chat-altchatcrossloginquestion-circlesearchsmileystarthumbup-downwarning
Vlaanderen
Contacteer ons
    Terug naar overzicht Stuur een e-mail

    Stuur een e-mail naar 1700, de informatiedienst voor al uw vragen aan de overheid.
    U ontvangt een kopie van uw bericht.

    Terug naar overzicht Chat met ons
    Uw chatgesprek wordt automatisch gestart zodra er een medewerker beschikbaar is.
    Even geduld, uw positie in de wachtrij wordt bepaald.

    Toelichting bij Deel XI. Het verlies van de hoedanigheid van ambtenaar en de definitieve ambtsneerlegging - Hoofdstuk 1

    Hoofdstuk 1. De redenen en gevolgen

    Toelichting bij Art. XI 1

    § 1. Met de woorden "door dit besluit" werd in art. 21 van het opgeheven APKB het APKB zelf bedoeld. Dit wordt in deze tekst omgezet naar "het statuut" vermits dit in toepassing van het opgeheven APKB wordt opgesteld.[32]

    - zie art. 21 e.v. van het opgeheven[32] APKB.

    - in dit besluit: de definitieve ongeschiktverklaring wegens ziekte van de ambtenaar vóór de opruststelling[9].

    De leeftijd van opruststelling[9] wordt vastgesteld op 65 jaar; dit komt i.p.v. de vage omschrijving "de normale leeftijd van de pensionering".

    § 2. Vroeger werd toegelaten dat de ambtenaar uit dienst ging op de datum waarop hij 65 werdt.

    De DMFA-aangifte liet niet (meer) toe dat het volledige aantal arbeidsdagen wordt aangegeven indien men in de loop van een maand, op de dag dat de ambtenaar 65 jaar wordt, uit dienst gaat.
    De RSZ suggereerde dat de verloning van de periode na de 65ste verjaardag geregeld wordt met een premie. Een ontslag op de 65ste verjaardag, en de betaling van een premie geeft evenwel problemen inzake rustpensioen, vakantiegeld en eindejaarstoelage.
    Daarom werd beslist dat het personeelslid uit dienst gaat op de 1ste van de maand volgend op de 65ste verjaardag.

    De huidige werkwijze bij overlijden van een ambtenaar werd door de RSZ niet gecontesteerd, aangezien de huidige werkwijze inhoudt dat de overlijdensdatum ter informatie in Vlimpers wordt opgenomen, en het einde van de betaling en de dienstbetrekking samenvalt (de laatste dag van de maand).

    Rust- en overlevingspensioenen starten steeds op de 1ste van de volgende maand (in casu: volgend op de leeftijd 65 jaar en op het overlijden). Dit was al de algemene regel bij vervroegd pensioen.

    Om geen verlies inzake rustpensioen voor de laatste maand te hebben, moet men “in actieve dienst” zijn gedurende de hele maand én moet op het salaris de FOP-bijdrage 7,5% ingehouden en doorgestort worden(1).
    Vlimpers kan momenteel geen volledig maandsalaris berekenen bij uitdiensttreding in de loop van de maand. [12]

    Problemen bij "uit dienst" op datum 65 jaar en overlijden

    PENSIOEN

    VAKANTIEGELD

    EINDEJAARSTOELAGE

    DMFA aangifte

    65 JAAR

    pensioenverlies

    verlies prorata deel VG

    verlies prorata deel EJT

    OK

    OVERLIJDEN

    geen pensioenverlies

    verlies prorata deel VG

    verlies prorata deel EJT

    OK

    Conclusie (zie ook artikel XI 1 VPS)[12]

    1. uit dienst op laatste dag van de maand waarin de leeftijd van 65 jaar wordt bereikt;
    2. gevolgen:
      . volledig maandsalaris,
      .  volledige prorata VG / EJT, dus geen verlies
      . maand volledig in actieve dienst (= aanneembare diensten rustpensioen) dus geen pensioenverlies.[12]

    Standpunt van de Pensioendienst voor de overheidssector(2) [2]

    Artikel 50, tweede lid van de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen bepaalt dat de persoon van wie de dienstuitoefening beëindigd is ingevolge de zwaarste tuchtstraf in zijn statuut bepaald definitief het recht op een rustpensioen van de openbare sector verliest.[2]

    Volgens artikel VIII 2, 7° van het Vlaams personeelsstatuut is de tuchtstraf "afzetting" de zwaarste tuchtstaf. Dit betekent dat de ambtenaar die als gevolg van een tuchtstraf afgezet wordt geen aanspraak kan maken op een pensioen van de openbare sector voor de diensten die hij verricht heeft vóór deze afzetting. De andere tuchtstraffen hebben geen invloed op de pensioenrechten van de ambtenaar.[2]

    "De strafvordering schorst de tuchtprocedure en de tuchtuitspraak. Daaruit volgt dat de tuchtstraf afzetting mag uitgesproken worden nadat de geschorste ambtenaar de grensleeftijd (bedoeld wordt pensioenleeftijd) heeft bereikt, indien de strafrechtelijke veroordeling enkel na die datum werd uitgesproken en definitief is geworden.
    Zolang het tuchtrechtelijk onderzoek tegen een ambtenaar niet is beëindigd, mag en kan er niet beslist worden over zijn pensioenrecht. Zolang het tuchtrechtelijk onderzoek voortduurt en men derhalve niet weet of de ambtenaar al dan niet een tuchtstraf zal bekomen die hem het recht op pensioen ontzegt, kan en mag terzake niets beslist worden, zelfs indien de betrokkene de leeftijdsgrens bereikt, definitief lichamelijk ongeschikt wordt verklaard of het onmiddellijk of uitgesteld pensioen aanvraagt. Zolang tegen een ambtenaar tuchtvervolgingen zijn ingesteld, mag zijn vraag tot ontslag niet aanvaard worden".[2]

    Teneinde te vermijden dat een einde komt aan de schorsing in het belang van de dienst en dat geen tuchtprocedure meer kan opgestart worden wordt artikel XI 1, §2 aangepast in die zin dat in deze gevallen betrokkene niet de hoedanigheid van ambtenaar verliest.[2]

    Arrest van de Raad van State, nr. 11.786 van 28 april 1966, Friedberg/Belg. Staat

    § 3. Om het langer werken aan te moedigen binnen de huidige economische en maatschappelijke context wordt de regeling van het doorwerken na de leeftijd van 65 jaar vanaf 30 november 2012 versoepeld in die zin dat de ambtenaren na het einde van de maand waarin ze 65 jaar worden in onderling akkoord met de benoemende overheid mogen blijven verder werken zonder tijdsbeperking. De verlenging geldt voor maximaal één jaar, maar kan onbeperkt herhaald worden met een periode van telkens maximaal één jaar. Het initiatief voor de verlenging kan uitgaan van de benoemende overheid maar de betrokken ambtenaar moet ermee akkoord gaan. De verlenging kan ook gevraagd worden door de ambtenaar maar de benoemende overheid moet er mee instemmen.[18]

    Deze maatregel creëert geen recht in hoofde van de ambtenaar maar schept voor de overheid de mogelijkheid om ambtenaren van wie zij de competenties verder nodig heeft voor haar dienstverlening voor de voormelde periode langer aan het werk te houden. De benoemende overheid moet haar beslissing motiveren. Tot zolang behoudt hij de hoedanigheid van ambtenaar. Deze ambtenaren die doorwerken na het einde van de maand waarin ze 65 jaar worden kunnen hun loopbaan verder ontwikkelen, zoals bepaald in het VPS (functionele loopbaan, hiërarchische bevordering, aanstelling in midden- of topkader).[18]

    Een analoge regeling geldt voor de statutaire mandaathouders van de N-functies en de functies van algemeen directeur en voor het hoofd van het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad. Voor de statutaire mandaathouders is de indienstnemende overheid bevoegd om de beslissing te nemen, onverminderd de regeling inzake de beëindiging van het mandaat, zoals bepaald in artikel V 14.

    De facto zal het de opdrachtgever (functionele minister of raad van bestuur) zijn die apprecieert /motiveert in het voorstel aan de indienstnemende overheid (VR of raad van bestuur voor EVA waar oprichtingsdecreet dit bepaalt) waarom er redenen zijn om de tewerkstelling te verlengen.
    De mandaatregeling zoals bepaald in deel V blijft doorwerken ook na  het einde van de maand waarin de mandaathouders 65 jaar worden: jaarlijkse evaluatie, eindemandaatevaluatie na 6 jaar, mogelijkheid tot verlenging na eerste mandaat van 6 jaar en mededinging met open procedure vanaf 3de mandaat.[18]

    Na een loopbaan van 45 dienstjaren (diploma inbegrepen) krijgt de ambtenaar een volledig pensioen (= maximum dat hij kan krijgen).[15]

    Contractuele personeelsleden kunnen ook in dienst gehouden worden boven de leeftijd van 65 jaar.

    Als de arbeidsovereenkomst ten vroegste eindigt op de eerste dag van de maand waarin betrokkene de wettelijke pensioenleeftijd (65 jaar) bereikt, dan geldt een verkorte opzegtermijn van maximum 26 weken als het ontslag uitgaat van de werkgever (overeenkomstig artikel  37/6 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978).[9]

    Toelichting bij Art. XI 2

    In deze herstructureringsperiode met kerntakendiscussie is het belangrijk om op te merken dat volgens het intussen opgeheven APKB de afschaffing van betrekking geen reden was[32] voor verlies van de hoedanigheid van ambtenaar of voor ontslag (dit in tegenstelling tot andere landen waar dergelijke reden wel tot collectief ontslag kan leiden, ook bij de overheid). Deze ambtenaren dienen conform het statuut herplaatst (reaffectatie) met behoud van rechten.

    De huidige werkwijze van maximale interne inzetbaarheid van het vast personeel (ook overtollig of in overtal) blijft dus behouden. De procedure sensu stricto wordt vervangen door het engagement van maximale interne inzetbaarheid via HR-instrumenten.

    Aangezien men alle aanspraken behoudt, wordt men ook geacht zijn afgeschafte betrekking verder uitgeoefend te hebben. Dit zal de facto ook het geval zijn aangezien men in dienst blijft en prestaties levert en dus bv. niet thuis zit "in afwachting van ...".

    Toelichting bij Art. XI 3

    geeft een opsomming van de gevallen waarbij ambtshalve en zonder opzegging een einde wordt gemaakt aan de hoedanigheid van ambtenaar (zie art. 23 van het opgeheven[32] APKB).

    Ontslag wordt ambtshalve opgelegd aan:

    De onregelmatig benoemde ambtenaren.
    Het gaat hier om de benoeming na aanwerving en het betreft de ambtenaar die niet meer voldoet aan de algemene toelatingsvoorwaarden om benoemd te worden (zie art. III 1).
    De voorwaarden waaronder ontslag wegens medische ongeschiktheid voor de vaste ambtenaar verleend wordt (mogelijkheid na 666 werkdagen) is uiteengezet bij de verloven.
    Onder medische ongeschiktheid moet ook verstaan worden de vroegtijdige invaliditeit die, onder door de AGD-reglementering bepaalde voorwaarden, behoorlijk is vastgesteld en waardoor de ambtenaar niet in staat is om zijn ambt volledig, geregeld en onafgebroken uit te oefenen.
    De voorwaarde om Belg te zijn voor bepaalde gezags- of vertrouwensfuncties werd weliswaar geschrapt bij de aanwerving (mogelijkheid opgeheven[32] APKB) maar de GW blijft nog onverkort van toepassing krachtens dewelke enkel EER-onderdanen vastbenoemd ambtenaar kunnen zijn tenzij een overheid decretaal uitzonderingen zou bepalen voor bijzondere gevallen (terzake wordt een voorstel uitgewerkt).
    De ambtenaar die na een geoorloofde afwezigheid zonder geldige reden zijn dienst niet hervat (afwezig blijft) of zonder geldige reden zijn post verlaat (functie niet uitoefent) en meer dan tien kalenderdagen afwezig blijft is ongewettigd afwezig.
    Bij een toepassing van deze bepaling moet men rekening houden met de vaste rechtspraak van de Raad van State over de toepassingsvoorwaarden van dit niet-tuchtrechtelijk ontslag van ambteanren die gedurende een zekere tijd - meer dan 10 (kalender)dagen - van het werk afwezig blijven, berust op een vermoeden van vrijwillig ontslag.[27]
    Het bestuur is bijgevolg verplicht om na te gaan of de betrokken ambtenaar een reden had om uit de dienst afwezig te blijven. Het is daarbij zonder belang of die concrete omstandigheden al dan niet een voldoende rechtvaardiging voro de afwezigheid opleveren.[27]
    Als er voldoende gegevens voorhanden zijn die aantonen of waaruit af te leiden valt dat de ongewettigde afwezigheid te wijten was aan de vrijwillige uitdiensttreding, dan kan geen toepassing worden gemaakt van art. XI 3, § 1, 3°. Om dit duidelijker te maken, wordt in punt 3° toegevoegd dat de ambtenaar behoorlijk en op voorhand moet worden verwittigd (van dit mogelijk ontslag) en om opheldering moet worden verzocht.[27]
    De ongewettigde afwezigheid staat gelijk met non-activiteit (behoudens in geval van overmacht);
    Zijn bv. geldige afwezigheden en worden dus niet meegerekend voor de berekening van de 10 dagen afwezigheid: de dagen afwezigheid wegens toepassing van de tuchtprocedure, wegens werkonderbreking (zie ook toelichting art. X 5) ...
    De ambtenaar die zich in een situatie bevindt waarin de toepassing van de burgerlijke wetten en van de strafwetten de ambtsneerlegging tot gevolg heeft;
    De ambtenaar die wegens tuchtredenen wordt afgezet of van ambtswege wordt ontslagen.

    Artikel XI 3, 2° werd aangepast bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008 zodat men niet langer automatisch ontzet wordt uit de hoedanigheid van ambtenaar wanneer men een burgerlijk of een politiek recht verliest (geschrapt in 2°) maar dat men slechts ontzet wordt uit het ambt wanneer men ontzet wordt uit het recht openbare ambten, bedieningen of betrekkingen te vervullen en dit slechts voor de duur van de ontzetting (§2).
    Concreet betekende dit dat de betrokken persoon gedurende deze periode geen aanspraken kon maken op rechten die voortvloeien uit het ambtenaarschap (bijvoorbeeld opbouw anciënniteiten). Bij het einde van de ontzetting uit zijn ambt kon de ambtenaar terugkeren in zijn oude graad (dit wil zeggen dat hij terug "in dienst" werd genomen) en met de anciënniteiten die hij opgebouwd had op het ogenblik van zijn ontzetting uit het ambt.[27]

    Deze regeling heeft als ongewenst effect dat de facto geen tuchtvordering meer kan worden opgestart of worden verder gezet omdat betrokkene tijdelijk zijn hoedanigheid van ambtenaar verliest.[27]

    Uit rechtspraak van de Raad van State (arrest nr. 195.654 van 31 augustus 2009) blijkt dat het ambtshalve verlies van de hoedanigheid van ambtenaar ingevolge de tijdelijke ontzetting uit de burgerlijke en politieke rechten geen schending van art. 10 en 11 van de Grondwet inhoudt om volgende redenen:
    - de onmogelijkheid om een openbaar ambt uit te oefenen is strikt verbonden aan de periode waarvoor betrokkene uit zijn burgerlijke en politieke rechten is ontzet.
    - wanneer de betrokkene opnieuw zijn burgerlijke en politieke rechten geniet, zal hij terug een openbaar ambt kunnen uitoefenen. Hiervoor zal hij wel opnieuw in dienst moeten worden genomen en zijn loopbaan van nul af aan herbeginnen. Het verlies van de hoedanigheid van ambtenaar als gevolg van de tijdelijke ontzetting uit de burgerlijke of politieke rechten is derhalve niet noodzakelijk definitief.[27]

    Die situatie is verschillend van die van het verlies van de genoemde hoedanigheid ingevolge de definitieve ontzetting uit de burgerlijke of politieke rechten.[27]

    Om te vermijden dat geen tuchtvordering kan worden opgestart of verder gezet omdat betrokkene tijdelijk zijn hoedanigheid van ambtenaar verliest , wordt de vroegere bepaling van punt 2°  met name het ambtshalve verlies van de hoedanigheid van ambtenaar voor de ambtenaar die de burgerlijke en politieke rechten niet meer geniet, terug opgenomen in dit artikel.[27]

    Het ambtshalve verlies van de hoedanigheid van ambtenaar is ook van toepassing op de ambtenaren die op 1 november 2014 ( datum van inwerkingtreding van het nieuwe artikel XI 3) tijdelijk ontzet zijn uit het recht om een openbaar ambt uit te oefenen met toepassing van de opgeheven  bepaling van artikel XI 3, §2.[27]

    Toelichting bij Art. XI 4

    § 1. In het geval dat de onregelmatige benoeming niet te wijten is aan arglist of bedrog in hoofde van de ambtenaar wordt een verbrekingsvergoeding betaald. De betaling van deze verbrekingsvergoeding ging niet in tegen het intussen opgeheven APKB[32], aangezien dit enkel voorzag[32] dat geen opzeggingstermijn wordt toegekend. De rechtsfiguur van een verbrekingsvergoeding is niet dezelfde als deze van een opzeggingstermijn. De verbrekingsvergoeding wordt berekend op dezelfde wijze als de (minimum-) verbrekingsvergoeding voor een bediende in de privé-sector (contract voor onbepaalde duur).
    De betaling van een verbrekingsvergoeding is ook in overeenstemming met Europees Sociaal Handvest van Turijn.
    De regeling inzake sociale zekerheid bij toekenning van een verbrekingsvergoeding in het geval van een onregelmatige benoeming die niet te wijten is aan de ambtenaar zelf, is conform aan de wet van 20 juli 1991 houdende sociale bepalingen.

    Gelet op de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen waarbij de ontslagen ambtenaar onder toepassing van de werkloosheidsverzekering moet worden ondergebracht (behalve in uitzonderlijke gevallen) stort de werkgever de nodige bijdragen voor opname van de ambtenaar in dit stelsel.

    Door art. 8 van voormelde wet wordt hoofdstuk II van die wet (toepassing van de verzekering tegen werkloosheid, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) en de moederschapverzekering op sommige personeelsleden van de overheidssector en van het vrij gesubsidieerd onderwijs) uitdrukkelijk niet van toepassing verklaard op de personen van wie de arbeidsverhouding in overheidsdienst wordt verbroken wegens ongewettigde afwezigheid. Artikel 84 van de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen heft evenwel ook deze uitzondering op.

    § 2. Aangezien het intussen opgeheven APKB uitdrukkelijk bepaalde[32] dat in de in art. XI 3 opgesomde gevallen de ambtenaar ambtshalve en zonder opzeggingstermijn wordt ontslagen, wordt in deze gevallen aan de ambtenaar die wordt ontslagen geen opzeggingstermijn toegekend en blijft de huidige ontslagregeling (geen opzeggingstermijn, geen verbrekingsvergoeding, onverminderd § 1) dus behouden.

    Het niet toekennen in de betrokken gevallen van een opzeggingstermijn of verbrekingsvergoeding gaat niet in tegen het Europees Sociaal Handvest van Turijn in die zin dat ook dit handvest niet uitsluit dat in bepaalde gevallen het ontslag plaats vindt op staande voet.
    In de gevallen waarin het ontslag plaats vindt ingevolge een ernstig vergrijp wordt geen opzeggingstermijn of verbrekingsvergoeding toegekend. Er is sprake van een ernstig vergrijp indien het ontslag ambtshalve plaats vindt omwille van de volgende redenen:

    - onregelmatige benoeming te wijten aan arglist of bedrog in hoofde van de ambtenaar;
    - verlies van burgerlijke en politieke rechten;
    - toepassing van burgerlijke wetten of van strafwetten;
    - ongewettigde afwezigheid van meer dan 10 dagen op het werk;
    ontslag van ambtswege of afzetting (de twee zwaarste tuchtstraffen).

    Bovendien wordt er eveneens geen opzeggingstermijn of verbrekingsvergoeding toegekend indien het ontslag het gevolg is van:

    - het niet meer voldoen aan de dienstplichtwetten;
    - de definitieve medische ongeschiktheid;
    - het niet meer voldoen aan de nationaliteitsvereiste (GW-bepaling).

    § 4. Het ontslag wordt gegeven door de benoemende overheid (dus in principe de lijnmanager als hoofd van de entiteit[, secretariaatspersoneel strategische adviesraad, het Gemeenschapsonderwijs] onverminderd de delegatiemogelijkheid).
    Enkel de ontslagreden in art. XI 3 - 3° vergt nog een appreciatie.

    Toelichting bij Art. XI 5

    Cf. art. 25 van het opgehevenn[32] APKB
    Zoals de aanwerving wordt ook de ambtsneerlegging van de ambtenaar met waarborgen omringd.

    Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen:

    - het vrijwillig ontslag;
    - de pensionering;
    - het ontslag wegens beroepsongeschiktheid (= na een tweede opeenvolgende evaluatie "onvoldoende").

    Voor de ambtenaar in proeftijd geldt inzake ongeschiktheid voor de functie uiteraard (wegens de beperkte duur van de proeftijd) een specifieke regeling (art. III 16, § 2 en III 18[9]). Voor de andere 2 redenen: zie art. 9, § 4 van het opgeheven[32] APKB.

    Toelichting bij Art. XI 6

    Het vrijwillig ontslag door de ambtenaar kan slechts doorgang vinden na ten minste 30 kalenderdagen (en behoudens akkoord over een inkorting) zodat de ambtenaar zich niet zomaar onmiddellijk aan zijn statutaire verplichtingen kan onttrekken.

    De ambtenaar die de diensten van de Vlaamse overheid verlaat en een betrekking in de private sector opneemt dient binnen de sociale zekerheid eerst zijn rechten op te bouwen vooraleer recht te hebben op vaderschaps- of moederschapsverlofuitkeringen en ziekteuitkeringen.[2]

    Een benoeming die definitief geworden is betekent dat ingeval van beroep bij de Raad van State de termijn voor uitspraak afgewacht wordt.

    Een benoeming bij een administratief rechtscollege van de Vlaamse overheid wordt niet langer gelijkgesteld met een vrijwillig ontslag.

    Een ambtenaar van de DVO, die wordt benoemd tot raadslid van een administratief rechtscollege, verliest daardoor zijn terugvalpositie bij de diensten van de Vlaamse overheid niet. Hij wordt in principe maar voor een mandaat van zes jaar benoemd. Dit mandaat kan weliswaar verlengd worden, maar de raadsleden hebben bij hun benoeming geen garantie dat dit ook effectief zal gebeuren.[9]

    Toelichting bij Art. XI 7

    Door een recente wijziging van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen wordt voor de ambtshalve opruststelling na dagen afwezigheid wegens ziekte de minimumpensioenleeftijd verhoogd.
    Vanaf 1 juli 2016 wordt de ambtenaar pas vanaf de leeftijd van 62 jaar op rust ge-steld eens zijn contingent van ziektedagen van 365 kalenderdagen is opgebruikt. De leeftijd van 62 jaar wordt opgetrokken tot 62 jaar en zes maanden vanaf 1 januari 2017 en tot 63 jaar vanaf 1 januari 2018.
    Voor personeelsleden die thans tussen hun 60 en 62 jaar al ziektedagen hebben opgenomen, wordt de teller terug op nul gezet: er wordt vanaf 1 juli 2016 enkel gekeken naar de ziektedagen opgebruikt sinds 1 juli 2016. Voor personeelsleden die nu al ouder zijn dan 62 jaar en ziektedagen hebben opgenomen sinds hun 62ste, geldt dat de ziektedagen opgenomen sinds hun 62ste verjaardag worden aangerekend op het contingent, met diens verstande dat vanaf 1 januari 2017 enkel wordt gekeken naar de ziektedagen vanaf 62,5 jaar en vanaf 1 januari 2018 enkel naar de ziektedagen vanaf 63 jaar. De teller wordt met andere woorden telkenmale op nul gezet.[34]

    De federale wijziging aan de pensioenwetgeving wordt ook aangegrepen om artikel XI 7 verder te aligneren met de federale pensioenwetgeving.
    Het appreciatierecht van de lijnmanager of de functioneel bevoegde minister om de opruststelling met 6 maanden uit te stellen, wordt geschrapt en dit conform artikel 83, § 3 van de wet van 5 augustus 1978. Het is niet toegelaten om het personeelslid na verloop van 365 kalenderdagen afwezigheid wegens ziekte na de zestigste verjaardag (leeftijd die opgetrokken wordt) nog langer in dienst te houden.
    Daarnaast wordt ook het door het VPS vooropgestelde contingent van 222 werkda-gen afwezigheid wegens ziekte aangepast in functie van de door de federale wetge-ving vooropgestelde 365 kalenderdagen afwezigheid wegens ziekte. De berekening van dit contingent wordt afgestemd op de federale regels.
    Voorheen werden voor de berekening van het contingent van 222 werkdagen dezelfde regels gehanteerd als voor de berekening van het gewone ziektekrediet van 666 dagen. Hierbij werden ook afwezigheden wegens verlof voor deeltijdse prestaties wegens ziekte, arbeidsongeval of beroepsziekte na consolidatie in rekening gebracht. Deze berekening kon voor gevolg hebben dat een van deze wetgeving afwijkend resultaat zou worden bekomen, waardoor de rechten van het personeelslid in de pensioenwetgeving ter discussie zouden kunnen komen te staan. Daarom wordt de berekening gealigneerd met artikel 83,§3 van de wet van 5 augustus 1978.[34]

    Toelichting bij Art. XI 8

    § 1. Een ambtenaar wordt ontslagen als hij na een eerste evaluatie onvoldoende n.a.v. de eerste twee volgende evaluaties opnieuw een onvoldoende krijgt. Het volstaat dus niet meer om na een onvoldoende één jaartje goed te functioneren om ontslag te vermidjen.[23]

    Het is logisch dat bij tweemaal onvoldoende, de benoemende overheid geen beslissingsbevoegdheid meer heeft inzake het al dan niet ontslaan maar deze beslissing enkel ondertekent; en dit, zowel in het geval dat de ambtenaar géén beroep instelt als in het geval dat na het advies van de raad van beroep, de tweede maal "onvoldoende" bevestigd wordt door de bevoegde instantie per beleidsdomein, raad of instelling (indien geen eenparig gunstig advies).

    § 2 geeft uitvoering aan het Europees Sociaal Handvest van Turijn wat het geval betreft waarin het ontslag van de ambtenaar plaats vindt wegens 2 opeenvolgende onvoldoendes.

    § 3. De ambtenaren krijgen bij twee opeenvolgende onvoldoendes recht op een opzeggingstermijn die overeenstemt met 3 maanden, per ingegane of volledige schijf van 5 jaar tewerkstelling bij de diensten van de Vlaamse overheid. Evenwel dienen dubbeltellingen inzake ontslaganciënniteit geweerd uit de berekening. De duur van de opzeggingstermijn is onafhankelijk van de hoogte van het loon van de ambtenaar.

    De prestaties die de ambtenaar eventueel vroeger heeft verricht als contractueel personeelslid bij de diensten van de Vlaamse overheid worden bij de vaststelling van de opzeggingstermijn van de ambtenaar niet meegerekend. Het arbeidsrecht houdt immers bij beëindiging van een contractuele arbeidsrelatie ook alleen rekening met de prestaties die op basis van een arbeidsovereenkomst werden geleverd. Indien analoog wordt geredeneerd, moet bij opzegging van een statutaire tewerkstelling ook alleen de anciënniteit verworven binnen het statutair dienstverband in aanmerking worden genomen.

    De anciënniteit verworven binnen de diensten van de Vlaamse overheid betekent niet alleen de anciënniteit verworven bij de rechtsvoorgangers (VOI, MVG, WI) die nu de "diensten" vormen, maar ook de anciënniteit opgebouwd bij de federale overheid van de ambtenaren die ingevolge de staatshervorming (wetten 80-89, Lambertmont enz.) overgeheveld werden naar de Vlaamse Gemeenschap. Ook de dienstanciënniteit verworven vóór een overplaatsing van de federale overheid naar Gemeenschappen en Gewesten wordt meegeteld (cfr. KB van 18 april 1969 tot vaststelling van sommige regelen inzake de overplaatsing van de rijksambtenaren).
    Het is bij uitbreiding dus niet de bedoeling om voor ontslaganciënniteit prestaties bij andere overheden (bv. Europa, gemeenten, …) mee te nemen.

    De opzeggingstermijn gaat in op de eerste dag van de maand volgend op de betekening van het ontslag. De betekening gebeurt via beveiligde zending (aangetekende brief of afgifte tegen ontvangstbewijs).[34] Naar analogie met de regeling voor de bedienden in de private sector heeft[34] de betekening via aangetekend schrijven [34] uitwerking de derde dag na de verzending. Een afgifte tegen ontvangstbewijs heeft eveneens uitwerking de derde werkdag na ontvangst.[34]

    In afwijking van de vastgestelde opzeggingstermijn kan in onderling akkoord tussen de ambtenaar en de benoemende overheid de opzeggingstermijn ingekort worden of kan een langere opzeggingstermijn worden overeengekomen. Deze langere opzeggingstermijn kan rekening houden met andere elementen zoals bijvoorbeeld deze opgenomen in de formule Claeys (leeftijd, anciënniteit, loonbedrag), die in de privé-sector meermaals wordt gehanteerd voor de berekening van de opzeggingstermijn van bedienden.

    § 4. De opzeggingstermijn kan ook vervangen worden door de uitbetaling van een verbrekingsvergoeding, indien de benoemende overheid beslist dat het ontslag onmiddellijk ingaat. In dit geval stemt de verbrekingsvergoeding overeen met het loon van de opzeggingstermijn zoals bepaald in § 3. Met deze opzeggingstermijn wordt bedoeld : een termijn die minimaal overeenstemt met 3 maand, per ingegane of volledige schijf van 5 jaar tewerkstelling bij de diensten van de Vlaamse overheid.

    § 5. Op het loon verdiend tijdens de opzeggingstermijn of op de verbrekingsvergoeding worden de werknemersbijdragen ingehouden nodig voor de onderbrenging van de ambtenaar in het stelsel van de werkloosheid, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) en de moederschapsverzekering en samen met de werkgeversbijdragen gestort. Indien deze bijdragebetaling niet volstaat, moet de werkgever in uitvoering van de wet van 20 juli 1991, de nodige aanvulling op zich nemen. De duur van de periode gedekt door de inhouding of betaling van werkgevers- en werknemersbijdragen mag de duur evenwel niet overschrijden van de duur van de statutaire tewerkstelling van de ontslagen ambtenaar, eventueel vermeerderd met de duur gedekt door de verbrekingsvergoeding.

    Toelichting bij Art. XI 9

    Zie ook commentaar bij art. XI 8 § 1.

    Toelichting bij Art. XI 10

    In het statuut wordt rechtstreeks bepaald onder welke voorwaarden (ten minste 20 jaar dienstanciënniteit tellen, geen onvoldoende gekregen hebben in het laatste jaar voor opruststelling[9] en geen tuchtstraf opgelopen hebben die nog niet doorgehaald is) de ambtenaar gemachtigd wordt om de eretitel van zijn ambt te dragen. Er dient dus niemand expliciet toestemming te geven [indien aan de voorwaarden is voldaan].

    naar boven

    (1) Dit is niet zo bij overlevingspensioen, gelet op de specifieke berekeningswijze voorzien in de wetgeving.

    (2) Arrest van de raad van State, nr. 11.786 van 28 april 1966, Friedberg / Belg. Staat