chat-altchatcrossloginquestion-circlesearchsmileystarthumbup-downwarning
Vlaanderen
Contacteer ons
    Terug naar overzicht Stuur een e-mail

    Stuur een e-mail naar 1700, de informatiedienst voor al uw vragen aan de overheid.
    U ontvangt een kopie van uw bericht.

    Terug naar overzicht Chat met ons
    Uw chatgesprek wordt automatisch gestart zodra er een medewerker beschikbaar is.
    Even geduld, uw positie in de wachtrij wordt bepaald.

    Toelichting bij Deel VII. De verloning - Titel 5

    Titel 5. Overgangs- en slotbepalingen [2]

    Hoofdstuk 1. Overgangsbepalingen van toepassing vóór 1 januari 2015[30]

    Toelichting bij Art. VII 110

    Overname van artikel 41 § 1 van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel van de ministeries. Het betreft schoonmaaksters die geregulariseerd werden en wiens diensten pro rata temporis in aanmerking worden genomen.[2]

    Toelichting bij Art. VII 111

    Het betreft hier de validering van deeltijdse prestaties van geregulariseerde schoonmaaksters, destijds overgedragen van het ministerie van Binnenlandse Zaken.[2]

    Toelichting bij Art. VII 112

    Het betreft hier ambtenaren benoemd op basis van het Besluit van de Regent van 03.05.1948, vastgesteld op grond van artikel 19 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende statuut van het Rijkspersoneel.[2]

    Deze personeelsleden bleven hun salarisschaal bij overgangsmaatregel genieten, indien ze er voordeel bij hadden.[2]

    Toelichting bij Art. VII 113

    Dit artikel beoogt de uitbetaling te regelen van de productiviteitspremie aan de ambtenaren die:

    1. van het Wegenfonds of het Ministerie van Openbare Werken of het Rijksinstituut voor Grondmechanica overgeheveld werden, en die houder zijn van het diploma van burgerlijk ingenieur.
    Deze personeelsleden genoten de productiviteitspremie als bedoeld bij KB van 14/01/69 betreffende de productiviteitspremie ten gunste van burgerlijk ingenieurs bij het ministerie van Openbare Werken, gewijzigd bij KB van 24/02/76 en het besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 houdende tweede bijsturing van het Vlaams personeelsstatuut van 24 november 1993 en andere bepalingen.
    2.

    van de technische diensten van het ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin werden overgeheveld.

    Deze personeelsleden genoten een bijzondere specialisatiepremie van 15%. De betaling van die premie werd gestopt vóór de overheveling en de bedoeling was een analoge regeling te bekomen als de productiviteitspremie voor de ingenieurs van Openbare Werken. Dit werd niet gerealiseerd.[2]

    Toelichting bij Art. VII 114 - VII 116.

    Geen commentaar[2]

    Toelichting bij Art. VII 117

    De informatici hadden in het VPS van 24 november 1993 een functionele en geldelijke loopbaan identiek aan die van de ingenieurs en van de artsen.[2]

    Op de trap van de functionele loopbaan waarin zij op 1 juni 1994 ingeschaald werden, werd het weddecomplement van 20% van de sociale programmatie 1990-1992 behouden.[2]

    Om te vermijden dat de functionele loopbaan voor hen geen geldelijk voordeel zou betekenen (de salarisschaal A 131 is hoger dan de salarisschaal A 122), werd een overgangsregeling ingevoerd voor informatici in dienst vóór de inschakeling in de nieuwe loopbaanstructuur. Voor de informatici van de voormalige rang 10 werden twee overgangssalarisschalen (A 125 en A 126) ingevoerd, en voor de informatici van de voormalige rang 11 één overgangssalarisschaal (A 127). Deze salarisschalen impliceerden, boven het behoud van het weddecomplement van 20% in hun huidige salarisschaal (A 131 of A 132), telkens 4% salarisverhoging bij bevordering in de functionele loopbaan.[2]

    Toelichting bij Art. VII 118

    - opgeheven [12]

    Toelichting bij Art. VII 119 - VII 121

    Geen commentaar[2]

    Toelichting bij Art. VII 122

    Om de "verworven rechten" van de overgehevelde personeelsleden van een federaal ministerie of een van dit ministerie afhangend bestuur of regie, van de Regie voor Maritiem Transport of van de Regie der Luchtwegen te garan­deren, werd het behoud van het recht op verkeersvoordelen als algemeen principe in het VPS van 24 november 1993 ingeschreven. Deze regeling blijft behouden.[2]

    De praktische modaliteiten werden met een omzendbrief van 31 mei 2000 door de minister van Ambtenarenzaken aan de verschillende personeelsdiensten meegedeeld. Deze omzendbrief heft het oude reglement van 28 mei 1973 op. De omzendbrief van 31 mei 2000 werd vervangen door de omzendbrief van 20 april 2001, waarbij de reglementering werd aangepast aan de samenlevingsneutraliteit.[2]

    Toelichting bij Art. VII 123

    - geschrapt[9]

    Toelichting bij Art. VII 124

    § 2. De personeelsleden overgeheveld van IMALSO die een hoger diploma bezaten dan het diploma dat vereist was voor de uitgeoefende functie, ontvingen een diplomabijslag. Deze paragraaf verzekert het behoud van een "diplomabijslag" van 1.033,50 euro (100%) per jaar zoals dit ook in het VPS van 24 november 1993 was verzekerd. De bijslag wordt slechts uitbetaald voor zover hierdoor de bezoldiging van de ambtenaar niet hoger wordt dan 25.625,50 euro (100%). Onder bezoldiging wordt verstaan, de salarisschaal, in voorkomend geval verhoogd met de toelage voor de uitoefening van een hoger ambt. Het recht op deze diplomabijslag verdwijnt op het ogenblik dat het personeelslid bevordert tot een niveau waarvoor het diploma dat hij bezit een aanwervingsvoorwaarde is.[2]

    § 3. Deze paragraaf regelt het feit dat bepaalde ambtenaren bij IMALSO slechts recht hadden op 2/3 van de toelage voor zaterdag-, nacht en zondagprestaties. Het gaat om de ambtenaren met de hogere overgangsschaal C101 of D202. Deze ambtenaren hebben bovendien geen recht op een toelage voor gevaarlijk, ongezond en hinderlijk werk.[2]

    § 4. Deze paragraaf regelt de specifieke toestand die bestond bij IMALSO. Voor afmattend, ongezonde en hinderlijke werken bestonden bij IMALSO verschillende tarieven, afhankelijk van de aard van het werk, namelijk:

    - 10% van het uurloon;
    - 12,5% van het uurloon;
    - 25% van het uurloon;
    - 50% van het uurloon.

    Enkel het bedrag van 25% van het uurloon blijft behouden. Voor de activiteiten waar een bedrag van 10, 12,5 of 50% van het uurloon werd toegekend ontvangen de overgedragen personeelsleden de bij het ministerie bestaande bedragen. Hierbij wordt geen afbreuk gedaan aan de verworven rechten, aangezien het een gelijkwaardige regeling betreft.[2]

    Toelichting bij Art. VII 125

    Dit artikel bevat een overgangsbepaling voor de personeelsleden die vóór 1 januari 2000 in dienst zijn getreden, en die uit hoofde van hun functie over een privé-aansluiting op het telefoonnet moeten beschikken. Zij ontvangen een forfaitaire vergoeding van 300 euro per jaar (100%). Deze vergoeding vervalt als het betrokken personeelslid door het ministerie eventueel in het bezit wordt gesteld van een diensttelefoon/GSM.[2]

    De personeelsleden die na 1 januari 2000 in dienst getreden zijn of nog zullen treden en voor wie het bezit van een telefoontoestel onontbeerlijk is voor het uitoefenen van de functie, alsook de personeelsleden waarvan de secretaris-generaal oordeelt dat een diensttelefoon functioneel meer aangewezen is dan bovenvermelde vergoeding van 300 euro, zullen een GSM-toestel ontvangen. Daar waar nodig kan ook een faxtoestel worden ter beschikking gesteld.[2]

    Paragraaf 2 van dit artikel voorziet dat de technici met de functie van bos- of natuurwachter of adjuncten-houtvester, zowel een telefoonvergoeding van 300 euro (100%) als een GSM-toestel ontvangen. Dit dubbel voordeel is evenwel beperkt tot zolang de informaticamogelijkheden niet voorhanden zijn om een rechtstreekse netwerkverbinding met het hoofdbestuur te installeren. Van zodra dit wel het geval is, wordt de vergoe­ding niet meer toegekend.[2]

    Paragraaf 3 bepaalt dat de voornoemde vergoeding alle kosten dekt, dus zowel telefoonaansluiting, abonnement als gesprekken.[2]

    Paragraaf 4 bepaalt dat de lijnmanager jaarlijks de lijst vaststelt van de ambtenaren die de in § 1 bedoelde vergoeding ontvangen alsook degenen die in het bezit moeten gesteld worden van een GSM-toestel.
    De lijnmanager beslist in welke mate het GSM-gebruik moet beperkt worden (bv. tot bepaalde nummers).[2]

    Toelichting bij Art. VII 126

    Dit artikel voorziet in een overgangsregeling voor de toelage voor het uitblijven van ongevallen, en dit voor de overgehevelde personeelsleden van het ministerie van Openbare Werken, Nationale Opvoeding en Nederlandse Cultuur, Landbouw, Tewerkstelling en Arbeid of Economische Zaken.[2]

    De "toevalllige bestuurders" hebben onder bepaalde voorwaarden recht op een toelage van 92 euro (100%) per jaar.[14]
    voorwaarden:

    - toevallig[14] belast zijn met het besturen van een dienstvoertuig (dus niet de personeelsleden met de functie van chauffeur);
    - tijdens het afgelopen jaar ten minste 80 uren toevallig[14] met het besturen van een dienstvoertuig belast zijn geweest;
    - tijdens dat afgelopen jaar geen ongeval hebben gehad waarvoor het personeelslid aansprakelijk is.[2]

    Voor een interpretatie van het begrip “toevallig” moet worden gerefereerd naar de koninklijke en ministeriële besluiten die deze toelage toekenden.[14]

    Het ministerieel besluit van 17 september 1976 tot toekenning van een toelage voor het uitblijven van ongevallen aan de personeelsleden van het ministerie van Landbouw belast met het besturen van een autovoertuig, regelt de toekenning van deze toelage voor de personeelsleden van het federale ministerie van Landbouw. Dit ministerieel besluit bevat echter geen definitie van het begrip “toevallig besturen van een autovoertuig”.[14]

    Een aantal andere koninklijke en ministeriële besluiten stellen dezelfde regeling vast voor andere federale besturen, en bevatten wel een definitie van het begrip “toevallig autobestuurder”.[14]

    Zo luidt artikel 3 van het koninklijk besluit van 2 mei 1978 tot toekenning van een toelage voor het uitblijven van ongevallen aan de personeelsleden van sommige instellingen van openbaar nut, onder toezicht van of beheert door de minister van Openbare Werken, belast met het besturen van een autovoertuig als volgt: “Als toevallig autobestuurders worden beschouwd de personeelsleden van wie de normale aan hun organieke graad verbonden functie niet het besturen van een autovoertuig oplegt, maar die toch wegens de vereisten van de dienst genoopt zijn een autovoertuig te besturen.”[14]

    Met andere woorden, uit voornoemde definitie blijkt dat enkel de "beroepschauffeurs” (personeelsleden aangeworven in de functie van chauffeur) van het genot van deze toelage zijn uitgesloten. Derhalve is de toelage ook verschuldigd aan alle personeelsleden die met een dienstvoertuig rijden, behalve zij met de functie van chauffeur.[14]

    Sinds de invoering van deze toelage in de jaren zeventig, is er wat betreft het gebruik van dienstvoertuigen heel wat veranderd. Het wagenpark is exponentieel uitgebreid, dus ook het aantal “chauffeurs”.[14]

    Vroeger was de regel dat een dienstvoertuig bestuurd werd door een chauffeur. Nu wordt het overgrote deel van de dienstwagens bestuurd door een personeelslid dat een dienstwagen om functionele redenen gebruikt, hetzij permanent, hetzij toevallig. Enkel de personeelsleden die “toevallig” een dienstvoertuig gebruiken, zijn te vergelijken met de doelgroep “toevallige chauffeurs” uit de regelingen van de jaren zeventig.[14]

    Daarom is ook een wijziging/actualisering van de regelgeving noodzakelijk.[14]

    Er wordt voortaan uitdrukkelijk bepaald dat van het recht op deze toelage zijn uitgesloten:
    - de personeelsleden met de functie van chauffeur;
    - de personeelsleden die een dienstvoertuig permanent ter beschikking hebben.[14]

    Laatstgenoemde personeelsleden van het agentschap Natuur en Bos en van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie behouden het recht op de toelage indien zij de toelage ontvangen vóór 2 december 2011 (datum van definitieve goedkeuring van het wijzigend besluit). Enkel bij voornoemde entiteiten zijn er personeelsleden die een dienstvoertuig permanent ter beschikking hebben en die thans de toelage voor het uitblijven van ongevallen genieten.[14]

    Toelichting bij Art. VII 127

    Dit artikel regelt, in het kader van de verworven rechten, de toekenning van een "expatriatievergoeding" voor de personeelsleden van de administratie Waterwegen en Zeewezen die vóór 1 september 1999 tewerkgesteld waren in Vlissingen. De organieke regeling wordt vermeld in artikel VII90.[2]

    Paragraaf 1 bepaalt dat de vergoeding is vastgesteld op het bedrag van de vergoeding dat het betrokken personeelslid genoot voor verblijf in het buitenland op 31 augustus 1999.[2]

    Bij wijziging van het nettosalaris en/of de kinderbijslag wordt de vergoeding vanaf die datum voor de toekomst bepaald op 70% van het nettosalaris en van de kinderbijslag.[2]

    Paragraaf 2 bepaalt dat om de vergoeding te ontvangen, het personeelslid moet kunnen bewijzen dat hij en zijn kinderen die recht geven op kinderbijslag over een verblijfplaats in Nederland beschikken. Dit bewijs is noodzakelijk aangezien het doel van de expatriatievergoeding er in bestaat een vergoeding toe te kennen voor de bijkomende kosten (en ongemakken) die met een verblijf in Nederland gepaard gaan.[2]

    Paragraaf 3 bepaalt dat alle bewijsmiddelen mogelijk zijn (eigendomsakte, huurcontract e.d.). De bewijskracht van de voorgelegde stukken zal worden beoordeeld door de bevoegde lijnmanager. Deze zal oordelen over alle personeelsleden aan de hand van gegevens over het elektriciteitsverbruik, waterverbruik, telefoonrekening, verwarmingskosten, teledistributierekening, plaatselijke belastingen, enz.
    Om het verblijf van de kinderen te bewijzen kan men eventueel beroep doen op een attest van de onderwijsinstelling + eventuele vervoersbewijzen. Dit kan ook voor kinderen die in België op internaat verblijven en in de weekends en/of vakanties in Nederland verblijven.[2]

    Paragraaf 4 bepaalt dat valse verklaringen en/of valse bewijzen aanleiding kunnen geven tot strafrechtelijke vervolging of tuchtsancties. Daartoe wordt verwezen naar het K.B. van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen.[2]

    Toelichting bij Art. VII 128

    Dit artikel bepaalt een overgangsregeling inzake de toekenning van een kantoorvergoeding voor de naar het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap overgehevelde personeelsleden die op 31 augustus 1999 een kantoorvergoeding ontvingen.[2]

    Het gaat om personeelsleden die:
    - geen kantoor hebben in een gebouw van de werkgever en
    - die uit de aard vanhun functie een lokaal als kantoor dienen in te richten.[2]

    Er worden 2 bedragen voorzien:
    - 375 euro per jaar (100%): kantoor toegankelijk voor het publiek
    - 89,50 euro per jaar (100%): kantoor niet toegankelijk voor het publiek.[2]

    Aangezien het om een overgangsregeling gaat, wordt de vergoeding enkel uitbetaald aan de overgehevelde personeelsleden die op basis van een oude federale reglementering recht hadden op een kantoorvergoeding. Deze personeelsleden ontvangen dan de nieuwe kantoorvergoeding voor zover zij nog steeds aan de toekenningsvoorwaarden voldoen.[2]

    De vergoeding dekt alle kosten die voorvloeien uit de inrichting van een kantoor, inzonderheid de huurverplichtingen, de verwarmings- en verlichtingskosten en de afschrijving van het meubilair.[2]

    Toelichting bij Art. VII 129

    Paragraaf 1 van dit artikel voorziet in een overgangsbepaling voor de ambtenaar van:

    - de afdeling Gemeenschapsinstellingen;
    - de afdeling Elektriciteit en Mechanica Gent;
    - de afdeling Vloot.[2]

    Het personeelslid van voornoemde afdelingen die op 1 september 1999 over het gebruik van een woning ter beschikking gesteld door het ministerie, genoten, behouden dit voordeel.[2]

    Er wordt enkel in een overgangsregeling voorzien, omdat de betrokken afdelingen naar de toekomst toe beleidsmatig van oordeel zijn dat het niet meer noodzakelijk is dat er kosteloze huisvesting moet blijven bestaan.[2]

    Overeenkomstig de organieke regeling, en conform de fiscale wetgeving wordt er voortaan tevens een inhouding verricht op het salaris.[2]

    Paragraaf 2 van dit artikel voorziet in een overgangsregeling voor de ambtenaren van de afdeling Gemeenschapsinstellingen en de afdeling Electriciteit en Mechanica Gent, die op 1 september 1999 over geen woning beschikten, maar een vervangende toelage ontvingen.[2]

    Toelichting bij Art. VII 130

    Dit artikel voorziet in een "algemene overgangsbepaling" voor de ambtenaar van niveau D die de functie van terreinwerkman uitoefent en belast is met het verrichten van boringen en sonderingen. Deze ontvangt een toelage zoals bepaald in het koninklijk besluit van 8 oktober 1974 houdende toekenning van een toelage voor bewaring van materiaal en van een rendementstoelage aan sommige personeelsleden van het Rijksinstituut voor Grondmechanica.[2]

    Op basis van voornoemde reglementering varieert het toegekende bedrag van 0,04 euro tot 0,11 euro per meter boring, afhankelijk van de gebruikte apparatuur.[2]

    Op te merken valt dat nieuwe personeelsleden die deze functie uitoefenen aangeworven worden in niveau C, en bijgevolg geen recht hebben op deze toelage.[2]

    Toelichting bij Art. VII 131

    Geen commentaar[2]

    Toelichting bij Art. VII 132

    In afwijking van de organieke toelageregeling voor de controleurs, wordt bepaald dat de overgeplaatste controleurs een toelage genieten van 1.240 euro à 100% i.p.v. 550 euro. Deze toelage betreft eigenlijk een inkomenscorrectie op de bezoldiging die zij bij Belgacom/BIPT genoten. Er is duidelijk bepaald dat deze toelage maar toegekend wordt zolang de controleurfunctie uitgeoefend wordt.[2]

    Toelichting bij Art. VII 133

    Na de overhevelingsdatum (1 oktober 2002) werden nog overgehevelde ambtenaren bevorderd op basis van bevorderingsprocedures die gestart waren vóór de overhevelingsdatum. Voor deze personeelsleden wordt een overgangsmaatregel voorzien waarbij zij op de datum van hun bevordering heringeschaald worden.[2]

    Toelichting bij Art. VII 134

    - opgeheven[6]

    Ingevolge het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2007 betreffende de beëindiging van de vertegenwoordiging van Vlaanderen in het buitenland door landbouwraden wordt de aanstelling van de landbouwraden in het buitenland met ingang van 1 januari 2008 beëindigd zodat artikel VII 134 vanaf die datum overbodig geworden is.[6]

    Toelichting bij Art. VII 135

    Geen commentaar[2]

    Toelichting bij Art. VII 136

    De vrijwillige terugzetting gebeurt steeds op vraag van de ambtenaar en het is dan ook logisch dat hij het (lagere) salaris verbonden aan de graad waarin hij is teruggezet, ontvangt.
    Voor de ambtenaar die in dienst was op 1 januari 1994 wordt als overgangsmaatregel een uitzondering op deze maatregel voorzien.[2]

    Toelichting bij Art. VII 137

    Geen commentaar[2]

    Toelichting bij Art. VII 138

    Tot de contractuele personeelsleden die in het kader van het Lambermontakkoord worden overgeheveld vanuit het ministerie van Middenstand en Landbouw, behoren 2 personeelsleden die destijds door laatstvermeld ministerie werden overgenomen van het Instituut tot aanmoediging van het wetenschappelijk onderzoek in nijverheid en landbouw (I.W.O.N.L.), die bij hun vroegere werkgever de loonwaarborg bij ziekte genoten.[2]

    Deze loonwaarborg blijft bij het ministerie van de Vlaamse gemeenschap behouden.[2]

    "Wanneer de bediende zich in de onmogelijkheid bevindt zijn werk uit te voeren, tengevolge van ziekte of ongeval, wordt het contract geschorst.

    De bedienden die wegens ziekte of invaliditeit afwezig zijn, ontvangen hun wedde - na aftrek van de door de ziekte- en invaliditeitsverzekering betaalde vergoedingen:
    - gedurende drie maanden, indien de bediende minder dan 10 jaar dienst heeft;
    - gedurende zes maanden, indien de bediende 10 jaar, maar minder dan 20 jaar dienst heeft;
    - gedurende negen maanden, indien de bediende 20 jaar, maar minder dan 30 jaar dienst heeft;
    - gedurende twaalf maanden indien de bediende 30 jaar dienst heeft of meer.

    De afwezigheidsdagen die niet van elkaar gescheiden zijn door een herneming van de dienst van meer dan zes maanden worden samengeteld om de hierboven aangehaalde periodes van drie, zes, negen of twaalf maanden te vormen.

    De schorsing van het bediendecontract wegens ziekte of invaliditeit wordt toegepast na afloop van de hierboven aangehaalde periodes. Zij geeft dan recht op een wachtwedde gelijk aan:
    - 50% van de wedde indien de bediende minder dan 20 jaar dienst heeft
    - 60% indien hij 20 jaar, maar minder dan 30 jaar dienst heeft
    - 75% indien hij 30 jaar dienst heeft, of meer.

    Deze wachtwedde zal echter, samen met de door de ziekte- en invaliditeitsverzekering betaalde vergoedingen, niet meer dan 90% van de volle wedde mogen bedragen.

    De schorsing van het arbeidscontract wegens ziekte of invaliditeit kan hoogstens voor de duur van één jaar toegekend worden."[2]

    Toelichting bij Art. VII 139

    Het contractuele personeelslid dat bij de diensten van de Vlaamse regering in dienst genomen werd ingevolge de uitvoering van het Lambermontakkoord als assistent met bezoldiging in salarisschaal A 166 waarvan het bedrag op de overeenkomstige salaristrap lager ligt dan het bedrag dat het genoot op dezelfde salaristrap in de federale schaal 1003, behoudt dit federaal bedrag tot het bedrag in schaal A 166 hoger wordt.[2]

    Toelichting bij Art. VII 145bis

    Bij het besluit van 29.05.2009 werd dit artikel gewijzigd (technische correctie).[9]

    Toelichting bij Art. VII 140 - 146

    Geen commentaar[2]

    Toelichting bij Art. VII 147

    Met betrekking tot de uitbetaling van het vakantiegeld en de eindejaarstoelage wordt naar analogie met de CAO 32bis NAR en Europese richtlijnen (overname van rechten en plichten) gewerkt.

    In het kader van de migratie tussen de diverse rechtspersonen van de Vlaamse overheid betaalt de "verkrijger" met het normale jaarlijkse weddenbudget het vakantiegeld en de eindejaarstoelage op de normale betaaldatum, zodat problemen m.b.t. de betaling van vooruitbetaald vakantiegeld en de eindejaarstoelage (en daarmee samenhangend de vereiste aanpassing van de respectieve budgetten) vermeden worden.

    De overdracht van personeelsleden tussen werkgevers ingevolge de migratiebesluiten worden in deze problematiek dus niet beschouwd als uitdiensttredingen.[2]

    Toelichting bij Art. VII 148 - VII 150

    Geen commentaar[2]

    Toelichting bij Art. VII 151

    1) vorige tekst: Op 8 september 2006 heeft de Vlaamse Regering een beslissing genomen omtrent de tijdelijke regeling maaltijdcheques voor sommige personeelsleden die vanuit sommige VOI's in het kader van BBB gemigreerd zijn naar een Vlaams ministerie.[2]

    Deze tijdelijke regeling gold van 1 oktober 2006 tot 30 juni 2007 en werd als overgangsmaatregel statutair verankerd met het raamstatuut fase 2 (integratie administratieve en geldelijke bepalingen).[6]

    Nu de maaltijdchequeregeling in uitvoering van het sectoraal akkoord 2005-2007 veralgemeend wordt ingevoerd vanaf 1 juli 2007 voor alle personeelsleden, kan deze overgangsregeling (art. VII 151) worden geschrapt.[6]

    2) huidige tekst: Er zijn 3 overgangsregelingen voor ambtenaren van rang A1 die op datum van inwerkingtreding van dit besluit de diensthoofdentoelage bedoeld in artikel XIII 25 en 26 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid zoals gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, genieten:

    1) De huidige titularissen van de A1-diensthoofdentoelage die bevorderd worden tot een functie van N-2 en wiens salaris in N-2 lager is dan het A1-salaris verhoogd met 10%, behouden de diensthoofdentoelage totdat hun salaris in rang A2 hoger wordt dan de som van het salaris in rang A1 verhoogd met deze diensthoofdentoelage (art. VII 151 1°);
    2) De huidige titularissen van de A1-diensthoofdentoelage die niet aangesteld worden in een functie van N-2, maar die de functie blijven uitoefenen en niet gevat worden door toepassing van de hierna vermelde overgangsregel, behouden ten persoonlijken titel de A1-diensthoofdentoelage (art. VII 151 2°).[6]

    Indien uit de toepassing van het allocatie instrument blijkt dat de functie van een A1 met diensthoofdentoelage ingedeeld wordt in niveau 3 van de functiefamilie "lager kader", én de organisatiestructuur niet ten gronde wordt aangepast waardoor de functie effectief zou verdwijnen, dient de functie van A1 diensthoofd te worden omgezet in een functie van N-2.[6]

    Toelichting bij Art. VII 152

    - opgeheven[6]

    Doordat de herstructurering van de Sociale Dienst op 1 juli 2007 een feit is geworden kan de toelageregeling voor de Voorzitter en Ondervoorzitter worden opgeheven.[6]

    Toelichting bij Art. VII 153

    - opgeheven[16]

    Toelichting bij Art. VII 154

    Er wordt met hetzelfde besluit van 29.05.2009 voorzien in een indivi-dueel recht van de van VLAO overgehevelde personeelsleden op de (niet geïndexeerde) gedeeltelijke compenserende toelage totdat:

    - zij het Agentschap Ondernemen vrijwillig verlaten of ontslagen worden;
    - de normale regeling van de Vlaamse overheid hieraan gelijk of hoger wordt.[9]

    Toelichting bij Art. VII 155

    Met het besluit van 29.05.2009 wordt bepaald dat het personeelslid dat op 1 januari 2009 werd overgeheveld van het Vlaams Agentschap Ondernemen naar het Agentschap Ondernemen, de ten individuelen titel toegekende voordelen behoudt (bv. toegekend op 3 mei 1973 door de Raad van Bestuur van de West-Vlaamse Economische Raad of door de Raad van Bestuur van het West-Vlaams Economische Studiebureau, en bevestigd op 17 mei 1977 door de Raad van Bestuur van de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij West Vlaanderen; of door de Limburgse Economische Raad, of door de het Economisch studiebureau Antwerpen) inzake:

    - een extra 1/12 van de brutojaarwedde (extra 13de maand);
    - een tot een 13de maand verhoogde eindejaarstoelage (contractuelen LER);
    - als personeelslid van rang C1, een bezoldiging in de salarisschaal A111;
    - de verhoging van de basiswedde met 10%;
    - een forfaitaire verplaatsingsvergoeding;
    - een toelage voor extraprestaties.[9]

    De contractuele personeelsleden behouden de contractueel voorziene salarisschaal.[9]

    De vast benoemde personeelsleden die een weddensupplement van 10% ontvangen in de basisschaal + extra 13de maand, alsmede het personeelslid dat bezoldigd wordt in niveau A, moeten verder evolueren in hun organieke functionele loopbaan (fictief), met het oog op latere pensioenrechten. Daartoe moeten retroactief besluiten genomen worden tot bevordering in hun functionele loopbaan.[9]

    De extra 13de maand voor 4 vast benoemde personeelseden die op 1 januari 2009 werden overgeheveld van het VLAO, wordt wel berekend zoals de gewone eindejaarstoelage (koppeling aan prestaties in referteperiode) maar niet betaald in december, wel in januari van het volgende kalenderjaar). Bij uitdiensttreding is ook de normale EJT-regeling van toepassing. Dit is een overname van de werkwijze die bij het VLAO werd toegepast.[12]

    Op de tot 13de maand opgetrokken eindejaarstoelage (6 contractuele personeelsleden ex VLAO) gelden de normale betalings- of berekeningsregels van de eindejaarstoelage (zelfde term). Hiervoor moeten geen specifieke bepalingen worden toegevoegd.[12]

    Daarnaast is er ook een vast benoemd personeelslid van niveau E dat nog niet werd bevorderd tot niveau D. Met het oog op de garantieregeling na de bevordering (1.1.2002) moet ook het salarisbedrag in de salarisschaal E123 worden bepaald (incl. 2% vanaf 1.1.2009).[9]

    Tenslotte zijn er 2 contractuele personeelsleden op 1.1.2009 in dienst getreden bij het Agentschap Ondernemen, op basis van een arbeidsovereenkomst nog afgesloten door het VLAO op 12.12.2008. Zij ontvangen maaltijdcheques en de compenserende toelage zoals de gemigreerde personeelsleden (§ 7).[9]

    Toelichting bij Art. VII 156

    In artikel VII 156 wordt, net zoals in artikel VI 148, de definitie toegevoegd van “van de Federale Overheidsdienst Financiën overgehevelde ambtenaar of personeelslid”, zodat het duidelijk wordt welke personeelsleden bedoeld worden in de artikelen VII 157 tot en met VII 163.
    Onder voornoemd begrip verstaat men dus: de op 16 november 2010, 1 december 2010 of 1 januari 2011 van de Federale Overheidsdienst Financiën overgehevelde ambtenaren of personeelsleden.
    Deze overheveling werd doorgevoerd bij de koninklijke besluiten van 26 november 2010 (gewijzigd bij koninklijk besluit van 21 januari 2011) en 19 december 2010.[14]

    Toelichting bij Art. VII 157

    De geldelijke anciënniteit van de van de Federale Overheidsdienst Financiën of de Nationale Plantentuin van België[26] naar de diensten van de Vlaamse overheid overgehevelde personeelsleden, is gelijk aan de werkelijke geldelijke anciënniteit (zoals deze op de federale weddefiche terug te vinden was op datum van overheveling).
    Het KB van 3 maart 2005 houdende hervorming van de bijzondere loopbaan van sommige ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën en de Administratie der pensioenen van het Ministerie van Financiën en houdende diverse bepalingen tot uitvoering van het koninklijk besluit van 5 september 2002 houdende hervorming van de loopbaan van sommige ambtenaren in de rijksbesturen kende aan bepaalde graden bij de federale overheid een fictieve geldelijke anciënniteit toe. De federale overheid noemt dit een anciënniteit op basis van de diagonale inschaling. Deze fictieve geldelijke anciënniteit kon hoger of lager liggen dan de werkelijke geldelijke anciënniteit.
    Overeenkomstig het KB van 3 februari 2010 houdende wijziging van verscheidene reglementaire bepalingen betreffende de bijzondere loopbanen bij de Federale Overheidsdienst Financiën en bij de Pensioendienst voor de overheidssector wordt bij de federale overheid afgestapt van deze fictieve geldelijke anciënniteit zodat de wedde die aan de betrokkene (van wie de geldelijke anciënniteit verlaagd werd) betaald wordt op termijn (telkens wanneer het betrokken personeelslid een tussentijdse verhoging krijgt, wordt de geldelijke anciënniteit verhoogd) terug zal overeenstemmen met de wedde verbonden aan de werkelijke geldelijke anciënniteit.[14]

    De Vlaamse overheid houdt bij de inschaling rekening met de werkelijk gepresteerde diensten voor het bepalen van de geldelijke anciënniteit. Indien echter bij de federale overheid een fictieve geldelijke anciënniteit toegekend werd, zodat ingevolge de diagonale inschaling, de toegekende wedde hoger is dan deze die overeenstemt met de werkelijke geldelijke anciënniteit, brengt de Vlaamse overheid evenwel ook deze fictieve anciënniteit in rekening.[14

    Bijvoorbeeld:
    - Een titularis van weddeschaal BF 2 heeft een werkelijke geldelijke anciënniteit van 28 jaar maar door de diagonale inschaling wordt fictief 6 jaar geldelijke anciënniteit in mindering gebracht zodat betrokkene de wedde toegekend wordt die overeenstemt met 22 jaar geldelijke anciënniteit.
    De Vlaamse overheid bepaalt de geldelijke anciënniteit echter onmiddellijk op 28 jaar, dus overeenstemmend met de werkelijke geldelijke anciënniteit.
    - Een titularis van weddeschaal DF 1 heeft een werkelijke geldelijke anciënniteit van 15 jaar maar door de diagonale inschaling wordt fictief 2 jaar geldelijke anciënniteit extra in rekening gebracht zodat betrokkene de wedde toegekend wordt die overeenstemt met 17 jaar geldelijke anciënniteit.
    De Vlaamse overheid bepaalt de geldelijke anciënniteit op 17 jaar, dus overeenstemmend met de werkelijke geldelijke anciënniteit verhoogd met de fictieve geldelijke anciënniteit toegekend op basis van de diagonale inschaling.[14]

    Bij de federale overheid wordt voor de berekening van de geldelijke anciënniteit ook nog toepassing gemaakt van de indeling in groepen A en B (waarbij prestaties verricht in een lagere klasse maar voor 2/3 in aanmerking komen als men later overgaat naar een hogere klasse) en leeftijdsklassen (zodat mogelijkerwijze aan het begin van de loopbaan gepresteerde jaren verloren gingen voor de geldelijke anciënniteit omdat men niet aan de minimumleeftijd voldeed om anciënniteit op te bouwen). Het koninklijk besluit van 5 juli 2010 houdende wijziging van verscheidene bepalingen betreffende het geldelijk statuut van personeelsleden van de federale overheidsdiensten brengt een wijziging aan aan deze berekeningswijze (afschaffing leeftijdsklassen in geval van bevordering naar de niveaus C of B) zodat vanaf 1 december 2010 de geldelijke anciënniteit van sommige personeelsleden aangepast wordt.[14]

    Bij de diensten van de Vlaamse overheid werd sinds de invoering van het VPS (BVR van 24 november 1993) de indeling in groepen en de leeftijdsklassen afgeschaft.
    Voor de overgehevelde personeelsleden wordt bij het bepalen van de geldelijke anciënniteit ook geen rekening meer gehouden met de indeling in groepen en de leeftijdsklassen. Op deze wijze worden zij behandeld als de andere personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid.[14]

    Ook deeltijdse prestaties die bij de federale overheid niet gevaloriseerd worden, brengen de diensten van de Vlaamse overheid pro rata in rekening.[14]

    Toelichting bij Art. VII 158

    § 1. De overgehevelde ambtenaar wordt op 16 november 2010, 1 december 2010 of 1 januari 2011 ambtshalve benoemd en ingeschaald overeenkomstig bijlage 8 bij dit besluit.
    Bij het opstellen van deze inschalingstabel werd om de best passende Vlaamse  salarisschaal te bepalen langs federale zijde rekening gehouden met het salaris, de eindejaarstoelage, het weddencomplement verbonden aan bepaalde graden en titels en het weddencomplement verbonden aan het behalen van een brevet van expert bij een fiscaal bestuur (de zogenaamde brevettoelage)(beide weddencomplementen zijn bepaald in het KB van 3 maart 2005 houdende de bijzondere bepalingen met betrekking tot de bezoldigingsregeling van het personeel van de Federale Overheidsdienst Financiën en van de Pensioendienst voor de overheidssector). Deze weddencomplementen genereren bij de federale overheid immers ook pensioenrechten.[14]

    Dit saldo werd geplaatst tegenover het salaris bij de Vlaamse overheid verhoogd met de eindejaarstoelage en de gebruteerde tegenwaarde van de maaltijdcheques (3,91 euro x 210 werkdagen x 2 (bruteren) / 1,4859 (desindexeren - index die in 2010 genomen werd als berekeningsbasis) = ca. 1100 euro per jaar).
    Rekening houden met andere federale weddencomplementen, weddensupplementen en andere voordelen in de salarisvergelijking zou tot gevolg hebben dat de overgehevelde personeelsleden de verworvenheden uit federale sectorale akkoorden zouden cumuleren bovenop de Vlaamse sectorale akkoorden.
    Door de opname van hogervermelde weddencomplementen (complementen verbonden aan graden en titels en de brevettoelage) in het toegekend salaris, is er behoud van pensioenrechten.[14]

    De ambtenaar die een graad heeft waarvoor een overgangssalarisschaal bepaald is in kolom 3 van bijlage 8 bij dit besluit, geniet deze salarisschaal tot de organieke salarisschaal verbonden aan deze graad hem voordeliger wordt.
    De overgangssalarisschaal is een volwaardige salarisschaal met tussentijdse verhogingen. De schaalanciënniteit wordt echter opgebouwd in de organieke salarisschaal en niet in de overgangssalarisschaal zodat aan deze overgangssalarisschaal geen functionele loopbaan verbonden is.[14]

    § 2. Het contractuele personeelslid dat op 1 januari 2011 met zijn/haar akkoord van de federale overheidsdienst Financiën naar de diensten van de Vlaamse overheid werd overgeheveld, wordt tewerkgesteld in de betrekking en bezoldigd in de salarisschaal overeenkomstig bijlage 8 bij dit besluit.
    Het betrokken contractueel personeelslid werd een contract aangeboden met de Vlaamse overheid als werkgever conform de contracten die de Vlaamse overheid opstelt voor het eigen personeel maar waarin de rechten worden gewaarborgd die het overgedragen contractuele personeel in overeenstemming met de overhevelingsreglementering behoudt, na overgang naar de Vlaamse overheid.
    Contracten van onbepaalde duur worden overgenomen voor onbepaalde duur; contracten van bepaalde duur worden overgenomen voor de nog resterende termijn. Voor de Geco’s moeten de conventies worden overgenomen. Startbaners worden als zodanig overgenomen binnen de tewerkstellingsverplichtingen van de Vlaamse overheid.[14]

    Toelichting bij Art. VII 159

    § 1. De geslaagden in een bekwaamheidsproef voor een benoeming in een graad van hetzelfde niveau maar die bij de federale overheid nog niet benoemd werden in de nieuwe graad, worden op datum van overheveling bij de Vlaamse overheid onmiddellijk benoemd in de graad en ingeschaald in de schaal die correspondeert met de federale graad die te begeven was bij deze bekwaamheidsproef.[14]

    § 2. Ook overgehevelden die zich vóór de overheveling hadden ingeschreven voor een bekwaamheidsproef (andere dan naar klasse A2) en na de overheveling slagen in de proef, behouden dit voordeel. Zij worden in de nieuwe graad benoemd en ingeschaald in de bijbehorende salarisschaal met ingang van de eerste dag van de maand volgend op het proces-verbaal van het slagen voor de proef over de beroepsbekwaamheid. Het afleggen van een bijkomende selectietest of test nopens de potentieelinschatting is niet meer nodig en een vacature is evenmin vereist.[14]

    Toelichting bij Art. VII 160

    § 1. De overgehevelde ambtenaar die op datum van overheveling bij de federale overheid de premie voor competentieontwikkeling genoot, behoudt deze premie bij de diensten van de Vlaamse overheid voor dezelfde geldigheidsduur als deze toegekend zou geweest zijn bij de federale overheid (normalerwijze 6 of 8 jaar te rekenen vanaf de inschrijvingsdatum).
    (- KB 10 april 1995 tot vaststelling van de weddenschalen der aan verscheidene federale overheidsdiensten gemene graden zoals laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 2 juni 2010
    - KB 3 maart 2005 houdende de bijzondere bepalingen met betrekking tot de bezoldigingsregeling van het personeel van de Federale Overheidsdienst Financiën en van de Pensioendienst voor de overheidssector zoals laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 3 februari 2010)[14]

    Hetzelfde geldt voor de contractuele personeelsleden. Ook zij behouden de premie voor competentieontwikkeling voor dezelfde geldigheidsduur als deze toegekend zou geweest zijn bij de federale overheid op datum van overheveling.[14]

    § 2. Vanaf de datum dat de volledige premie voor competentieontwikkeling stopgezet wordt, wordt aan de betrokkene nog voor 36 maanden de helft van de premie voor competentieontwikkeling toegekend. Een analoge regeling is ook van toepassing bij de federale overheid.[14]

    § 3. Zoals vermeld in artikel VI 149 behoudt het naar de diensten van de Vlaamse overheid overgeheveld personeelslid dat op datum van overheveling bij de federale overheid ingeschreven was voor deelname aan een competentiemeting of gecertificeerde opleiding, mits akkoord van de federale overheid, het recht op deelname aan de eerstvolgende meting of opleiding bij de federale overheid. Wanneer een personeelslid zou ingeschreven zijn voor verschillende metingen, behoudt het enkel recht op deelname aan de eerstvolgende.
    Ook het overgeheveld personeelslid van de federale overheidsdienst Financiën[26] dat vóór de datum van overheveling bij de federale overheid deel nam aan een competentiemeting of gecertificeerde opleiding maar niet slaagde, heeft, mits akkoord van de federale overheid, het recht om na de overheveling nog eenmaal deel te nemen aan dezelfde competentiemeting of opleiding wanneer de federale overheid deze organiseert.[14]

    Eerstgenoemde geniet met ingang van de datum van overheveling de premie voor competentieontwikkeling terwijl het personeelslid dat bij de federale overheid niet slaagde maar na de overheveling wel, de premie geniet met ingang van de laatste inschrijving voor deze meting of opleiding (datum valt dus na de overheveling). Betrokkenen genieten de premie zoals deze bij de federale overheid op datum van overheveling bestond. Wat betreft het behoud geldt hetzelfde principe als vermeld in §1 en 2. Wijzigingen aan de federale reglementering inzake de premie voor competentieontwikkeling na de datum van overheveling (bijvoorbeeld wijziging van het bedrag van de premie) hebben geen weerslag meer bij de diensten van de Vlaamse overheid.[14]

    Bij niet slagen voor deze meting of opleiding, wordt geen premie toegekend.[14]

    § 4. Het bedrag van de premie voor competentieontwikkeling is gelijk aan dit bij de federale overheid zoals het bestond op datum van overheveling. Wijzigingen na 1 januari 2011 (voor de federale overheidsdienst Financiën) of 1 januari 2014 (voor de Nationale Plantentuiin van België)[26] van voormeld KB van 3 maart 2005 waarin ondermeer de bedragen van de premie voor competentieontwikkeling en de geldigheidsduur van de premie worden bepaald, gelden niet binnen de diensten van de Vlaamse overheid.[14]

    De premie voor competentieontwikkeling bedraagt voor het personeelslid  dat op datum van overheveling bezoldigd was in de federale weddenschaal :
    1° A22, A23 of A31 : 3000 EUR (aan 100%);
    2° A11, A12, BF1, BT1, BT2,[26] BF2 of 26H : 2000 EUR (aan 100%);
    3° BI3, BF3 of BF4 : 2500 EUR (aan 100 %);
    4° CA1, CA2, CA3, CF1, CT1, CT2, CF2, CT3[26] of 22B : 1700 EUR (aan 100%);
    5° DA1, DA2, DA3, DA4, DF1, DF2, DT1, DT2, DT3, DT4[26] of DT5 : 1000 EUR (aan 100%).[14]

    Hier worden enkel de federale schalen vermeld waarvan er titularissen werden overgeheveld.[14]

    § 5. Net zoals bij de federale overheid wordt de premie eenmaal per jaar uitbetaald in de maand september en overeenkomstig de artikelen VII 6 en VII 16 naar rata van de prestaties van de voorbije 12 maanden.[14]

    Deze premie genereert, in afwijking van de federale regeling, geen effect naar het bedrag van het vakantiegeld en de eindejaarstoelage (= een generiek principe binnen de diensten van de Vlaamse overheid).[14]

    De betaling van de premie vanaf de datum van inschrijving tot de datum van overheveling, is ten laste van de federale overheid.[14]

    Toelichting bij Art. VII 161

    Wanneer federale personeelsleden die de premie voor competentieontwikkeling ontvangen, niet slagen in een volgende competentiemeting of gecertificeerde opleiding, ontvangen zij nog gedurende 36 maanden de helft van de premie voor competentieontwikkeling.
    Personeelsleden die zich bij de overheveling in een dergelijke situatie bevinden, behouden voor dezelfde duur de helft van de premie te rekenen vanaf de datum dat deze premie bij de federale overheid toegekend werd.
    Voorbeeld FOD Financiën: wanneer[26] het personeelslid de helft van de premie ontvangt vanaf 1 januari 2010 ontvangt het deze premie tot 31 december 2012. De Vlaamse overheid zal dus nog gedurende 24 maanden deze premie betalen (van 1/1/2011 – 31/12/2012).[14]
    Voorbeeld Nationale Plantentuin: wanneer het personeelslid de helft van de premie ontvangt vanaf 1 januari 2013 ontvangt het deze premie tot 31 december 2015. De Vlaamse overheid zal dus nog gedurende 24 maanden deze premie betalen (van 1/1/2014 - 31/12/2015).[26]

    Toelichting bij Art. VII 162

    § 1. De overgehevelde ambtenaar die op datum van overheveling bij de federale overheid de vormingspremie genoot, behoudt deze premie bij de diensten van de Vlaamse overheid voor dezelfde geldigheidsduur als deze toegekend zou geweest zijn bij de federale overheid. Wanneer de federale overheid de betaling van de vormingspremie in de toekomst zou stop zetten, geldt dezelfde maatregel bij de Vlaamse overheid.
    (MB 14 september 1989 tot instelling van een vormingspremie ten gunste van sommige personeelsleden van de federale overheidsdienst financiën en van de pensioendienst voor de overheidssector zoals laatst gewijzigd bij MB van 3 februari 2010) [14]

    § 2. Het bedrag van de vormingspremie bij de diensten van de Vlaamse overheid is gelijk aan het bedrag van de vormingspremie zoals deze bij de federale overheid bestond op datum van overheveling voor het niveau en de graad in kwestie. Dit betekent dat geen rekening gehouden wordt met wijzigingen in het bedrag van de vormingspremie die ingang vinden na de datum van overheveling.[14]

    Op datum van 31 december 2010 bedraagt de vormingspremie:

    Niveau

    Bedrag vormingspremie per maand

    A

    74,37 euro

    B of C
    (voorheen titularis van een graad van niveau 2+ of 2)

    47,10 euro

    C of D
    (voorheen titularis van een graad van niveau 3 of 4)

    29,75 euro

    § 3. De premie wordt niet geïndexeerd en wordt maandelijks, naar rata van de prestaties overeenkomstig de artikelen VII 6 en VII 16, samen met het salaris uitbetaald. Dit was bij de federale overheid ook het geval.[14]

    Toelichting bij Art. VII 163

    Het inschalingsvoorstel integreert de meeste federale weddecomplementen in het salaris. Op die manier is er dus behoud van pensioenrechten.
    Door in de vergelijking tussen de federale en de Vlaamse bezoldiging het voordeel van de maaltijdcheques (die uiteraard geen pensioenrechten genereren) op te nemen, zal in een aantal gevallen de bezoldiging die bij de DVO in aanmerking komt voor het pensioen lager zijn dan de bezoldiging bij de FOD Financiën op 31.12.2010.  Voor de personeelsleden die ouder zijn dan 55 jaar kan dit effect hebben op het nominaal pensioenbedrag, gelet op de mogelijkheid om vanaf 60 jaar het rustpensioen aan te vragen.[14]

    Als corrigerende maatregel geldt dat het overgehevelde personeelslid, dat op 1 januari 2011 minstens 50 jaar is, betaald wordt aan het maximum van zijn Vlaamse salarisschaal die vermeld wordt in de eerste kolom van onderstaande tabel en geen loopbaanstap meer kan nemen in de functionele loopbaan voor de leeftijd van 55 jaar, vanaf de 1ste dag van de maand volgend op de leeftijd van 55 jaar een specifieke salarisschaal “V” geniet (vermeld in de middelste kolom van onderstaande tabel). Deze salarisschalen hebben op het einde van de schaal nog een extra tussentijdse verhoging. Hierdoor zal het vijfjaarlijks gemiddelde voor de tewerkstellingsperiode bij de Diensten van de Vlaamse overheid in elk geval hoger zijn dan het bedrag bij de FOD Financiën op datum van de overheveling.
    De personeelsleden jonger dan 50 jaar en/of de personeelsleden van 50 jaar die nog niet aan het maximum van hun salarisschaal bezoldigd worden, zullen bij de DVO nog salarisverhogingen ontvangen (in de schaal of in functionele loopbaan), zodat het gemiddeld salaris van de laatste 5 jaar voor deze personeelsleden na overheveling zeker hoger zal zijn dan dat op datum van de overheveling.[14]

    Deze regeling geldt zowel voor statutaire als voor contractuele personeelsleden.[14]

    Salarisschaal bij de inschaling

    Salarisschaal vanaf 55 jaar

    Extra tussentijdse verhoging per jaar in euro aan 100%

    A 123

    A 123 V

    400

    C 111

    C 111 V

    400

    C 112

    C 112 V

    700

    C 141

    C141 V

    400

    C 143

    C 143 V

    900

    C 211

    C 211 V

    400

    C 212

    C 212 V

    900

    D 121

    D 121 V

    700

    D 122

    D 122 V

    700

    D 201

    D 201 V

    400

    De salarisschalen vermeld in de middelste kolom worden toegevoegd als bijlage 9 bij het VPS.[14]

    Toelichting bij Art. VII 164

    § 1. In uitvoering van het sectoraal akkoord 2008-2009 werd de werkgeversbijdrage in een maaltijdcheque trapsgewijs opgetrokken van € 2,50 naar € 3,91. Deze maatregel kaderde in de “koopkrachtverhoging” die voor alle personeelsleden in het sectoraal akkoord 2008-2009 voorzien werd. Om aan de personeelsleden van de entiteiten met rechtspersoonlijkheid, die toen reeds een gunstigere maaltijdchequeregeling kenden, een gelijke koopkrachtverhoging te garanderen, werd een compenserende toelage ingevoerd.[16]

    In punt 3.7 van het sectoraal akkoord 2010-2012 wordt bepaald dat in samenhang met de verhoging van de nominale waarde van de maaltijdcheques de compenserende toelage met ingang van 1 december 2012 uitdovend wordt gemaakt. Personeelsleden die vanaf 1 december 2012 bij de betrokken entiteiten in dienst treden zullen deze toelage niet meer ontvangen.[16]

    Bijgevolg wordt de compenserende toelage als overgangsbepaling opgenomen.[16]

    Bij de opsomming van de entiteiten wordt thans ook WenZ en IWT opgenomen, zodat de bepaling van de compenserende toelage in het agentschapsspecifiek besluit kan worden opgeheven.[16]

    Bij de oorspronkelijke invoering in het VPS van de compenserende toelage (besluit van de Vlaamse Regering van 9 januari 2009) als organieke bepaling (artikel VII 70quater), was het IWT NIET opgenomen bij de instellingen op wie deze bepaling van toepassing was.
    Bij de opstart van BBB werd het IWT immers niet opgenomen als agentschap. Het is pas bij decreet van 30 april 2009 dat het IWT werd omgevormd tot een EVA, en dit met ingang van 1 januari 2010.

    De compenserende toelage, in uitvoering van het sectoraal akkoord 2008 – 2009 (punt 5.2. van dit sectoraal akkoord), werd voor het IWT dan ook in haar instellingsspecifieke besluit van 27 november 2009 opgenomen (artikel 14).

    Dit instellingsspecifieke besluit zal met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010 worden opgeheven als het agentschapsspecifieke besluit van het IWT wordt goedgekeurd door de Vlaamse Regering.

    Om “dubbele regelgeving” te vermijden worden er in een ASB geen bepalingen opgenomen die eveneens in het VPS voorkomen.

    Voor de toekenning van de compenserende toelage aan de personeelsleden van het IWT is er bijgevolg een juridisch vacuüm voor de periode van 1 oktober 2010 tot en met 30 november 2012.
    Om de toekenning van een compenserende toelage aan de personeelsleden van het IWT voor de periode van 1 januari 2010 tot 30 november 2012 juridisch te onderbouwen wordt een tweede lid aan artikel VII 164, §1 toegevoegd.[18]

    Met het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 2015 houdende overdracht van personeelsleden binnen de diensten van de Vlaamse overheid ingevolge de omvorming van de beleidsdomeinen Diensten voor het Algemeen Regeringsbeleid en Bestuurszaken tot het beleidsdomein Kanselarij en Bestuur, worden vier personeelsleden van Flanders Investment en Trade (FIT) overgedragen naar het departement Kanselarij en Bestuur.[32]

    De overdracht van de vier personeelsleden van het FIT naar het departement Kanselarij en Bestuur, gebeurde zonder vacature of kandidaatstelling. Er was bijgevolg geen enkele "vrijwilligheid" ten aanzien van de betrokken personeelsleden. Zij behouden dan ook de compenserende toelage na hun overdracht naar het departement Kanselarij en Bestuur.[32]

    § 2. Voor de personeelsleden van VLAO en Syntra Vlaanderen werd in uitvoering van voornoemd sectoraal akkoord 2008-2009 de koopkrachtverhoging gerealiseerd door enerzijds een "gedeeltelijke" compenserende  toelage en anderzijds door het optrekken van de werkgeversbijdrage in een maaltijdcheque.
    Daardoor is het bedrag van de compenserende toelage lager dan bij de andere entiteiten.[16]

    Toelichting bij Art. VII 165[18]

    De contractuele gewestelijk ontvanger die op 1 januari 2013 met zijn/haar akkoord van het Vlaams Gewest naar de diensten van de Vlaamse overheid werd overgedragen, wordt tewerkgesteld in de betrekking van en bezoldigd in de overgangsschaal A 218 (cf. art. VII 12, §1, 5°, overgang).[18]

    De betrokken contractueel gewestelijk ontvanger krijgt een contract aangeboden met de Vlaamse overheid als werkgever conform de contracten die de Vlaamse overheid opstelt voor het eigen personeel maar waarin de rechten worden gewaarborgd die het overgedragen contractuele personeel behoudt, na overgang naar de diensten van de Vlaamse overheid.[18]

    Toelichting bij Art. VII 166[18]

    Naast het beginsel van salarisgarantie, behoudt de overgedragen gewestelijk ontvanger ook de geldelijke anciënniteit die hij had in zijn oude graad van gewestelijk ontvanger.[18]

    Toelichting bij Art. VII 167[18]

    § 1. De gewestelijk ontvangers kennen voor de vergoeding van hun verplaatsingen naar de te bedienen besturen een sui generis-regelinq die niet belastbaar is (terugbetaling eigen kosten werkgever).[18]

    Overeenkomstig deze sui generis-regeling wordt de standplaats van de gewestelijk ontvanger vastgesteld in de woonplaats (gewestelijk ontvangers kennen derhalve geen woon-werkverkeer).[18]

    § 2. De gewestelijk ontvanger heeft voor de verplaatsingen met eigen motorvoertuig tussen zijn standplaats en de door hem te bedienen besturen per gemeente van tewerkstelling recht op een tegemoetkoming ten bedrage van de volledige maandelijkse kostprijs van een treinkaart 2de klasse voor dezelfde afstand.[18]

    § 3. Uiteraard wordt de fiscale reglementering voor de combinaties van deze tegemoetkomingen voor woon-werkverkeer toegepast.[18]

    Deze sui-generisregeling wordt in het VPS als overgangsmaatregel behouden, d.w.z. enkel voor de huidige gewestelijk ontvangers die worden overgedragen naar de diensten van de Vlaamse overheid, én die verder de functie van gewestelijk ontvanger uitoefenen.[18]

    Toelichting bij Art. VII 168[18]

    De specifieke toelage voor de gewestelijk ontvanger die tijdelijk belast wordt met een bijkomend bestuur bij afwezigheid van de titularis of in afwachting van de invulling van een vacature, wordt in het VPS eveneens als overgangsmaatregel behouden, d.w.z. enkel voor de huidige gewestelijk ontvangers die worden overgedragen naar de diensten van de Vlaamse overheid, én die bovendien verder de functie van gewestelijk ontvanger uitoefenen.[18]

    Toelichting bij Art. VII 169[23]

    Het optrekken van de mogelijkheid om het aantal functierelevante jaren privé-ervaring te valoriseren van 9/15 jaar tot 20 jaar leidt niet tot een herziening van de dossiers van de op het ogenblik van inwerkingtreding van dit besluit in dienst zijnde personeelsleden. Zij behouden de opgebouwde geldelijke anciënniteit.[23]

    Indien zij een nieuwe functie opnemen (bv. bevordering of horizontale mobiliteit) kan eventueel wel meer geldelijke anciënniteit worden toegekend (indien het aantal jaren functierelevante privé-ervaring hoger is).[23]

    Toelichting bij Art. VII 170[23]

    De projectleiderstoelage en de toelage voor hoger ambt gaan – in gewijzigde vorm (berekening via de functieniveaumatrix) – op in de toelage voor tijdelijke functieverzwaring (art. VII 44bis).[23]

    De ambtenaren die op 1 maart 2014 zijn aangesteld als projectleider of in een hoger ambt, behouden de toelage toegekend op basis van de regeling die gold op de datum van aanstelling.[23]

    De ambtenaren wiens functie niet kan gewogen worden (in de regel gaat het over de zgn. 'specifieke' of 'niet toewijsbare' functies) en voor wie derhalve een verzwaring van deze functie niet geobjectiveerd kan worden (omdat de organisatie-eigen wegingsmethodiek hier nog niet aan aangepast is) in toepassing van de regeling inzake de toelage voor tijdelijke functieverzwaring (artikel VII 44bis), kunnen bij wijze van overgangsmaatregel gedurende maximaal 2 jaar te rekenen vanaf 1 maart 2014 tijdelijk een hoger ambt waarnemen en hiervoor een toelage ontvangen in toepassing van de regeling voor de waarneming van een hoger ambt die gold vóór hoger vermelde datum (cf. de opgeheven artikels VI 83-85 en VII 23-24).[23]

    Aangezien de toelage voor het uitoefenen van een hoger ambt uitdovend is, wordt deze geschrapt in de artikelen VII 11, §3, VII 31, VII 39, §2 en VII 92, §1. Bij wijze van overgangsbepaling wordt wel bepaald dat de toelage voor de toepassing van deze artikelen nog steeds in aanmerking wordt genomen.[34]

    Toelichting bij Art. VII 171[26]

    §1. De ambtenaar van de Nationale Plantentuin van België die wordt overgeheveld naar de EVA Agentschap Plantentuin Meise wordt op 1 januari 2014 ambtshalve benoemd en ingeschaald overeenkomstig bijlage 11 bij dit besluit.
    Bij het opstellen van deze inschalingstabel werd om de best passende Vlaamse salarisschaal te bepalen langs federale zijde rekening gehouden met het salaris, de eindejaarstoelage en het vakantiegeld.[26]

    Dit saldo werd geplaatst tegenover het salaris bij de Vlaamse overheid verhoogd met de eindejaarstoelage, het vakantiegeld en de gebruteerde tegenwaarde van de maaltijdcheques (5,91 euro x 210 werkdagen x 2 (bruteren) / 1,6084 (desindexeren - index van toepassing op datum van overheveling) = ca. 1540 euro per jaar).
    Rekening houden met andere federale weddencomplementen, weddensupplementen en andere voordelen in de salarisvergelijking zou tot gevolg hebben dat de overgehevelde personeelsleden de verworvenheden uit federale sectorale akkoorden zouden cumuleren bovenop de Vlaamse sectorale akkoorden.[26]

    De ambtenaar die een graad heeft waarvoor een overgangssalarisschaal bepaald is in kolom 3 van bijlage 11 bij dit besluit, geniet deze salarisschaal tot de organieke
    salarisschaal verbonden aan deze graad hem voordeliger wordt.
    De overgangssalarisschaal is een volwaardige salarisschaal met tussentijdse verhogingen. De schaalanciënniteit wordt echter opgebouwd in de organieke salarisschaal en niet in de overgangssalarisschaal zodat aan deze overgangssalarisschaal geen functionele loopbaan verbonden is.[26]

    §2. Het contractuele personeelslid dat op 1 januari 2014 met zijn/haar akkoord van de Nationale Plantentuin van België overgeheveld wordt naar de EVA Agentschap Plantentuin Meise, wordt tewerkgesteld in de betrekking en bezoldigd in de salarisschaal overeenkomstig bijlage 11 bij dit besluit.
    Het betrokken contractueel personeelslid wordt een contract aangeboden met de Vlaamse overheid als werkgever conform de contracten die de Vlaamse overheid opstelt voor het eigen personeel maar waarin de rechten worden gewaarborgd die het overgehevelde contractuele personeel in overeenstemming met de overhevelingsreglementering behoudt, na overgang naar de Vlaamse overheid.
    Contracten van onbepaalde duur worden overgenomen voor onbepaalde duur; contracten van bepaalde duur worden overgenomen voor de nog resterende termijn. Voor de Geco’s moeten de conventies worden overgenomen. Startbaners worden als zodanig overgenomen binnen de tewerkstellingsverplichtingen van de Vlaamse overheid.[26]

    Alle op 1.1.2014 overgedragen statutaire en contractuele PL genieten op basis van het VPS in 2014 van 35 dagen betaalde vakantie (enkel verlofgeld) en een dubbel verlofgeld in mei 2014 (voor de personeelsleden van de Plantentuin zelf wordt het verlofgeld door de CDVU betaald; voor het Eigen Vermogen door Vlimpers dat budgettair extra voorzien is middels ‘overflow’.
    Het is immers zo dat ook de contractuelen van het EV in het kader van de 5de Staatshervorming zullen overgedragen  worden naar het Vlaams gewest bij nominatief Koninklijk besluit. Op basis van art. 4 van het KB van 25.7.1989 (en art. 88 bijzondere wet 8.8.1980) behouden zij hun graad, hoedanigheid en anciënniteiten, bezoldiging. Ook behouden zij de toelagen (waaronder vakantiegeld) en vergoedingen, voor zover de toekenningsvoorwaarden blijven bestaan.
    Conclusie: zij zullen in 2014 genieten van een dubbel verlofgeld en 35 betaalde vakantiedagen.[26]

    Uit geen enkele regelgeving blijkt dat de overgedragen contractuele personeelsleden recht zouden hebben op het vakantiegeld “uit dienst” (er is immers ook geen uitdiensttreding). Er is enkel vakantiegeld “uit dienst” als het contractueel personeelslid EV het EV verlaat en dus niet overgedragen wordt naar de DVO-EVA Plantentuin Meise.[26]

    Toelichting bij Art. VII 172[26]

    Met deze overgangsregeling wordt bekomen dat geen enkel personeelslid, ook niet diegenen die vóór de overdracht de taalpremie genoten, er financieel op achteruit gaat.
    De berekening gebeurt à 100% op jaarbasis, aan voltijdse prestaties. Het supplement wordt bruto per maand berekend en betaald conform art. VII 15 en 16 VPS (koppeling
    aan de prestaties).
    Zoals bij eerdere overdrachten wordt ook voor deze vergelijking het voordeel van de maaltijdcheques gebruteerd en op 100% gebracht.
    Het verschil wordt betaald zolang de totale verloning (organieke schaal, overgangsschaal of P-schaal, vakantiegeld, eindejaartoelage en maaltijdcheques) bij de Vlaamse overheid à 100% en voor voltijdse prestaties lager is dan de totale verloning à 100% voor voltijdse prestaties in december 2013 bij de NPB.
    Met deze overgangsregeling is voldaan aan de bijzondere wet van 8.8.1988 en aan het KB van 25.7.1989.
    Door de vergelijking te maken à 100% en voor voltijdse prestaties is deze overgangsregeling indexneutraal en zijn er geen nefaste neveneffecten door wijziging prestatieregime.[26]

    Toelichting bij Art. VII 173[26]

    Met deze overgangsbepaling wordt voor de overgehevelde personeelsleden van de Nationale Plantentuin een afwijkende regeling inzake zaterdagprestaties ingevoerd. Het betreft een overname van de regeling van het KB van 11 februari 2013 tot toekenning van een toelage aan de personeelsleden van het federaal administratief openbaar ambt die bepaalde prestaties verrichten.[26]

    De toelage bedraagt 50% van 1/1976 van de brutojaarwedde.[26]

    Enkel in geval dat deze prestaties gepresteerd worden buiten de normale uurroosters (maw boven op de 38-uren per week) is er sprake van overuren en is recht op recuperatieverlof.[26]

    Enkele voorbeelden zullen dit verduidelijken:

    Voorbeeld 1 (= situatie wachters)
    Persoon A werkt in een week van maandag tot zondag 38u, waarvan 6u op zaterdag, de 32 andere uren op weekdagen; het zaterdagwerk wordt dus niet gepresteerd als  overuren.
    Betrokkene krijgt dan enkel de zaterdagtoelage van 50% van 1/1976 van het jaarloon voor de 6u op zaterdag of 3u compensatie (recup) tijdens een van de volgende weken (betrokkene heeft immers geen overuren verricht).[26]

    Voorbeeld 2 (= situatie tuiniers)
    Persoon B werkt in een week van maandag tot vrijdag 38u, en daarboven 6u op zondag; 6 overuren dus.
    Betrokkene krijgt dan:
    - een zondagtoelage van 100% van 1/1850 van het jaarloon voor de 6u op zondag of 6u compensatie (recup) tijdens een van de volgende weken
    - 6u compensatie voor de 6 overuren.[26]

    Voorbeeld 3 (= situatie wachters)
    Persoon C werkt 1 weekend op 2.
    Betrokkene krijgt:
    - voor de zaterdag een dag 'inhaalrust' de week voorafgaand aan het weekend
    - voor de zondag een dag 'inhaalrust' de week volgend op het weekend
    - een zaterdagtoelage van 50% van 1/1976 van het jaarloon (overgangsregeling)
    - een zondagtoelage van 100% van 1/1850 van het jaarloon (regeling VPS).

    Persoon C komt dus aan 38 uren per week over de 2 weken gespreid (dus geen overuren).[26]

    De federale overheid bevestigde bij mail van 24 maart 2014 dat de interpretatie van het KB van 11 februari 2013 zoals verwerkt in de voorbeelden 1 en 2 volledig correct is.[26]

    Toelichting bij Art. VII 174[26]

    Met deze overgangsbepaling wordt voor de overgehevelde personeelsleden van de Nationale Plantentuin van België de toelage voor leidinggevenden in het VPS als overgangsregeling ingeschreven.[26]

    Aangezien de hiërarchische lijnen dezelfde  zijn als bij de Nationale Plantentuin van België, is nog aan de toekenningsvoorwaarden voldaan. Deze toelage wordt dus verder ten individuelen titel en in uitdoving verder toegekend. Deze toelage wordt toegekend tot de datum dat betrokkene belast wordt met een tijdelijke functieverzwaring of bevorderd wordt in graad.[26]

    De begunstigden van een hoger ambt op de datum van overdracht, genieten ook van deze toelage voor leidinggevenden.[26]

    De toelage geldt tot 1september 2016. Naar analogie met de overgangsregeling van artikel VII 170 2de  lid,  ligt het voor de hand dat deze overgangsregeling verlengd  wordt indien zou blijken dat de functieweging nog niet op 1/9/2016 gefinaliseerd is.[26]

    De premie bedraagt 500 euro per jaar (aan 100%) voor een personeelslid van niveau D en 1000 euro per jaar (aan 100%) voor een personeelslid van niveau C of B.[26]

    Toelichting bij Art. VII 175[26]

    Door in de vergelijking tussen de federale en de Vlaamse bezoldiging het voordeel van de maaltijdcheques (die uiteraard geen pensioenrechten genereren) op te nemen, zal in een aantal gevallen de bezoldiging die bij de DVO in aanmerking komt voor het pensioen lager zijn dan de bezoldiging bij de Nationale Plantentuin van België op 31.12.2013.
    Voor de personeelsleden die ouder zijn dan 55 jaar kan dit effect hebben op het nominaal pensioenbedrag, gelet op de mogelijkheid om vanaf 60/61/62 jaar het rustpensioen aan te vragen.
    Als corrigerende maatregel geldt dat het overgehevelde personeelslid, dat op 1 januari 2014 minstens 50 jaar is, betaald wordt aan het maximum van zijn Vlaamse salarisschaal die vermeld wordt in de eerste kolom van onderstaande tabel en geen loopbaanstap meer kan nemen in de functionele
    loopbaan voor de leeftijd van 55 jaar, vanaf de 1ste dag van de maand volgend op de leeftijd van 55 jaar een specifieke salarisschaal “P” geniet (vermeld in de middelste kolom van onderstaande tabel).
    Deze salarisschalen hebben op het einde van de schaal nog een extra tussentijdse verhoging.
    De personeelsleden jonger dan 50 jaar en/of de personeelsleden van 50 jaar die nog niet aan het maximum van hun salarisschaal bezoldigd worden, zullen bij de DVO nog salarisverhogingen ontvangen (in de schaal of in functionele loopbaan), zodat het gemiddeld salaris van de laatste 5/10 jaar voor deze personeelsleden na overheveling zeker hoger zal zijn dan dat op datum van de overheveling.
    Deze regeling geldt zowel voor statutaire als voor contractuele personeelsleden.

      Salarisschaal bij de inschaling   Salarisschaal vanaf 55 jaar Extra tussentijdse verhoging per jaar in euro aan 100%
    A 122

    A 122 P

    600

    A 131

    A 131 P

    1850

    B 112

    B 112 P

     900
    C 111

    C 111 P

    1180

    C 112

    C 112 P

    700

    C 143

    C 143 P

    1400

    C 211

    C 211 P

      400

    C 212

    C 212 P

      900

    D 113

    D 113 P

      600

    De salarisschalen vermeld in de middelste kolom worden toegevoegd als bijlage 12 bij dit besluit.[26]

    naar boven

    Hoofdstuk 2. Overgangsbepalingen voor de vanaf 1 januari 2015 in het kader van een staatshervorming van de federale overheid overgehevelde personeelsleden[30]

    Toelichting bij Art. VII 176[30]

    De geldelijke anciënniteit van de personeelsleden die vanaf 1 januari 2015 in het kader van een staatshervorming overgeheveld worden is gelijk aan de werkelijke geldelijke anciënniteit (zoals deze op de federale weddefiche terug te vinden was op datum van overheveling).[30]

    Het KB van 3 maart 2005 houdende hervorming van de bijzondere loopbaan van sommige ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën en de Administratie der pensioenen van het Ministerie van Financiën en houdende diverse bepalingen tot uitvoering van het koninklijk besluit van 5 september 2002 houdende hervorming van de loopbaan van sommige ambtenaren in de rijksbesturen kende aan bepaalde graden bij de federale overheid een fictieve geldelijke anciënniteit toe. De federale overheid noemt dit een anciënniteit op basis van de diagonale inschaling. Deze fictieve geldelijke anciënniteit kon hoger of lager liggen dan de werkelijke geldelijke anciënniteit.[30]

    Overeenkomstig het KB van 3 februari 2010 houdende wijziging van verscheidene reglementaire bepalingen betreffende de bijzondere loopbanen bij de Federale Overheidsdienst Financiën en bij de Pensioendienst voor de overheidssector wordt bij de federale overheid afgestapt van deze fictieve geldelijke anciënniteit zodat de wedde die aan de betrokkene (van wie de geldelijke anciënniteit verlaagd werd) betaald wordt op termijn (telkens wanneer het betrokken personeelslid een tussentijdse verhoging krijgt, wordt de geldelijke anciënniteit verhoogd) terug zal overeenstemmen met de wedde verbonden aan de werkelijke geldelijke anciënniteit.[30]

    De Vlaamse overheid houdt bij de inschaling rekening met de werkelijk gepresteerde diensten voor het bepalen van de geldelijke anciënniteit. Indien echter bij de federale overheid een fictieve geldelijke anciënniteit toegekend werd, zodat ingevolge de diagonale inschaling, de toegekende wedde hoger is dan deze die overeenstemt met de werkelijke geldelijke anciënniteit, brengt de Vlaamse overheid evenwel ook deze fictieve anciënniteit in rekening.[30]

    Bijvoorbeeld:

    - Een titularis van weddeschaal BF 2 heeft een werkelijke geldelijke anciënniteit van 28 jaar maar door de diagonale inschaling wordt fictief 6 jaar geldelijke anciënniteit in mindering gebracht zodat betrokkene de wedde toegekend wordt die overeenstemt met 22 jaar geldelijke anciënniteit.
    De Vlaamse overheid bepaalt de geldelijke anciënniteit echter onmiddellijk op 28 jaar, dus overeenstemmend met de werkelijke geldelijke anciënniteit.[30]

    - Een titularis van weddeschaal DF 1 heeft een werkelijke geldelijke anciënniteit van 15 jaar maar door de diagonale inschaling wordt fictief 2 jaar geldelijke anciënniteit extra in rekening gebracht zodat betrokkene de wedde toegekend wordt die overeenstemt met 17 jaar geldelijke anciënniteit.
    De Vlaamse overheid bepaalt de geldelijke anciënniteit op 17 jaar, dus overeenstemmend met de werkelijke geldelijke anciënniteit verhoogd met de fictieve geldelijke anciënniteit toegekend op basis van de diagonale inschaling.[30]

    Bij de federale overheid wordt voor de berekening van de geldelijke anciënniteit nog toepassing gemaakt van de indeling in groepen A en B (waarbij prestaties verricht in een lagere klasse maar voor 2/3 in aanmerking komen als men later overgaat naar een hogere klasse) en leeftijdsklassen (zodat mogelijkerwijze aan het begin van de loopbaan gepresteerde jaren verloren gingen voor de geldelijke anciënniteit omdat men niet aan de minimumleeftijd voldeed om anciënniteit op te bouwen). Het koninklijk besluit van 5 juli 2010 houdende wijziging van verscheidene bepalingen betreffende het geldelijk statuut van personeelsleden van de federale overheidsdiensten bracht een wijziging aan aan deze berekeningswijze (afschaffing leeftijdsklassen in geval van bevordering naar de niveaus C of B) zodat vanaf 1 december 2010 de geldelijke anciënniteit van sommige personeelsleden aangepast werd.[30]

    Bij de diensten van de Vlaamse overheid werd sinds de invoering van het VPS (BVR van 24 november 1993) de indeling in groepen en de leeftijdsklassen afgeschaft.[30]

    Voor de personeelsleden vanaf 1 januari 2015 overgeheveld in het kader van een staatshervorming wordt bij het bepalen van de geldelijke anciënniteit na de overheveling ook geen rekening meer gehouden met de indeling in groepen en de leeftijdsklassen. Op deze wijze worden zij behandeld als de andere personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid.[30]

    Toelichting bij Art. VII 177[30]

    § 1. De geslaagden in een bekwaamheidsproef voor een benoeming in een graad van hetzelfde niveau maar die bij de federale overheid nog niet benoemd werden in de nieuwe graad, worden op datum van overheveling bij de Vlaamse overheid onmiddellijk benoemd in de graad en ingeschaald in de schaal die correspondeert met de federale graad die te begeven was bij deze bekwaamheidsproef.[30]

    § 2. Ook overgehevelden die zich vóór de overheveling hadden ingeschreven voor een bekwaamheidsproef (andere dan vanuit niveau B naar klasse A2) en na de overheveling slagen in de proef, behouden dit voordeel. Zij worden in de nieuwe graad benoemd en ingeschaald in de bijbehorende salarisschaal met ingang van de eerste dag van de maand volgend op het proces-verbaal van het slagen voor de proef over de beroepsbekwaamheid. Het afleggen van een bijkomende selectietest of test nopens de potentieelinschatting is niet meer nodig en een vacature is evenmin vereist.[30]

    Toelichting bij Art. VII 178[30]

    § 1. De vanaf 1 januari 2015 overgehevelde ambtenaar in het kader van een staatshervorming die op datum van de overheveling naar de DVO de premie voor competentieontwikkeling genoot, behoudt deze premie bij de DVO voor dezelfde geldigheidsduur als deze toegekend zou geweest zijn bij de federale overheid (normalerwijze 6 of 8 jaar te rekenen vanaf de inschrijvingsdatum).[30]
    (KB 10 april 1995 tot vaststelling van de weddenschalen der aan verscheidene federale overheidsdiensten gemene graden zoals laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 2 juni 2010)[30]

    Hetzelfde geldt voor de contractuele personeelsleden. Ook zij behouden de premie voor competentieontwikkeling voor dezelfde geldigheidsduur als deze toegekend zou geweest zijn bij de federale overheid op datum van overheveling.[30]

    § 2. Na de stopzetting van de volledige premie wordt nog gedurende 36 maanden de helft van de premie voor competentieontwikkeling toegekend.[30]

    § 3. Zoals vermeld in artikel VI 149bis behoudt het naar de diensten van de Vlaamse overheid overgehevelde personeelslid dat op datum van overheveling bij de federale overheid ingeschreven was voor deelname aan een competentiemeting of gecertificeerde opleiding, mits akkoord van de federale overheid, het recht op deelname aan de eerstvolgende meting of opleiding bij de federale overheid. Wanneer een personeelslid zou ingeschreven zijn voor verschillende metingen, behoudt het enkel recht op deelname aan de eerstvolgende meting.[30]

    Bij slagen geniet betrokkene met ingang van de datum van overheveling de premie voor competentieontwikkeling.[30]

    Betrokkenen genieten de premie zoals deze bij de federale overheid op datum van overheveling bestond. Wat betreft het behoud geldt hetzelfde principe als vermeld in §1 en 2 van het artikel VII 160. Wijzigingen aan de federale reglementering inzake de premie voor competentieontwikkeling na de datum van overheveling (bijvoorbeeld wijziging van het bedrag van de premie) hebben geen weerslag meer bij de diensten van de Vlaamse overheid.[30]

    Bij niet slagen voor deze meting of opleiding, wordt geen premie toegekend.[30]

    § 4. Het bedrag van de premie voor competentieontwikkeling is gelijk aan dit bij de federale overheid zoals het bestond op datum van overheveling naar de DVO. Wijzigingen aan de regelgeving na 1 januari 2015 (bijvoorbeeld wat betreft de bedragen van de premie voor competentieontwikkeling en de geldigheidsduur van de premie), gelden niet binnen de diensten van de Vlaamse overheid.[30]

    § 5. Net zoals bij de federale overheid wordt de premie eenmaal per jaar uitbetaald in de maand september en overeenkomstig de artikelen VII 6 en VII 16 naar rata van de prestaties van de voorbije 12 maanden (1 september – 31 augustus).[30]

    Deze premie genereert, in afwijking van de federale regeling, geen effect naar het bedrag van het vakantiegeld en de eindejaarstoelage (= een generiek principe binnen de diensten van de Vlaamse overheid). Reeds in 2011 werd aan federale overheid gevraagd om deze premie in aanmerking te nemen voor de pensioenberekening. Het dossier zou momenteel de administratieve -en begrotingscontrole doorlopen.[30]

    De betaling van de premie vanaf de datum van inschrijving tot de datum van overheveling naar de DVO, is ten laste van de federale overheid.[30]

    Toelichting bij Art. VII 179[30]

    § 1. In de periode 2004-2013 is de geldelijke loopbaan bij de federale overheid afhankelijk gemaakt van het slagen in een competentiemeting of gecertificeerde opleiding. Bij het slagen in deze meting of opleiding krijgt het betrokken personeelslid vanaf de datum van inschrijving voor deze meting of opleiding voor een periode van 6 of 8 jaar (naargelang het niveau) een premie voor competentieontwikkeling. Na het verloop van de voorgeschreven termijn volgt in bepaalde gevallen een bevordering tot een hogere salarisschaal (niet alle competentiemetingen of gecertificeerde opleidingen hebben een hogere salarisschaal tot gevolg).[30]

    De DVO honoreert zowel de premie voor competentieontwikkeling als deze toekomstige federale loopbaanstap door op de datum dat deze hogere federale salarisschaal zou toegekend geweest zijn, een herinschaling door te voeren conform de inschalingstabel van bijlage 14. Desgevallend wordt ingeschaald in de organieke schaal en betaald in de overgangssalarisschaal. De herinschaling gebeurt ook voor de titularissen van schaal A11 die automatisch na 6 jaar schaal A12 verkregen en de vlakke loopbaan van de schalen 20AP-20BP-20CP (FOD Justitie).[30]

    Dezelfde regeling geldt voor de overgehevelde personeelsleden die vóór 3 februari 2013 ingeschreven zijn voor een gecertificeerde opleiding en alsnog zouden slagen voor de proef en bijgevolg retro-actief, vanaf de datum van inschrijving, de premie voor competentieontwikkeling zouden genieten met uitzicht op een hogere federale salarisschaal.[30]

    Een voorbeeld:
    Op 1/1/2015 (datum van overheveling) wordt een titularis van de federale schaal BA1 overeenkomstig de inschalingstabel van bijlage 14 ingeschaald in de Vlaamse schaal B111.
    Betrokkene was federaal geslaagd in de gecertificeerde opleiding voor BA2 met als referentiedatum 1/1/2012. Dit betekent dat betrokkene op 1/1/2020 federaal schaal BA2 zou toegekend geweest zijn. Aangezien betrokkene zal heringeschaald worden bouwt hij geen schaalanciënniteit op in schaal B111.
    Op 1/1/2020 wordt betrokkene heringeschaald in schaal B113 met als overgangsschaal B191 (zoals voorzien in hogervermelde inschalingstabel). Betrokkene start dan met 0 jaar schaalanciënniteit in schaal B113.[30]

    § 2. Na afloop van de geldigheidsduur van de competentietoelage wordt overeenkomstig artikel VII 178 §2 nog gedurende 3 jaar de helft van de premie uitbetaald. Aangezien de in paragraaf 1 bedoelde personeelsleden na afloop van de geldigheidsduur heringeschaald worden, is er geen reden meer om hen ook nog gedurende 3 jaar de helft van de premie toe te kennen. De reden voor het toekennen van 3 jaar de halve premie was immers om het wegvallen van de federale bevordering en de volledige premie enigszins te compenseren. Aangezien de in artikel VII 179 bedoelde ambtenaren na afloop van de geldigheidsduur heringeschaald worden, is er geen recht meer op de helft van de premie (enkel statutaire personeelsleden worden heringeschaald aangezien de federale bevordering enkel voor hen gold). Hetzelfde geldt voor de ambtenaren die bij de herinschaling dezelfde organieke schaal toegekend krijgen als de organieke schaal die ze reeds hadden op de datum van overheveling, alsook voor de A11 en de titularissen van de schalen 20AP-20BP-20CP die een competentietoelage ontvingen.[30]

    § 3. In de tussenliggende periode vanaf de datum van overheveling tot de datum van herinschaling wordt geen schaalanciënniteit opgebouwd en is er geen functionele loopbaan. Een opbouw van schaalanciënniteit zou er immers toe leiden dat sommige betrokkenen vooraleer hun federale bevorderingsdatum zou bereikt zijn, een sprong zouden maken in de Vlaamse functionele loopbaan. Het kan uiteraard niet de bedoeling zijn te werken met parallelle loopbanen (dus zowel Vlaamse als federale bevordering). Vandaar dat pas vanaf de datum van herinschaling de schaalanciënniteit een aanvang neemt maar dan in de nieuw toegekende organieke schaal (in de desgevallend toegekende overgangsschaal wordt immers geen functionele loopbaan uitgebouwd).[30]

    § 4. In bepaalde gevallen zal de herinschaling geen onmiddellijk effect ressorteren, bijv. DA1 en DA2 worden beiden in schaal D111 ingeschaald. Indien men in een dergelijk geval § 3 zou toepassen zou degene die geslaagd was in de gecertificeerde opleiding immers benadeeld zijn tov degene die niet geslaagd was en reeds vanaf de overheveling schaalanciënniteit kon opbouwen.[30]

    Voorbeeld:
    - Persoon A, DA1 niet geslaagd in de gecertificeerde opleiding wordt, door de voordelige berekeningswijze van de schaalanciënniteit (geen herleiding van de anciënniteit in de beginschaal) bevorderd in de fulo op 1/1/2019
    - Persoon B, DA1 geslaagd in de gecertificeerde opleiding zou federaal schaal DA2 genoten hebben op 1/1/2017. Betrokkene wordt dan bij de DVO heringeschaald in D111 (maar deze schaal is dezelfde als degene waarvan hij reeds titularis was). Zijn schaalanciënniteit in schaal D111 zou dan pas starten; terwijl persoon A reeds op 1/1/2019 zou bevorderen in de fulo en schaal D112 genieten, zou persoon B zijn bevordering in de fulo pas genieten op 1/1/2025 (1/1/2017 + 8 jaar).[30]

    Aangezien dit uiteraard onbillijk is, wordt in een dergelijk geval wel schaalanciënniteit opgebouwd vanaf de datum van overheveling (rekening houdend met het startkapitaal aan schaalanciënniteit). Desgevallend (wanneer de datum van de fulo valt vóór de federale bevorderingsdatum) zal de herinschaling dan zonder voorwerp zijn.[30]

    Toelichting bij Art. VII 180[30]

    Wanneer federale personeelsleden die de premie voor competentieontwikkeling ontvangen, niet slagen in een volgende competentiemeting of gecertificeerde opleiding, ontvangen zij bij de federale overheid nog gedurende 36 maanden de helft van de premie voor competentieontwikkeling.[30]

    Overgehevelde personeelsleden die zich bij de overheveling naar de DVO in een dergelijke situatie bevinden, behouden voor dezelfde duur de helft van de premie te rekenen vanaf de datum dat deze premie bij de federale overheid toegekend werd. Wanneer bijvoorbeeld het personeelslid de helft van de premie ontvangt vanaf 1 januari 2013 ontvangt het deze premie tot 31 december 2015. De Vlaamse overheid zal dus nog gedurende 12 maanden deze premie betalen (van 1/1/2015 – 31/12/2015).[30]

    Toelichting bij Art. VII 181[30]

    De van de Federale Overheidsdienst Financiën overgehevelde ambtenaar die op datum van de overheveling bij de federale overheid de vormingspremie genoot, behoudt deze premie bij de DVO voor dezelfde duur als deze federaal zou toegekend geweest zijn (art. VII 162).[30]

    Een analoge regeling wordt ingesteld voor de personeelsleden die vanaf 1 januari 2015 ingevolge een staatshervorming naar de DVO overgeheveld worden.[30]

    Toelichting bij Art. VII 182[30]

    De overgehevelde personeelsleden van de Nationale Plantentuin van België genoten een specifieke regeling voor zaterdagprestaties. In artikel VII 173 werd deze regeling als overgangsregeling opgenomen wat inhoudt dat enkel overgehevelde personeelsleden van deze regeling genieten.[30]

    Binnen bepaalde federale entiteiten (zoals de FOD Justitie, de FOD Mobiliteit en Vervoer en de FOD Economie) wordt van dezelfde regeling voor zaterdagprestaties gebruik gemaakt. Indien betrokkenen effectief deze toelage genoten op datum van overdracht, genieten zij ook van de analoge overgangsregeling, uiteraard voor zover zij dezelfde functie blijven uitoefenen. Dit is noodzakelijk gelet op de bepalingen van het KB van 25.7.1989. Het verschil met de toelage voor zaterdagprestaties vermeld in het VPS is immers te groot.[30]

    De toelage bedraagt 50% van 1/1976 van de brutojaarwedde.[30]

    Enkel in geval dat deze prestaties gepresteerd worden buiten de normale uurroosters (m.a.w. boven op de 38-uren per week) is er sprake van overuren en is er recht op recuperatieverlof.[30]

    Toelichting bij Art. VII 183[30]

    Sommige in het kader van de staatshervorming overgehevelde personeelsleden van de FOD Justitie  - Jeugdsanctierecht genieten op datum van overdracht de toelage voor comptabiliteit vermeld in het ministerieel besluit van 15 januari 1992 tot toekenning van een jaarlijkse toelage aan sommige ambtenaren in dienst bij de penitentiaire inrichtingen en belast met een comptabiliteitsdienst.[30]

    Indien betrokkenen na de overheveling nog steeds dezelfde taken uitoefenen en dezelfde verantwoordelijkheden dragen, wordt hen in overgang de toelage voor gewone en buitengewone rekenplichtigen van artikel VII 48 toegekend zolang zij aan de toekenningsvoorwaarden beantwoorden. Deze toelage blijft beperkt tot degenen die voormelde toelage voor comptabiliteit genoten op datum van overdracht.[30]

    Toelichting bij Art. VII 184[30]

    Sommige in het kader van de staatshervorming overgehevelde personeelsleden van de FOD Justitie – Jeugdsanctierecht genieten op datum van overdracht de jaarlijkse toelage van 2.500 euro (à index 111.64) vermeld in het koninklijk besluit van 28 september 2003 (gewijzigd bij KB van 28 april 2011) tot invoering van een verlof voorafgaand aan het pensioen ten gunste van sommige ambtenaren in dienst in de buitendiensten van het directoraat-generaal uitvoering van straffen en maatregelen.[30]

    Op grond van artikel 9, §2 van dit koninklijk besluit is het bedrag van 2500 euro gekoppeld aan het spilindexcijfer dat van kracht is op 1 januari 2004 (= spilindex 111,64). Om het bedrag van 2500 euro aan 100% te bepalen, moet dit bijgevolg gedeeld worden door de liquidatiecoëfficiënt van 1,3195  (1895 euro aan 100%) om dit op hetzelfde indexniveau te brengen als de andere te indexeren toelagen in het VPS.
    Om het geïndexeerde bedrag te kennen op 1/1/2015 moet dit dan ook vermenigvuldigd worden met de liquidatiecoëfficiënt 1,6084 (= 3047 euro geïndexeerd/jaar).[30]

    Om hetzelfde indexatiemechanisme zoals in artikel VII 9 van het VPS bepaald, te kunnen hanteren, wordt het bedrag van 2500 euro (100%) herleid tot 1895 euro (100%).[30]

    De in artikel 1 van dit koninklijk besluit vermelde ambtenaren genieten een jaarlijkse toelage van 1895 euro (aan 100%) wanneer zij na de leeftijd van 55 jaar voltijds in dienst blijven. De toelage wordt maandelijks en na vervallen termijn betaald naar rato van de geleverde prestaties.[30]

    Toelichting bij Art. VII 185[30]

    Sommige in het kader van de staatshervorming overgehevelde personeelsleden van de FOD Justitie – Jeugdsanctierecht genieten op datum van overdracht de specificiteitstoelage vermeld in het koninklijk besluit van 4 april 2003 tot toekenning van een specificiteitstoelage aan sommige ambtenaren in dienst in de buitendiensten van het Directoraat-generaal EPI – Penitentiaire Inrichtingen, met uitzondering van het bewakings- en technisch personeel.[30]

    De toelage bedroeg voor ambtenaren van niveau A 1660,59 euro per jaar (aan 100%) en voor de andere ambtenaren 669,31 euro per jaar (aan 100%).
    Het personeelslid van niveau A behoudt deze toelage voor zover aan de toekenningsvoorwaarden beantwoord blijft.
    De personeelsleden van de andere niveaus die op datum van overdracht de specificiteitstoelage genoten, genieten vanaf de overhevelingsdatum de jeugdzorgtoelage vermeld in artikel VII 45 VPS.[30]

    Toelichting bij Art. VII 186[30]

    Sommige in het kader van de staatshervorming overgehevelde personeelsleden van de FOD Justitie – Justitiehuizen genieten op datum van overdracht de toelage voor coördinator justitiehuizen vermeld in artikel 16 van het koninklijk besluit van 13 juni 1999 tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen van het Ministerie van Justitie die bekleed zijn met een bijzondere graad[30]

    Aangezien de coördinatoren bij de federale overheid aangesteld werden voor een termijn van 5 jaar behouden betrokkenen dan ook deze toelage bij de DVO voor de nog resterende duur (indien betrokkene bijvoorbeeld aangesteld werd vanaf 1/1/2013 kan hij bij de DVO nog voor maximum 3 jaar de toelage genieten) en voor zover ze de functie blijven uitoefenen. De toelage bedraagt 991,58 euro per jaar (aan 100%).[30]

    Toelichting bij Art. VII 187[30]

    Sommige in het kader van de staatshervorming overgehevelde personeelsleden van de FOD Justitie genieten op datum van overdracht de toelage voor wachtdiensten vermeld in hoofdstuk III van het koninklijk besluit van 11 februari 2013 tot toekenning van een toelage aan de personeelsleden van het federaal administratief openbaar ambt die bepaalde prestaties verrichten.[30]

    Voor de betaling van de toelage wordt er onderscheid gemaakt tussen:
    - passieve wachtdienst: per wacht een toelage van 20 euro tijdens de week en 35 euro in het weekend of tijdens een feestdag
    - actieve wachtdienst: per wacht een toelage van 30 euro tijdens de week en 50 euro in het weekend of tijdens een feestdag.
    De beslissing of er nood is een dergelijke arbeid en de toekenning van de bijbehorende toelage komt toe aan de leidend ambtenaar.[30]

    De toekenning van deze toelage wordt gestopt wanneer niet meer voldaan wordt aan de toekenningsvoorwaarden en stopt sowieso op 31 december 2016.
    Deze toelage kan niet gecumuleerd worden met de permanentietoelage vermeld in artikel VII 42.[30]

    Toelichting bij Art. VII 188[30]

    Sommige in het kader van de staatshervorming overgehevelde personeelsleden van de FOD Mobiliteit en Vervoer genieten op datum van overdracht de toelage voor onderzoek van de Rijnschepen, vermeld in artikel 23 van het koninklijk besluit van 16 december 1927 houdende goedkeuring van het reglement betreffende het onderzoek van de vaartuigen en vlotten die de Rijn bevaren en houdende oprichting te Antwerpen van een Commissie voor het onderzoek van deze vaartuigen en vlotten, gewijzigd bij koninklijk besluit van 18 juli 1966.[30]

    De leden van de Commissie voor Onderzoek van de Rijnschepen werden aangesteld voor een periode van 3 jaar en genoten een toelage van 5 euro (aan 100%) per vacatie van 3 uren.[30]

    Betrokkenen behouden deze toelage bij de DVO voor de nog resterende duur (aangezien betrokkenen vanaf 1 mei 2014 voor 3 jaar aangesteld werden als lid van de Commissie loopt deze aanstelling  nog tot 30 april 2017) en voor zover ze de functie blijven uitoefenen.
    Komen in aanmerking voor de berekening van het aantal verschuldigde vacaties: de tijd besteed aan het onderzoek, alsmede de tijd welke nodig is om zich van de zetel van de Commissie naar de plaats van het onderzoek te begeven en terug te keren.[30]

    Toelichting bij Art. VII 189[30]

    De taken en bevoegdheden van het Fonds ter Reductie van de Globale Energiekost (FRGE) werden op 1 januari 2015 overgeheveld naar de diensten van de Vlaamse overheid.[30]

    De arbeidsvoorwaarden van de 2 contractuele personeelsleden van het FRGE werden bepaald door een sui generis regeling die zowel kenmerken bevatte van de federale overheid (index) als van de private sector (regeling 13de maand). Tevens werd een specifieke salarisregeling uitgewerkt waarbij onder meer voorzien werd in jaarlijkse weddeverhogingen.[30]

    De 2 contractuele personeelsleden worden niet ingeschaald maar behouden de voordelen zoals vermeld in de individuele arbeidsovereenkomsten. Het gaat daarbij om het salaris, de jaarlijkse verhoging van het salaris en de voordelen van de 13de maand en de groepsverzekering.[30]

    Voor de berekening en de betaling van het vakantiegeld en de maaltijdcheques, het voordeel van de hospitalisatieverzekering, de tussenkomst in het woon-werkverkeer en de forfaitaire tussenkomst in het professioneel gebruik van een GSM (belkrediet -PTOW) worden de overeenkomstige bepalingen van het VPS toegepast.[30]

    Toelichting bij Art. VII 190[30]

    De vanaf 1 januari 2015 in het kader van een staatshervorming overgehevelde ambtenaar wordt vanaf de datum van overheveling ambtshalve benoemd en ingeschaald overeenkomstig bijlage 14 bij dit besluit.
    Bij het opstellen van deze inschalingstabel werd om de best passende Vlaamse  salarisschaal te bepalen langs federale zijde rekening gehouden met het salaris, he't vakantiegeld en de eindejaarstoelage (en eventueel andere weddecomplementen).
    Dit saldo werd geplaatst tegenover het salaris bij de Vlaamse overheid verhoogd met het vakantiegeld, de eindejaarstoelage en de gebruteerde tegenwaarde van de maaltijdcheques (5,91 euro x 210 werkdagen x 2 (bruteren) / 1,6084 (desindexeren - index van toepassing op datum van overheveling) = ca. 1540 euro per jaar).[30]

    De ambtenaar die een graad heeft waarvoor een overgangssalarisschaal bepaald is in kolom 3 van bijlage 14 bij dit besluit, geniet deze salarisschaal tot de organieke salarisschaal verbonden aan deze graad voor hem voordeliger wordt.[30]

    De overgangssalarisschaal is een volwaardige salarisschaal met tussentijdse verhogingen. De schaalanciënniteit wordt echter opgebouwd in de organieke salarisschaal en niet in de overgangssalarisschaal zodat aan deze overgangssalarisschaal geen functionele loopbaan verbonden is.[30]

    Het contractuele personeelslid dat op datum van overheveling met zijn/haar akkoord overgeheveld wordt naar de DVO, wordt tewerkgesteld in de betrekking en bezoldigd in de salarisschaal overeenkomstig bijlage 14 bij dit besluit.
    Het betrokken contractueel personeelslid wordt een contract aangeboden (addendum) met de Vlaamse overheid als werkgever conform de contracten die de Vlaamse overheid opstelt voor het eigen personeel maar waarin de rechten worden gewaarborgd die het overgehevelde contractuele personeel in overeenstemming met de overhevelingsreglementering behoudt, na overgang naar de Vlaamse overheid.
    Contracten van onbepaalde duur worden overgenomen voor onbepaalde duur; contracten van bepaalde duur worden overgenomen voor de nog resterende termijn. Voor de Geco’s moeten de conventies worden overgenomen. Startbaners worden als zodanig overgenomen binnen de tewerkstellingsverplichtingen van de Vlaamse overheid.[30]

    Toelichting bij Art. VII 191[30]

    Naar analogie met de overheveling van personeelsleden van de FOD Financiën in november, december 2010 en januari 2011 en de Nationale Plantentuin van België op 1 januari 2014 wordt een corrigerende maatregel ingevoerd voor de personeelsleden ouder dan 50 jaar die ingevolgde een staatshervorming vanaf 1 januari 2015 overgeheveld worden.[30]

    Het inschalingsvoorstel integreert de meeste federale weddecomplementen in het salaris. Op die manier is er dus behoud van pensioenrechten.
    Door in de vergelijking tussen de federale en de Vlaamse bezoldiging het voordeel van de maaltijdcheques (die uiteraard geen pensioenrechten genereren) op te nemen, zal in een aantal gevallen de bezoldiging die bij de DVO in aanmerking komt voor het pensioen lager zijn dan de bezoldiging bij de federale overheid op datum van overheveling.[30]

    Voor de personeelsleden die ouder zijn dan 55 jaar kan dit effect hebben op het nominaal pensioenbedrag.[30]

    Als corrigerende maatregel, ofschoon het niet de bedoeling is elke pensioenmaatregel te neutraliseren, worden, zoals bij Vlabel en de Nationale Plantentuin P-schalen ingevoerd. Dit betekent dat het overgehevelde personeelslid, dat op datum van overheveling minstens 50 jaar is, betaald wordt aan het maximum van zijn Vlaamse salarisschaal die vermeld wordt in de eerste kolom van onderstaande tabel en dat daar bij lager ligt dan het federaal salarisbedrag op dezelfde salaristrap en geen loopbaanstap meer kan nemen in de functionele loopbaan voor de leeftijd van 55 jaar, vanaf de 1ste dag van de maand volgend op de leeftijd van 55 jaar een specifieke salarisschaal “P” geniet. Deze salarisschalen hebben op het einde van de schaal nog een extra tussentijdse verhoging. Hierdoor zal het vijf - tienjaarlijks gemiddelde voor de tewerkstellingsperiode bij de Diensten van de Vlaamse overheid in elk geval hoger zijn dan het bedrag bij de federale overheid op datum van overheveling.
    De personeelsleden jonger dan 50 jaar en/of de personeelsleden van 50 jaar die nog niet aan het maximum van hun salarisschaal bezoldigd worden, zullen bij de DVO nog salarisverhogingen ontvangen (in de schaal of in functionele loopbaan), zodat het gemiddeld salaris van de laatste 5 – 10 jaar voor deze personeelsleden na overheveling zeker hoger zal zijn dan dat op datum van de overheveling.
    Deze regeling geldt zowel voor statutaire als voor contractuele personeelsleden.
    De verwijzing naar deel VI in fine van artikel VII 186 houdt in dat niettegenstaande betrokkenen titularis zijn van een P-schaal, na de leeftijd van 55 jaar nog kunnen bevorderen in de functionele loopbaan. Wanneer de bevorderingsschaal voordeliger is dan de P-schaal genieten zij bijgevolg de bevorderingsschaal.[30]

    De tabel met de zgn. nieuwe P-schalen wordt als bijlage 16 bij het VPS toegevoegd.[30]

    Indien de titularis van een P-schaal overeenkomstig artikel VII 179 heringeschaald wordt, geniet hij van de functionele (en desgevallend de overgangsschaal) die in bijlage 14 voorzien wordt. Er wordt m.a.w. na de herinschaling geen P-schaal meer toegekend.[30]

    Instrument van de P-schalen bij nieuwe federale schalen[30]

    In enkele gevallen heeft een ervaren personeelslid een nieuwe federale schaal toegekend gekregen.[30]

    Om uit te maken of betrokkene recht heeft op een P-schaal wordt in deze rekening gehouden met het salarisbedrag dat overeenstemt met de reële geldelijke anciënniteit. Indien betrokkene door deze benadering betaald zou worden aan het maximum van zijn Vlaamse salarisschaal en dit bedrag ligt lager dan het federaal salarisbedrag met hetzelfde aantal jaar geldelijke anciënniteit, is er recht op een P-schaal.[30]

    Bijvoorbeeld:

    De reële geldelijke anciënniteit van persoon X (54 jaar op datum van overheveling) bedraagt op datum van overheveling (1/1/2015) 29 jaar en het federaal salarisbedrag bedraagt 29124.
    Door de speciale inschalingswijze voor de nieuwe federale schalen, wordt betrokkene ingeschaald in schaal B113 met 26 jaar geldelijke anciënniteit (fictieve anciënniteit). In deze optiek heeft betrokkene geen recht op een P-schaal aangezien hij niet betaald wordt aan het maximum van de Vlaamse schaal.
    Echter: om het recht op een P-schaal te bepalen wordt rekening gehouden met de reële geldelijke anciënniteit. Aangezien deze 29 jaar bedraagt en de Vlaamse schaal slechts loopt tot 27 jaar, wordt betrokkene dus theoretisch wel betaald aan het maximum van de Vlaamse schaal dat bovendien lager ligt dan het federaal bedrag op 27 jaar (28585 tov 28280).
    Betrokkene heeft dus recht op schaal B113 P, zijnde een bedrag van 29200 (op 28 jaar geldelijke anciënniteit). Wanneer betrokkene dus 28 jaar fictieve geldelijke anciënniteit bereikt zal hem schaal B113 P toegekend worden (29200). Door de teruggave van de afgenomen reële geldelijke anciënniteit (elk jaar 12 maanden) zal dit zijn op een leeftijd van 55 jaar.[30]

    Geld anc

    B3

    B3 - 1540

    B113

    B113 P

    20

    26697

    25157

    26230

    26230

    21

    26967

    25427

    27030

    27030

    22

    27236

    25696

    27030

    27030

    23

    27506

    25966

    27030

    27030

    24

    27776

    26236

    27630

    27630

    25

    28045

    26505

    27630

    27630

    26

    28315

    26775

    27630

    27630

    27

    28585

    27045

    28280

    28280

    28

    28854

    27314

    28280

    29200

    29

    29124

    27584

    28280

    29200

    Toelichting bij Art. VII 192[30]

    Nieuwe federale schalen

    Vanaf 1 januari 2014 zijn binnen de federale overheid nieuwe salarisschalen van kracht die van toepassing zijn op personeelsleden die vanaf die datum aangeworven of bevorderd zijn.
    In vergelijking met de vóór 2014 gecreëerde federale schalen (en ook de Vlaamse schalen die gelijkaardig qua opbouw zijn), zijn er twee belangrijke wijzigingen:
    - het aantal schalen per klasse zijn verhoogd: vóór 2014, klasse A1/A2: 4 schalen A11, A12, A21 en A22), nu 6: NA11 tot NA16);
    - de schalen zijn verlengd (29 à 31 jaar GA).
    Derhalve is zowel de loonspanning als de progressie in de schaal afgenomen.
    De prestatiebeoordeling leidt vanaf nu tot een snellere doorgroei naar een volgende schaal.
    Het minimum van de laagste nieuwe schaal per klasse (NA11) is gelijk aan dat van de oude laagste schaal per klasse (A11), het maximum van de hoogste nieuwe schaal (NA16) is gelijk aan het maximum van de oude hoogste schaal per klasse (A23).[30]

    Door deze wijzigingen in de structuur van de salarisschalen is het evident dat een lineaire inschaling op basis van geldelijke anciënniteit vanuit een nieuwe federale schaal (met 50% progressie) naar een Vlaamse salarisschaal (met 100% anciënniteitsprogressie), onmogelijk is.[30]

    Derhalve wordt in geval van een nieuwe federale salarisschaal, de inschaling doorgevoerd op basis van het bedrag van de federale jaarbezoldiging, verminderd met de gebruteerde tegenwaarde van de maaltijdcheques (1540 euro). Het saldo aan opgebouwde geldelijke anciënniteit wordt wel overgeheveld maar de inschaling gebeurt op basis van een fictieve anciënniteit.
    Betrokkene bekomt daarbij een fictieve geldelijke anciënniteit die overeenkomt met het salarisbedrag. Indien hetzelfde jaarbedrag voorkomt op verschillende anciënniteitstrappen (bv. bij driejaarlijkse verhogingen: 15-16-17 jaar), dan wordt de hoogste anciënniteit gegeven bij verlies (17j), en de laagste anciënniteit (15j.) bij een verhoging van de geldelijke anciënniteit.[30]

    Wanneer de fictieve geldelijke anciënniteit lager is dan de reële geldelijke anciënniteit wordt jaarlijks (met als referentiedatum de datum van overheveling), 12 maanden extra anciënniteit toegekend. Dit wordt elk jaar opnieuw toegepast tot wanneer de volledige werkelijke geldelijke anciënniteit teruggegeven is. Wanneer het verschil tussen de reële geldelijke anciënniteit en de fictieve geldelijke anciënniteit minder dan 12 maanden bedraagt, wordt de verhoging beperkt tot dit verschil (zoals in onderstaand voorbeeld 10 maanden).[30]

    Voorbeeld:[30]

    Bepaling van de fictieve geldelijke anciënniteit:[30]

    Geld anc

    NA11

    Aftrek MC 1540

    Organieke A111

    Inschaling in A111
    (naast hogere bedrag)

    0

    21880

    20340

    22530

    22530

    1

    22138

    20598

    23280

    22530

    2

    22396

    20856

    24030

    22530

    3

    22654

    21114

    24730

    22530

    4

    22912

    21372

    24730

    22530

    5

    23170

    21630

    24730

    22530

    6

    23428

    21888

    26280

    22530

    7

    23686

    22146

    26280

    22530

    Betrokkene wordt overgeheveld met 2 jaar en 10 maanden geldelijke anciënniteit.
    Hij wordt op bedrag ingeschaald (22530) in schaal A111 (het naasthogere bedrag van 20856) en krijgt daarbij een fictieve geldelijke anciënniteit van 0 jaar. Hij verliest dus theoretisch 2 jaar en 10 maanden geldelijke anciënniteit.
    Vanaf zijn tewerkstelling bij de DVO telt elke maand echter dubbel.
    Wanneer hij bijgevolg op 1/1/2016 1 jaar geldelijke anciënniteit bereikt, wordt hem onmiddellijk 12 maanden extra gegeven zodat hij niet het bedrag van 1 jaar maar van 2 jaar wordt uitbetaald (24030). Wanneer betrokkene op 1/1/2017 3 jaar geldelijke anciënniteit bereikt wordt hem opnieuw 12 maanden extra gegeven zodat hij onmiddellijk het bedrag van 4 jaar toegekend krijgt (24730). Dit gaat zo door totdat het volledig verlies van 2 jaar en 10 maanden teruggeven is. In casu zal dit dus zijn na 2 jaar en 10 maanden tewerkstelling (0 jaar + 2 jaar en 10 maanden) waarbij betrokkene op dat moment een geldelijke anciënniteit zal hebben van 4 jaar en 10 maanden en dus ook betaald zal worden aan deze anciënniteit. Vanaf dan verloopt de opbouw van de geldelijke anciënniteit volgens de normale snelheid.[30]

     

    Reële geld anc

    Fictieve geld anc

    Verlies

    1/1/2015

    2 jaar 10 maanden

    0 jaar 0 maanden

    2 jaar 10 maanden

     

    1/1/2016

    3 jaar 10 maanden

    2 jaar 0 maanden

    1 jaar 10 maanden

     

    1/1/2017

    4 jaar 10 maanden

    4 jaar 0 maanden

    10 maanden

     

    1/1/2018

    5 jaar 10 maanden

    5 jaar 10 maanden

    0

     

     

    Werkelijke geld anc

    Normaal salarisverloop

    Fictieve geld anc

    Huidig salarisverloop

    0

     

     

     

    1

     

     

     

    2 - 1/1/2015

    24030

    0

    22530

    3 - 1/1/2016

    24730

    2

    24030

    4 - 1/1/2017

    24730

    4

    24730

    5 – 1/1/2018

    24730

    5

    24730

    Voorbeeld 2[30]

    Betrokkene wordt overgeheveld met 12 jaar 10 maanden geldelijke anc en wordt op bedrag ingeschaald met een fictieve geldelijke anciënniteit van 8 jaar. Verlies en dus terug te geven anciënniteit: 58 maanden (4 jaar 10 maanden)[30]

    Geld anc

    B1

    Aftrek MC 1540

    Organieke B111

    Inschaling in B111
    (naast hogere bedrag)

    7

    18692

    17152

    18930

    17190

    8

    18961

    17421

    18930

    17700

    9

    19231

    17691

    19690

    17700

    10

    19501

    17961

    19690

    18210

    11

    19770

    18230

    19690

    18930

    12

    20040

    18500

    20460

    18930

    13

    20310

    18770

    20460

    18930

    14

    20579

    19039

    20460

    19690

    15

    20849

    19309

    21270

    19690

    16

    21118

    19578

    21270

    19690

    17

    21388

    19848

    21270

    20460

     

     

    Werkelijke geld anc

    Fictieve geld anc

    Verlies

     

    1/1/2015

    12 jaar 10 maanden

    8 jaar 0 maanden

    4 jaar 10 maanden

     

    1/1/2016

    13 jaar 10 maanden

    10 jaar 0 maanden

    3 jaar 10 maanden

     

    1/1/2017

    14 jaar 10 maanden

    12 jaar 0 maanden

    2 jaar 10 maanden

     

    1/1/2018

    15 jaar 10 maanden

    14 jaar 0 maanden

    1 jaar 10 maanden

     

    1/1/2019

    16 jaar 10 maanden

    16 jaar 0 maanden

    10 maanden

     

    1/1/2020

    17 jaar 10 maanden

    17 jaar 10 maanden

    0

     

     

    Werkelijke geld anc

    Normaal salarisverloop

    Fictieve geld anc

    Huidig salarisverloop

    12 – 1/1/2015

    20460

    8

    18930

    13 – 1/1/2016

    20460

    10

    19690

    14 – 1/1/2017

    20460

    12

    20460

    15 – 1/1/2018

    21270

    14

    20460

    16 – 1/1/2019

    21270

    16

    21270

    17 – 1/1/2020

    21270

    17

    21270

    Wanneer het personeelslid gepensioneerd wordt of overlijdt vooraleer de totale reële geldelijke anciënniteit verrekend werd, wordt deze volledig teruggegeven met uitwerking op de dag vóór de opruststelling of het overlijden.[30]

    Oude federale schalen met schaalbonificaties
    De bedragen van de “tussentijdse salarisverhogingen” zijn bij de federale overheid vanaf 2017 opgesplitst in 2 delen:
    - een anciënniteitsdeel, zijnde ongeveer de helft van het vroegere bedrag;
    - een bedrag dat afhankelijk is van de prestatie,  dat apart toegekend wordt maar dat vanaf de toekenning deel uitmaakt van de bruto jaarbezoldiging, dus ook effect naar pensioenberekening, vakantiegeld, eindejaartoelage).
    Hierdoor zal het jaarsalaris van een personeelslid met een zgn. “oude federale schaal” voortaan individueel evolueren (deze schalen blijven (enkel) nog actief wat betreft het maximumsalaris).[30]

    In geval van een oude salarisschaal met schaalbonificaties, wordt normaliter aan dezelfde geldelijke anciënniteit ingeschaald.
    Wanneer het totaal van salaris en bonificaties hoger is dan het overeenkomstige bedrag in de Vlaamse schaal, wordt ook het naasthogere salarisbedrag in dezelfde Vlaamse schaal toegekend (systeem nieuwe federale schalen: art. VII 191, §1-2-3-4). De werkelijke geldelijke anciënniteit wordt overgeheveld maar de inschaling gebeurt op basis van bezoldiging met de daaraan verbonden fictieve geldelijke anciënniteit.[30]

    Toelichting bij Art. VII 193[30]

    Vijf personeelsleden die overgeheveld werden vanuit de FOD Justitie genoten op datum van overdracht nog van een vroegere federale schaal die merkelijk hoger lag dan het bedrag op de overeenkomstige trap in hun organieke federale schaal. Zij werden bijgevolg betaald aan dit hoger bedrag uit de oude federale schaal (zogenaamde schaal van vrijwaring).

    Betrokkenen worden bij de overheveling ingeschaald in de Vlaamse schaal die het best correspondeert met hun organieke federale schaal maar dit houdt in dat ook deze Vlaamse schaal lager ligt dan het bedrag dat zij effectief bij de federale overheid genoten.

    Vandaar dat een overgangsmaatregel voorzien wordt, dat betrokkenen het hoger bedrag dat ze genoten op datum van overdracht behouden totdat de Vlaamse schaal van inschaling (of toegekende overgangsschaal) hoger wordt.  [30]

    Toelichting bij Art. VII 194[30]

    - Sommige in het kader van de staatshervorming overgehevelde personeelsleden hebben bij de federale overheid het genot van verkeersvoordelen (FOD Mobiliteit en Vervoer). Naar analogie met de overgehevelden die vroeger overgeheveld werden, behouden zij deze verkeersvoordelen waarop ze op het ogenblik van hun overheveling recht hadden.
    Vandaar dat de bestaande regeling van artikel VII 122 tot deze personeelsleden uitgebreid wordt.[30]

    - Sommige in het kader van de staatshervorming overgehevelde personeelsleden hebben bij de federale overheid recht op de toelage voor het uitblijven van ongevallen vermeld in het MB van 18 juni 1996 houdende toekenning van een toelage voor het besturen van een motorvoertuig van de staat aan de personeelsleden van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur.
    De personeelsleden die op datum van overdracht deze toelage genieten, krijgen vanaf de datum van overdracht de toelage volgens de modaliteiten vermeld in artikel VII 126 VPS.[30]

    Hoofdstuk 3. Overgangsbepalingen voor bepaalde personeelsleden die vanaf 1 januari 2016 in het kader van de fusie van het Agentschap Ondernemen en het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie (IWT) worden overgedragen aan het Agentschap Innoveren en Ondernemen[31]

    Toelichting bij Art. VII 195[31]

    Artikel 11 van het ASB van het IWT van 13 september 2013, kende een aantal specifieke bepalingen voor de contractuele personeelsleden die tot de zogenaamde “opstartformatie” behoren. De personeelsleden van de opstartformatie zijn deze bedoeld in artikel 15 e.v. van het decreet van 23 januari 1991 betreffende de oprichting van een Vlaams Instituut voor de bevordering van het wetenschappelijk-technologisch onderzoek in de industrie (B.S. 9/2/1991).[31]

    Artikel 8 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende het voeren van een beleid ter aanmoediging van de technologische innovatie (B.S. 16/7/1999) wijzigde het opschrift van voornoemd decreet van 23 januari 1991 in “Instituut voor de aanmoediging van Innovatie door Wetenschap en Technologie in Vlaanderen”.[31]

    Met artikel 65 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid (B.S. 6/7/2009) werd het decreet van 23 januari 1991 opgeheven. Bovenvermeld decreet van 18 mei 1999 werd opgeheven door artikel 121 van het decreet van 25 april 2014 tot wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid en tot opheffing van diverse andere bepalingen.[31]

    Een aantal specifieke voordelen blijven behouden en worden als overgangsbepaling opgenomen.[31]

    Het betreft:

    1° het recht op een begrafenisvergoeding overeenkomstig de voorwaarden van een ambtenaar (zie de artikelen VII 92 tot en met VII 94);
    2° het recht op loon ingeval van arbeidsongeschiktheid ingevolge ziekte gedurende een periode die gelijk is aan de periode dat het ziekteverlof van een ambtenaar met dienstactiviteit wordt gelijkgesteld en na aftrek van de uitkeringen verkregen van de wettelijke ziekteverzekering;
    3° de aanvullende pensioenregeling zoals door de Vlaamse Raad bekrachtigd in artikel 26, §1 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994.[31]

    Deze aanvullende pensioenregeling werd in de desbetreffende arbeidsovereenkomsten geregeld in uitvoering van:

    - artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Executieve van 12 juni 1991 betreffende de benoeming en de bezoldiging van de voorzitter, de directeur-generaal en de opdrachthouders van het Vlaams Instituut voor de bevordering van het wetenschappelijk-technologisch onderzoek in de industrie;
    - artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Executieve van 12 juni 1991 tot vaststelling van de loopbaan van het contractueel personeel aangeworven op basis van artikel 23 van het decreet van 23 januari 1991 betreffende de oprichting van een Instituut voor de aanmoediging van Innovatie door Wetenschap en Technologie in Vlaanderen.[31]

    Zoals hierboven reeds geduid werd het decreet van 23 januari 1991 opgeheven. Artikel 68, 2de lid van het decreet van 30 april 2009 bepaalt evenwel dat in afwijking van artikel 65, 1° (opheffing van het decreet van 23 januari 1991) de tewerkstelling, loopbaan en verloning van elk contractueel personeelslid dat aangeworven is in het raam van artikel 23 van het decreet van 23 januari 1991 geregeld blijven overeenkomstig de bepalingen van zijn arbeidsovereenkomst en de decretale reglementaire bepalingen die eraan uitvoering geven.[31]

    naar boven

    Hoofdstuk 4. Overgangsbepalingen voor de in het kader van de herstructureringen binnen de diensten van de Vlaamse overheid overgedragen personeelsleden[32]

    Toelichting bij Art. VII 196

    Met het besluit van de Vlaamse Regering van  27 maart 2015 houdende overdracht van personeelsleden binnen de diensten van de Vlaamse overheid ingevolge de omvorming van de beleidsdomeinen Diensten voor het Algemeen Regeringsbeleid en Bestuurszaken tot het beleidsdomein Kanselarij en Bestuur, worden vier personeelsleden van Flanders Investment en Trade (FIT) overgedragen naar het departement Kanselarij en Bestuur.[32]

    Vanaf de overdracht vallen deze personeelsleden niet langer onder het agentschapsspecifiek besluit van FIT, maar enkel onder het VPS. Een overgangsregeling is bijgevolg noodzakelijk opdat deze personeelsleden ook na hun overdracht verder aanspraak zouden kunnen maken op de specifieke voordelen die in het agentschapsspecifieke besluit van FIT zijn opgenomen. Deze specifieke voorwaarden zijn de volgende:

    - de jaartoelage (artikel 10 en 11 van het ASB);
    - de specifieke "bis" salarisschalen en de daaraan verbonden functionele loopbaan zoals opgenomen in artikel 11, §3 van het ASB.[32]

    Toelichting bij Art. VII 197

    De hospitalisatieverzekering werd ingevoerd in uitvoering van punt 5.4.1 van het sectoraal akkoord 1999 – 2000. Hierin wordt uitdrukkelijk bepaald dat personeelsleden die gepensioneerd worden op eigen kosten en tegen voordelige tarieven de hospitalisatieverzekering kunnen verderzetten.[34]

    Op 15 maart 2013 gaf de minister bevoegd voor Bestuurszaken zijn akkoord met een overgangsbepaling voor de personeelsleden die vóór 1 januari 1983 statutair waren tewerkgesteld bij de Nationale Huisvestingsmaatschappij of de Nationale Landmaatschappij. Deze overgangsmaatregel wordt verantwoord door het feit dat op 1 januari 1983 de op dat ogenblik bestaande "aanvullende" pensioenregeling bij Ethias (OMOB) werd omgevormd naar een overheidspensioen via de Pool der parastatalen.[34]

    Deze overgangsregeling moet statutair verankerd worden in de ASB’s van de betrokken entiteiten. Doordat AGIV vanaf 1/1/2016 opgenomen wordt in het Agentschap Informatie Vlaanderen (zonder RP) verdwijnt het ASB van AGIV, en moet deze overgangsbepaling opgenomen worden in het VPS.[34]

    Toelichting bij Art. VII 197bis

    Eerste lid

    Indien een verlof voor deeltijdse prestaties voor 1 januari 2018 aanving en indien aan dit verlof op grond van de regels die golden bij toekenning een salarisbonus gekoppeld was, dan kan deze bonus uiterlijk tot 31 december 2019 doorlopen.[37]

    Indien na 31 december 2017 de ambtenaar op een gegeven moment niet langer voldoet aan de toekenningsvoorwaarde op grond waarvan de bonus werd toegekend, dan wordt vanaf de maand die volgt op de maand waarin men niet meer aan de voorwaarden voldoet de uitbetaling van de bonus stopgezet. Bijvoorbeeld aan een ambtenaar werd voor 1 januari 2018 een verlof tot 31 december 2019 toegekend. Aan dit verlof is ook een bonus gekoppeld omdat de ambtenaar twee kinderen jonger als 15 jaar ten laste heeft. Indien één van de twee kinderen bijvoorbeeld op 15 april 2018 15 jaar wordt, dan wordt vanaf 1 mei 2018 de bonus niet langer uitbetaald. Het verlof loopt wel zoals voorzien door tot 31 december 2018.[37]

    Werd aan een ambtenaar voor 1 januari 2018 een verlof voor deeltijdse prestaties toegekend, maar voldoet de ambtenaar pas na 31 december 2017 aan één van de voorwaarden om recht te hebben op een oude bonus, dan kan deze niet worden toegekend. Bij de toekenning van het verlof voldoet men immers niet aan de voorwaarden en na 31 december 2017 zijn deze voorwaarden bovendien niet langer van kracht.[37]

    Hiervoor geldt de volgende berekeningswijze:[37]
    het salaris dat verschuldigd is voor verlof voor deeltijdse prestaties zoals bepaald in art. VII 6, paragraaf 1, wordt vermenigvuldigd met het quotiënt van de volgende deling:

    de deeltijdse prestaties in % + 1/5 van het deeltijds niet-gepresteerde deel in %
     de deeltijdse prestaties in %

    Het quotiënt wordt berekend tot op vier decimalen.[37]

    Het quotiënt mag niet groter zijn dan 1,2. In geval van combinatie van verloven wordt voor de deling alleen met het verlof voor deeltijdse prestaties rekening gehouden.[37]

    Tweede lid:

    De vrijwillige vierdagenweek en de halftijdse vervroegde uittreding die bij de provincies wel nog bestaan, hebben bij de diensten van de Vlaamse overheid nooit bestaan. Gelet hierop en op het feit dat aan deze regelingen specifieke modaliteiten gekoppeld zijn die de Vlaamse overheid niet kan waarborgen (o.a. opbouw pensioen), kan een overgehevelde ambtenaar die op het moment van de overheveling als gevolg van één van deze stelsels afwezig is, deze na overheveling niet verderzetten.[37]

    Voor deze ambtenaren bevat het VPS volwaardige alternatieve (verlof voor deeltijdse prestaties, zorgkrediet of een federaal zorgverlof). Omdat deze overheveling evenwel gepaard gaat met de hervorming van het verlof voor deeltijdse prestaties en de salarisbonus, en de overgehevelde ambtenaren niet vallen onder de overgangsregeling inzake de salarisbonus vermeld in het eerste lid (zijn niet afwezig als gevolg van een verlof voor deeltijdse prestatie dat voor 1 januari 2018 is aangevat) wordt de overgangsregeling overeenkomstig van toepassing verklaard als de volgende voorwaarden voldaan zijn:

    1. de ambtenaar was op het ogenblik van de overheveling bij de provincie afwezig als gevolg van een halftijdse vervroegde uitreding of vrijwillige vierdagenweek;
    2. op de dag van de overheveling stapt de ambtenaar bij de diensten van de Vlaamse overheid in het verlof voor deeltijdse prestaties in;
    3. op grond van de regeling die gold voor 1 januari 2018 zou de overgehevelde ambtenaar recht hebben gehad op een salarisbonus.[37]

    Hoofdstuk 5. Overgangsbepalingen voor de personeelsleden die vanaf 1 januari 2018 in het kader van de afslanking van de provincies overgeheveld zijn[36]

    Toelichting bij Art. VII 198

    De bij de provincie opgebouwde geldelijke anciënniteit wordt overgenomen.[36]

    Toelichting bij Art. VII 199

    Bij de provincies wordt van dezelfde regeling voor zaterdagprestaties gebruik gemaakt als bij bepaalde entiteiten die ingevolge de zesde staatshervorming overgeheveld werden. Omdat de toelage voor zaterdagwerk bij de DVO merkelijk lager ligt, werd voor deze entiteiten een overgangsregeling in het VPS ingeschreven zodat dit nu ook voor de overgehevelde personeelsleden van de provincie gebeurt.[36]

    Indien betrokkenen effectief de toelage voor zaterdagwerk genoten op datum van overdracht, genieten zij ook van voormelde overgangsregeling, uiteraard voor zover zij de dezelfde functie blijven uitoefenen. Dit is noodzakelijk gelet op de bepalingen van het decreet van 18 november 2016.[36]

    De toelage voor zaterdagwerk bedraagt 50% van 1/1976 van de brutojaarwedde.[36]

    Enkel in geval dat deze prestaties gepresteerd worden buiten de normale uurroosters (m.a.w. boven op de 38-uren per week) is er sprake van overuren en is er recht op recuperatieverlof/toelage voor overuren.[36]

    Toelichting bij Art. VII 200 en VII 201

    Bepaalde overgehevelde personeelsleden kregen bij de provincies een compensatie onder de vorm van een weddecomplement voor het wegvallen van de aanmoedigingspremie social profit sector PC 329 enerzijds en de vergoeding van de vzw Mens en Beweging anderzijds. Beide weddecomplementen werden toegekend naar aanleiding van de oprichting van het Autonoom Provinciebedrijf Sport Antwerpen. De weddecomplementen werden toegekend (beslissing van de provincieraad dd. 23 april 2009 en besluit van de Raad van Bestuur van het APB Sport van 7 december 2009 houdende goedkeuring van de rechtspositieregeling van het APB Sport) om het behoud van het loon te garanderen bij de overstap naar het APB Sport.[36]

    Gelet op de verworven rechten dient deze compensatie onder de vorm van een maandelijkse weddebijslag ook bij de diensten van de Vlaamse overheid toegekend te worden voor zover de toekenningsvoorwaarden die golden op de startdatum van de toekenning bij de provincie onveranderd blijven.[36]

    Toelichting bij Art. VII 202

    De vanaf 1 januari 2018 in het kader van de afslanking van de provincies overgehevelde ambtenaar wordt vanaf de datum van overheveling ambtshalve benoemd en ingeschaald overeenkomstig bijlage 17 bij dit besluit.[36]

    Bij het opstellen van deze inschalingstabel werd om de best passende Vlaamse  salarisschaal te bepalen zowel langs provinciale zijde als Vlaamse zijde rekening gehouden met het salaris, de eindejaarstoelage en het vakantiegeld.[36]

    De ambtenaar die een graad heeft waarvoor een overgangssalarisschaal bepaald is in kolom 3 van bijlage 17 bij dit besluit, geniet deze salarisschaal tot de organieke salarisschaal verbonden aan deze graad hem voordeliger wordt.[36]

    De overgangssalarisschaal is een volwaardige salarisschaal met tussentijdse verhogingen. De schaalanciënniteit wordt echter opgebouwd in de organieke salarisschaal en niet in de overgangssalarisschaal zodat aan deze overgangssalarisschaal geen functionele loopbaan verbonden is.[36]

    Het contractuele personeelslid dat op datum van overheveling met zijn/haar akkoord overgeheveld wordt naar de DVO, wordt tewerkgesteld in de betrekking en bezoldigd in de salarisschaal overeenkomstig bijlage 17 bij dit besluit. Het behoudt tevens de functionele loopbaan.[36]

    Het betrokken contractueel personeelslid wordt een contract aangeboden (addendum) met de Vlaamse overheid als werkgever conform de contracten die de Vlaamse overheid opstelt voor het eigen personeel maar waarin de rechten worden gewaarborgd die het overgehevelde contractuele personeel in overeenstemming met de overhevelingsreglementering behoudt, na overgang naar de Vlaamse overheid.[36]

    Contracten van onbepaalde duur worden overgenomen voor onbepaalde duur; contracten van bepaalde duur worden overgenomen voor de nog resterende termijn.[36]

    Toelichting bij Art. VII 203

    Doordat in de provinciale functionele loopbaan de tweede salarisschaal na 4 jaar schaalanciënniteit toegekend wordt waar dit bij de DVO pas na 6 jaar (niveau A) of 8 jaar is (andere niveaus) zou dit bij toepassing van de Vlaamse functionele loopbaan tot gevolg hebben dat de totale verloning van de overgehevelde personeelsleden in een aantal gevallen gedurende enkele jaren (de zogenaamde overgangsperiode in niveau A bij 4 en 5 jaar en in de andere niveaus bij 4, 5, 6 en 7 jaar) lager liggen dan dat ze bij de provinciale overheid zou geweest zijn. Hetzelfde fenomeen doet zich voor bij de functionele loopbaan in de 2de rang (bevorderingsgraden). Bij de provincies wordt de 2de schaal in de 2de rang bekomen na 9 jaar, bij de DVO na 10 jaar. Ook hier kan zich dus gedurende 1 jaar een verlaging van de bezoldiging voordoen.[36]

    Dit probleem wordt opgevangen door de betrokken personeelsleden op het moment dat zij bij de provinciale overheid een volgende salarisschaal zouden bekomen hebben (dus de 2de schaal na 4 jaar schaalanciënniteit), bij de DVO herin te schalen volgens bijlage 17. Op deze manier wordt hen desgevallend een overgangsschaal toegekend die minstens even hoog is als de schaal die ze zouden gehad hebben bij de provincie. Het bij de provincie opgebouwde kapitaal aan schaalanciënniteit wordt overgenomen maar vanaf de datum van overdracht wordt de schaalanciënniteit opgebouwd op basis van de bepalingen van het Vlaams personeelsstatuut.[36]

    Voorbeeld:[36]

    Een B1 met 3 jaar geldelijke anc. en schaalanciënniteit (18300) wordt ingeschaald in B111 (18910). Bij 4 jaar schaalanciënniteit zou betrokkene bij de provincie overgaan naar schaal B2 (20100) terwijl hij bij de DVO nog gedurende 4 jaar titularis blijft van schaal B111 (18910) waarvan het jaarsalaris lager ligt. Wanneer betrokkene na 8 jaar schaalanciënniteit overgaat naar schaal B112, blijft het jaarsalaris lager liggen dan in schaal B2 (namelijk 20710 tov 21300).[36]

    Dit wordt opgelost door betrokkene na 4 jaar schaalanciënniteit te herinschalen in schaal B112 met in overgang schaal B117. Deze schaal blijft dan behouden tot 18 jaar schaalanciënniteit.[36]

    Dit betekent dus dat de functionele loopbaan van de provincies wordt overgenomen. De normale functionele loopbaan gangbaar binnen de diensten van de Vlaamse overheid wordt dus niet toegepast.[36]

    In de basisgraden wordt de 2de schaal toegekend na 4 jaar schaalanciënniteit en de 3de schaal na 18 jaar gecumuleerde schaalanciënniteit (dus de schaalanciënniteit in de 1ste en 2de schaal samen).[36]

    In de bevorderingsgraden wordt de 2de schaal toegekend na 9 jaar schaalanciënniteit in de 1ste schaal.[36]

    De schalen die in de functionele loopbaan toegekend worden zijn de schalen zoals ze in de inschalingstabel vermeld zijn. In deze tabel werd immers gezocht naar de best passende overeenkomstige Vlaamse schaal. In niveau C stemmen deze schalen overeen met deze uit de normale functionele loopbaan in niveau C maar in niveau B wordt gewerkt met overgangsschalen omdat de normale schalen uit de functionele loopbaan te laag zijn in vergelijking met de provinciale schalen.[36]

    Voorbeeld:

    Niveau C: C1 → C111
    Na 4 jaar schaalanciënniteit: C112
    Na 18 jaar schaalanciënniteit: C113
    Na 9 jaar schaalanciënniteit in schaal C113: C114[36]

    Niveau B: B1 → B111 met in overgang schaal B116
    Na 4 jaar schaalanciënniteit: B112 met in overgang schaal B117
    Na 18 jaar schaalanciënniteit: B114 met in overgang schaal B118[36]

    De schalen in niveau A liggen bij de diensten van de Vlaamse overheid merkelijk hoger dan bij de provincies.
    De normale loopbaan bij de provincies ziet eruit als volgt: A1a - A1b - A2a.
    Schaal A1a stemt overeen met schaal A111 maar de 2de schaal in niveau A bij de provincie (A1b) is veel lager dan de 2de schaal (A112) bij de diensten van de Vlaamse overheid. Daarom wordt voor de titularissen van schaal A1b met een overgangsschaal gewerkt, met name schaal A115.
    De derde schaal na 18 jaar schaalanciënniteit is dan schaal A112 die gelijklopend is met de derde schaal bij de provincies (A2a). Bijkomend wordt een volgende trap in de functionele loopbaan voorzien, met name na 24 jaar gecumuleerde schaalanciënniteit wordt schaal A113 toegekend.
    In de provincie West-Vlaanderen wordt gebruik gemaakt van de alternatieve loopbaan  A1a-A2a-A3a. Deze personeelsleden doorlopen de normale functionele loopbaan A111 - na 4 jaar schaalanciënniteit A112 – na 18 jaar gecumuleerde schaalanciënniteit A113.
    Bijkomend wordt na 9 jaar schaalanciënniteit in schaal A113 / A123, schaal A114/A124 toegekend.[36]

    De loopbanen zien er bijgevolg als volgt uit:[36]

    Loopbaan provincie en na overdracht

     

     

    Na 4 jaar SA

    Na 9 jaar SA

    Na 14 jaar SA of 18 jaar GSA (gecumuleerde SA)

    Na 24 jaar GSA

    Na 9 jaar SA in A113/A123/C113

     

    Niveau A

    Basisgraden

     

     

     

     

     

     

    Provincie (andere dan West-Vl)

    A1a

    A1b

     

    A2a

     

     

    Na overdracht

    A111

    A111 (A115)

     

    A112

    A113

    A114

    Provincie (West-Vl)

    A1a

    A2a

     

    A3a

     

     

    Na overdracht

    A111

    A112

     

    A113

     

    A114

    Provincie

    A6a

    A6b

     

    A7a

     

     

    Na overdracht

    A121

    A121 (A114)

     

    A122

    A123

    A124

    Bevorderingsgraden

     

     

     

     

     

     

    Provincie

    A4a

     

    A4b

     

     

     

    Na overdracht

    A113

     

    A114

     

     

     

    Provincie

    A5a

     

    A5b

     

     

     

    Na overdracht

    A211

     

    A212

     

     

     

    Provincie

    A8a

     

    A8b

     

     

     

    Na overdracht

    A211 (A123)

     

    A212

     

     

     

    Niveau B

    Basisgraden

     

     

     

     

     

     

    Provincie

    B1

    B2

     

    B3

     

     

    Na overdracht

    B111 (B116)

    B112 (B117)

     

    B114 (B118)

     

     

    Bevorderingsgraden

     

     

     

     

     

     

    Provincie

    B4

     

     

    B5

     

     

    Na overdracht

    B211 (B292)

     

     

    B212 (B297)

     

     

    Niveau C

    Basisgraden

     

     

     

     

     

     

    Provincie

    C1

    C2

     

    C3

     

     

    Na overdracht

    C111

    C112

     

    C113

     

    C114

    Bevorderingsgraden

     

     

     

     

     

     

    Provincie

    C4

     

    C5

     

     

     

    Na overdracht

    C211

     

    C212 (C235)

     

     

     

    Niveau D

    Basisgraden

     

     

     

     

     

     

    Provincie

    D1

    D2

     

    D3

     

     

    Na overdracht

    D111 (D151)

    D112 (D152)

     

    D113 (D153)

     

     

    Bevorderingsgraden

     

     

     

     

     

     

    Provincie

    D4

     

    D5

     

     

     

    Na overdracht

    D212 (D222)

     

    D212 (D232)

     

     

     

    Niveau E

    Basisgraden

     

     

     

     

     

     

    Provincie

    E1/E2/E3

     

     

    E3

     

     

    Na overdracht

    D111 (D150)

    Na  8 jaar SA in D111D112

     

    Na 10 jaar SA in D112

    D113

     

     

     

    SA start vanaf de overdracht

    Toelichting bij Art. VII 204

    Aan de overgehevelde personeelsleden van MFC Heynsdaele van niveau B en C met de functie van opvoeder of hoofdopvoeder wordt de jeugdzorgtoelage (877 euro aan 100%) toegekend, voor zover zij dezelfde functie blijven uitoefenen die ze hadden bij MFC Heynsdaele. Aangezien deze toelage de jaarlijkse gevaartoelage (1460 euro aan 100%) vervangt die hen toegekend werd toen ze nog onder de provinciale overheid ressorteerden, wordt hen nog bijkomend een supplement toegekend ten belope van het verschil tussen de jeugdzorgtoelage (877 euro aan 100%) en de vroegere gevaartoelage (1460 euro aan 100%), zijnde 583 euro aan 100%.[36]

    Voormelde toelage en supplement wordt ook toegekend aan de in het kader van de afslanking van de provincies overgehevelde personeelsleden van de technische dienst van Mu.Zee en die ter beschikking gesteld worden van de vzw Mu.Zee, voor zover zij na de overheveling dezelfde functie blijven uitoefenen. Zij genoten van een identieke gevaartoelage als de hogergenoemde personeelsleden van MFC Heynsdaele.[36]

    Toelichting bij Art. VII 205

    De contractuele personeelsleden van de provincies genieten van een aanvullende pensioenregeling die onderling zodanig verschilt dat een uniforme 2de pijler voor de 5 provincies niet haalbaar was. Daarom werd beslist dat de betrokken personeelsleden de regeling van de 2de pensioenpijler behouden zoals ze op datum van overdracht was bij het provinciebestuur van herkomst (en beschreven is in onderstaande provincieraadsbesluiten).[36]

    Provincie West-Vlaanderen:

    • Besluit van de provincieraad van 23/6/2011 tot invoering van de tweede pensioenpijler voor het contractueel provinciepersoneel;
    • Besluit van de provincieraad van 25/10/2012 houdende goedkeuring van het reglement en het financieringsplan inzake 2de pensioenpijler voor het contractueel provinciepersoneel.[36]

    Provincie Oost-Vlaanderen:

    • Besluit van de provincieraad van 10/11/2010 houdende de invoering van een tweede pensioenpijler voor het contractueel personeel;
    • Besluit van de provincieraad van 7/10/2015 waarbij de gecoördineerde versie van het provincieraadsbesluit van 10 november 2010 met betrekking tot de tweede pensioenpijler voor het contractuele personeel en het pensioenreglement, van toepassing met ingang van 1 november 2015, wordt vastgesteld.[36]

    Provincie Limburg:

    • Besluit van de provincieraad van 17/9/2008 waarbij de provincieraad principieel akkoord gaat met de oprichting van een tweede pensioenpijler voor de contractueel tewerkgestelde personeelsleden;
    • Besluit van de provincieraad van 16/9/2009 waarbij het reglement m.b.t. het gezamenlijk organiseren van het beheer van een tweede pensioenpijler voor de contractuelen van de provincie, de gemeenten, de OCMW’s en de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden wordt goedgekeurd;
    • Besluit van provincieraad van 20/4/2016 waarbij het reglement wordt aangepast.[36]

    Provincie Antwerpen:

    • Besluit van de provincieraad van 28/2/2008 houdende het creëren van een tweede pensioenpijler voor het contractueel provinciepersoneel binnen een open multiwerkgeversfonds;
    • Besluit van de provincieraad van 26/6/2008 houdende goedkeuring van het reglement van het plan van het aanvullend pensioen voor de contractuele provinciepersoneelsleden;
    • Beslissing van de algemene vergadering van 19/12/2014 tot goedkeuring van het reglement van het plan voor aanvullend pensioen voor de contractuele personeelsleden.[36]

    Provincie Vlaams-Brabant:

    • Besluit van de provincieraad van 20/12/2011 tot goedkeuring van het pensioenreglement tweede pijler contractuelen en het bestek van de dienstenopdracht “Tweede pijler contractuelen van de provincie Vlaams-Brabant”;
    • Besluit van de provincieraad van 17/12/2013 tot wijziging van het pensioenreglement tweede pijler contractuelen van de provincie Vlaams-Brabant.[36]

    naar boven