chat-altchatcrossloginquestion-circlesearchsmileystarthumbup-downwarning
Vlaanderen
Contacteer ons
    Terug naar overzicht Stuur een e-mail

    Stuur een e-mail naar 1700, de informatiedienst voor al uw vragen aan de overheid.
    U ontvangt een kopie van uw bericht.

    Terug naar overzicht Chat met ons
    Uw chatgesprek wordt automatisch gestart zodra er een medewerker beschikbaar is.
    Even geduld, uw positie in de wachtrij wordt bepaald.

    BVR 15 december 2017_2

    Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, wat betreft de rationalisering van de verlofregeling                                                     

    DE VLAAMSE REGERING,

    Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 87, §1, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, en §3, eerste lid, vervangen bij de wet van 8 augustus 1988 en gewijzigd bij de bijzondere wet van 6 januari 2014;

    Gelet op het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het Gemeenschapsonderwijs, artikel 67, §2;

    Gelet op het kaderdecreet bestuurlijk beleid van 18 juli 2003, artikel 5;

    Gelet op het decreet van 18 juli 2003 tot regeling van strategische adviesraden, artikel 12, derde lid;

    Gelet op het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006;

    Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 18 april 2017;

    Gelet op protocol nr. 364.1176 van het Sectorcomité XVIII Vlaamse Gemeenschap - Vlaams Gewest van 20 oktober 2017;

    Gelet op advies 62.365/3 van de Raad van State, gegeven op 4 december 2017, met toepassing van artikel 84, §1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

    Op voorstel van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding;

    Na beraadslaging,   

    BESLUIT:

    Artikel 1. Aan artikel I 5, § 8, van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, toegevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 maart 2014, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:

    “Onverminderd de toepassing van het eerste lid kan een ambtenaar met zijn akkoord en dat van de beide lijnmanagers na afloop van het ambtshalve onbetaald verlof vermeld in artikel X 63, §1, worden overgeplaatst naar de entiteit, raad of instelling waar hij een arbeidsovereenkomst, mandaat of tijdelijke aanstelling uitoefent op voorwaarde dat:

    1° volgend op het ambtshalve onbetaald verlof vermeld in artikel X 63 geen gestandaardiseerd gunstverlof vermeld in artikel X 81bis wordt toegekend ofwel een einde is gekomen aan het toegekende gestandaardiseerde gunstverlof;

    2° de arbeidsovereenkomst die aan de basis van het ambtshalve onbetaald verlof lag het gevolg was van de toepassing van een objectief wervingssysteem met algemene bekendmaking zoals vermeld in deel III, hoofdstuk 2 of;

    3° het mandaat of de tijdelijke aanstelling die aan de basis van het ambtshalve onbetaald verlof lag het gevolg was van de toepassing van een procedure vermeld in deel VI."

    Art. 2. In artikel I 9, §2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 6 juli 2007 en 30 augustus 2016, wordt het vijfde streepje opgeheven.

    Art. 3. Aan artikel I 16 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluiten van de Vlaamse Regering van 4 december 2009 en 21 februari 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

    1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:

    “Een ambtenaar die ten gevolge van de opname van een verlof voltijds afwezig is heeft een terugkeerrecht naar de entiteit, raad of instelling van herkomst.”;

    2° aan het tweede lid wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt:

    “4° de ambtenaren die minder dan zeven maanden voltijds afwezig zijn of die afwezig zijn als gevolg van een verlof vermeld in deel X, titel 2, 3, 4, 6 of 6bis.”.

    Art. 4. In artikel VI 106, 2°, van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 augustus 2016, wordt punt d) opgeheven.

    Art. 5. Aan artikel VII 2, §2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

    1° in het eerste lid wordt de tweede zin opgeheven;

    2° er wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:

             “In geval van een vermindering van de arbeidsduur vermeld in de arbeidsovereenkomst door de opname van een verlof komt het niet gepresteerde gedeelte in aanmerking voor de berekening van de geldelijke anciënniteit.”.

    Art. 6. Aan artikel VII 6, van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 2017, worden volgende wijzigingen aangebracht:
    1° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:

    “§2. Het personeelslid dat afwezig is als  gevolg van verlof voor deeltijdse prestaties ontvangt een salarisbonus berekend overeenkomstig paragraaf 2bis als aan één van de volgende voorwaarden voldaan is:
    1° het personeelslid heeft de leeftijd van 60 jaar bereikt;
    2° het personeelslid heeft een kind ten laste dat recht geeft op bijkomende kinderbijslag wegens zijn aandoening of handicap;
    3° het personeelslid heeft als éénouder gezin ten minste één kind jonger dan vijftien jaar ten laste;
    4° het personeelslid verstrekt mantelzorg aan een inwonend gezins- of familielid in de eerste of tweede graad.

    In de gevallen vermeld onder punt 2°, 3° en 4° wordt de salarisbonus gedurende een periode van maximaal 5 jaar toegekend.”.

    2° er wordt een paragraaf 2bis ingevoegd, die luidt als volgt:

    “§2bis. Als het salaris van het in de paragraaf 2 vermelde personeelslid minder dan 35.000 euro (à 100%) bedraagt, ontvangt hij het salaris dat verschuldigd is voor het verlof voor deeltijdse prestaties zoals bepaald in paragraaf 1, vermenigvuldigd met het quotiënt van de volgende deling:

    de deeltijdse prestaties in % + 20% van het deeltijds niet-gepresteerde deel in %

                           de deeltijdse prestaties in %.

    Als het salaris van het in de paragraaf 2 vermelde personeelslid minder dan 37.000 euro (à 100%), maar meer dan 35.000 euro (à 100%) bedraagt, bedraagt het in het eerste lid vermelde percentage van het deeltijds niet-gepresteerde deel 15%.

    Het quotiënt wordt berekend tot op vier decimalen.

    Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt onder salaris verstaan, het jaarsalaris vermeerderd met de maandelijkse betaalde toelagen, met uitzondering van de toelage voor prestaties buiten de normale arbeidstijdregeling, de gevarentoelage, de permanentietoelage en de toelage voor ploegenarbeid.”.

    3° er wordt een paragraaf 2ter ingevoegd, die luidt als volgt:

    Ҥ2ter. Voor de ambtenaar die erkend is als een persoon met een chronische ziekte of handicap, en door de arbeidsgeneesheer werd toegelaten tot de deeltijdse prestaties wegens handicap of chronische ziekte vermeld in artikel X 27bis, bedraagt het in paragraaf 2bis, eerste lid, vermelde percentage van het deeltijds niet-gepresteerde deel 30%.

    Het salarisplafond vermeld in paragraaf 2bis, eerste en tweede lid is niet van toepassing.”.

    Art. 7. In artikel VII 20, §5, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, worden de woorden ‘of vaderschapsverlof” vervangen door de zinsnede “, vaderschaps- of geboorteverlof”.

    Art. 8. Aan deel VII, titel 4, hoofdstuk 10, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

     het opschrift van hoofdstuk 10 wordt vervangen door wat volgt:

    “Hoofdstuk 10. Aanvulling uitkering voor een contractueel personeelslid bij de geboorte van een kind”;

    2° aan artikel VII 108 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:

    “De regeling vermeld in het eerste en tweede lid is overeenkomstig van toepassing in geval de moederschapsrust naar aanleiding van het overlijden of de hospitalisatie van de moeder van het kind wordt omgezet naar vaderschaps- of meemoederschapsverlof.”.

    3° er wordt een artikel VII 108bis ingevoegd, dat luidt als volgt:

    “Art. VII 108bis. Als de totaliteit van de netto-uitkeringen, uitbetaald tijdens de zeven resterende dagen van het geboorteverlof, minder bedraagt dan het nettosalaris dat overeenstemt met dezelfde periode, ontvangt het contractuele personeelslid een aanvulling die gelijk is aan het verschil.”.

    Art. 9. Aan deel VII, titel 5, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2017, wordt een artikel VII 198 toegevoegd, dat luidt als volgt:

    Art. VII 198. De ambtenaar van wie het verlof voor deeltijdse prestaties vóór 1 januari 2018 effectief is aangevat, behoudt het recht op de salarisbonus waarop hij recht had bij de ingangsdatum van dat verlof en dit uiterlijk tot 31 december 2019.

    De regeling vermeld in het eerste lid is overeenkomstig van toepassing op de ambtenaren die vanaf 1 januari 2018 in het kader van de afslanking van de provincies worden overgeheveld en aan de volgende voorwaarden voldoen:

    1. de ambtenaar genoot op het moment van de overheveling van een halftijdse vervroegde uitreding of vrijwillige vierdagenweek;
    2. op de dag van de overheveling stapt de ambtenaar bij de diensten van de Vlaamse overheid onmiddellijk in het verlof voor deeltijdse prestaties in;
    3. op grond van de regeling die gold voor 1 januari 2018 zou de overgehevelde ambtenaar recht hebben gehad op een salarisbonus.”.

    Art. 10. In artikel X 6 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering 27 januari 2017 wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt:

    Ҥ2. Het arbeidsreglement stelt met betrekking tot de verloven de volgende zaken vast:

    1° de aanvraagtermijnen;

    2° de opzegtermijnen en de mogelijkheid tot opzegging van het verlof;

    3° het kader waaraan de beslissing tot toekenning van een verlof wordt getoetst.”.

    Art. 11. Aan artikel X 9, §1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

    1° het vierde lid wordt vervangen door wat volgt:

    Het personeelslid kan jaarlijks maximaal elf werkdagen opsparen. Het opgespaard verlof kan nooit meer dan 150 werkdagen bedragen. Het opgespaard verlof wordt aangewend in de volgende kalenderjaren en uiterlijk voor de pensionering.”;

    2° tussen het vierde en vijfde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:

    “In afwijking van het vierde lid kan het personeelslid dat het onbetaald verlof vermeld in artikel X 62, §1, 1°, opneemt in het jaar waarin het dit onbetaald verlof heeft opgenomen maximaal vijf werkdagen naar het volgende jaar overdragen.”.        

    Art. 12. Aan artikel X 10 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluiten van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, 23 mei 2008 en 29 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

    1° in het vierde lid wordt het woord “vaderschapsverlof” vervangen door de woorden “vader- of meemoederschapsverlof” en wordt een punt 5° en punt 6° toegevoegd, die luiden, als volgt:

    “5° geboorteverlof;
     6° pleegzorgverlof.”;

    2° er wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:

             “ In afwijking van het derde lid, ondergaat het jaarlijks vakantieverlof van de ambtenaar geen evenredige vermindering in geval van pleegzorgverlof.”.

    Art. 13. In deel X, titel 3, van het hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

    1°  het opschrift van titel 3 wordt vervangen door wat volgt:

    “Titel 3. Moederschapsrust, opvangverlof en pleegzorgverlof”;

    2° er wordt een hoofdstuk 1bis vader- of meemoederschapsverlof, ingevoegd, dat bestaat uit het bestaande artikel X 15;

    3° in artikel X 15 worden paragraaf 4 en paragraaf 5 vervangen door wat volgt:

    “§4. Aan het contractueel personeelslid wordt het vader- of meemoederschapsverlof toegekend op grond van de arbeidswetgeving. Het verlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit. Tijdens het verlof heeft het contractueel personeelslid onverminderd artikel VII 108, geen recht op salaris.”;

    4° er wordt hoofdstuk 3 toegevoegd, dat luidt als volgt:

    “ Hoofdstuk 3. Pleegzorgverlof

    Art. X 16bis. Een personeelslid heeft per kalenderjaar recht op zes dagen pleegzorgverlof. Het pleegzorgverlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit.

    Het pleegzorgverlof wordt aan het contractueel personeelslid toegekend op grond van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en de uitvoeringsbesluiten.

    Het pleegzorgverlof wordt aan de ambtenaar op overeenkomstige wijze als aan het contractueel personeelslid toegekend met dit verschil dat een contractueel personeelslid tijdens het pleegzorgverlof geen salaris ontvangt en een ambtenaar recht heeft op 82% van het brutoloon.”. 

    Art. 14. Artikel X 25 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, wordt vervangen door wat volgt:

    “Art. X 25. §1. Een ambtenaar heeft tijdens zijn loopbaan recht op zestig maanden verlof voor deeltijdse prestaties. Na uitputting van dit recht kan een ambtenaar verlof voor deeltijdse prestaties krijgen als een gunst.

    Het verlof voor deeltijdse prestaties wordt met minimaal drie maanden en maximaal twaalf maanden aangevraagd, waarbij iedere aanvraag bestaat uit volledige kalendermaanden. Het verlof voor deeltijdse prestaties start op de eerste dag van de maand.

    In afwijking van de tweede zin van het tweede lid kan het verlof voor deeltijdse prestaties starten op een andere dag, dan de eerste dag van de maand als het aaneensluitend volgt op moederschapsrust, vaderschaps- of meemoederschapsverlof, ziekteverlof, ouderschapsverlof, medisch bijstandsverlof, palliatief verlof of geboorteverlof."

    §2. De volgende modaliteiten zijn van toepassing op het verlof voor deeltijdse prestaties vermeld in paragraaf 1:

    1° het verlof voor deeltijdse prestaties wordt opgenomen met een vermindering van de arbeidsprestaties tot 90%, 80%, 70%, 60% of 50% van een voltijdse betrekking;

    2° het werkrooster en de nadere regelen voor de opname van het verlof voor deeltijdse prestaties worden vastgesteld in overleg met de lijnmanager;

    3° het gekozen arbeidsregime, het vastgestelde werkrooster en opnamemodaliteiten kunnen gedurende drie maanden niet worden gewijzigd.

    §3. De lijnmanager kan indien de goede werking van de dienst dit vereist de opname van het door de ambtenaar aangevraagde verlof voor deeltijdse prestaties met maximaal drie maanden uitstellen.

    §4. De functioneel bevoegde Vlaamse minister kan voor bepaalde functies in zijn beleidsdomein, strategische adviesraad of Gemeenschapsonderwijs binnen de prestatieregimes die zijn vastgesteld in paragraaf 2, 1° een vast prestatieregime opleggen.

    §5. Voor de personeelsleden die binnen het top- en middenkader zijn aangewezen in een mandaat gelden de bepalingen van deel V.

    §6. Het contractueel personeelslid heeft op overeenkomstige wijze als de ambtenaar recht op een verdeeltijdsing van de arbeidsovereenkomst.

    Na uitputting van het recht kan het contractueel personeelslid een verdeeltijdsing van de arbeidsovereenkomst krijgen als een gunst.

    In afwijking van het eerste lid is de verdeeltijdsing van de arbeidsovereenkomst een gunst voor het contractueel personeelslid tewerkgesteld met een vervangingsovereenkomst of een overeenkomst voor bepaalde duur voor zover het nog geen twee jaar ononderbroken in dienst is bij de diensten van de Vlaamse overheid.”.

    Art. 15. In deel X, titel 5, het laatste gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, wordt een artikel X 25bis ingevoegd, dat luidt als volgt:

    “Art. X 25bis. §1. Onverminderd artikel X 25 heeft een ambtenaar vanaf de leeftijd van 55 jaar recht op verlof voor deeltijdse prestaties.

    Het contractueel personeelslid heeft op overeenkomstige wijze als de ambtenaar vanaf de leeftijd van 55 jaar recht op een verdeeltijdsing van de arbeidsovereenkomst

    In afwijking van het tweede lid is de verdeeltijdsing van de arbeidsovereenkomst vanaf de leeftijd van 55 jaar een gunst voor het contractueel personeelslid tewerkgesteld met een vervangingsovereenkomst of overeenkomst voor bepaalde duur voor zover het nog geen twee jaar ononderbroken in dienst is bij de diensten van de Vlaamse overheid.

    §2. De modaliteiten vermeld in artikel X 25, §1, tweede en derde lid, en §2, 3, 4 en 5 zijn overeenkomstig van toepassing op het verlof voor deeltijdse prestaties vermeld in paragraaf 1.”.

    Art. 16. In artikel X 26, §3, 1°, van hetzelfde besluit, wordt de woorden  “en het voorbereiden van zijn kandidatuur voor de wetgevende, provinciale, Europese en gemeentelijke verkiezingen” opgeheven en wordt tussen de zinsnede “pleegvoogdij,” en het woord “ouderschap” het woord “en” ingevoegd.

    Art. 17. Artikel X 27 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:

    “Art. X 27. Het verlof voor deeltijdse prestaties wordt met dienstactiviteit gelijkgesteld. Onverminderd de toepassing van artikel VII 6 heeft het personeelslid tijdens het verlof voor deeltijdse prestaties geen recht op een salaris.”.

    Art. 18. In deel X van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 augustus 2016, wordt een titel 5bis, dat bestaat uit artikel X 27bis, ingevoegd, dat luidt als volgt:

    “Titel 5bis. Verlof voor deeltijdse prestaties wegens chronische ziekte of handicap

    Art. X 27bis. §1. De ambtenaar die beschikt over een externe erkenning als persoon met een chronische ziekte of handicap in de zin van artikel 2, §1, 4°, a) tot en met f), van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 december 2004 houdende maatregelen ter bevordering en ondersteuning van het gelijkekansen- en diversiteitsbeleid in de Vlaamse administratie, heeft recht op verlof voor deeltijdse prestaties wegens handicap of chronische ziekte op voorwaarde dat de arbeidsgeneesheer van oordeel is dat het deeltijds werken bijdraagt tot of noodzakelijk is voor het aanvatten, hervatten of het behoud van de tewerkstelling van de ambtenaar. De arbeidsgeneesheer pleegt overleg met de behandelend geneesheer, de lijnmanager en desgevallend met het geneeskundig controleorgaan.

    §2. Het verlof voor deeltijdse prestaties wegens chronische ziekte of handicap wordt toegekend a rato van 50%, 60%, 70% of 80% van een voltijdse betrekking.

    Het integratieprotocol bepaalt minstens:

    1. de modaliteiten van het verlof;
    2. de looptijd van het verlof. Dit kan van onbepaalde duur zijn;
    3. het tijdstip waarop het verlof en de modaliteiten worden geëvalueerd.

    Zowel de ambtenaar als de arbeidsgeneesheer, in het raam van een gezondheids- of re-integratiebeoordeling zoals voorzien in Boek I, titel 4 van de Codex over het welzijn op het werk, kunnen op ieder moment vragen om het verlof en de modaliteiten te herzien.

    §3. Het verlof voor deeltijdse prestaties wegens handicap of chronische ziekte wordt met dienstactiviteit gelijkgesteld. Onverminderd de toepassing van artikel VII 6 heeft een ambtenaar tijdens een verlof voor deeltijdse prestaties wegens handicap of chronische ziekte geen recht op salaris.

    Artikel X 26 is overeenkomstig van toepassing.

    Een ambtenaar die verlof voor deeltijdse prestaties wegens een chronische ziekte of handicap opneemt, kan dit verlof tezelfdertijd niet combineren met een verlof voor deeltijdse prestaties, een vermindering van de arbeidsprestaties in het kader van zorgkrediet of met een deeltijdse loopbaanonderbreking in het kader van een federaal zorgverlof.

    Het verlof voor deeltijdse prestaties wegens een chronische ziekte of handicap wordt opgeschort bij opname van een voltijds zorgkrediet of voltijds federaal zorgverlof.”.

    Art. 19. Aan artikel X 28, §2, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 augustus 2016, wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:

    “In afwijking van het eerste lid neemt het personeelslid zorgkrediet op met niet - gehele maanden in één van de volgende gevallen:

    1° de periode waarvoor het zorgkrediet wordt aangevraagd, eindigt de dag voordat het kind voor wie zorgkrediet wordt opgenomen, de leeftijd van dertien jaar bereikt;

    2° het zorgkrediet wordt opgenomen om een opleiding te volgen.”.

    Art. 20. Aan artikel X 32, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juli 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

    1° de woorden “en/of halftijdse” worden vervangen door de zinsnede “, halftijds of 1/5”;

    2° de woorden “en halftijdse” worden vervangen door de zinsnede “, halftijdse of 1/5”

    3° het woord “eenmaal” wordt vervangen door het woord “tweemaal”.

    Art. 21. Aan artikel X 34 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juli 2007 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 en het besluit van de Vlaamse Regering van 30 augustus 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

    1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden “en/of halftijdse” vervangen door de worden”, halftijdse of 1/5” en worden tussen de woorden “de halftijdse” en het woord “loopbaanonderbreking” de woorden “of 1/5” ingevoegd;

    2° in paragraaf 1, tweede lid, wordt tussen de woorden “de halftijdse” en het woord “loopbaanonderbreking” de woorden “of 1/5” ingevoegd;

    3° in paragraaf 2, eerste lid worden de woorden “en halftijdse loopbaanonderbreking” vervangen door de zinsneden “,halftijdse en 1/5 loopbaanonderbreking” en worden aan de tweede zin de woorden “en vijf maanden 1/5 loopbaanonderbreking” toegevoegd;

    4° in paragraaf 3 worden de woorden “en halftijdse loopbaanonderbrekingen” vervangen door de zinsneden “,halftijdse en 1/5 loopbaanonderbrekingen”;

    5° aan paragraaf 4 wordt een zin toegevoegd die luidt als volgt:

    “Om dit recht met 1/5 loopbaanonderbreking te kunnen uitoefenen, moet het contractueel personeelslid met een voltijdse arbeidsovereenkomst tewerkgesteld zijn.”.

    Art. 22. Aan artikel X 49, §2, van hetzelfde besluit wordt een derde streepje toegevoegd, dat luidt als volgt:

    "- de uitoefening van een opdracht binnen of buiten de diensten van de Vlaamse overheid op grond van een beslissing van de Vlaamse Regering.”.

    Art. 23. Aan artikel X 61 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht

    1° punt 2° en lid 3 en lid 4 worden opgeheven;

    2° in punt 4° en punt 7° wordt tussen het woord “huwelijk” en het woord “van” de woorden “of wettelijke samenwoning” ingevoegd;

    3° de woorden “ de dag van het huwelijk” worden vervangen door de woorden “de dag van de plechtigheid”.

    Art. 24. In deel X van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 augustus 2016, wordt een titel 9bis, dat bestaat uit artikel X 61bis, ingevoegd, dat luidt als volgt:

    “Titel 9bis. Geboorteverlof

    Art. X 61bis. §1. Een ambtenaar heeft recht op geboorteverlof naar aanleiding van de geboorte van een kind waarvan de afstamming langs de zijde van de ambtenaar vaststaat.

    Bij ontstentenis van een persoon die geboorteverlof opneemt op grond van de afstamming met het kind, heeft de ambtenaar die gehuwd is of samenwoont met de moeder van het kind recht op het geboorteverlof.

    Het recht op moederschapsverlof, vermeld in artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971, sluit voor een zelfde ouder het recht op geboorteverlof uit.

    Het geboorteverlof bedraagt tien werkdagen. Het wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit. Het geboorteverlof moet binnen een termijn van vier maanden die start op de dag waarop het kind geboren wordt, worden opgenomen.

    Het geboorteverlof wordt in mindering gebracht van het recht op opvangverlof vermeld in artikel X 16.

    §2. Het contractueel personeelslid heeft recht op geboorteverlof op grond van de arbeidsovereenkomstenwet en de uitvoeringsbesluiten.

    Het geboorteverlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit. Gedurende de eerste drie werkdagen heeft het contractueel personeelslid recht op salaris. Gedurende de zeven resterende werkdagen heeft het contractueel personeelslid onverminderd de toepassing van artikel VII 108bis geen recht op salaris.”.

    Art. 25. Artikel X 62 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, wordt vervangen door wat volgt:

    “Art. X 62. §1. Een personeelslid heeft recht op de volgende onbetaalde verloven:

    1° twintig werkdagen per jaar, op te nemen met volle of halve dagen, en in al dan niet aaneengesloten periodes;

    2° één jaar op te nemen gedurende de volledige loopbaan met volledige, al dan niet aaneengesloten maanden

    3° één jaar op te nemen vanaf de leeftijd van vijfenvijftig jaar met volledige, al dan niet aaneengesloten maanden.

    De twintig werkdagen onbetaald verlof worden pro rata verminderd in geval het personeelslid tijdens het jaar in dienst treedt, deeltijds werkt, in dienst werd genomen met een deeltijdse arbeidsovereenkomst, of een onbetaald verlof opneemt.

    De nadere regelen voor de opname van het onbetaald verlof worden bepaald in overleg tussen de lijnmanager en het personeelslid.

    §2. Het personeelslid op proef is uitgesloten van het onbetaald verlof vermeld in paragraaf 1, 2° en 3°.

    Het onbetaald verlof vermeld in paragraaf 1, 2° en 3° is een gunst voor het contractueel personeelslid tewerkgesteld met een vervangingsovereenkomst of overeenkomst voor bepaalde duur voor zover het nog geen twee jaar ononderbroken in dienst is bij de diensten van de Vlaamse overheid.

    §3. Het onbetaald verlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit. Tijdens het onbetaald verlof heeft het personeelslid geen recht op salaris.”.

    Art. 26. Artikel X 63 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, wordt vervangen door wat volgt:

    “Art. X 63. §1. Als een ambtenaar binnen de diensten van de Vlaamse overheid of bij een administratief rechtscollege van de Vlaamse overheid een arbeidsovereenkomst, een mandaat, een tijdelijke aanstelling of een andere statutaire functie opneemt waaraan een proeftijd is verbonden, staat de lijnmanager ambtshalve onbetaald verlof toe.

    Het onbetaald verlof wordt voor de eerste mandaatperiode toegekend. In geval van een tijdelijke aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt het onbetaald verlof voor een periode van twee jaar toegekend en in geval van een statutaire proeftijd voor de duur van de proeftijd.

    De ambtenaar op proef is van dit onbetaald verlof uitgesloten.

    De in het tweede lid vermelde beperking in de tijd is niet van toepassing als een ambtenaar binnen zijn entiteit, raad of instelling een mandaat, tijdelijke aanstelling, contract of statutaire proeftijd opneemt.

    §2. Als een contractueel personeelslid binnen de diensten van de Vlaamse overheid een statutaire proeftijd opneemt, dan heeft het voor de duur van de proeftijd recht op onbetaald verlof.

    §3. Het onbetaald verlof vermeld in paragraaf 1 en 2 wordt met dienstactiviteit gelijkgesteld. Tijdens het onbetaald verlof heeft het personeelslid geen recht op salaris.”.

    Art. 27. In artikel X 75 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, wordt het tweede streepje vervangen door wat volgt:

    “- de eerstvolgende werkdag na de verkiezingen op voorwaarde dat het personeelslid afziet van het presentiegeld en de werkzaamheden in het stembureau of stemopnemingsbureau tot na middernacht hebben voortgeduurd.”.

    Art. 28. In artikel X 78 van hetzelfde besluit worden het woord “gehandicapten” vervangen door de woorden “personen met een handicap”.

    Art. 29. Aan artikel X 81 van hetzelfde besluit wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt:

    “§3. De dienstvrijstellingen worden met dienstactiviteit gelijkgesteld.”.

    Art. 30. In deel X van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 augustus 2016, wordt een titel 13bis, dat bestaat uit artikel X 81bis, ingevoegd, dat luidt als volgt:

    “Titel 13bis. Gestandaardiseerd gunstverlof

    Art. X81bis. De lijnmanager kan op vraag van het personeelslid een gestandaardiseerd gunstverlof toekennen. Bij de toekenning van het verlof maakt de lijnmanager een afweging tussen de belangen van de organisatie en de belangen van het personeelslid.

    Het gestandaardiseerd gunstverlof kan zowel met losse dagen, als voor een langere al dan niet aaneengesloten periode worden toegekend.

    De lijnmanager kan beslissen dat de opname van het verlof met maximaal drie maanden wordt uitgesteld. Als het personeelslid hiermee niet akkoord gaat, dan wordt het verlof defacto geweigerd, tenzij personeelslid en lijnmanager tot een overeenkomst komen.

    Het gestandaardiseerd gunstverlof wordt met dienstactiviteit gelijkgesteld. Tijdens het gestandaardiseerd gunstverlof heeft het personeelslid geen recht op salaris.”.

    Art. 31. Aan artikel X 89 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2017, wordt een paragraaf zes toegevoegd, die luidt als volgt:

    “§6. Voor de personeelsleden die vanaf 1 januari 2018 in het kader van de afslanking van de provincies  worden overgeheveld met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur of met een vervangingsovereenkomst telt voor de berekening van de twee jaar vermeld in de artikelen X 25, X 25bis en X 62 de tewerkstelling bij de provincie mee.”

    Art. 32. Aan artikel X 92 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse regering van 30 augustus 2016, wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt:

    “§3. Het personeelslid dat op 1 januari 2017 in het kader van de zesde staatshervorming van de RVA naar de VDAB werd overgeheveld, kan de loopbaanonderbreking algemeen stelsel en de deeltijdse loopbaanonderbreking tot aan het pensioen die op 31 december 2016 effectief liepen, na overdracht verderzetten tot en met de voorziene einddatum en dit overeenkomstig de bepalingen die golden op het moment van de toekenning van de loopbaanonderbreking.”.

    Art. 33. Aan deel X, titel 14, van hetzelfde besluit, het laatste gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 augustus 2016, worden een artikel X 93, X 94 en X 95 toegevoegd, die luiden als volgt:

    “Art. X 93. De verloven die voor 1 januari 2018 effectief aanvingen, blijven overeenkomstig de regeling, opgenomen in deel X, die gold bij toekenning van het verlof doorlopen tot en met de toegestane einddatum.

    Op de verdeeltijdste arbeidsovereenkomst die voor 1 januari 2018 aanvingen, blijft de regeling die gold op het moment van de verdeeltijdsing van kracht."

    Art. X 94. §1. Het verlof voor deeltijdse prestaties dat voor 1 januari 2018 werd opgenomen of aanvatte, wordt niet aangerekend op de zestig maanden vermeld in artikel X 25,§1.

    §2. Het met volledige maanden opgenomen onbetaald verlof dat voor 1 januari 2018 werd opgenomen of aanvatte, wordt aangerekend op de twaalf maanden vermeld in artikel X 62, §1, 2°. Het wordt niet aangerekend op de twaalf maanden vermeld in artikel X 62, §1, 3°.

    Art. X 95. Een beroep tegen de weigering van een met een gunst gelijkgesteld verlof voor deeltijdse prestaties of een met een gunst gelijkgesteld onbetaald verlof dat voor 31 december 2017  bij de raad van beroep werd ingediend, maar dat op 31 december 2017 nog niet werd behandeld, wordt na deze datum verdergezet.“.

    Art. 34. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2018, met uitzondering van

    1° artikel 20, 1° en 21 die in werking treden op de eerste dag van de maand volgend op het akkoord van de federale ministerraad;

    2° artikel 32 dat uitwerking heeft op 1 januari 2017.

    Art. 35. De Vlaamse minister, bevoegd voor het algemeen beleid inzake personeel en organisatieontwikkeling in de Vlaamse administratie, is belast met de uitvoering van dit besluit.

    Brussel, 15 december 2017.

    De minister-president van de Vlaamse Regering,

    Geert BOURGEOIS

    De Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding,

    Liesbeth HOMANS