chat-altchatcrossloginquestion-circlesearchsmileystarthumbup-downwarning
Vlaanderen
Contacteer ons
    Terug naar overzicht Stuur een e-mail

    Stuur een e-mail naar 1700, de informatiedienst voor al uw vragen aan de overheid.
    U ontvangt een kopie van uw bericht.

    Terug naar overzicht Chat met ons
    Uw chatgesprek wordt automatisch gestart zodra er een medewerker beschikbaar is.
    Even geduld, uw positie in de wachtrij wordt bepaald.

    Toelichting bij Deel VII. De verloning - Titel 4

    Titel 4. De sociale voordelen[2]

    Hoofdstuk 1. De vergoeding voor begrafeniskosten[2]

    Toelichting bij Art. VII 92 - 94

    Bij dit artikel wordt bepaald dat als compensatie voor de begrafeniskosten een vergoeding uitgekeerd wordt die overeenstemt met het maandelijks bedrag van de laatste bruto-activiteitsbezoldiging van de ambtenaar.

    Voor het toekennen van de vergoeding wordt het volledige maandelijks bedrag van de bruto-activiteitsbezoldiging in aanmerking genomen. Dit betekent geen rekening wordt gehouden met bijvoorbeeld verlof voor deeltijdse prestaties op het ogenblik van het overlijden van de ambtenaar. (bron: advies afdeling Regelgeving van 12 juni 1998 aan het VIZO)

    Deze bezoldiging omvat, in voorkomend geval, de salariscomplementen en de toelagen die bij het salaris behoren.[2]

    De vergoeding mag het twaalfde niet overschrijden van het bedrag vastgesteld bij toepassing van artikel 39, eerste, derde en vierde lid van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.

    Hierna volgt een overzicht van de evolutie van het maximumbedrag van de vergoeding:

    datum bedrag  
    vanaf 01/01/2007 € 2.867,63  
    vanaf 01/01/2008 € 2.924,99  
    vanaf 01/01/2009 € 3.067,48  
    vanaf 01/01/2011 (B.S. 26/01/2011) € 3.128,83 [9]
    vanaf 01/01/2012 (B.S. 06/04/2012) € 3.150,73 [18]
    vanaf 01/01/2013 (B.S. 25/07/2013) € 3.410,60  
    vanaf 01/01/2016 (B.S. 12/02/2015) € 3.453,54  
    vanaf 01/01/2017 (B.S. 02/02/2017) € 3.522,51

     

    Vanaf 01/01/2018 (B.S. 15/01/2018)     € 3.621,70

    Artikel 39 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bepaalt: "Overschrijdt het jaarloon met ingang van 1 januari 2005 32.106 euro (40.927,18 euro per jaar vanaf 1 januari 2013), dan komt het voor de vaststelling van de vergoedingen en renten, slechts tot het beloop van die som in aanmerking.
    Voor de leerling en voor de minderjarige werknemers die tijdelijk arbeidsongeschikt zijn, kan het in aanmerking te nemen loon niet lager zijn dan 1.487,36 euro per jaar.

    Bovenvermelde loonbedragen worden gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen op de wijze bepaald door de Koning. (cf. het koninklijk besluit van 21 december 1971). De aanpassing van het maximumbedrag van de begrafenisvergoeding is het gevolg van deze koppeling aan de schommelingen van het indexcijfer.

    De Koning kan deze bedragen wijzigen na advies van de Nationale Arbeidsraad.[2]

    In principe wordt de begrafenisvergoeding betaald aan degene die de kosten heeft gedragen. In sommige gevallen kan de bevoegde Vlaamse minister of zijn gemachtigde beslissen dat de begrafenisvergoeding niet wordt toegekend aan de gerechtigde of aan degene die de kosten heeft gedragen.[2]

    Het contractuele personeelslid heeft geen recht op de begrafenisvergoeding[2] (ressorteert wat deze regeling betreft onder de ziekteverzekering), met uitzondering in de hierna vermelde situatie.

    Op basis van artikel 3, 2° a) van de arbeidsongevallenwet van 3 juli 1967 hebben de rechthebbenden van een personeelslid dat overlijdt is ingevolge een arbeidsongeval, recht op een begrafenisvergoeding. Voor contractuele personeelsleden is dit de enige situatie waarbij aan de rechthebbenden een begrafenisvergoeding wordt toegekend. De toekenning gebeurt overeenkomstig dezelfde modaliteiten als de toekenning van de begrafenisvergoeding aan rechthebbenden van  statutairen (artikel 5 van het KB van 24 januari 1969).
    Het recht voor de rechthebbenden van contractuelen die overlijden ingevolge een arbeidsongeval moet niet statutair worden verankerd, aangezien dit recht voortvloeit uit bovenvermelde arbeidsongevallenwet van 3 juli 1967.

    naar boven

    Hoofdstuk 2. Woon-werkverkeer met het openbaar vervoer[2]

    Toelichting bij Art. VII 95

    Voor het woon-werkverkeer met het openbaar vervoer heeft de Vlaamse overheid met zowel de NMBS, De LIJN als de MIVB een overeenkomst "derde-betalerssysteem" gesloten. Met de NMBS werd deze regeling reeds ingevoerd op 15 juni 1992, voor de De Lijn op 1 mei 1994.[2]

    Het derde-betalerssysteem houdt in dat de kostprijs maandelijks door de vervoermaatschappij wordt gefactureerd aan de Vlaamse overheid. Het personeelslid moet bijgevolg geen enkel bedrag meer betalen bij de aanvraag van een eerste abonnement, noch bij de verlenging. Een uitzondering hierop bestaat bij De Lijn, waar het personeelslid bij elke validatie van zijn abonnement 1 euro dient te storten alvorens De Lijn de validatie doorvoert en het abonnement (nieuwe validatie) naar het thuisadres van het personeelslid met de post toestuurt.[2]

    Met de TEC (transport en commun – de Waalse tegenhanger van De Lijn) bestaat dergelijke overeenkomst niet.[2]

    1. woon-werkverkeer met de trein:

    Vanaf 19 maart 2013 heeft de NMBS de MOBIB-kaart ingevoerd. In een eerste fase gebeurt de invoering van MOBIB voor alle abonnementen (één jaar, 3 maanden, maand of week) enkel voor nieuwe abonnees. Voor de bestaande abonnees worden enkel voor de jaarabonnementen vervangen.

    De MOBIB-kaart wordt niet ingevoerd voor de "Railflex" of complexe treinkaarten (vb. via-traject). Deze abonnementen blijven bestaan in papieren vorm.

    De aanvraag van een treinkaart gebeurt door middel van een attest "aanvraag voor een woon-werktreinkaart tegen verminderde prijs derde-betaler"". Dit attest kan bij de MOD van de entiteit worden bekomen.

    Naast dit attest meot het personeelslid (abonnee) zijn elektronische identiteitskaart of een ander document dat zijn identiteit aantoont, kunnen voorleggen. Een pasfoto is niet vereist (ofwel neemt de loketbediende een scan van de identiteitskaart of wordt via webcam ter plaatse een foto genomen).

    De "erewoord"verklaring (onderste luik van dit attest) wordt op het ogenblik dat het attest wordt afgeleverd ter plaatse door het personeelslid ondertekend, en bewaard door de MOD.

    Met het bovenste luik van het attest dient het personeelslid zich naar het loket van de NMBS te begeven om zijn treinkaart aan te vragen.

    Aangezien een treinkaart onmiddellijk wordt aangemaakt is er in principe geen terugbetaling van biljetten meer.

    Na het vervallen van de treinkaart (MOBIB-kaarten vervallen na 5 jaar) moet u aan de hand van een nieuw attest een volledig nieuwe treinkaart aanvragen.

    Het "derde-betalerssystseem" geldt niet alleen voor de gewone treinkaarten (week, maand, 3 maand en jaar) maar ook voor de treinkaart voor deeltijds werkenden (de Railflex).

    Niet alleen de kost van de treinkaart maar ook de aanmaakkost (5 euro voor een MOBIB-kaart) wordt volledig door de Vlaamse overheid ten laste genomen.

    Bij een gemengde treinkaart NMBS-MIVB wordt de pesoonlijke MOBIB-kart (uitgegeven door MIVB dus en vorozien van een foto) gebruikt om het abonnemen NMBS (eventueel in combinatie met MIVB of De Lijn of TEC) op te plaatsen.

    Voor het traject De Lijn/TEC bij de gemengde abonnementen ontvangt de abonnee voorlopig nog een apart valideringsstrookje.

    2. woon-werkverkeer met De Lijn:

    Het personeelslid moet zich bij de aanvraag van een eerste abonnement met een attest uitgereikt door de MOD naar de "lijnwinkel" te begeven en 1 euro betalen. Bij een volgende validatie ontvangt het personeelslid van De Lijn een overschrijvingsformulier om 1 euro te betalen, waarna het abonnement wordt toegestuurd.[2]

    Met betrekking tot de abonnementen van De Lijn moet bovendien worden opgemerkt dat de geldigheid niet beperkt is tot een bepaald traject, maar op alle trajecten van De Lijn (bus en tram) in Vlaanderen en Brussel en dit sedert 1 juli 2002.[2]

    3. woon-werkverkeer MIVB:

    Sinds 1 juni 2010 is de MIVB overgestapt naar de MOBIB-kaart.

    De aanvraag voor een abonnement wordt door de MOD via een excelbestand naar de MIVB opgestuurd en het abonnement wordt aan het personeelslid toegestuurd.

    4. fiscaliteit:

    De fiscale regeling bij gebruik van het openbaar vervoer is afhankelijk van het feit of het personeelslid opteert voor het systeem van de forfaitaire beroepskosten of de beroepskosten bewijst.[2]

    4.1. forfaitaire beroepskosten:

    Het bedrag van de tussenkomst van de werkgever in de kosten van een abonnement openbaar vervoer is volledig vrijgesteld van belastingen.[2]

    De bijdrage van de werkgever in het woon-werkverkeer met het openbaar vervoer wordt wel vermeld op de loonfiche 281.10 (vak 12a code 254). Het personeelslid moet dit zelfde bedrag invullen op de belastingaangifte in vak 1254-07 of 2254-74 (totaal bedrag terugbetaling woon-werkverkeer) maar ook tegenboeken door hetzelfde bedrag te vermelden in vak 1255-06 of 2255-73 (vrijstelling).[2]

    4.2. werkelijke beroepskosten:

    Het personeelslid kan een forfait van 0,15 EUR per afgelegde kilometer in aanmerking nemen als beroepskosten, zonder dat de in aanmerking genomen afstand tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling hoger dan 100 kilometer (inkomstenjaar 2007) mag zijn.[2]

    In dit geval dient het bedrag vermeld op de loonfiche 281.10 (vak 12a code 254) wel te worden vermeld op de belastingsaangifte in vak 1254 of 1255, maar mag het niet worden tegengeboekt door de vermelding in vak 1255 of 2255.[2]

    naar boven

    Hoofdstuk 3. Tegemoetkoming naar een moeilijk bereikbare werkplaats[2]

    Toelichting bij Art. VII 96 - VII 101

    Het personeelslid dat die zijn werkplaats moeilijk of niet met het gemeenschappelijk openbaar vervoer kan bereiken:

    - ofwel omdat de werkplaats te ver van een halte van het gemeenschappelijk openbaar vervoer gelegen is;
    - ofwel wegens de door de overheid opgelegde arbeidstijdregeling;
    - ofwel door de gebrekkige uurregeling van het gemeenschappelijk openbaar vervoer aan de werkplaats;

    heeft recht op een tegemoetkoming zoals bepaald in artikel VII 99, VII 100 of VII 100bis[9].[2]

    Wel worden een aantal personeelscategorieën uitgesloten zoals:

    - de personeelsleden met de functie van operationele loods;
    - de personeelsleden van de winterdienst, omdat deze met een dienstwagen worden opgehaald.[2]

    Tot 1 januari 2001 werd de reistijd voor het woon-werkverkeer van de radarwaarnemers gedeeltelijk aangerekend als arbeidstijd, meer bepaald:

    - aanrekening van 1u45 reistijdcompensatie per prestatie voor de radarwaarnemers tewerkgesteld op de radarcentrale Zandvliet;
    - aanrekening van 0u45 reistijdcompensatie per prestatie voor de radarwaarnemers tewerkgesteld op de radarcentrale Zeebrugge.[2]

    Het personeelsplan voorziet echter niet langer een reistijdcompensatie voor de radarwaarnemers die in dienst treden na 01.01.2001.
    Voor personeelsleden aangeworven vóór deze datum blijft de reistijdcompensatie verder gehandhaafd, dit vanuit historische context dat de al in dienst zijnde personeelsleden in dienst getreden zijn met de overweging dat een reistijdcompensatie geregeld was. Zij blijven derhalve uitgesloten van de tussenkomst voor moeilijk bereikbare arbeidsplaatsen.[2]

    Als moeilijk of niet te bereiken werkplaats worden beschouwd:

    werkplaatsen waarvan de dichtstbijzijnde halte van het gemeenschappelijk openbaar vervoermiddel zich op minimum 3 km van de werkplaats bevindt;

    werkplaatsen die zich op minder dan 3 km van een halte van een openbaar vervoermiddel bevinden maar waar de ambtenaar onder een zodanige arbeidstijdregeling (ploegensysteem) dient te presteren dat het begin en/of einduur buiten de bedieningsuren van het gemeenschappelijk openbaar vervoer vallen;

    werkplaatsen die zich op minder dan 3 km van een halte van een openbaar vervoermiddel bevinden maar waar de frequentie van het openbaar vervoermiddel zo laag is dat de personeelsleden ook bij normale arbeidstijden geen gebruik kunnen maken van het gemeenschappelijk openbaar vervoer. Werkplaatsen met een glijdende arbeidstijdregeling zijn hiervan uitgesloten;

    alle kunstwerken op de scheepvaartwegen die in het kader van de optie 2003 zullen bediend worden hetzij in een regime van 6u. tot 22u., hetzij in een regime van 24u/24u.;

    alle kunstwerken die in het kader van de waterbemeestering onderworpen zijn aan een groepsbediening.[2]

    De werkplaatsen en de praktische modaliteiten worden per entiteit vastgelegd bij dienstorder.[2]

    Er dient te worden opgemerkt dat het wel degelijk de werkplaats moet zijn die moeilijk bereikbaar is en niet de woonplaats. Indien een personeelslid het gemeenschappelijk openbaar vervoer niet kan gebruiken door het feit dat hij afgelegen woont, is dit zijn vrije keuze met alle gevolgen van dien.[2]

    Toelichting bij Art. VII 99

    Er wordt voorrang gegeven aan het organiseren van dienstvervoer, hetzij volledig, hetzij vanaf een verzamelpunt, bijvoorbeeld een halte van het gemeenschappelijk openbaar vervoer.
    Paragraaf 1 bepaalt dat aan de bestuurders van dienstwagens die in het kader van het woon-werkverkeer geregeld andere personeelsleden die de werkplaats niet of moeilijk kunnen bereiken met het openbaar vervoer gaan ophalen, een jaarlijkse forfaitaire toelage van 254 euro (100%) wordt toegekend. De toelage wordt dus enkel uitbetaald aan chauffeurs van dienstwagens die wel degelijk andere personeelsleden die de arbeidsplaats moeilijk of niet met het gemeenschappelijk openbaar vervoer kunnen bereiken, gaan ophalen.
    De ambtenaar die ressorteert onder de specifieke regeling van de winterdienst en buiten deze periode personeelsleden ophaalt ontvangt een jaarlijkse forfaitaire toelage van 127 euro (100%).[2]

    In paragraaf 3 wordt vermeld dat de toelage wordt uitbetaald pro rata van het aantal maanden waarin de ambtenaar in voldoende mate anderen is gaan ophalen. Om de administratieve formaliteiten te beperken, wordt de pro rata berekening niet toegepast gedurende het jaarlijks vakantieverlof en de feestdagen vermeld in titel 2 van deel X van het Vlaams personeelsstatuut voor ambtenaren die normaliter anderen ophalen.[2]

    Deze regeling komt, met uitzondering van een correcte toepassing van de regeling voor de winterdienst en de uitdovende regeling voor sommige bedienaars van de kunstwerken, in de plaats van de regeling van bijkomend verlof a rato van 1,5 minuut per afgelegde kilometer.[2]

    Toelichting bij Art. VII 100

    Bij gebrek aan dienstvervoer heeft het personeelslid dat met een privé- vervoermiddel naar het werk komt, recht op een tegemoetkoming die gelijk is aan de volledige kostprijs van een maandtreinkaart 2e klas voor dezelfde afstand.
    Er is geen pro rata regeling ingeval van onvolledige prestaties.
    Met het oog op het bevorderen van carpooling ontvangen zowel de chauffeur als de passagier(s) deze werkgeversbijdrage.[2]

    In geval van carpooling geldt het gehele traject (met inbegrip van de eventuele omweg om passagiers op te halen) als normale reisweg naar en van het werk, zowel wat de chauffeur als wat de passagier(s) betreft. Het traject voor de passagier neemt pas een aanvang op de plaats waar hij werd opgehaald.[2]

    Er is geen cumulatie mogelijk van de werkgeversbijdrage voor moeilijk bereikbare werkplaatsen en de gewone werkgeversbijdrage in het woon-werkverkeer.
    Personeelsleden die de afstand per fiets overbruggen hebben de keuzemogelijkheid tussen de fietsvergoeding en de werkgeversbijdrage voor moeilijk bereikbare werkplaatsen.[2]

    Toelichting bij Art. VII 100bis

    Artikel VII 96 bepaalt dat het personeelslid dat zijn werkplaats moeilijk of niet met het gemeenschappelijk openbaar vervoer kan bereiken:

    - ofwel omdat de werkplaats te ver ligt van een halte van het gemeenschappelijk openbaar vervoer;
    - ofwel wegens de door de overheid opgelegde arbeidstijdregeling;
    - ofwel door de gebrekkige uurregeling van het gemeenschappelijk openbaar vervoer aan de werkplaats;

    recht heeft op een tegemoetkoming zoals bepaald in artikel VII 99 of VII 100.[9]

    Artikel VII 100 zegt dat bij gebrek aan dienstvervoer het personeelslid dat met een eigen motorvoertuig naar de moeilijk bereikbare werkplaats komt, recht heeft op een tegemoetkoming ten bedrage van de volledige maandelijkse kostprijs van een treinkaart 2e klas voor dezelfde afstand. Ook de eventuele passagiers hebben recht op deze tegemoetkoming.[9]

    Dit forfaitair bedrag op maandbasis kan niet worden toegekend aan personeelsleden die slechts enkele malen per maand verplaatsingen moeten doen naar hun vaste werkplaats met hun eigen wagen wegens het late uur of wegens de frequentie van het openbaar vervoer. Alhoewel nergens strikt bepaald, ging men ervan uit dat een personeelslid ongeveer 15 keer per maand de verplaatsing moest doen om op de tegemoetkoming aanspraak te kunnen maken.[9]

    Ook personeelsleden die evenwel slechts enkele keren per maand de verplaatsing doen, zouden op de forfaitaire tegemoetkoming aanspraak moeten kunnen maken, en dit bij beslissing van het afdelingshoofd. Vandaar de toevoeging van artikel 100bis.[9]

    Toelichting bij Art. VII 101

    voorziet nog in een overgangsregeling voor ambtenaren voor wie thans een gunstigere regeling bestaat.[2]

    naar boven

    Hoofdstuk 4. Toekenning van een fietsvergoeding[2]

    Toelichting bij Art. VII 102

    § 1. In het kader van de administratieve eenvoud werd op 4 juni 1999 bij de invoering van de fietsvergoeding bepaald dat een personeelslid recht had op een fietsvergoeding als hij ten minste 80% van de effectief te werken dagen per maand de fiets gebruikt voor de woon-werkverplaatsing. Hij diende een jaarlijkse erewoordverklaring in te dienen.[9]

    De 80-regel heeft voor gevolg dat:

    - personeelsleden die op structurele basis thuiswerken (1 of meer dagen per week) de 80% grens de facto niet halen (thuiswerk is wel een arbeidsdag maar zonder woonwerkverkeer);
    - een personeelslid dat afwisselend de fiets gebruikt (de ene dag niet de andere dag wel) evenmin de 80% grens haalt, terwijl een personeelslid die de ene maand met de fiets komt en de volgende maand niet, wel aan de voorwaarden voldoet.[9]

    Het effect van thuiswerk wordt vooralsnog niet doorgerekend in de betaling van de fietsvergoeding. Het is de bedoeling dit voortaan wel te doen.[9]

    Om voornoemde problemen op te lossen, wordt van de 80%-regel afgestapt, en wordt met de wijziging van 29.05.2009 bepaald dat vanaf 1 januari 2009 de fietsvergoeding voor het woonwerkverkeer wordt betaald pro rata het gemiddeld aantal dagen per week dat de fiets wordt gebruikt. Het personeelslid zal dit gemiddeld aantal dagen moeten vermelden op zijn jaarlijkse erewoordverklaring. Er komt dus een pro rataberekening bij afwezigheden, zonder onderscheid of het gaat om thuiswerken, af en toe gebruik van de fiets, deeltijdse prestaties enz.[9]

    Op de jaarlijkse erewoordverklaring zal het personeelslid dienen in te schatten hoeveel dagen op "kwartaalbasis" hij de woon-werkverplaatsing aflegt, rekeninghoudend met telethuiswerk, deeltijdse prestaties, af en toe gebruik van de fiets, maar NIET jaarlijkse vakantie of ziekte. De inschatting op kwartaalbasis is de meest correcte omdat het aantal werkdagen per kwartaal identiek is.[9]

    Voor continudiensten blijft de bestaande regeling behouden. Deze personeelsleden dienen nu reeds een maandelijkse verklaring in te dienen, waarop zij vermelden hoeveel dagen per maand de fiets wordt gebruikt.[9]

    § 2. In uitvoering van punt 3.10 van het sectoraal akkoord 2010-2012 wordt de fietsvergoeding voor het woon-werkverkeer met ingang van 1 januari 2013 opgetrokken van € 0,15 per kilometer naar € 0,21 per kilometer.[16] De afstanden van 500 meter en meer worden afgerond naar boven, de afstanden van minder dan 500 meter worden afgerond naar beneden.[2]

    § 3 bepaalt dat geen fietsvergoeding verschuldigd is indien de dagelijkse afstand (enkele rit) minder dan één kilometer bedraagt.[2]

    § 4 bepaalt dat de te betalen vergoeding wordt berekend, pro rata het gemiddeld aantal dagen per kwartaal dat de fiets wordt gebruikt[9]. Indien een personeelslid deeltijdse prestaties verricht aan 80% zal 4/5 van de vergoeding worden betaald indien 4 werkdagen op 5 wordt gewerkt. Indien de arbeidsprestaties 80% bedragen, maar toch alle dagen wordt gewerkt, zal de volledige vergoeding worden toegekend. Afwezigheden (ook onbetaald – voorheen gecontingenteerd verlof) hebben geen invloed op de toegekende vergoeding, behalve als zij een volledige kalendermaand duren (zie paragraaf 5).[2]

    § 5. Voor de continudiensten wordt de fietsvergoeding berekend, afhankelijk van het aantal effectieve arbeidsdagen tijdens een maand dat effectief de fiets werd gebruikt.[2]

    § 6 bepaalt dat de vergoeding niet wordt toegekend voor volledige kalendermaanden waarin geen prestaties worden geleverd. Dus ook bij jaarlijks vakantieverlof dat een aanvang neemt op de eerste dag van een maand en eindigt op de laatste dag van deze maand, wordt geen fietsvergoeding toegekend. Neemt men echter vakantie vanaf de tweede dag van de maand tot de tweede dag van de volgende maand heeft men toch recht op de fietsvergoeding voor beide maanden.[2]

    naar boven

    Hoofdstuk 5. Woon-werkverkeer in het buitenland[2]

    Toelichting bij Art. VII 103

    Dit artikel bepaalt dat het personeelslid dat in Vlissingen wordt tewerkgesteld, en er niet verblijft recht heeft op de volledige terugbetaling van de verplaatsingskosten met de veerdienst Breskens-Vlissingen (heen en terug) of de kosten voor de Westerscheldetunnel.[2]

    naar boven

    Hoofdstuk 6. Woon-werkverkeer voor personen met een handicap[2]

    Toelichting bij Art. VII 104

    Bepaalde personen met een handicap kunnen ingevolge hun handicap het openbaar vervoer niet gebruiken voor het woon-werkverkeer. Aan de personen die aan de voorwaarden voldoen om over een parkeerkaart uitgereikt door de FOD Sociale Zekerheid te beschikken[6], en de woon-werkverplaatsing met de wagen afleggen, met de taxi, of een ander vervoer (vb. een te betalen dienst die personen met een beperkte mobiliteit van en naar het werk brengt) wordt een vergoeding toegekend die gelijk is aan de kostprijs van een treinkaart tweede klasse over dezelfde afstand. Het percentage ongeschiktheid kan worden aangetoond via een officieel attest van bv. de dienst voor uitkeringen aan personen met een handicap van het Ministerie van Sociale Voorzorg, het Fonds voor Beroepsziekten e.d.[2]

    De voorwaarde van 66% arbeidsongeschiktheid beantwoordde niet aan de doelstelling van deze bepaling, namelijk een tegemoetkoming voorzien voor gehandicapten die niet het openbaar vervoer voor de woon-werkverplaatsing kunnen gebruiken.[6]

    Daarom wordt dit criterium vervangen door de voorwaarde dat het personeelslid ofwel aantoont dat hij over een parkeerkaart beschikt, ofwel een attest voorlegt waaruit volgt dat hij voldoet aan de criteria.[6]

    De quotering met betrekking tot de mobiliteit is immers een belangrijk element voor het uitreiken van zo’n parkeerkaart en sluit dus nauwer aan bij de doelstelling van dit artikel.[6]

    In uitvoering van punt 3.4 van het sectoraal akkoord 2010-2012 wordt de bestaande regeling voor het woon-werkverkeer voor gehandicapten (tegenwaarde treinkaart 2de klasse) vanaf 1/7/2012 uitgebreid tot de personeelsleden die recht hebben op de Vlaamse Ondersteuningspremie en waarbij doorhun handicap het zich verplaatsen in 2de klasse met het openbaar vervoer moeilijk is. Voor wie dit voorzien is als maatregel in het integratieprotocol, wordt een verhoogde tussenkomst tot het equivalent van de kostprijs van een treinkaart 1ste klasse voorzien.[16]

    Het 4de lid van dit artikel voorziet in een decumul tussen de tegemoetkoming aan een gehandicapte voor het woon-werkverkeer die het openbaar vervoer niet kan gebruiken (tegenwaarde treinkaart zelfde afstand) en het ten laste nemen van de kostprijs van een abonnement voor het woon-werkverkeer (artikel VII 95).[32]

    Het "totale woon-werkverkeer" bestaat uit verschillende "deeltrajecten":

    - "voortraject" = traject van woonplaats naar halte openbaar vervoer;
    - "volledig traject" = traject woonplaats – standplaats;
    - "natraject" = traject halte openbaar vervoer naar standplaats.[32]

    De mogelijkheid bestaat dat een gehandicapte het "voortraject" niet met het openbaar vervoer (bus) kan nemen, wegens toegankelijkheid van de bussen van De Lijn. Hij neemt daarom zijn wagen tot aan het station, maar neemt dan wel de trein tot aan de standplaats. In dit geval heeft betrokkene recht op een tegemoetkoming op basis van artikel VII 104 (regeling gehandicapten) maar ook recht op een abonnement openbaar vervoer ten laste van de werkgever (art. VII 95).[32]

    Er is dus geen decumul aangezien het om een ander "deeltraject" van de totale woon-werkverplaatsing gaat.[32]

    naar boven

    Hoofdstuk 7. Tegemoetkoming stoffelijke schade[2]

    Toelichting bij Art. VII 105

    De omzendbrief DVO/BZ/P&O/2007/5 regelt de terugbetaling van de stoffelijke schade aan het eigen voertuig tijdens dienstverplaatsingen voor de personeelsleden van de ministeries van de Vlaamse Gemeenschap.[12]

    Alleen auto”s, bromfietsen, motorfietsen en fietsen zijn verzekerd.[12]

    naar boven

    Hoofdstuk 8. Hospitalisatieverzekering[2]

    Toelichting bij Art. VII 106

    Deze bepaling geeft een statutaire grondslaag aan de afspraak van het sectoraal akkoord 1999-2000 voor de diensten van de Vlaamse regering en sommige VOI van 6 juli 2000 (VR/PV/2000/27-punt 39) dat voorzag dat de Vlaamse regering voor de personeelsleden een hospitalisatieverzekering ten laste van de werkgever zal invoeren.[2]

    In uitvoering van deze bepaling van het sectoraal akkoord werd door de Vlaamse regering dd. 28 september 2001 de polis voor een hospitalisatieverzekering van 1 oktober 2001 tot 31 september 2005 gegund aan AXA Royale Belge NV. Bij beslissing van de Vlaamse Regering van 16 september 2005 werd een nieuwe polis afgesloten van 1 oktober 2005 tot 31 september 2009 bij Fortis AG.[2]

    Gelet op de wetgeving inzake overheidsopdrachten wordt periodiek een nieuwe polis afgesloten waarin de voorwaarden van deze hospitalisatieverzekering bepaald worden.
    Bij elke nieuwe polis worden de voorwaarden herbekeken en eventueel aangepast aan de situatie op de markt van de hospitalisatieverzekeringen.[2]

    naar boven

    Hoofdstuk 9. Rechtsbijstand[2]

    Toelichting bij Art. VII 107

    Deze bepaling voert het sectoraal akkoord 2003-2004 voor de diensten van de Vlaamse regering en sommige VOI uit hierin wordt bepaalt dat de Vlaamse gemeenschap zich engageert om voor haar personeelsleden die vervolgd worden voor daden die zij dienden te stellen vanuit hun openbare functie, te voorzien in de noodzakelijke rechtsbijstand.[2]

    naar boven

    Hoofdstuk 10. Aanvulling uitkering voor een contractueel personeelslid bij de geboorte van een kind[37]

    Toelichting bij Art. VII 108

    Het contractuele personeelslid heeft voor maximaal vijftien weken, in geval van geboorte van één kind, en voor maximaal negentien weken, in geval van geboorte van een meerling, recht op het verschil tussen de moederschapsuitkeringen en het normale nettoloon over dezelfde periode. Dit verschil zal door de werkgever na afloop van het moederschapsrust[9] worden uitbetaald. Het geldt als een "aanvulling van de voordelen, toegekend voor de verschillende takken van sociale zekerheid". Als gevolg hiervan is dat verschil geen loon in de zin van de Loonbeschermingswet van 12 april 1965 (artikel 2, laatste lid, 2°), en moeten er op deze aanvulling geen bijdragen van de sociale zekerheid worden betaald. Op de moederschapsuitkeringen zelf (82 of 75% van het gederfd loon) wordt geen RSZ ingehouden, en geen bedrijfsvoorheffing betaald.[2]

    Aanpassing van het aantal weken waarin aan contractuelen het supplement bij de moederschapsuitkeringen wordt uitbetaald ingevolge de wijziging van het artikel 39 van de Arbeidswet door de wet van 20/7/2006 houdende diverse bepalingen (verlenging van de moederschapsrust met 1 week in geval van 6 of 8 weken ononderbroken arbeidsongeschiktheid vóór de werkelijke bevallingsdatum).[2]

    De nieuwe regeling geldt voor de bevallingen vanaf 1 september 2006.

    Bij verlenging van de postnatale rustperiode in geval van hospitalisatie van het kind na de eerste 7 kalenderdagen vanaf de geboorte, wordt het supplement op de moederschapsuitkeringen gedurende max. 24 weken doorbetaald.[2]

    Er geldt ook een vergelijkbare regeling wat het vader- en geboorteverlof van een contractueel personeel betreft en dat niet wordt doorbetaald door de werkgever.[37]

    Toelichting bij Art. VII 108bis

    Dit artikel voert inzake geboorteverlof een regeling in waarbij voor de dagen die ten laste zijn van de mutualiteit de werkgever een toelage uitbetaalt die het verschil tussen de uitkering en het nettoloon dicht.[37]

    .

    naar boven

    Hoofdstuk 11. Plaats- en tijdsonafhankelijk werken[27]

    Toelichting bij Art. VII 109

    Naar aanleiding van de omzendbrief plaats- en tijdsonafhankelijk werken (PTOW - inwerkingtreding: 1 juni 2014) kunnen personeelsleden zowel thuis als op andere locaties (vb. satellietkantoren) hun arbeid verrichten. Doordat geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen “occasioneel” en “structureel” thuiswerk werd artikel VII 109 herschreven in functie van het plaats- en tijdonafhankelijk werken.[27]

    De lijnmanager bepaalt, uitgaande van de functie en de behoeften, welke middelen ten laste worden genomen door de werkgever. Dit hoeft niet noodzakelijk de terugbetaling van de kosten van een internetabonnement te zijn, zoals dit voor “structurele” thuiswerkers vóór de inwerkingtreding van de omzendbrief PTOW het geval is.[27]

    Een derde paragraaf bepaalt dat er geen recht is op andere onkosten. Hiermee wordt statutair het principe verankerd dat het personeelslid bij thuiswerk geen recht heeft op onkostenvergoeding voor bijvoorbeeld verwarming, elektriciteit enz. Dergelijke bepaling is noodzakelijk. Bij gebreke eraan bepaalt artikel 119.6 van de arbeidsovereenkomstenwet immers dat een forfaitair bedrag van 10% van het loon verschuldigd is als vergoeding voor kosten die aan de huisarbeid verschuldigd zijn (zie ook een arrest van het Arbeidshof te Gent van 10 juni 2013).[27]

    naar boven

    Hoofdstuk 12. Maaltijdcheques[6]

    Toelichting bij Art. VII 109bis

    1ste lid. Om niet als loon te worden beschouwd waarop RSZ-bijdragen verschuldigd zijn, zijn in artikel 19bis, § 2 van het koninklijk besluit van 28 november 1969(1) 7 voorwaarden opgesomd waarom cumulatief moet zijn voldaan.[6]

    Eén van de voorwaarden is dat het aantal toegekende maaltijdcheques moet gelijk zijn aan het aantal dagen waarop de werknemer effectief arbeidsprestaties levert. Voorheen was in de RSZ-reglementering een minimumduur van de dagprestatie opgenomen, maar deze werd met het koninklijk besluit van 3 februari 1998(2) opgeheven.[6]

    Historisch gezien werden maaltijdcheques ingevoerd om werknemers die niet over een bedrijfsrestaurant beschikken, de mogelijkheid te geven een warme maaltijd te nuttigen op of toch nabij hun werkplaats. Niet iedere werknemer kan genieten van een lunch in een bedrijfsrestaurant. Die vaststelling gaf aanleiding tot het ontstaan van maaltijdcheques.[6]

    Deze historiek verklaart ook het algemeen principe dat één maaltijdcheque per effectieve werkdag wordt toegekend. Op dagen dat geen prestaties worden verricht stelt het probleem van het nuttigen van een maaltijd zich immers niet. In feite heeft men dus recht op een maaltijdcheque per verplaatsing naar de werkplaats.[6]

    Dit verklaart ook de verschillende behandeling tussen een personeelslid dat deeltijdse prestaties levert (vb. 50%) maar elke dag een halve dag komt werken, of een personeelslid dat de ene week twee dagen werkt en de andere week drie dagen.[6]

    Afwezigheden van een volledige dag die niet als arbeidsprestatie worden beschouwd geven dus geen aanleiding tot de toekenning van een maaltijdcheque (vb. dag jaarlijkse vakantie, ziekteverlof, omstandigheidsverlof enz.).[6]

    In het tweede lid van deze paragraaf worden een aantal personeelscategorieën uitgesloten van het recht op maaltijdcheques:

    - operationele loodsen[18]:
      Gelet op de historiek van het ontstaan van de maaltijdcheques kan het niet toekennen ervan aan voornoemde categorie verantwoord worden. Operationele loodsen krijgen ofwel "gratis" eten aan boord (wettelijke verplichting voor de kapitein) ofwel worden de kosten voor een maaltijd reeds op één of andere manier vergoed.[18]
     

    Gelet op het voorstel inzake de wijziging van het zeegeld worden alle personeelsleden voor de dagen dat ze voeding aan, boord van een vaartuig krijgen ten laste van de begroting van de Vlaamse overheid, uitgesloten van het recht op een maaltijdcheque.[18]

     

    Daartegenover wordt er geen inhouding meer verricht van de kostprijs van de voeding op het dagbedrag zeegeld (zie ook protocolnr. 309.992).[18]

     

    Vierde lid: Naar aanleiding van het ontwerp van ministerieel besluit tot invoering van de maaltijdcheque in elektronische vorm en tot vaststelling van de personeelscategorieën en diensten van de Vlaamse overheid die voor de berekening van het aantal maaltijdcheques een beroep doen op de alternatieve telling, heeft de Raad van State in zijn advies nr. 51.343/3 van 22 mei 2012 een opmerking geformuleerd.[18]

     

     

    - occasionele medewerkers IVA Sport Vlaanderen[34] en gidsen KMSKA:
      Zowel de werkgever als de vakorganisaties hadden een aantal bekommernissen indien maaltijdcheques aan deze categorieën zouden worden toegekend. Het gaat meestal om contracten van zeer korte duur, met prestaties van soms slechts één uur per dag. De meeste lesgevers bij het IVA Sport Vlaanderen[34] zijn bovendien niet gekend bij de RSZ. Dimona is voor hen niet verplicht en er gebeurt geen DMFA-aangifte (max. 25 dagen per jaar is er gen RSZ-onderwerping).
       
    - standplaats Vlissingen[34]:
      In Nederland kent men geen systeem van maaltijdcheques. Personeelsleden die in Nederland werken (standplaats in Vlissingen[34] kunnen bijgevolg geen maaltijdcheque gebruiken voor het nuttigen van een maaltijd op een werkdag (principe van de maaltijdcheque). Daarom krijgen zij geen maaltijdcheques maar een "vervangende" vergoeding (zie artikel VII91bis).
       
    - vertegenwoordigers in het buitenland en het ondersteunend personeel:
      Krijgen ook geen maaltijdcheques, genieten reeds van andere toelagen en vergoedingen.
       
    - de personeelsleden in hun hoedanigheid van huisbewaarder of hun vervangers:
      De meesten hebben naast hun functie van huisbewaarder nog een andere functie binnen de diensten van de Vlaamse overheid op basis waarvan zij wel maaltijdcheques zullen ontvangen. Huisbewaarders hebben bovendien enkel voordelen in natura, zodat er geen inhouding van het werknemersaandeel op hun nettosalaris kan gebeuren.[6]

    Hun vervangers zijn geen personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid en worden uitgesloten.[6]

    2de lid. Het principe van één maaltijdcheque per dag zou voor bepaalde personeelscategorieën nadelig kunnen zijn (vb. continudiensten met 12u prestaties per dag). De RSZ-reglementering voorziet daarom de mogelijkheid van een "alternatieve telling". Met een brief van 28 augustus 2006 bevestigde de RSZ dat dit ook in de openbare sector mag toegepast worden. Het principe is vastgelegd in artikel 19bis, § 2, 2° van het KB van 28/11/1969. Het totaal aantal "effectief" gepresteerde uren tijdens het kwartaal worden gedeeld door het normale aantal arbeidsuren per dag bij de werkgever. Indien deze bewerking een decimaal getal oplevert, wordt het afgerond op de hogere éénheid. Indien het aldus verkregen getal groter is dan het maximum aantal werkbare dagen van de voltijds tewerkgestelde werknemer in het kwartaal, wordt het tot dit laatste beperkt.[6]

    Met betrekking tot de opsomming in het ministerieel besluit van de entiteiten die op 1 april 2012 zijn overgestapt van maaltijdcheques in papieren vorm naar maaltijdcheques in elektronische vorm merkte de Raad van State op dat een minister slechts beschikt over de hem uitdrukkelijk toegewezen bevoegdheden, en niet over een algemene uitvoeringsbevoegdheid. De Raad van State stelde dat ofwel het desbetreffende artikel in het ministerieel besluit moest geschrapt worden, ofwel de Vlaamse regering in een specifieke rechtsgrond moest voorzien, waarbij aan de bevoegde minister de bevoegdheid wordt verleend om deze aangelegenheid te regelen.[18]

    Met de toevoeging van het vierde lid wordt aan de Vlaamse minister van Bestuurszaken deze bevoegdheid verleend.[18]

    Toelichting bij Art. VII 109ter

    In uitvoering van punt 3.7 van het sectoraal akkoord 2010–2012 wordt de nominale waarde van de maaltijdcheques vanaf 1 december 2012 verhoogd tot € 7, via de verhoging van de werkgeversbijdrage met € 2 (van € 3,91 tot € 5,91).[16]

    Dit artikel wijzigt overeenkomstig het bedrag van de werkgeversbijdrage in een maaltijdcheque en het bedrag van de nominale waarde van een maaltijdcheque.[16]

    Evolutie van de maaltijdchequeregeling 

    1. Sectoraal akkoord 2005 - 2007

    De maaltijdcheques werden voor het eerst veralgemeend ingevoerd voor alle personeelsleden vanaf 1 juli 2007 in uitvoering van punt 5.3. van het sectoraal akkoord 2005 – 2007.
    Tot vóór 1 juli 2007 konden in uitvoering van het sectoraal akkoord 2003 – 2004 de entiteiten en/of agentschappen van de Vlaamse overheid, die niet over eigen cateringservice beschikken, eigen initiatieven ontwikkelen binnen hun beschikbare budgettaire middelen.

    Vanaf 1 juli 2007 bedroeg de nominale waarde van een maaltijdcheque € 5 (€ 2,5 werkgeversbijdrage en € 2,5 werknemersbijdrager).

    De entiteiten waar een voordeliger regeling bestond behielden deze regeling.

    Aan operationele loodsen worden geen maaltijdcheques toegekend aangezien elke maaltijd reeds vergoed wordt. Ter compensatie werd het forfaitair bedrag van de reis- en maaltijdkosten met € 25 (100%) verhoogd, tot volgende bedragen:

    Korps

    bedrag tegen 100% per maand

    rivier- en kanaalloodsen

    € 117,50

    Scheldemondenloodsen

    € 220,50

    kustloodsen

    € 85,50

    In Nederland bestaat geen systeem van maaltijdcheques. Personeelsleden met standplaats in Vlissingen of Amsterdam (Brakke Grond) ontvangen in de plaats van maaltijdcheques een vergoeding van 30 euro per maand à 100%.

    2. Sectoraal akkoord 2008 – 2009

    Inzake de maaltijdcheques werd overeengekomen de nominale waarde te behouden op € 5, maar de werknemersbijdrage te minimaliseren tot € 1,09 en de werkgeversbijdrage overeenkomstig op te trekken.

    Deze maatregel werd gefaseerd ingevoerd:
    - op 1 september 2008: verhoging van de werkgeversbijdrage met € 1 tot € 3,50 en vermindering van de werknemersbijdrage met € 1 tot € 1,50;
    - op 1 mei 2009: verhoging van de werkgeversbijdrage met € 0,41 tot € 3,91 en vermindering van de werknemersbijdrage met € 0,41 euro tot € 1,09.

    Wat de personeelsleden die binnen hun agentschap een gunstiger maaltijdche-queregeling hadden (met name De Scheepvaart, FIT, IWT, OVAM, SERV, Syntra Vlaanderen, VMSW, VLAO, VAPH, VMM en W&Z), werd in het sectoraal akkoord  afgesproken dat agentschapspecifiek een compenserende maatregel uitgewerkt zou worden met het oog op een netto koopkrachtverhoging van € 296,1 per jaar.
    Deze maatregel werd eveneens gefaseerd ingevoerd:
    - op 1 september 2008 het equivalent van € 1
    - op 1 mei 2009 het equivalent van € 0,41.

    Na overleg werd vastgesteld dat het niet mogelijk was per entiteit een alternatieve regeling uit te dokteren die volledig in orde is met fiscaliteit en RSZ, en die bovendien de afgesproken nettokoopkrachtverhoging garandeerde, tenzij door een combinatie van verschillende chequeregelingen (sport- en cultuurcheques) enz. 
    Binnen het kader van een regeling conform aan de RSZ-reglementering en fiscaliteit bleef slechts één piste over, nl. die van een compenserende toelage. Dit impliceert dat het nettobedrag wordt “gebruteerd”. Gelet op de verschillende werknemersbijdragen voor RSZ e.d.m. wordt een verschillend maandbedrag voorgesteld voor statutaire en contractuele personeelsleden.  Wat de bedrijfsvoorheffing betreft werd gerekend met een marginale aanslagvoet van 40%.

    De personeelsleden van bovenvermelde agentschappen ontvingen een compenserende toelage waarvan het bedrag als volgt werd bepaald (niet te indexeren bedragen):

    Periode

    Bedrag vast benoemden

    Bedrag contractuelen

    1-9-201-09-2008 tot 30-4-2009

    € 30,50

    € 33,50

    Vanaf 1-5-2009

    € 43,00

    € 47,50

    De personeelsleden van het Vlaams Agentschap voor Ondernemen en Syntra Vlaanderen ontvingen volgende compenserende toelage:

    Periode

    Bedrag vast benoemden

    Bedrag contractuelen

    1-9-201-09-2008 tot 30-4-2009

    € 17,00

    € 18,50

    Vanaf 1-5-2009

    € 29,00

    € 32,50

    Voor de personeelsleden van VLAO en Syntra Vlaanderen werd de koopkrachtverhoging gerealiseerd door enerzijds een “gedeeltelijke” compenserende toelage en anderzijds door het optrekken van de werkgeversbijdrage in de huidige maaltijdchequeregeling.

    3. Sectoraal akkoord 2010 – 2012

    Met ingang van 1 december 2012 werd een nominale waarde van de maaltijdcheque verhoogd tot € 7 (via verhoging van de werkgeversbijdrage).

    De compenserende toelage werd uitdovend gemaakt (personeelsleden die vanaf 1/12/2012 in dienst treden ontvangen de toelage niet meer).

    Samenvattend overzicht waarde maaltijdcheques   

    datum

    Nominale waarde

    WG-bijdrage

    WN-bijdrage

    1/7/2007

    € 5,00

    € 2,50

    € 2,50

    1/9/2008

    € 5,00

    € 3,50

    € 1,50

    1/5/2009

    € 5,00

    € 3,91

    € 1,09

    1/12/2012

    € 7,00

    € 5,91

    € 1,09

    4. Maaltijdcheques en bedrijfsrestaurant

    De RSZ maakt een fundamenteel onderscheid tussen bedrijfsrestaurants waar men maaltijden beneden kostprijs verstrekt, en bedrijfsrestaurants die ten minste de kostprijs van de maaltijd doorrekenen aan de personeelsleden. Onder kostprijs van een maaltijd moet worden verstaan, de totale prijs die de maaltijd aan de werkgever kost (ingrediënten, lonen,...). In algemene zin moet men stellen dat de kostprijs van een normale maaltijd gesitueerd moet worden in de buurt van de maximumtussenkomst van de werkgever in de maaltijdcheque. In deze context is het bedrag van die tussenkomst trapsgewijs omhoog gegaan van 4,91 EUR in 2009 tot 5,91 EUR vanaf 1 januari 2011.

    Het gaat hier om normale maaltijden (soep of klein voorgerecht, (warme) hoofdschotel, nagerecht en drank), niet om snacks of tussendoortjes.
    Als in een bedrijfsrestaurant de maaltijden niet beneden de kostprijs worden aangeboden, is er geen cumulatieprobleem met maaltijdcheques. In dat geval staat het de werknemer vrij de maaltijd al dan niet met een maaltijdcheque te betalen. Betaalt hij met een maaltijdcheque, dan mag er geld worden teruggegeven indien de maaltijd minder kost dan de faciale waarde van de maaltijdcheque.

    Als in een bedrijfsrestaurant de maaltijden wel beneden de kostprijs worden aangeboden, moeten de werknemers die maaltijdcheques ontvangen, verplicht één volledige maaltijdcheque afgeven om een maaltijd te verwerven en mag er geen geld worden teruggegeven.

    Om in regel te zijn met deze RSZ-reglementering werd in de bedrijfsrestaurants van de Vlaamse overheid de prijssetting aangepast, en worden de prijzen per “onderdeel” vastgesteld. Op dit ogenblik worden volgende prijzen gehanteerd:
    -       € 0,5 voor voorgerecht;
    -       € 4 voor hoofdschotel;
    -       € 0,7 voor nagerecht;
    -       € 0,75 voor frisdrank.
    Totaal = € 5,95

    Toelichting bij Art. VII 109quater

    Dit artikel regelt het al dan niet recht hebben op maaltijdcheques bij bepaalde verlofvormen en dienstvrijstellingen.[6]

    Het 1ste lid handelt over de verschillende verlofvormen. Bij verlof voor prestaties bij een externe werkgever, verlof voor opdracht en verlof voor prestaties bij een politieke groep, is als regel gesteld dat er behoud is van het recht op maaltijdcheques indien het salaris door de Vlaamse overheid wordt doorbetaald. De RSZ stelt hieromtrent in een brief van 29 januari 2004 aan de dienst Personeelsregelgeving, dat de oorspronkelijke werkgever verder maaltijdcheques moet toekennen voor de werkelijk gepresteerde arbeidsdagen waarop personeelsleden met verlof voor opdracht zijn bij een andere dienst of instelling. Het gaat immers om prestaties (met lonen en dagen op de RSZ-aangifte) waarvoor de Vlaamse overheid verder de hoedanigheid heeft van werkgever. Met de dienst of instelling waarnaar het personeelslid "gedetacheerd" is moeten de nodige afspraken worden gemaakt zodat het juiste aantal maaltijdcheques kunnen toegekend worden. Er moet tevens over gewaakt worden dat geen maaltijdcheques van 2 verschillende instanties worden verkregen voor dezelfde dagprestatie.[6]

    Het 2de lid handelt over de verschillende vormen van dienstvrijstellingen. Voor het behoud van maaltijdcheques bij dienstvrijstelling werd een onderscheid gemaakt tussen dienstvrijstelling waaraan het personeelslid "vrijwillig" deelneemt(vb. bloed geven, vrijwillige brandweer e.d.) en dienstvrijstellingen die "gelijkgesteld kunnen worden met een arbeidsdag" (vb. sportdag, voorbereiding bevorderingsexamen, teamdag). Ook voor oproeping door het gerecht of oproeping door een andere overheid wordt een maaltijdcheque toegekend.[6]

    In volgende tabel wordt voor de duidelijkheid nog eens een overzicht gegeven van alle mogelijke verlofvormen en dienstvrijstellingen en het al dan niet recht hebben op een maaltijdcheque.[6]

    Artikel VPS Verlofvorm Behoud MC

    VIII, 2, 3°

    Tuchtschorsing

    neen

    Deel IX

    Schorsing in het belang van de dienst

    neen

    X 9 en X 10

    Vakantie

    Neen, behalve halve dag of enkele uren verlof

    X 11

    Wettelijke, decretale en reglementaire feestdagen

    Neen, is steeds volledige dag, tenzij die dag wordt gewerkt (bv. continudiensten)

    X 13 – X 15

    Moederschapsrust

    neen

    X 16

    Opvangverlof

    neen

    X 17 – X 24

    Ziekteverlof

    Neen, tenzij ziekteverlof geen ganse dag duurt

    X 25 – X 17

    Deeltijdse prestaties

    neen, tenzij gedeeltelijke prestaties

    X 28 – X 41

    Loopbaanonderbreking (alle mogelijke vormen))

    Neen, tenzij gedeeltelijke prestaties

    X 42 -  X 43

    Externe werkgever

    Neen, tenzij salaris betaald door DVO

    X 44 – X 48

    Detachering kabinet

    Ja

    X 49 – X 53

    Verlof voor opdracht

    Neen, tenzij salaris betaald door DVO

    X 54

    Terbeschikkingstelling Koning

    ja

    X 55 – X 58

    Verlof politieke groep

    Neen, tenzij salaris betaald door DVO

    X 59 – X 60

    Vormingsverlof

    Ja

    X 61

    omstandigheidsverlof

    Neen, tenzij geen volledige dag

    X 62 – X 63

    Onbetaald verlof

    Neen, tenzij geen volledige dag

    X 65

    Politiek verlof - dienstvrijstelling

    Neen, tenzij geen volledige dag

    X 66

    Facultatief politiek verlof

    Neen, tenzij geen volledige dag

    X 67

    Ambtswege politiek verlof

    Neen, tenzij geen volledige dag

    X 72

    Verlof federale bepalingen

    Neen, tenzij geen volledige dag, wel recht op maaltijdcheque voor vakbondsverlof

     

    Dienstvrijstellingen:

     

    X 73

    vakbondsactiviteiten

    ja

    X 74

    * vrijwilliger brandweer, Rode Kruis e.a.

    Neen, levert geen prestaties, tenzij geen volledige dag

    X 75

    * voorzitter, bijzitter stembureau

    Neen, levert geen prestaties, tenzij geen volledige dag

    X 76

    * onbezoldigd topsporter

    Neen, levert geen prestaties, tenzij geen volledige dag

    X 77

    * afstaan beenmerg of organen

    Neen, levert geen prestaties, tenzij geen volledige dag

    X 78

    * begeleiden gehandicapten en zieke bij reizen

    Neen, levert geen prestaties, tenzij geen volledige dag

    X 79

    * Bloed en plasmadonatie

    Neen, levert geen prestaties, tenzij geen volledige dag

    X 80

    * Prenataal onderzoek

    Neen, levert geen prestaties, tenzij geen volledige dag

    X 80

    * borstvoeding

    Ja

     

    * Voorbereiding bevorderingsexamens

    Ja, kan gelijkgesteld worden met een arbeidsdag

     

    * Preventief medisch onderzoek

    Neen, tenzij op initiatief van de werkgever

     

    * Andere dienstvrijstellingen

    Ja, indien ze gelijkgesteld kunnen worden met een arbeidsdag (vb. sportdag, oproeping medisch onderzoek, teamdag) of de oproeping voor het gerecht of door een andere overheid).

    In uitvoering van de afspraken in het sectoraal akkoord 2005 – 2007 werd geen maaltijdcheque toegekend bij een buitenlandse dienstreis. Dit omwille van de administratieve eenvoud (overnemen bedragen dagvergoeding van FOD Buitenlandse Zaken.[27]

    De RSZ-inspectie ging niet akkoord met deze regeling.[27]

    Artikel 19bis, § 2 van het uitvoeringsbesluit van de RSZ-wet van 28 november 1969 somt de voorwaarden op waaraan de toekenning van maaltijdcheques moet voldoen opdat deze niet als loon zouden beschouwd worden.[27]

    Eén van de voorwaarden is dat het aantal toegekende maaltijdcheques moet gelijk zijn aan het aantal dagen waarop de werknemer arbeid verricht. Naar aanleiding van een controle van de RSZ-inspectie bij Syntra Vlaanderen en Toerisme Vlaanderen, is gebleken dat de RSZ haar eigen reglementering zeer strikt interpreteert.[27]

    Bijgevolg moet ook voor de arbeidsdagen dat men met dienstopdracht in het buitenland is, een maaltijdcheque worden toegekend, en moet het bedrag van de dagelijkse forfaitaire vergoeding verminderd worden met het werkgeversaandeel in de maaltijdcheque.[27]

    De aangepaste regeling heeft uitwerking met ingang van 1 april 2014. Dit is de datum waarop de aangepaste dagbedragen voor buitenlandse dienstreizen in werking treden. Door de toepassing vanaf 1 april 2014 zal de voorgestelde wijziging in overeenstemming zijn met de RSZ-reglementering. Deze stelt dat het in overeenstemming brengen van het aantal maaltijdcheques met het aantal arbeidsdagen moet gebeuren uiterlijk de laatste dag van de eerste maand die volgt op het kwartaal waarop de maaltijdcheques betrekking hebben.[27]

    Er is geen recht op een maaltijdcheque in geval van tuchtschorsing of schorsing in het belang van de dienst.[6]

    In geval van deelname aan een georganiseerde werkonderbreking is er enkel recht op een maaltijdcheque als die dag prestaties worden geleverd. Bij een volledige dag staking is er geen recht op een maaltijdcheque.[6]

    In geval van "lock-out" (men kan het gebouw niet betreden) is er recht op een maaltijdcheque indien het personeelslid niet deelneemt aan de staking en die dag bv. thuiswerkt of de afwezigheid verantwoord wordt door een attest dat me zich heeft aangeboden maar ingevolge overmacht de werkplek niet kon betreden.[6]

    De ganse regeling van de maaltijdcheques werd reeds als voorafname ingevoerd bij rondzendbrief van 28 juni 2007 met kenmerk: DVO/BZ/P&O/2007/14.[6]

    Toelichting bij Art. VII 109quinquies

    Geen commentaar.

    Toelichting bij Art. VII 109sexies

    In Vlimpers zijn er 130 dienstvoertuigen geregistreerd die voor privé-gebruik aangewend worden (betreft de 13 ministeries) en waarvoor de Vlaamse gemeenschap de CO2-taks betaalt en het betrokken personeelslid de bedrijfsvoorheffing.
    Dit aantal toont aan dat er naast het topkader van het N-niveau, nog een grote groep personeelsleden is die momenteel een dienstwagen mag aanwenden voor privégebruik (minstens woonwerkverkeer). 
    Over de samenstelling van deze groep kan het volgende worden gesteld:

    - er zijn contractuele personeelsleden waarbij het voordeel van het privégebruik opgenomen is in de arbeidsovereenkomst; indien dit niet het geval is, kan er toch in hoofde van deze contractuele personeelsleden sprake zijn van feitelijk verworven recht;
    - een aantal gebruiken kunnen functioneel verantwoord worden; zij het dat het vaak niet valt onder "louter functioneel gebruik" zoals omschreven in de Rondzendbrief(3);
    - een aantal andere situaties zijn wellicht historisch gegroeid;
    - tenslotte kan er in enkele situaties sprake zijn van een mondelinge overeenkomst, en zal het voordeel van het privégebruik voortspruiten uit een "deal" om een bepaalde functie uit te oefenen.[9]

    De vraag van de IKW van 10 oktober 2007 om in het VPS een aantal criteria in te schrijven op basis waarvan de functioneel bevoegde minister en de minister bevoegd voor de bestuurszaken per entiteit beslissen over het privégebruik, biedt de mogelijkheid om tegemoet te komen aan een aantal bijzondere situaties.[9]

    Criteria zijn evenwel moeilijk te formuleren. Criteria kunnen eigenlijk maar functiegebonden zijn terwijl dit juist niet het geval is. Vaak betreft het, zoals hoger aangeduid, historisch gegroeide situaties of voordelen die verankerd zijn in een arbeidsovereenkomst. Het lijkt daarom, gelet op de gegeven omstandigheden, best om hiervoor, in het kader van het individueel personeelsbeheer, door de lijnmanager een beslissing te laten nemen. Dit wordt zo opgenomen in het VPS door de wijziging van 29.05.2009.[9]

    Omwille van de transparantie moeten de lijnmanagers nadien aan de functioneel bevoegde minister(s) en de minister van bestuurszaken rapporteren over de wijze waarop ze gebruik hebben gemaakt van de managementsvrijheid om personeelsleden toe te laten gebruik te maken van hun dienstwagen voor privégebruik (zie ook omzendbrief KB/BZ/2017/4 van 24 februari 2017 betreffende de verwerving en vervreemding, gebruik en beheer van dienstvoertuigen ).[9]

    naar boven

    Hoofdstuk 14. Kinderbijslag[12]

    Dit hoofdstuk neemt enkele betalingsmodaliteiten van de kinderbijslag op in het VPS, zodat het KB van 26 maart 1965 betreffende de kinderbijslag voor bepaalde categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel kan worden opgeheven.[12]

    De wet van 4 april 2014 tot wijziging van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders (B.S. 5/5/2014) creëert één wettelijk kader voor werknemers én zelfstandigen.[32]

    De kinderbijslagwet van 19 december 1939 wordt omgevormd tot een "algemene kinderbijslagwet – afgekort AKBW".[32]

    De Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers (RKW) wordt omgevormd tot het "Federaal Agentschap voor de Kinderbijslag – FAMIFED".[32]

    Hierna volgt een vergelijking van de betalingsmodaliteiten van de kinderbijslag tussen:
    - de vorige regeling in het KB van 26 maart 1965;
    - het KB tot wijziging van het KB van 26 maart 1965;
    - de Algemene Kinderbijslagwet (AKBW);[32]
    - voorliggend voorstel van integratie in het VPS.[12]

    Ter informatie enkele definities:

    Rechthebbende

    De persoon wiens arbeidsprestaties recht geven op kinderbijslag (= ons personeelslid, doorgaans de vader)

    Rechtgevende

    Het rechtgevend kind

    Bijslagtrekkende

    De persoon die de kinderen opvoedt (volgens de SWKL doorgaans de moeder (4)

    Vanaf 1/4/2011 wordt de kinderbijslag voor de 13 ministeries door de RKW betaald.[12]

    K.B. van 26 maart 1965
    (vorige regeling)

    KB tot wijziging van het K.B. van 26 maart 1965

    de AKBW[32]

    Voorstel integratie VPS

    1. de laatste werkdag v/d maand (samen met het salaris)

    de laatste werkdag v/d maand

    uiterlijk de 10de dag na de vervallen maand

    de laatste werkdag v/d maand

    2. betaling aan de rechthebbende meestal de vader (maar op louter verzoek aan de moeder)

    betaling aan de bijslagtrekkende

    betaling aan de bijslagtrekkende

    betaling aan de bijslagtrekkende (in overgang aan rechthebbend personeelslid tot 30 juni 2010)

    3. drievoudige kinderbijslag aan de personeelsleden v/h het hoofdbestuur (=ministeries) die hun standplaats in het buitenland hebben

    ongewijzigd

    /

    Status quo

    4. schoolattest: kinderbijslag toegekend tot de kinderen 21 jaar worden (ook als ze geen les meer volgen tenzij ze een winstgevende activiteit uitoefenen)

    toekenning tot 31 augustus van het jaar waarin het kind 18 jaar wordt (tenzij schoolattest)

    toekenning tot 31 augustus van het jaar waarin het kind 18 jaar wordt (tenzij schoolattest)

    toekenning tot 31 augustus van het jaar waarin het kind 18 jaar wordt (tenzij schoolattest). Voor het lopend schooljaar 2009 - 2010: betaling tot 21 jaar zonder schoolattest

    5. voorafbetaald aan een uitdovende categorie van personeelsleden (5)

    betaling na vervallen termijn

    n.v.t.

    overgangsregeling voor de voorafbetaling:1° de kinderbijslag voor maart 2011 wordt uitbetaald op 15 maart 2011;
    2° de kinderbijslag voor april 2011 wordt uitbetaald op 29 april 2011;

    Toelichting bij Art. VII 109septies.

    § 1. Overeenkomstig artikel 18 (eerste zin) van de samengeordende wetten inzake kinderbijslag voor loonarbeiders (SWKL) verlenen de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten de kinderbijslag, het kraamgeld en de adoptiepremie rechtstreeks aan hun personeel, en sluiten zij zich dus niet aan bij een kinderbijslagfonds. Het bedrag en de voorwaarden waaronder dit gebeurt, moeten tenminste even gunstig zijn als die van de bijslag verplicht uitgekeerd door de kinderbijslagfondsen (overeenkomstig de SWKL). Om aan deze voorwaarde te voldoen wordt bepaald dat de kinderbijslag, adoptiepremie en geboortepremie wordt toegekend overeenkomstig de bedragen en voorwaarden van de SWKL.[12]

    De samenlezing van de SWKL (artikel 18 - tweede zin - en 101) en de wet van 28 april 1958 ("pool der parastatalen") leidt tot volgend overzicht inzake de betaling:[12]

     

    Statutair

    contractueel

    GECO

    ministeries

    Zelf betalen (art. 18 SWKL) of RKW op grond van art. 101, 9°, 2de lid SWKL

    Zelf betalen (art. 18 SWKL) of RKW op grond van art. 101, 9°, 2de lid SWKL

    RKW (artikel 101 6° SWKL)

    Agentschappen met RP die onder wet van 28 april 1958 vallen

    Statutairen zelf betalen (art. 15 wet van 28/4/1958) of RKW op grond van art. 101, 9°, 2de lid SWKL

    KB-fonds of RKW (na 90 kalenderdagen (6)) (af te leiden uit formulering van art. 15 wet van 28/4/1958)

    Agentschappen met RP die NIET onder wet van 28 april 1958 vallen (VRT; VMW)

    Zelf indien gemachtigd bij wet of KB , anders kinderbijslagfonds

    Zelf indien gemachtigd bij wet of KB, anders kinderbijslagfonds of RKW (na 90 kalenderdagen)

    Uit bovenvermeld overzicht blijkt dat:
    -  de betaling van de kinderbijslag aan de gesubsidieerde contractuelen steeds door de RKW gebeurt (zo bepaald in artikel 101, 6° van de SWKL);
    -  de betaling van de kinderbijslag aan de contractuelen van de zelfstandige entiteiten, zoals de SAR’s en de agentschappen, (die onder wet van 28 april 1958 ressorteren) door een kinderbijslagfonds of de RKW gebeurt.[12]

    De bepalingen van de SWKL zijn van toepassing, zoals de regeling bij samenloop van rechthebbenden, de betaling van de kinderbijslag bij co-ouderschap enz.
    Dit betekent dat nu reeds kinderbijslag dient betaald aan de bijslagtrekkende (meestal de moeder (7) ingeval van:
    -  verzet overeenkomstig de bepalingen van artikel 69, derde lid van de gecoördineerde wetten, wordt de betaling evenwel, op gewoon verzoek,artikel 69 SWKL (cf. vorige versie van artikel 5 eerste alinea van het koninklijk besluit van 26 maart 1965 (8)  betreffende de kinderbijslag);
    -  co-ouderschap overeenkomstig artikel 69 derde en vierde  alinea SWKL.[12]

    § 2 bepaalt dat de betaling van de kinderbijslag, geboorte- en adoptiepremie gebeurt overeenkomstig de bedragen en voorwaarden vermeld in de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag. [12]

    § 3  opgeheven[39]

    Toelichting bij Art. VII 109octies

    Dit artikel regelt de "drievoudige kinderbijslag" voor bepaalde personeelsleden tewerkgesteld in het buitenland, zoals opgenomen in artikel 3, § 2 van het KB van 26 maart 1965. Het betreft, wat de DVO aanbelangt:

    - de personeelsleden van de buitendiensten van het ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel;

    - de landbouwattachés.[12]

    Voor de diensten van de Vlaamse overheid dient deze regeling enkel te worden behouden voor de vertegenwoordigers van de Vlaamse Regering in het buitenland van het ministerie Buitenlandse Zaken[39]. De Landbouwraden in het buitenland werden immers afgeschaft, zodat ook voor de landbouwattachés deze regeling niet meer moet worden voorzien.[12]


    (1) Koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.

    (2) Koninklijk besluit van 3 februari 1998 tot wijziging van artikel 19bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.

    (3) Fiscaal gezien wordt de situatie waarbij een werknemer, belast met avonddienst/weekenddienst, met een interventievoertuig naar huis rijdt om dringende oproepen onmiddellijk te kunnen uitvoeren, niet beschouwd als privégebruik.

    (4) Idem voetnoot bij artikel VII 45

    (5) aan de personeelsleden die reeds in juli 1984 genoten van vooruitbetaalde kinderbijslag

    (6) Indien niet aangesloten bij een kinderbijslagfonds binnen de 90 kalenderdagen vanaf het ogenblik dat het EERSTE contractuele personeelslid in dienst treedt bij de instelling met rp, wordt de instelling voor haar contractuelen ambtshalve aangesloten bij de RKW (artikel 34 SWKL)

    (7) In geval van gehuwden of samenwonenden van hetzelfde geslacht: in beginsel de oudste

    (8) Koninklijk besluit van 26 maart 1965 betreffende de kinderbijslag voor bepaalde categorieën van het door de staat bezoldigd personeel alsmede voor de personeelsleden van het operationeel kader en van het administratief en logistiek kader van de korpsen van de lokale politie (dat zal worden gewijzigd)