14 mei 2008 houdende vaststelling van de bijkomende of specifieke opdrachten bij de diensten van de Vlaamse overheid.

    De personeelscategorieën sub iii en iv zijn in de regelgeving uitgesloten van andere sociale voordelen in het VPS zoals maaltijdcheques (zie voor personeelscategorie iii artikel VII 109bis, tweede lid, 2° VPS en voor personeelscategorie iv artikel 16, tweede lid ASB VDAB) en hospitalisatieverzekering (zie voor personeelscategorie iii de omzendbrief hospitalisatieverzekering en voor personeelscategorie iv artikel 16, eerste lid ASB VDAB).

    De personeelscategorie sub iv heeft bovendien in afwijking van artikel VII 20 en VII 22 van het VPS geen recht op een eindejaarstoelage (zie artikel 13 ASB VDAB).

    De personeelscategorieën sub iii en iv worden gekenmerkt door een hoog aantal tewerkstellingen van sterk wisselende, vaak korte, duur (vaak middels een arbeidsovereenkomst voor een duidelijk omschreven werk) met een hoog aantal loopbaanincidenten (in- en uitdiensttredingen) als gevolg. Deze tewerkstellingen vormen voor betrokkenen ook vaak een bijjob (waarbij men in een groot aantal gevallen op basis van hun hoofdbetrekking recht heeft op hoger genoemde voordelen). Om voormelde redenen is het derhalve niet aangewezen voor deze personeelscategorieën te voorzien in onderhavige tweede pijlerregeling.

    Volledigheidshalve: daarnaast moet voor alle duidelijkheid ook worden gesteld dat het Vlaams aanvullend pensioenstelsel niet van toepassing is op personen die geen arbeidsovereenkomst met de DVO hebben:

    • contracten waarvan de finaliteit ligt bij studie, stages, opleiding, het opdoen van praktijkervaring, e.d. (bv. BIO’s, IBO’s, GIBO’s) -> zijn geen arbeidsovereenkomsten;
    • contracten in het kader van uitzendarbeid -> uitzendkrachten hebben een contract met het uitzendkantoor en hebben een eigen tweede pijlerregeling;
    • CODO’s (contractuelen betaald door het departement Onderwijs) -> vallen niet onder het VPS, maar onder een eigen rechtspositieregeling binnen de onderwijssector waarvan de verloning is geregeld in artikel 98 van de programmawet van 30 december 1988 (BS 5 januari 1989).

    b. met onmiddellijke aansluiting op het moment van indiensttreding (ten vroegste vanaf 1 januari 2018), ongeacht de leeftijd (ook jonger dan 25 jaar -> is een ruimer voordeel dan waartoe de wetgeving werkgevers verplicht)(§4).[43]

    naar boven

    Hoofdstuk 16. Kosten voor de installatie en het jaarlijkse onderhoud van een thuislaadpunt voor volledig elektrische dienstvoertuigen en dienstvoertuigen die plug-in hybrides zijn

    Toelichting bij Art. VII 109decies

    De Vlaamse overheid investeert in de levering, plaatsing en configuratie van oplaadinfrastructuur voor versneld laden. Deze actie kadert in de algemene doelstellingen van het Klimaatplan – doelstelling ‘Mobiliteit’ (VR 2016 1507 DOC. 0887/1bis). De oplaadinfrastructuur wordt geplaatst bij:

    • de N-functie die in het kader van het mobiliteitskrediet kan opteren voor een elektrisch of plug-in hybride voertuig (zie artikel V12bis);
    • het personeelslid dat om functionele redenen over een dienstvoertuig beschikt (artikel VII 109sexies).

      Indien de chauffeur van een N-functie met de dienstwagen van de N-functie naar huis rijdt, en het voertuig moet opladen, krijgt hij een vergoeding zoals bepaald in artikel VII 82bis.[49]

    Deze oplaadinfrastructuur is zowel geschikt voor voertuigen van de Vlaamse overheid als voor voertuigen van private personen.[49]

    Voor werknemers van de Vlaamse overheid die beschikken over een voertuig van de Vlaamse overheid, en welke thuis laden, dient een compensatie voorzien te worden, aangezien het opladen van de batterij van het elektrisch voertuig geschiedt via de aansluiting van en dus op kosten van de private persoon.[49]

    Hierbij horen eveneens afspraken met de werknemer met betrekking tot

    -   De juridische en economische eigendom van de infrastructuur. De Vlaamse overheid blijft eigenaar van de oplaadinfrastructuur en staat in voor het onderhoud en de onderhoudsvergoeding hiervan, maar zal deze apparatuur laten staan op het einde van de arbeidsovereenkomst wegens de kosten verbonden aan het verwijderen, alsook de kosten verbonden aan het herstellen van de oorspronkelijke situatie, en de snelle technologische evolutie in de markt van oplaadinfrastructuur welke maakt dat recuperatie voor hergebruik van deze apparatuur niet verantwoord is. De motivatie hiertoe is dat enkel de oplaadinfrastructuur kan gerecupereerd worden, niet de elektrische bekabeling. Het recupereren van deze infrastructuur geeft aanleiding tot kosten voor weghalen en wederinstaatstelling van het gebouw van de thuislader, terwijl het gerecupereerde toestel wegens ouderdom en slijtage, alsook technologische evolutie, niet zomaar geschikt is voor herplaatsing bij een andere thuislader zonder investeringen die niet opwegen tegen de aanschaf van een nieuw toestel. De tussenkomst van de werkgever voor het technisch onderhoud vervalt, het initiatief hiertoe dient genomen te worden door de betrokken persoon.

    -   Het uitvoeren van de voorbereidende elektrische werken door een aannemer aangeduid door de werknemer, op basis van voorgelegde factuur welke voorgeschoten wordt door de werknemer en terugbetaald wordt door de werkgever. De motivatie hiervoor is het feit dat er wordt ingegrepen op een privatieve installatie, eigendom van de werknemer, voor een opdracht uit hoofde van de werkgever. Gezien de verplichting tot keuring van de installatie, en het feit dat de elektrische installatie onroerend is door bestemming, kunnen dergelijke werken enkel gebeuren in opdracht van de werknemer.[49]

    Indien de Vlaamse overheid niet zou overgaan tot financiering van deze installatie en de nodige werken en onderhoud, is het enige alternatief voor vergoeding van een persoon, die een voertuig van de Vlaamse overheid thuis oplaadt, het uitkeren van een forfaitair bedrag in functie van de aard van het voertuig, nl. een bedrag voor een hybride voertuig of een bedrag voor een vol elektrisch voertuig. Deze forfaitaire bedragen zijn steeds indicatief en zullen moeten evolueren in functie van de snelle technologische ontwikkelingen.[49]

    Dit alternatief van het toekennen van een vergoeding wordt enkel toegepast in volgende twee situaties:

    • als tijdelijke maatregel, in afwachting van de plaatsing van een oplaadpunt voor thuisladen bij een personeelslid die beschikt over een voertuig van de Vlaamse overheid ten persoonlijke titel;
    • sporadisch meenemen van een poolwagen die thuis wordt opgeladen (zie artikel 19).[49]

    De procedurestappen voor de installatie zijn de volgende:

    - de leverancier (Blue Corner – raamcontract HFB) gaat bij het personeelslid na welke elektrische werken moeten uitgevoerd worden voor de installatie;

    - het personeelslid neemt zelf contact op met een elektricien om de werken zoals omschreven door de leverancier, uit te voeren;

    - de elektricien stelt een offerte op en bezorgt deze aan het personeelslid. Het personeelslid dient de offerte in bij de werkgever die deze goed- of afkeurt;

    - de elektricien van het personeelslid voert de werken uit en levert keuring af;

    - het personeelslid betaalt de elektricien en dient de factuur in bij de werkgever;

    - het personeelslid contacteert de leverancier voor de installatie van de laadpaal (maakt een afspraak) en bezorgt een kopie van de keuring;

    - de leverancier komt het thuislaadpunt installeren.[49]

    Op basis van de inschrijvingsprijzen van het raamcontract kan aangegeven worden dat de prijs van een oplaadpunt, naargelang de wijze van uitvoering (enkel of dubbel stopcontact, wallbox of laadpaal) minimum 873 en maximum 2.520 euro excl. BTW bedraagt, geleverd en geplaatst. De jaarlijkse onderhoudskost bedraagt maximum 189 euro excl. BTW. De kostprijs voor schouwing, enkel te innen bij niet-bestelling, bedraagt 150 euro excl. BTW.[49]

    Deze laadinfrastructuur kan ook privatief gebruikt worden door voertuigen van medebewoners en privatieve bezoekers mits dezen beschikken over een eigen laadpas.[49]

    Op de zitting van 2 oktober 2018 heeft de dienst Voorafgaande Beslissingen in Fiscale Zaken beslist dat de financiering door de Vlaamse overheid van de oplaadinfrastructuur bij de werknemer, geen aanleiding geeft tot een bijkomend voordeel van alle aard in hoofde van de werknemer naast het voordeel van alle aard wegens het kosteloos persoonlijk gebruik van de elektrische wagen, overeenkomstig artikel 36 WIB92 (dossier 0316.380.841).[49]

    De financiering van de oplaadinfrastructuur bestaat zowel uit de schouwing, de voorbereidende elektrische werken, de fysieke apparatuur, de levering en plaatsing hiervan, evenals het technisch onderhoud ervan en de terugbetaling van de verbruikte stroom voor het opladen van de ter beschikking gestelde elektrische wagen via dit oplaadpunt.[49]


    (1) Koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.

    (2) Koninklijk besluit van 3 februari 1998 tot wijziging van artikel 19bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.

    (3) Fiscaal gezien wordt de situatie waarbij een werknemer, belast met avonddienst/weekenddienst, met een interventievoertuig naar huis rijdt om dringende oproepen onmiddellijk te kunnen uitvoeren, niet beschouwd als privégebruik.

    (4) Idem voetnoot bij artikel VII 45

    (5) aan de personeelsleden die reeds in juli 1984 genoten van vooruitbetaalde kinderbijslag

    (6) Indien niet aangesloten bij een kinderbijslagfonds binnen de 90 kalenderdagen vanaf het ogenblik dat het EERSTE contractuele personeelslid in dienst treedt bij de instelling met rp, wordt de instelling voor haar contractuelen ambtshalve aangesloten bij de RKW (artikel 34 SWKL)

    (7) In geval van gehuwden of samenwonenden van hetzelfde geslacht: in beginsel de oudste

    (8) Koninklijk besluit van 26 maart 1965 betreffende de kinderbijslag voor bepaalde categorieën van het door de staat bezoldigd personeel alsmede voor de personeelsleden van het operationeel kader en van het administratief en logistiek kader van de korpsen van de lokale politie (dat zal worden gewijzigd)