chat-altchatcrossloginquestion-circlesearchsmileystarthumbup-downwarning
Vlaanderen
Contacteer ons
    Terug naar overzicht Stuur een e-mail

    Stuur een e-mail naar 1700, de informatiedienst voor al uw vragen aan de overheid.
    U ontvangt een kopie van uw bericht.

    Terug naar overzicht Chat met ons
    Uw chatgesprek wordt automatisch gestart zodra er een medewerker beschikbaar is.
    Even geduld, uw positie in de wachtrij wordt bepaald.

    BVR 21 februari 2014

    Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, wat betreft het modern hr-beleid op korte termijn en andere bepalingen

    DE VLAAMSE REGERING,

    Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 87, §1, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, en §3, vervangen bij de wet van 8 augustus 1988;

    Gelet op het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs, artikel 67, §2;

    Gelet op het kaderdecreet bestuurlijk beleid van 18 juli 2003, artikel 5;

    Gelet op het decreet van 18 juli 2003 tot regeling van strategische adviesraden, artikel 12, derde lid;

    Gelet op het decreet van 28 november 2008 tot regeling van de overdracht van personeelsleden binnen de diensten van de Vlaamse overheid in geval van verschuiving van taken en bevoegdheden, artikel 3;

    Gelet op het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006;

    Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 12 juli 2013;

    Gelet op het akkoord van de federale minister, bevoegd voor de pensioenen, gegeven op 2 december 2013;

    Gelet op het akkoord van de federale ministerraad, gegeven op 31 januari 2014;

    Gelet op protocol nr. 329.1056 van 13 december 2013 van het Sectorcomité XVIII Vlaamse Gemeenschap - Vlaams Gewest;

    Gelet op advies nummer 54.934/3 van de Raad van State, gegeven op 10 februari 2014 met toepassing van artikel 84, §1, eerste lid, 1°,
    van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

    Op voorstel van de Vlaamse minister van Bestuurszaken, Binnenlands Bestuur, Inburgering, Toerisme en Vlaamse Rand;

    Na beraadslaging,

    BESLUIT:

    Artikel 1. In artikel I 5 van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, 19 juli 2007, 23 mei 2008, 29 mei 2009, 4 december 2009, 29 april 2011 en 1 juli 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

    1° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de zinsnede “rang A2E of lager” vervangen door de zinsnede “rang A2E en rang A2 of lager”;

    2° aan paragraaf 4, zesde lid, worden de woorden “of zonder een beslissing over niet hertesten voor het generieke gedeelte voor een functie in die graad” toegevoegd;

    3° er wordt een paragraaf 8 toegevoegd, die luidt als volgt:

    Ҥ8. In afwijking van paragraaf 1 en 2 en van de herplaatsingsregeling, vermeld in deel VI, titel 4, hoofdstuk 1 van dit besluit, kan een personeelslid overgeplaatst worden naar een andere entiteit, raad of instelling, door een wijziging van dienstaanwijzing, los van de procedure van de vacantverklaring, na het akkoord van het personeelslid en
    de betrokken N-functies, om functionele redenen als het personeelslid niet in aanmerking komt voor de herplaatsingsprocedure."

    Art. 2. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 februari 2013,  wordt een artikel I 5ter ingevoegd, dat luidt als volgt:

    Art. I 5ter. De mandaathouders van rang A2A en de vastbenoemde ambtenaren van rang A2E en lager van een entiteit, raad of instelling, die in de volgende gevallen worden overgedragen aan een andere entiteit, raad of instelling, behouden:

    - hun hoedanigheid;
    - hun graad of een gelijkwaardige graad met overeenstemmende functionele loopbaan;
    - hun administratieve en geldelijke anciënniteit;
    - hun rechten inzake bevordering en hun aanspraken op bevordering;
    - het salaris op de datum van de overdracht en een gelijkwaardige salarisschaal;
    - de toelagen, vergoedingen en sociale voordelen waarop zij op de datum van overdracht op reglementaire basis recht hebben, voor zover de voorwaarden van toekenning blijven bestaan en voor zover aan deze voorwaarden blijft voldaan,
    ter uitvoering van het decreet van 28 november 2008 tot regeling van de overdracht van personeelsleden binnen de diensten van de Vlaamse overheid in geval van verschuiving van taken of bevoegdheden;
    door een wijziging van dienstaanwijzing, als vermeld in artikel I 5, §8;

    Aan de contractuele personeelsleden van een entiteit, raad of instelling die worden overgedragen aan een andere entiteit, raad of instelling onder de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt een arbeidsovereenkomst aangeboden op grond waarvan het behoud wordt gegarandeerd van de voor hen bij de entiteit, raad of instelling van herkomst bestaande contractuele rechten. Wat de toelagen, vergoedingen en sociale voordelen betreft, geldt dat behoud alleen voor zover de voorwaarden van toekenning blijven bestaan en voor zover aan die voorwaarden voldaan blijft.”.

    Art. 3. Artikel I 6 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, wordt opgeheven.

    Art. 4. In artikel I 16, tweede lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 december 2009, wordt punt 3° vervangen door wat volgt:

    “3° de personeelsleden die binnen de entiteit, raad of instelling tijdelijk bijkomende of zwaardere taken uitoefenen waardoor de functiezwaarte tijdelijk verhoogt.”.

    Art. 5. Artikel III 15 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:

    “Art. III 15. § 1.De lijnmanager bepaalt de duur van de proeftijd, als volgt:       
    - niveau D: 4 maanden;
    - niveau C en B: minimaal 4 en maximaal 9 maanden;
    - niveau A: minimaal 6 en maximaal 12 maanden.

    Eén maand proeftijd stemt hierbij overeen met de prestatie van eenentwintig voltijdse of deeltijdse werkdagen.

    Voor de bepaling van het aantal gepresteerde werkdagen worden eveneens meegerekend:
    - de wettelijke en decretale feestdagen, 2 en 15 november, 26 december, en de vakantiedagen tussen kerstmis en nieuwjaar vermeld in artikel X 11, §2, eerste lid van dit besluit;
    - de inhaalrust vermeld in artikel VII 28 van dit besluit;
    - de dienstvrijstellingen.

    § 2. De ambtenaar op proef behoudt de hoedanigheid van ambtenaar op proef zolang het aantal werkdagen dat overeenstemt met het aantal maanden proeftijd niet gepresteerd is.”.

    Art. 6 . In artikel IV 5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en 29 mei 2009, wordt in paragraaf 3 het woord “ondertekend” opgeheven.

    Art. 7. In artikel IV 6, tweede lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 februari 2013, wordt het woord “ondertekend”
    opgeheven. 

    Art. 8. In artikel V 9 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en 22 januari 2010, worden de volgende wijzigingen
    aangebracht:

    1° in paragraaf 1bis, eerste lid, wordt het woord “benoemd” vervangen door de woorden “vastbenoemd in de graad van directeur-generaal of in de graad van adjunct-directeur-generaal”;

    2° aan paragraaf 1bis worden een vierde tot en met een zevende lid toegevoegd, die luiden als volgt:

    “Bij een negatieve eindevaluatie van de proeftijd heeft de ambtenaar op proef het recht om te worden gehoord door de indienstnemende overheid en kan de betrokkene zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze.

    Als de ambtenaar op proef wil gebruikmaken van dat recht, vraagt hij schriftelijk om gehoord te worden binnen een termijn van vijftien kalenderdagen, vanaf de dag die volgt op de dag van ontvangst van het eindevaluatieverslag, hetzij aan de minister-president van de Vlaamse Regering, hetzij aan de voorzitter van de raad van bestuur, hetzij aan de voorzitter van de Raad voor het Gemeenschapsonderwijs.

    Als de indienstnemende overheid de negatieve eindevaluatie van de proeftijd bevestigt, wordt de titularis van de  mandaatfunctie van N-niveau of van algemeen directeur ontslagen.

    Voor het ontslag van de ambtenaar op proef is artikel III 19 van toepassing.”;

    3° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:

    Ҥ2. Als de geselecteerde kandidaat voor de mandaatfunctie van N-niveau of voor de mandaatfunctie van algemeen directeur al ambtenaar is bij de diensten van de Vlaamse overheid, laat de indienstnemende overheid hem toe ofwel tot een proeftijd in de graad van directeur-generaal en wijst ze hem aan in de mandaatfunctie van N-niveau, ofwel tot een proeftijd in de graad van adjunct-directeur-generaal en wijst ze hem aan in de mandaatfunctie van algemeen directeur.

    De opdrachtgever bepaalt de nadere regelen van de proeftijd en evalueert de proeftijd. De proeftijd bedraagt minimaal zes maanden en maximaal twaalf maanden.

    De betrokkene oefent zijn mandaat uit volgens een arbeidsregeling die is vastgesteld in overeenstemming met de opdrachtgever.

    Nadat de ambtenaar op proef met goed gevolg de proeftijd doorlopen heeft, wordt hij vastbenoemd in de graad van directeur-generaal of in de graad van adjunct-directeur-generaal bij de diensten van de Vlaamse overheid.

    Bij een negatieve eindevaluatie van de proeftijd heeft de ambtenaar op proef het recht om te worden gehoord door de indienstnemende overheid en kan de betrokkene zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze.

    Als de ambtenaar op proef wil gebruikmaken van dat recht, vraagt hij schriftelijk om gehoord te worden binnen een termijn van vijftien kalenderdagen vanaf de dag die volgt op de dag van ontvangst van het eindevaluatieverslag, hetzij aan de minister-president van de Vlaamse Regering, hetzij aan de voorzitter van de raad van bestuur, hetzij aan de voorzitter van de Raad voor het Gemeenschapsonderwijs.

    Als de indienstnemende overheid de negatieve eindevaluatie van de proeftijd bevestigt, wordt de titularis van de mandaatfunctie van N-niveau of van algemeen directeur
    teruggeplaatst in zijn vorige graad.”.

    Art. 9. In artikel V 12 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juli 2007 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 en 29 april 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

    1° aan paragraaf 2, 3., wordt de volgende zinsnede toegevoegd:

    “, met uitzondering van de toelage voor een tijdelijke functieverzwaring, vermeld in artikel VII 44bis”;

    2° aan paragraaf 3, 2., van hetzelfde besluit wordt de volgende zinsnede toegevoegd:

    “, met uitzondering van de toelage voor een tijdelijke functieverzwaring, vermeld in artikel VII 44bis”.

    Art. 10. In artikel V 17 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 januari 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

    1° de zinsnede “artikel V 9, §1bis” wordt vervangen door de zinsnede “artikel V 9, §1bis, eerste lid”;

    2° de zinsnede “artikel V 9, §2,” wordt vervangen door de zinsnede “artikel V 9, §2, eerste lid”.

    Art. 11. Aan artikel V 29, §1, tweede lid, van hetzelfde besluit, wordt de volgende zinsnede toegevoegd:

    “, met uitzondering van de toelage voor een tijdelijke functieverzwaring, vermeld in artikel VII 44bis”.

    Art. 12. In artikel V 36 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008 en 21 september 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

    1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:

    “De N-1 functie wordt door het hoofd van de entiteit, raad of instelling vacant verklaard op een van de volgende wijzen:
    1° voor de ambtenaren van de interne arbeidsmarkt;
    2° voor de externe arbeidsmarkt in combinatie met de ambtenaren van de interne arbeidsmarkt.”

    2° in paragraaf 2, eerste lid, 3°, wordt de zinsnede “als het interne kandidaten betreft, of over 10 jaar relevante beroepservaring voor externe kandidaten” opgeheven.

    Art. 13. In artikel V 39 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en 29 april 2011 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

    1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:

    “§1. Het opdrachtgevende hoofd van de entiteit, raad of instelling kiest een kandidaat uit de lijst van geschikte kandidaten. Hij laat hem toe tot een proeftijd in de graad van hoofdadviseur  en wijst hem aan in de vacantverklaarde managementfunctie van N-1 niveau met als graad afdelingshoofd of projectleider N-1 en als rang A2A.”.

    Inzake de proeftijd zijn artikel III 12, III 14 en III 15 van overeenkomstige toepassing."

    2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt :

    Ҥ2. Het hoofd van de entiteit, raad of instelling bepaalt bij de aanvang van de proeftijd de nadere regelen van de proeftijd en evalueert de proeftijd.

    Artikel III 16, §2 en §3 zijn van overeenkomstige toepassing.

    Nadat de titularis, vermeld in paragraaf 1, met goed gevolg de proeftijd doorlopen heeft, wordt hij vastbenoemd in de graad van hoofdadviseur , zoals bepaald in artikel V 34 van dit besluit.

    Onder voorbehoud van het negende lid heeft een negatieve eindevaluatie van de proefperiode hetzij het ontslag van de ambtenaar op proef, die extern geworven is hetzij de terugplaatsing in de vorige graad van de ambtenaar op proef, die al ambtenaar was bij de diensten van de Vlaamse overheid, tot gevolg.

    Het eindevaluatieverslag wordt betekend aan de ambtenaar op proef binnen 30 kalenderdagen na het evaluatiegesprek.

    Indien het eindevaluatieverslag niet binnen 30 kalenderdagen wordt betekend aan de ambtenaar op proef, wordt de proeftijd geacht gunstig te zijn voor de ambtenaar op proef.

    De ambtenaar op proef kan tegen de negatieve eindevaluatie van de proefperiode  beroep instellen bij de raad van beroep binnen een termijn van 15 kalenderdagen vanaf de dag, die volgt op de dag van ontvangst van het eindevaluatieverslag.

    De raad van beroep brengt een gemotiveerd advies uit binnen dertig kalenderdagen na de betekening van het eindevaluatieverslag.

    Onder voorbehoud van artikel I 9, §1, tweede lid, beslist het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling over de eindevaluatie van de ambtenaar op proef  binnen 15 kalenderdagen na  ontvangst van het advies van de raad van beroep.”

    3° er worden een paragraaf 3 tot en met 5 toegevoegd, die luiden als volgt :

    Ҥ3. Tot de dag waarop hij teruggeplaatst wordt in zijn vorige graad of waarop het ontslag ingaat, behoudt de ambtenaar op proef zijn hoedanigheid.

    §4. Het hoofd van de entiteit, raad of instelling betekent de beslissing tot vaste benoeming of tot ontslag of tot terugplaatsing in de vorige graad aan de ambtenaar op proef.

    §5. Artikel III 19 en III 20 zijn van overeenkomstige toepassing.“.

    Art. 14. In deel V, titel III, van hetzelfde besluit wordt het opschrift van hoofdstuk III vervangen door wat volgt:

    “Hoofdstuk 3. De arbeidsvoorwaarden”.

    Art. 15. Artikel V 40 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.

    Art. 16. In artikel VI 2 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, worden de woorden “de ambtenaar” telkens vervangen door de woorden “het personeelslid”.

    Art. 17. In artikel VI 3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, worden de woorden “de ambtenaar die” en het woord “hij” vervangen door respectievelijk de woorden “het personeelslid dat” en het woord “het”.

    Art. 18. In artikel VI 3bis, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008, wordt tussen het woord “de” en het woord “middenkaderfuncties” de zinsnede “directeurs- en” ingevoegd.

    Art. 19. In artikel VI 11, §1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 2011, worden punt 1° en 2° vervangen door wat volgt:

    “1° de overplaatsing van een ambtenaar van rang A2E en rang A2 of lager naar een vacante statutaire betrekking van een graad van dezelfde of een lagere rang;

    2° de overplaatsing van een contractueel personeelslid met als enige of als beginsalarisschaal een salarisschaal die overeenstemt met rang A2E en rang A2 of lager, naar een vacante contractuele betrekking met dezelfde salarisschaal of geldelijke loopbaan of naar een vacante contractuele betrekking met als enige of als hoogste salarisschaal, een salarisschaal die overeenstemt met een lagere rang.”.

    Art. 20. In artikel VI 12 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

    1° in paragraaf 1 en 4 wordt het woord “arbeidsmarktbureau” vervangen door het woord “herplaatsingsbureau”;

    2° in paragraaf 1 worden aan de eerste zin de woorden “na zorgvuldige begeleiding en ondersteuning” toegevoegd;

    3° aan paragraaf 1 worden een tweede, tot en met vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt:

    “Het personeelslid kan aan de lijnmanager vragen om aangewezen te worden voor herplaatsing.

    Het herplaatsingsbureau beslist telkens na een ontvankelijkheidstoets of het personeelslid in aanmerking komt voor de herplaatsing. De ontvankelijkheidstoets omvat tenminste:
    - een aanmeldingsgesprek, een intakegesprek en een opvolgingsgesprek;
    - psychotechnische proeven, een interview en een persoonlijkheidsvragenlijst;
    - de opmaak van een rapport.

    Het personeelslid kan enkel herplaatst worden naar een functie in een lagere rang in een van de volgende gevallen:

    1° als het herplaatsingsbureau vaststelt dat het personeelslid niet langer geschikt is om functies uit te oefenen van dezelfde rang en als het personeelslid hiermee akkoord gaat;

    2° om medische redenen.

    De lijnmanager kan een personeelslid, dat afgewezen is voor herplaatsing door het herplaatsingsbureau, na een trajectbegeleiding opnieuw aanmelden bij het herplaatsingsbureau.”;

    4° paragraaf 3 wordt opgeheven;

    5° aan paragraaf 6 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:

    “De regeling, vermeld in het eerste lid, is niet van toepassing in het geval van een herplaatsing naar een functie in een lagere rang.”

    Art. 21. Artikel VI 13 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, wordt opgeheven.

    Art. 22. In artikel VI 14 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008 en 29 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

    1° in het eerste lid wordt de zin “Hij heeft nooit een lager salaris dan hij in zijn vorige salarisschaal zou hebben genoten volgens de regeling die van toepassing is op de datum van de herplaatsing.” opgeheven;

    2° tussen het eerste en het tweede lid worden twee leden ingevoegd, die luiden als volgt:

    “De ambtenaar wordt benoemd in de nieuwe graad en ingeschaald in de daaraan verbonden salarisschaal op de overeenkomstige trap van de functionele loopbaan van de nieuwe graad. De ambtenaar die wordt herplaatst naar een functie in een lagere rang behoudt echter het salaris dat hij had in zijn salarisschaal van herkomst op het moment van de herplaatsing, tot het moment dat hij in zijn organieke graad een hoger salaris bereikt.

    Het contractuele personeelslid, vermeld in artikel VI 11, §1, 2°, krijgt een arbeidsovereenkomst met de salarisschaal of de geldelijke loopbaan, verbonden aan de nieuwe betrekking. In geval van een geldelijke loopbaan wordt hij ingeschaald op de overeenkomstige trap. Het contractuele personeelslid dat wordt herplaatst naar een functie in een lagere rang behoudt echter het salaris dat hij had in zijn salarisschaal van herkomst op het moment van de herplaatsing, tot het moment dat hij een hoger salaris bereikt in zijn nieuwe betrekking.”.

    Art. 23. Artikel VI 15 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, wordt opgeheven.

    Art. 24. Aan artikel VI 18, §4, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, wordt de volgende zinsnede toegevoegd:

    “of als hij met toepassing van artikel I 5bis niet hertest hoeft te worden voor de generieke competenties voor een functie in die graad”.

    Art. 25. In artikel VI 30bis, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 2011, worden tussen het woord “overheid” en het woord “mobiliteit” de woorden “of een vastbenoemd personeelslid van de onderwijssector” ingevoegd.

    Art. 26. In artikel VI 30ter van hetzelfde besluit, vervangen door het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

    1° in punt 1° worden tussen het woord “overheid” en het woord “in” de woorden “of van een vastbenoemd personeelslid uit de onderwijssector” ingevoegd en worden tussen het woord “ambtenaar” en het woord “zich” de woorden “of het vastbenoemde personeelslid uit de onderwijssector” ingevoegd;

    2° in punt 2° wordt punt c) vervangen door wat volgt:

    “c) de entiteiten en raden die niet behoren tot de diensten van de Vlaamse overheid, het Universitair Ziekenhuis Gent, de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening, de Vlaamse Radio- en Televisieomroep, het Algemeen Secretariaat van het Vlaams Parlement en de instellingen die verbonden zijn aan het Vlaams Parlement;”;

    3° er wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt:

    “3° onderwijssector:

    a) de instellingen  van het gemeenschapsonderwijs, vermeld in artikel 2, §1 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;

    b) de instellingen van het gesubsidieerd onderwijs, vermeld in artikel 4, §1 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;

    c) de hogescholen vermeld in artikel 5 van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen;

    d) de universiteiten vermeld in artikel 4 van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen;

    e) de onderwijsinspectie vermeld in artikel 45 van het decreet van  8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;

    f) de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken vermeld in het decreet van1 december 1991 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.”

    Art. 27. Aan artikel VI 30quater van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 2011, wordt de zinsnede “en 3°” toegevoegd.

    Art. 28. In artikel VI 30quinquies van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 2011, wordt de zinsnede “overheid:” vervangen door de zinsnede “overheid of het vastbenoemde personeelslid van de onderwijssector:”.

    Art. 29. In artikel VI 30sexies van hetzelfde besluit ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 2011 worden tussen de woorden “ambtenaar” en “dient” de woorden “of het vastbenoemde personeelslid van de onderwijssector” ingevoegd.

    Art. 30. In artikel VI 30octies, paragraaf 1, eerste lid, van hetzelfde besluit ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 2011 wordt het woord “ambtenaar” vervangen door het woord “kandidaat”.

    Art. 31. Artikel VI 32 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008 en 29 mei 2009, wordt vervangen door wat volgt:

    “Art. VI 32. De bevordering is de benoeming van een vastbenoemde ambtenaar of van een contractueel personeelslid buiten proeftijd in een vacante bevorderingsbetrekking.

    Een bevorderingsbetrekking is een statutaire betrekking die overeenkomstig bijlage 4 door bevordering kan worden ingevuld.

    Er zijn twee soorten van bevordering:

    1° de bevordering door verhoging in graad binnen hetzelfde niveau;

    2° de bevordering door overgang naar een hoger niveau.

    Voor het contractuele personeelslid wordt begrepen onder bevordering: de benoeming in een bevorderingsbetrekking met dezelfde, respectievelijk een hogere, niveau-indicie dan die van de salarisschaal waarin het bij de vacantverklaring wordt uitbetaald.

    Alleen ambtenaren en contractuele personeelsleden die geslaagd zijn voor een objectief wervingssysteem met algemene bekendmaking zoals bepaald in deel III, hoofdstuk 2, van dit besluit kunnen deelnemen aan een bevorderingsprocedure.”.

    Art. 32. In artikel VI 33, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, wordt het woord “ambtenaren” vervangen door het woord “personeelsleden”.

    Art. 33. In artikel VI 35 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008 en 29 mei 2009, worden de woorden “de ambtenaar” vervangen door de woorden “het personeelslid”.

    Art. 34. In artikel VI 36 en VI 37 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, worden de woorden “de ambtenaar die” en de woorden “de ambtenaar” vervangen door respectievelijk de woorden “het personeelslid dat” en de woorden “het personeelslid”.

    Art. 35. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 februari 2013, worden aan het einde van hoofdstuk 1 van titel 5 van deel VI een artikel VI 37bis en VI 37ter ingevoegd, die luiden als volgt:

    “Art. VI 37bis. De regelingen die in deze titel en in bijlage 4 bij dit besluit van toepassing zijn op ambtenaren van een bepaalde rang of niveau, gelden ook voor de contractuele personeelsleden die bij de vacantverklaring van de bevorderingsbetrekking, betaald worden in een
    salarisschaal met de rangindicie respectievelijk de niveau-indicie die
    overeenstemt met de rang respectievelijk het niveau in kwestie.

    De vereisten voor schaal-, graad- of niveauanciënniteit in deze titel betreffen voor contractuele personeelsleden de loopbaanduur in een contractuele betrekking van waaruit benoeming in de bevorderingsbetrekking mogelijk is.

    Art. VI 37ter. Jobpunt Vlaanderen treedt op als selector voor de bevordering naar het hogere niveau en bij de Vlaamse ministeries tevens voor de bevordering binnen het niveau.

    Voor functies buiten de Vlaamse ministeries die specifiek zijn voor een bepaald beleidsdomein of voor bepaalde entiteiten, raden of instelling, kan de personeelsfunctie het vergelijkend overgangsexamen organiseren. ”.

    Art. 36. In artikel VI 38 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008, worden de woorden “de ambtenaar” vervangen door de woorden “het personeelslid”.

    Art. 37. In artikel VI 39 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, 29 april 2011 en 3 februari 2012, wordt paragraaf 4, eerste lid >vervangen door wat volgt:

    “§4. Een bevordering overeenkomstig dit artikel is alleen mogelijk na het slagen voor een proef waarbij de generieke en functiespecifieke competenties getest worden.”.

    Art. 38. In artikel VI 40 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 29
    mei 2009, 29 april 2011 en 3 februari 2012, wordt paragraaf 5, eerste lid, vervangen door wat volgt:

    “§5. Een bevordering met toepassing van dit artikel is alleen mogelijk na het  slagen voor een proef waarbij de functiespecifieke competenties getest worden.”.

    Art. 39. In artikel VI 41 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:

    “In afwijking van artikel VI 39 en VI 40 kan de scheepstechnicus, motorist of schipper met twee jaar relevante beroepservaring of graadanciënniteit bevorderd worden tot respectievelijk een graad van hoofdscheepstechnicus, hoofdmotorist of hoofdschipper.”.

    Art. 40. Artikel VI 44 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008 en 29 mei 2009, wordt opgeheven.

    Art. 41. In artikel VI 45 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, worden de woorden “de ambtenaar” vervangen door de woorden “het personeelslid”.

    Art. 42. In artikel VI 46 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

    1° in paragraaf 1, 1°, 2° en 3° worden de woorden “de ambtenaar” telkens vervangen door de woorden “het personeelslid” en wordt het woord “die” telkens vervangen door het woord “dat”;

    2° in paragraaf 2 worden de woorden “een ambtenaar” vervangen door de woorden “een personeelslid” en wordt het woord “die” vervangen door het woord “dat”.

    Art. 43. In artikel VI 52, §1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de< Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008, wordt het derde lid opgeheven.

    Art. 44. Artikel VI 53 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, wordt vervangen door wat volgt:

    “Art. VI 53. Het personeelslid dat geslaagd is voor een overgangsexamen of competentieproef kan pas worden bevorderd nadat het met goed gevolg de proeftijd in de bevorderingsbetrekking heeft volbracht. Voor die proeftijd gelden de bepalingen van deel III, hoofdstuk 3 van dit besluit.

    Voor het personeelslid dat voor de proeftijd als ambtenaar was tewerkgesteld is in geval van ontslag wegens negatieve eindevaluatie artikel III 19 niet van toepassing en volgt een terugplaatsing in zijn vorige graad na de definitieve beslissing van de benoemende overheid.”.

    Art. 45. Artikel VI 54 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, wordt opgeheven.

    Art. 46. Artikel VI 55 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, wordt opgeheven.

    Art. 47. Artikel VI 56 en VI 57 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, worden opgeheven.

    Art. 48. Artikel VI 57bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, wordt opgeheven.

    Art. 49. Artikel VI 58 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, wordt opgeheven.

    Art. 50. Hoofdstuk 3 van titel 6 van deel VI van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, 29 april 2011, 2 december 2011 en 3 februari 2012, wordt vervangen door wat volgt:

    “Hoofdstuk 3. Graadverandering

    Art. VI 65. §1. De ambtenaar kan een graadverandering krijgen naar een andere graad van dezelfde rang indien hij< slaagt voor dezelfde proef of hetzelfde examen als de proef of het examen voor aanwerving of bevordering in die graad.

    De diplomavoorwaarden bij graadverandering zijn dezelfde als die bij aanwerving.

    § 2. De selector sluit, in overleg met de lijnmanager, de kandidaten die niet voldoen aan de statutaire voorwaarden of de voorwaarden in de vacature, uit van deelname aan de functiespecifieke selectie.

    Indien de selectieprocedure een externe potentieelinschatting omvat, kan de selector een voorselectie organiseren, waarin onder meer een aantal competenties kunnen worden beoordeeld.

    De kandidaten worden op de hoogte gebracht van de motivering van een eventuele uitsluiting op basis van de vaststelling dat ze niet aan de statutaire voorwaarden of aan de voorwaarden in de vacature voldoen en/of op basis van een test of selectie.

    § 3. Bij een graadverandering behoudt de ambtenaar de verworven anciënniteiten en wordt hij ingeschaald in de salarisschaal verbonden aan de nieuwe graad. In voorkomend geval gebeurt de inschakeling op de overeenkomstige trap van de functionele loopbaan.”.

    Art. 51. Artikel VI 74 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, wordt vervangen door wat volgt:

    “Art. VI 74. Een projectleider is een ambtenaar of een contractueel personeelslid, tijdelijk belast met de leiding van een project voor een beleidsdomein of voor alle beleidsdomeinen. De duur van het project bedraagt ten hoogste vijf jaar en is eenmalig verlengbaar met een periode van maximum een jaar.

    Zowel de projecten voor een beleidsdomein als de projecten voor alle beleidsdomeinen worden opgestart door het hoofd van een bepaalde entiteit, raad of instelling na voorafgaandelijk akkoord van respectievelijk de functioneel bevoegde minister(s) en de Vlaamse Regering.”.

    Art. 52. In artikel VI 75 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

    1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:

    Ҥ1. De projectleidersfuncties worden vacant verklaard en bekendgemaakt aan alle ambtenaren en contractuele personeelsleden die in aanmerking komen volgens de scopebepaling van artikel VI 1.

    Alleen ambtenaren en contractuele personeelsleden die geslaagd zijn voor een objectief wervingssysteem met algemene bekendmaking vermeld in deel III, hoofdstuk 2, van dit besluit kunnen kandideren voor een projectleidersfunctie.”;

    2° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt:

    “§4. Het hoofd van de entiteit, raad of instelling stelt de meest geschikte kandidaat aan die als projectleider belast wordt met een project voor een beleidsdomein of voor alle beleidsdomeinen.”.

    Art. 53. Aan artikel VI 77 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt een paragraaf 2 toegevoegd, die luidt als volgt:

    Ҥ2. Het contractuele personeelslid dat aangesteld wordt tot projectleider, krijgt een contract van bepaalde duur in de functie van projectleider voor de duur van het project.

    De lopende arbeidsovereenkomst van het contractuele personeelslid wordt voor de duur van de tijdelijke aanstelling geschorst.”.

    Art. 54. Artikel VI 78 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 2011, wordt vervangen door wat volgt:

    “Art. VI 78. §1. De tijdelijke aanstelling van de ambtenaar wordt ambtshalve beëindigd bij een functioneringsevaluatie die met een onvoldoende wordt besloten, bij een beslissing tot loopbaanvertraging, bij een bevordering of bij een aanwijzing in een mandaat en, in voorkomend geval, bij een wijziging van dienstaanwijzing.

    De overheid die bevoegd is voor de aanstelling, kan die aanstelling ook beëindigen om functionele redenen, bij langdurige afwezigheid of op verzoek van de functiehouder zelf.

    §2. De tijdelijke aanstelling van het contractuele personeelslid wordt beëindigd volgens de regels van het arbeidsrecht.”.

    Art. 55. Artikel VI 83 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008, wordt opgeheven.

    Art. 56. Artikel VI 84 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, wordt opgeheven.

    Art. 57. Artikel VI 85 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008 en 29 mei 2009, wordt opgeheven.

    Art. 58. In artikel VI 124 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

    1° tussen de woorden “een diploma dat overeenstemt met dat niveau” en de woorden “en slagen voor een proef” wordt de zinsnede “, of een ervaringsbewijs of toegangsbewijs voor die functie als vermeld in artikel III 2,” ingevoegd;

    2° de woorden “in geval van schaarste op de arbeidsmarkt” worden vervangen door de zinsnede “als de functie voorkomt op de lijst van knelpuntfuncties, vermeld in artikel III 3”.

    Art. 59. Aan deel VI, titel 10, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008, 29 mei 2009, 29 april 2011, 2 december 2011, 1 februari 2013 en het BVR preventiefuncties wordt een artikel VI 157 toegevoegd dat luidt als volgt:

    Art. VI 157. §1. Als in het personeelsplan van de entiteit geen betrekking is opgenomen in de graad of graden van de wetenschappelijke loopbaan waarvan de ambtenaar titularis is, kan de benoemende aan de titularis van een wetenschappelijke graad in die entiteit op zijn verzoek een graadverandering toekennen naar de overeenkomstige administratieve graad.

    §2. Bij een graadverandering als vermeld in paragraaf 1 behoudt de ambtenaar de verworven anciënniteiten. In voorkomend geval gebeurt de inschakeling op de overeenkomstige trap van de functionele loopbaan. De ambtenaar heeft nooit een lager salaris dan hij in zijn vorige salarisschaal zou hebben gehad volgens de regeling die van toepassing is op de datum van de graadverandering.”

    Art 60. Artikel VII 2 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 januari 2009 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 29 april 2011 en 1 februari 2013, wordt vervangen door wat volgt:

    “Art. VII 2. §1. Voor de vaststelling van de geldelijke anciënniteit bij aanwerving en het opnemen van een nieuwe functie valoriseert de
    benoemende of indienstnemende overheid de ervaring uit de publieke sector, als begunstigde van een beurs bij een erkende onderwijsinstelling of openbare instelling en de functierelevante ervaring uit de private sector of als zelfstandige.

    De valorisatie van functierelevante ervaring uit de private sector of als zelfstandige is beperkt tot een maximum van 20 jaar.

    §2. Voor de periodieke salarisverhogingen tijdens de loopbaan in de functie komen alle perioden in dienstactiviteit in aanmerking. Verlof voor deeltijdse prestaties in non-activiteit komt ook in aanmerking.

    Contractuele prestaties met een deeltijds contract komen in aanmerking volgens de prestatieregeling.

    §3. In geval van herplaatsing, overplaatsing, horizontale mobiliteit, externe mobiliteit, bevordering en graadverandering behoudt het personeelslid ten minste de op dat ogenblik al gevaloriseerde ervaring uit de private sector of als zelfstandige.”

    Art. 61. In artikel VII 15, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 2011, wordt tussen de zinsnede “lid,” en het woord “is” de zinsnede “ 2°,” ingevoegd.

    Art. 62. Artikel VII 23 en VII 24 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, worden opgeheven.

    Art. 63. Artikel VII 27 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, wordt vervangen door wat volgt:

    “Art. VII 27. Het hoofd van de entiteit, raad of instelling kan, na advies van het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling, aan het personeelslid dat met toepassing van artikel VI 74 tot en met VI 78 wordt belast met de leiding van een project, een projectleiderstoelage toekennen die wordt vastgesteld conform artikel VII 44bis, §4 en §5.”.

    Art. 64. Aan deel VII, titel 2, hoofdstuk 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008, 5 september 2008, 9 januari 2009, 29 mei 2009, 29 april 2011 en 2 december 2011, wordt een afdeling 11, die bestaat uit artikel VII 44bis, toegevoegd, die luidt als volgt:

    “Afdeling 11. Toelage voor tijdelijke functieverzwaring

    Art. VII 44bis. §1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    1° functie: het geheel van taken en werkzaamheden die aan een persoon worden toevertrouwd binnen een organisatie;

    2° functiezwaarte: het gewicht dat aan een functie toegekend wordt op basis van het scoren van wegingscriteria als complexiteit, autonomie, verantwoordelijkheden en communicatievaardigheden. Bij de Vlaamse overheid gebeurt deze weging, hetzij, voor functies die onder de functieniveaumatrix vallen, door toepassing van de organisatie-eigen wegingsmethodiek en wordt het functiegewicht uitgedrukt in een functieklasse van de functieniveaumatrix, hetzij, voor andere functies, via een analytische wegingsmethodiek;

    3° organisatie-eigen wegingsmethodiek: geautomatiseerd indelingsinstrument dat een functie toewijst aan een functiefamilie en de functie door het scoren van indelingscriteria indeelt in een niveau van de functiefamilie, en dat bijgevolg de functie toewijst aan een functieklasse van de functieniveaumatrix;

    4° functieniveaumatrix: raamwerk met aanduiding van functiefamilies en niveaus binnen de functiefamilies, zoals gevalideerd door de Vlaamse Regering. Op basis van functieclassificatie worden de niveaus van de functiefamilies ten opzichte van elkaar geordend en worden ze gekoppeld aan een functieklasse;

    5° functieklasse: een groep van functies met een gelijkwaardige functiezwaarte;

    6° oorspronkelijk salaris: het jaarsalaris (tegen 100%), in voorkomend geval verhoogd met de toelagen voor specifieke personeelscategorieën als vermeld in hoofdstuk 3, dat het personeelslid ontvangt vóór de aanvang van de tijdelijke functieverzwaring;

    7° functiefamilie: groep van functies met gelijksoortige activiteiten en processtappen. Niet alle functies binnen één functiefamilie zijn even complex. Elke functiefamilie wordt daarom onderverdeeld in verschillende functiefamilieniveaus. De beschrijving van die niveaus expliciteert wat de ene functie zwaarder maakt dan de andere.

    §2. Het hoofd van de entiteit, raad of instelling kan, na advies van het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling, aan het personeelslid dat binnen de entiteit, raad of instelling tijdelijk bijkomende of zwaardere taken uitoefent waardoor de functiezwaarte tijdelijk verhoogt, een toelage toekennen voor de tijd dat het personeelslid de bijkomende of zwaardere taken uitoefent.

    §3. Wanneer de precieze duurtijd van de tijdelijke functieverzwaring vooraf kan worden bepaald, bedraagt deze minimaal dertig kalenderdagen en maximaal vijf jaar. Het hoofd van de entiteit, raad of instelling kan, na advies van het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling, die periode na afloop maximaal één keer verlengen met een periode van maximaal één jaar.

    Wanneer de precieze duurtijd van de tijdelijke functieverzwaring vooraf niet kan worden bepaald, bedraagt deze minimaal dertig kalenderdagen en maximaal één jaar. Het hoofd van de entiteit, raad of instelling kan, na advies van het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling, die periode maximaal één keer verlengen met een periode van maximaal één jaar.

    §4. De tijdelijke functieverzwaring wordt vastgesteld aan de hand van de functieniveaumatrix.

    §5. Het bedrag van de toelage (100%) is gelijk aan het verschil tussen het oorspronkelijk salaris van de functiehouder en een bedrag dat vastgesteld moet worden binnen de ondergrens en de bovengrens van de functieklasse waarin de verzwaarde functie wordt ingedeeld, zoals vastgesteld in bijlage 10 bij dit besluit.

    Het bedrag van de toelage (100%) is minimaal gelijk aan vijf procent van het oorspronkelijk salaris van de functiehouder, zonder dat de toekenning van de toelage er toe mag leiden dat hierdoor de bovengrens van de functieklasse waarin de verzwaarde functie wordt ingedeeld, wordt te boven gegaan.

    Voor functiehouders met een management- of projectleidersfunctie van N-1- niveau is het bedrag van de toelage (100%) maximaal gelijk aan het verschil tussen het oorspronkelijke salaris en het overeenstemmende salaris voor dezelfde geldelijke anciënniteit in de salarisschaal A 311. Voor de andere functiehouders is het bedrag van de toelage (100%) maximaal gelijk aan het tussen het oorspronkelijke salaris en het overeenstemmende salaris voor dezelfde geldelijke anciënniteit in de salarisschaal A 213.”.

    Art. 65. Aan deel VII, titel 2, hoofdstuk 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008, 5 september 2008, 9 januari 2009, 29 mei 2009, 29 april 2011 en 2 december 2011, wordt een afdeling 12, die bestaat uit artikel VII 44ter, toegevoegd, die luidt als volgt:

    “Afdeling 12. Toelage voor carpooling

    Art. VII 44ter. Het personeelslid dat voor een dienstreis gebruik maakt van een eigen voertuig, en één of meerdere andere
    personeelsleden meeneemt, ontvangt een toelage voor carpooling.

    Het bedrag van deze toelage is gelijk aan de helft van de kilometervergoeding zoals bepaald in artikel VII 80 van hetzelfde besluit.

    In afwijking van artikel VII 16, 1° van dit besluit gebeurt de betaling jaarlijks in de loop van het eerste kwartaal van het jaar volgend op het jaar waarop de dienstreizen betrekking hebben.”.

    Art. 66. Artikel VII 45, §2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, wordt vervangen als volgt:

    “Art. VII 45. §2. Aan het personeelslid tewerkgesteld in de afdeling Verwijzersbeleid of de afdeling Intersectorale Toegangspoort wordt de volgende toelage toegekend:

    bedrag Voorwaarden
    Jeugdzorgtoelage 877 euro tegen 100 % per jaar personeelslid van niveau B werkzaam in de buitendiensten met uitzondering van de administratieve teams.

    Art. 67. In artikel VII 65, §4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, wordt het woord “zeedienst” vervangen door de woorden “zee- of rededienst”.

    Art. 68. In artikel VII 80 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, wordt paragraaf 2 opgeheven.

    Art. 69. In artikel VII 164, §1, 1ste lid en §2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 2012, worden na het getal 2012 telkens volgende woorden toegevoegd:

    “en totdat het personeelslid de entiteit vrijwillig verlaat of ontslagen wordt.”.

    Art. 70. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 februari 2013, worden een artikel VII 169 en VII 170 ingevoegd, die luiden als volgt:

    “Art. VII 169. In afwijking van artikel VII 2, §1, behouden de personeelsleden die op 1 maart 2014 tewerkgesteld zijn bij de diensten van de Vlaamse overheid, de geldelijke anciënniteit die ze hebben opgebouwd.

    Art. VII 170. In afwijking van artikel VII 44bis behoudt de ambtenaar die op 1 maart 2014 is aangesteld als projectleider of in een hoger ambt, de toelage, toegekend op basis van de regeling die gold op de< datum van zijn aanstelling.

    Zolang voor een functie van een ambtenaar de functiezwaarte niet is gewogen en een tijdelijke functieverzwaring derhalve niet kan worden geobjectiveerd in toepassing van artikel VII 44bis van dit besluit, kan – in afwijking daarvan – gedurende maximaal twee jaar te rekenen vanaf 1 maart 2014, de houder van de verzwaarde functie aangesteld worden in een hoger ambt en hiervoor een toelage ontvangen op basis van de regeling voor de waarneming van een hoger
    ambt die gold vóór 1 maart 2014.”.

    Art. 71. Aan artikel X 34, §2 van hetzelfde besluit worden een tweede, derde, vierde, vijfde en zesde lid toegevoegd, die luiden als volgt:

    “In afwijking van het eerste lid kan een ambtenaar voor de bijstand of de verzorging van een minderjarig kind, tijdens of vlak na de hospitalisatie van het kind als gevolg van een zware ziekte, voltijdse loopbaanonderbreking opnemen met één week, eventueel verlengbaar met één week.

    Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder een zware ziekte verstaan: elke ziekte of medische ingreep die door de behandelende geneesheer van het zwaar zieke kind als dusdanig wordt beschouwd en waarbij de geneesheer oordeelt dat elke vorm van sociale, familiale of psychologische bijstand of verzorging noodzakelijk is.

    De volgende ambtenaren kunnen gebruik maken van de in het tweede lid vermelde opnamemogelijkheid: 1° de ambtenaar die ouder is in de eerste graad van het zwaar zieke kind en ermee samenwoont;
    2° de ambtenaar die samenwoont met het zwaar zieke kind en belast is met de dagelijkse opvoeding.

    Wanneer de in het vierde lid vermelde ambtenaren geen gebruik kunnen maken van de in het tweede lid vermelde opnamemogelijkheid, kunnen de volgende ambtenaren hiervan gebruik maken:
    1° de ambtenaar die ouder is in de eerste graad van het zwaar zieke kind en er niet mee samenwoont;

    2° een familielid van het zwaar zieke kind tot de tweede graad, wanneer de ambtenaar sub 1° in de onmogelijkheid verkeert dit verlof op te nemen

    De ambtenaar die de verlengingsmogelijkheid vermeld in het tweede lid heeft uitgeput, kan zijn voltijds medisch bijstandsverlof nog uitbreiden tot één maand door ook voor de tussenliggende periode voltijds medisch bijstandsverlof te nemen.”

    Art. 72. In artikel XI 8 van hetzelfde besluit wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt:

    “§1. De ambtenaar is definitief beroepsongeschikt als hij na een evaluatie “onvoldoende” bij één van de twee eerstvolgende evaluaties
    een tweede evaluatie “onvoldoende” krijgt. De ambtenaar wordt dan ontslagen.”.

    Art. 73. Aan artikel XI 11 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:

    “Het contractuele personeelslid wordt ontslagen als hij na een evaluatie “onvoldoende” bij één van de twee eerstvolgende evaluaties een tweede evaluatie “onvoldoende” krijgt.”

    Art. 74. In bijlage 2 bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008, 29 mei 2009 en 2 december 2011, wordt aan punt 1, niveau C, een punt k) toegevoegd, dat luidt als volgt:

    “k) studiegetuigschrift van een opleiding, uitgereikt in opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs door een door de staat of door een van de gemeenschappen opgerichte, erkende of gesubsidieerde instelling of door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap.”.

    Art. 75. Bijlage 4 bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 februari 2013 en het besluit van de Vlaamse Regering van 10 januari 2014, wordt vervangen door de bijlage, die als bijlage 1 bij dit besluit is gevoegd.

    Art. 76. Aan hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 februari 2013, wordt een bijlage 10 toegevoegd, die als bijlage 2 bij dit besluit is gevoegd.

    Art. 77. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op de datum van goedkeuring ervan met uitzondering van:

    1° artikel 5, dat uitwerking heeft op de proeftijden die vanaf 1 maart 2014 of nadien aanvangen;

    2° artikel 66, dat inwerking treedt op 1 maart 2014;

    3° artikel 65 en 68, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2014;

    4° artikel 69, dat uitwerking heeft met ingang van 1 december 2012;

    5° artikel 71, dat uitwerking heeft met ingang van 1 februari 2014;

    6° artikel 72 en 73 die inwerking treden op 1 juli 2014.

    Art. 78. De Vlaamse minister, bevoegd voor het algemeen beleid inzake personeel en organisatieontwikkeling in de Vlaamse administratie, is belast met de uitvoering van dit besluit.

    Brussel, 21 februari 2014

    De minister-president van de Vlaamse Regering,

    Kris PEETERS

    De Vlaamse minister van Bestuurszaken, Binnenlands Bestuur, Inburgering,
    Toerisme en Vlaamse Rand,

    Geert BOURGEOIS

    naar boven