chat-altchatcrossloginquestion-circlesearchsmileystarthumbup-downwarning
Vlaanderen
Contacteer ons
    Terug naar overzicht Stuur een e-mail

    Stuur een e-mail naar 1700, de informatiedienst voor al uw vragen aan de overheid.
    U ontvangt een kopie van uw bericht.

    Terug naar overzicht Chat met ons
    Uw chatgesprek wordt automatisch gestart zodra er een medewerker beschikbaar is.
    Even geduld, uw positie in de wachtrij wordt bepaald.

    Toelichting bij Deel X. De verloven en dienstvrijstellingen - APKB

    APKB-bepalingen[32]

    Vóór de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 tot wijziging van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, wat betreft de hervorming van de selectieprocedures en andere bepalingen, en tot opheffing van het APKB waren onderstaande bepalingen van het APKB relevant voor de schorsing in het belang van de dienst  van de ambtenaren van de Vlaamse overheid. Beleidsmatig volgt het VPS nog de bepalingen van het APKB inzake de schorsing in het belang van de dienst en heeft men nog geen gebruik gemaakt van de beleidsvrijheid die de afschaffing van het APKB biedt.[32]

    Volgende artikelen van het opgeheven APKB waren[32] op dit deel van toepassing:

    Artikel 7, § 2 - derde lid
    "Periodes van afwezigheid gerechtvaardigd door deelname aan verplichte opleidingsactiviteiten worden in ieder opzicht gelijkgesteld met periodes van dienstactiviteit."

    Artikel 16
    "Onverminderd hetgeen is bepaald in de artikelen 17 tot en met 20, bepaalt het statuut de administratieve standen en de gevolgen ervan op het recht op wedde en op bevordering tot een hogere wedde, op de administratieve anciënniteit en op de loopbaanaanspraken. Het regelt tevens de administratieve anciënniteiten en de berekeningswijze ervan."

    Artikel 17
    "In ieder geval geniet de ambtenaar:

    1° bij volledige arbeidsprestaties, een jaarlijks vakantieverlof waarvan de duur ten minste gelijk is aan die bepaald in artikel 10 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen of in elke andere bepaling die ze mocht wijzigen;

    2° van het vrouwelijke geslacht, voor de moederschapsbescherming, ten minste de voordelen bedoeld in de artikelen 24 tot en met 27 en in artikel 31 van het bovenvermeld koninklijk besluit van 19 november 1998 of in elke andere bepaling die ze mocht wijzigen;

    3° die wegens ziekte verhinderd is zijn ambt normaal uit te oefenen de voordelen bedoeld in de artikelen 41 en 46, §§ 1 en 2, van het bovenvermeld koninklijk besluit of in elke andere bepaling die ze mocht wijzigen;

    4° de voordelen die vermeld zijn in de artikelen 65 tot en met 67 van het bovenvermeld koninklijk besluit van 19 november 1998 of in elke andere bepaling die ze mocht wijzigen;

    5° het recht dat de gemiddelde maximum arbeidsduur 38 uur per week niet overschrijdt."

    Artikel 18
    "Deelneming van een ambtenaar aan een georganiseerde werkonderbreking kan voor de ambtenaar slechts het verlies van zijn wedde tot gevolg hebben."

    Artikel 19
    "§ 1. Voor de bepalingen van het statuut die de afwezige ambtenaren in een administratieve stand plaatsen met recht op wedde, bevordering tot een hogere wedde, administratieve anciënniteit of loopbaanaanspraken, is vooraf de goedkeuring van de inzake pensioenen bevoegde federale overheid vereist.

    [§ 2. Bovendien zijn de overheden waarop dit besluit van toepassing is, ertoe gehouden de inzake pensioenen bevoegde federale overheid in te lichten van elk ontwerp of voorstel van decreet, ordonnantie of reglement houdende maatregelen die een weerslag kunnen hebben op de toestand inzake pensioenen van hun definitief benoemd of ermee gelijkgesteld personeel.

    De in het vorige lid bedoelde overheden zijn er eveneens toe gehouden de inzake pensioenen bevoegde federale overheid in te lichten van elk ontwerp dat hen voor goedkeuring wordt overgemaakt door een publiekrechtelijke rechtspersoon die onder hun toezicht staat en dat enige weerslag zou kunnen hebben op de toestand inzake pensioenen van het definitief benoemd of ermee gelijkgesteld personeel van het bedoelde organisme."]

    Artikel 20
    "De uitoefening door de ambtenaren van door de federale wetgever opgelegde verplichtingen, plaatst de betrokkenen in een administratieve stand waarvan de gevolgen inzake recht op wedde, op bevordering tot een hogere wedde, inzake administratieve anciënniteit of loopbaanaanspraken door ons worden bepaald na advies van de regeringen."

    naar boven

    Filosofie achter de verloven[37]

    In uitvoering van het regeerakkoord 2014 – 2017 en de beleidsnota Bestuurszaken keurde de Vlaamse Regering op 24 mei 2016 de conceptnota ‘rationalisering van de verlofregeling’ goed. Met de conceptnota bepaalde de Vlaamse Regering de krijtlijnen van een nieuwe verlofregeling die moest voldoen aan de volgende uitgangspunten:

    -

    waar mogelijk worden de arbeidsvoorwaarden van het statutair en contractueel personeel verder gealigneerd;

     -

    personeelsleden krijgen via verlof de kans om binnen en buiten de diensten van de Vlaamse overheid (DVO) ervaring op te doen. Wel wordt periodiek het blijvend nut van de externe tewerkstelling (en dus de verderzetting van het verlof) geëvalueerd;

    -

    de verloven moeten qua modaliteiten en gevolgen zowel voor het personeel, het lijnmanagement, als voor het dienstcentrum personeelsadministratie (en de overgebleven MOD’s) eenduidiger/eenvoudiger zijn;

     - de verloven zorgen, in het kader van werkbaar werk, gedurende alle fases van de loopbaan voor een optimale balans tussen werk en gezin, maar brengen tegelijkertijd de goede werking van de dienst niet in het gedrang;
    -

    oneigenlijke achterpoortjes worden gedicht. Hierdoor worden scheef gegroeide situaties op de werkvloer rechtgetrokken;

    -

    neutraliteit ten opzichte van de verschillende samenlevingsvormen.[37]

    naar boven

    Toepassingsgebied inzake aard van het tewerkstellingsverband

    De arbeidsvoorwaarden van het statutair en contractueel personeel worden waar mogelijk op elkaar afgestemd. Indien dit wettelijk mogelijk is, worden de voorwaarden gealigneerd. De verlofregeling is hierop geen uitzondering.[37]

    Vanaf 1 januari 2018 zullen de volgende verlofregelingen op volledige dezelfde wijze geregeld zijn voor het statutair en contractueel personeel:

    1. het jaarlijks verlof;
    2. de feestdagen en de compensatie omwille van het samenvallen van de feestdagen met een zaterdag of zondag;
    3. het opvangverlof;
    4. het verlof voor deeltijdse prestaties
    5. het zorgkrediet;
    6. de federale zorgverloven;
    7. het verlof om een ambt uit te oefenen op een kabinet of bij een erkende politieke groep;
    8. het omstandigheidsverlof;
    9. het onbetaald verlof
    10. het voorbehoedend verlof
    11. verlof wegens een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar of van het werk of een beroepsziekte (bedoeld wordt hier de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector en het KB van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding ten gunste van personeelsleden van de overheidssector, voor de arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk);
    12. het verlof krachtens federale wetgeving;
    13. de dienstvrijstellingen.[37]

    Wat de volgende verloven betreft, zijn de regelingen inzake duur en modaliteiten hetzelfde wat het statutair en contractueel personeel betreft, maar verschillen wel de uitbetalingsregelingen. Deze verloven worden aan het contractueel personeel toegekend op grond van de arbeidsovereenkomstenwet:

    • de moederschapsrust
    • het vaderschapsverlof en meemoederschapsverlof n.a.v. het overlijden of hospitalisatie van de moeder;
    • het geboorteverlof;
    • pleegzorgverlof.[37]

    Wat de eerste drie verloven betreft, ontvangt het statutair personeel een volledig loon. Het contractueel personeel ontvangt een uitkering aangevuld met een toelage die het verschil tussen de uitkering en het nettoloon dicht. Hierdoor is er, ofschoon er verschillen bestaan, toch sprake van een alignering van de uitbetalingsregeling. Wat deze verloven betreft, is er dus gekozen voor een toelage in plaats van een volledige doorbetaling. Dit komt doordat een volledige doorbetaling een dubbele kost zou inhouden aangezien naast de doorbetaling van het loon zowel de werkgever, als het personeelslid via de sociale zekerheidsbijdragen blijft betalen voor de uitkering waarop het contractuele personeelslid op grond van de federale regelgeving recht heeft.[37]

    Wat het pleegzorgverlof betreft, zijn de regelingen inzake duur en modaliteiten eveneens dezelfde. Wat de verloning betreft, krijgt een contractueel personeelslid een uitkering en een ambtenaar een percentage van zijn loon (dit percentage is grosso modo gelijk aan de uitkering die een contractueel in een vergelijkbare situatie ontvangt).[37]

    naar boven

    Beperkingen inzake de bevoegdheid van de Vlaamse overheid

    * Ambtenaren
      Soms beperkt externe (federale) regelgeving ook voor ambtenaren de bevoegdheid van de Vlaamse Regering om volledig vrij een verlofstelsel uit te bouwen.
      Dit geldt bv. voor:
      - verlof voor vakbondsopdrachten (syndicaal statuut)
      - jaarlijks vakantieverlof (minima opgenomen in de arbeidstijdwet van 14 december 2000)[37]
      - moederschapsrust[9] (arbeidswet van 16 maart 1971[37])
      - federale zorgverloven (KB van 7 mei 1999)[37]
    - zorgkrediet (BVR van 26 juli 2016 dat de uitkeringen regelt en waarmee de verlofregeling opgenomen in het VPS gelijk loopt).[37]
       
    * Contractuelen
      Ook hier gelden verloven die moeten of kunnen worden toegestaan op grond van of bij toepassing van externe reglementeringen:
      - het ziekteverlof (wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994; KB van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994; KB van 31 december 1963 houdende verordening op de uitkeringen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen);
      - de moederschapsrust[9] (Arbeidswet van 16 maart 1971; wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten; wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (+ uitvoeringsbesluiten));
    - geboorteverlof;[37]
      - pleegzorgverlof;[37]
      - het sollicitatieverlof (wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten; besluit van de Vlaamse Regering van 27 oktober 1993 tot veralgemening van het stelsel van gesubsidieerde contractuelen; besluit van de Vlaamse Regering van 17 juni 1997 houdende harmonisering van diverse stelsels werkervaringsprojecten; wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid);
      - het vakbondsverlof (wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel; KB van 28 september 1984 tot regeling van de betrekkingen van de overheid en de vakbonden van haar personeel);
      - wettelijke schorsingen van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst (wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten);
       

    naar boven

    Begrippen

    Voor de toepassing van dit deel betekent:

    - "werkdag": de dag waarop het personeelslid verplicht is te werken ingevolge de arbeidsregeling die op hem van toepassing is;

    - "vakantiedag": de vrije dag waarop het personeelslid aan geen enkele dienstverplichting is onderworpen;

    - "verlof": het recht van het personeelslid om voor een welbepaalde reden de actieve dienst te onderbreken;

    - "dienstvrijstelling": de toestemming van de bevoegde overheid aan het personeelslid om tijdens de diensturen afwezig te zijn gedurende een vooraf bepaalde tijd, met behoud van alle rechten.

    naar boven