chat-altchatcrossloginquestion-circlesearchsmileystarthumbup-downwarning
Vlaanderen
Contacteer ons
    Terug naar overzicht Stuur een e-mail

    Stuur een e-mail naar 1700, de informatiedienst voor al uw vragen aan de overheid.
    U ontvangt een kopie van uw bericht.

    Terug naar overzicht Chat met ons
    Uw chatgesprek wordt automatisch gestart zodra er een medewerker beschikbaar is.
    Even geduld, uw positie in de wachtrij wordt bepaald.

    Gunningscriteria

    Toepasselijkheid

    De regeling van de gunningscriteria staat vermeld in art. 81 en 82 Wet Overheidsopdrachten. Deze regeling is algemeen van toepassing voor alle plaatsingsprocedures.

    Art. 66 Wet Overheidsopdrachten dat de algemene beginselen inzake selectie en gunning bevat, vermeldt inderdaad dat opdrachten worden gegund op basis van één of meerdere gunningscriteria, vastgesteld overeenkomstig artikel 81 Wet Overheidsopdrachten.

    Er gelden evenwel volgende uitzonderingen op de algemene toepasselijkheid van art. 81 Wet Overheidsopdrachten:

    • Concurrentiegerichte dialoog en innovatiepartnerschap (art. 39 en 40 Wet Overheidsopdrachten): worden uitsluitend gegund o.b.v. het gunningscriterium van de beste prijs-kwaliteitsverhouding (art. 81, § 2, 3°). In overeenstemming met de Richtlijn 2014/24/EU wil de wetgever met deze beperking inzetten op kwaliteit en innovatie.
    • Bepaalde gevallen van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking (art. 42 § 3 Wet Overheidsopdrachten): de regeling voor de gunningscriteria is – behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten – niet van toepassing bij:
    • Overheidsopdrachten van beperkte waarde (art. 92 Wet Overheidsopdrachten): de regeling m.b.t. gunningscriteria is niet van toepassing.

    De toepasbare concepten die gebruikmaken van of voortbouwen op de plaatsingsprocedures volgen dezelfde regeling voor gunningscriteria. Het gaat om de volgende toepasbare concepten:

    Voor de sociale en andere specifieke diensten geldt er een soepel regime, zoals voor opdrachten beneden de Europese drempels).

    Gebruik gunningscriteria

    Overheden moeten ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze behandelen en op een transparante en proportionele wijze handelen. Om tot een objectieve vergelijking van de offertes te kunnen komen en dus daadwerkelijke mededinging te verwezenlijken, moet de gunning van de opdracht gebeuren op basis van objectieve criteria die ervoor zorgen dat de beginselen inzake transparantie, non-discriminatie en gelijke behandeling in acht worden genomen.

    Waar de vorige overheidsopdrachtenregelgeving de overheid de keuze bood tussen het gunnen van de opdracht op basis van de economisch meest voordelige offerte en dit op grond van verschillende gunningscriteria die verband houden met het voorwerp van de opdracht (zoals de kwaliteit, de prijs, de technische waarde, de esthetische en functionele kenmerken, enz.), dan wel op grond van het enige criterium van de laagste prijs, zal de gunning van de opdracht onder de huidige overheidsopdrachtenregelgeving steeds moeten plaatsvinden op basis van de economisch meest voordelige offerte (art. 81 §1 Wet Overheidsopdrachten).

    Dit lijkt op het eerste gezicht een ingrijpende wijziging maar niets is minder waar. De wijziging is voornamelijk terminologisch. Het concept ‘economisch meest voordelige offerte’ heeft immers een ruime betekenis. Als overkoepelend begrip omvat zij immers naast de beste prijs-kwaliteitsverhouding ook prijs of kosten. Met andere woorden, het concept ‘economisch meest voordelige offerte’ dekt meerdere ladingen en moet opdracht per opdracht concreet worden ingevuld.

    De opdrachtdocumenten moeten vermelden dat de economisch meest voordelige offerte uit het oogpunt van de overheid voor de concrete opdracht als volgt wordt vastgesteld:

    • Hetzij op basis van de prijs:
      In dit geval wordt de economisch meest voordelige offerte bepaald door de laagste prijs. Hiermee wordt de reële kost van de opdracht voor de overheid bedoeld. De prijs is met andere woorden een vrij absolute invulling van ‘de economisch meest voordelige offerte’ en slaat op gevallen waarin een totaalbedrag is vermeld in de offerte of waarin het totaalbedrag aan de hand van de gegevens uit de offerte kan worden vastgesteld zonder dat de overheid hierbij beschikt over enige beoordelingsbevoegdheid.

      Het prijscriterium is historisch vergroeid met de oude procedure van de aanbesteding. Het uitsluitend gebruik van dit criterium kan echter onafhankelijk van de gevolgde plaatsingsprocedures een goede werkwijze zijn. Zo kan het – afhankelijk van het voorwerp van de opdracht en van de opportuniteit van het in mededinging stellen van de kwaliteitsaspecten van de opdracht – aangewezen zijn om louter te beoordelen op basis van prijs voor een project dat de overheid vooraf tot in het minste detail heeft uitgewerkt en waarbij de mededinging de facto gereduceerd is tot de prijs.

      Het bepalen van de laagste prijs gebeurt steeds met inbegrip van de belasting over de toegevoegde waarde, wanneer deze BTW een kost voor de aanbesteder met zich meebrengt (art. 29 laatste lid KB Plaatsing).
    • Hetzij op basis van de kosten, rekening houdend met de kosteneffectiviteit, zoals de levenscycluskosten, overeenkomstig art. 82 Wet Overheidsopdrachten:
      Het kostenbegrip is ruimer dan het begrip prijs. Kosten omvatten immers zowel de prijs als andere economische kosten verbonden aan aankoop en eigendom.

      Een voorbeeld van kosteneffectiviteit zijn de levenscycluskosten, die verder worden geregeld in art. 82 Wet Overheidsopdrachten.

      Levenscycluskosten hebben betrekking op alle of een gedeelte van de kosten gedurende een levenscyclus van een werk, levering of dienst. Het gaat om interne kosten, bijvoorbeeld voor benodigde research, ontwikkeling, productie, vervoer, gebruik, onderhoud en verwijdering. Maar ze kunnen ook kosten omvatten die toe te schrijven zijn aan externe milieueffecten, zoals verontreiniging veroorzaakt door de winning van de in het product verwerkte grondstoffen, door het product zelf of bij de productie ervan, mits deze in geld uitgedrukt en gecontroleerd kunnen worden. Men kan hierbij bijvoorbeeld denken aan CO2-uitstoot, watervervuiling…

      Indien de overheid gebruik zal maken van een beoordeling op basis van levenscycluskosten vermeldt zij vooraf in de opdrachtdocumenten de door de inschrijvers te verstrekken gegevens en de methode die zij zal gebruiken om de levenscycluskosten op basis van deze verstrekte gegevens te berekenen. De berekeningsmethode voor de levenscycluskosten moet dus vooraf bekend zijn, dit in tegenstelling tot de beoordelingsmethodiek voor andere criteria. Voor deze laatste moet de beoordelingsmethodiek wel vaststaan vóór de opening van de offertes.

      Het Nederlandse woord ‘raming’ in art. 82 Wet Overheidsopdrachten zou verkeerdelijk de indruk kunnen wekken dat een inschatting van de levenscycluskosten volstaat. Het Engelse woord ‘assess’ verduidelijkt echter dat het gaat om een daadwerkelijke beoordeling van de levenscycluskosten van het werk, de levering of dienst.

      De wetgever stelt in art. 82 § 2 lid 2 Wet overheidsopdrachten een aantal voorwaarden aan de methode voor de berekening van de aan externe milieueffecten toegeschreven kosten (gebaseerd op objectief controleerbare en niet-discriminerende criteria – toegankelijk voor alle betrokkenen – vereiste gegevens kunnen met redelijke inspanning worden verstrekt door normaal zorgvuldige ondernemers). Mede omwille van het feit dat dit relatief strenge voorwaarden zijn, is het tot op heden aantal uitgewerkte methodes voor het objectief berekenen van levenscycluskosten erg beperkt. Momenteel bestaat er enkel een methode voor de berekening van de levenscycluskosten in de voertuigensector (richtlijn 2009/33/EG inzake de bevordering van schone en energiezuinige wegvoertuigen).

      Feit is wel dat de wetgever in navolging van de Europese richtlijn aanstuurt op de ontwikkeling en (verplicht) gebruik van gemeenschappelijke berekeningsmethoden voor levenscycluskosten, bijvoorbeeld op Europees, lidstatelijk of regionaal niveau.
    • Hetzij rekening houdend met de beste prijs-kwaliteitsverhouding waarbij de overheid aangeeft hoe deze concreet wordt bepaald:
      • Op basis van de prijs OF op basis van de kosten én
      • Op basis van welbepaalde criteria, waaronder kwalitatieve, milieu- en/of sociale aspecten, die verband houden met het voorwerp van de opdracht.

    Indien de overheid de offertes beoordeelt op basis van de beste prijs-kwaliteitsverhouding omvat dit zowel een economisch aspect (naar keuze prijs of kosten) als een kwaliteitsaspect. In principe kan de gunning dus niet uitsluitend gebaseerd zijn op andere dan prijs of kostengerelateerde criteria. Dit impliceert eveneens dat het economisch aspect (naar keuze prijs of kosten) niet doorslaggevend mag zijn qua gewicht of belang omdat de beoordeling op basis van de beste-prijs kwaliteitsverhouding dan zou verworden tot een beoordeling op basis van prijs of kosten.

    Uitzonderlijk is het wél mogelijk om ondernemers te laten concurreren op kwaliteitscriteria alleen, bijvoorbeeld in geval van wettelijk vastgestelde prijzen of in het geval dat de overheid het kwaliteitsniveau wenst te kennen dat zij voor een welbepaald door haar vooropgesteld budget kan verkrijgen (vaste prijs of kosten).

    Het komt dus de overheid toe te bepalen welke economische en welke kwalitatieve criteria in verband met het voorwerp van de opdracht zij zal aanwenden.

    Voor het economisch aspect van de beoordeling op basis van de beste prijs-kwaliteitsbeoordeling, zie de toelichting bij prijs en kosten.

    De kwaliteitscriteria in het kader van de beste prijs-kwaliteitsverhouding moet de overheid telkens nader invullen en dit in het licht van de opdracht in kwestie.

    De wetgever geeft in art. 81, 3° Wet Overheidsopdrachten een niet-limitatieve opsomming van mogelijke criteria. Het gaat onder meer om kwaliteit waaronder de technische verdienste, esthetische en functionele kenmerken, toegankelijkheid, geschiktheid van het ontwerp voor alle gebruikers, sociale, milieu- en innovatieve kenmerken (bv. de vervaardiging van producten zonder gebruik te maken van toxische chemische stoffen of de sociale integratie van kansarmen of leden van kwetsbare groepen), de handel en de voorwaarden waaronder deze plaatsvindt (bv. producten uit duurzame handel), in bepaalde gevallen om de organisatie, kwalificatie en ervaring van het uitvoerend personeel, om de leveringsvoorwaarden, klantenservice en technische bijstand (bv. de mate waarin advies wordt verstrekt of vervangende producten of diensten geleverd worden). Rekening houdende met de beginselen zijn uiteraard andere criteria mogelijk.

    Een beoordeling op basis van de beste prijs-kwaliteitsverhouding zal dus meer voor de hand liggen voor een project waarbij de overheid in min of meerdere mate een opening laat voor de eigen technische of kwalitatieve inbreng van de inschrijvers. Hier zullen, naast de prijs of kosten, ook andere criteria een rol spelen.

    Beginselen

    Keuzevrijheid

    De bepaling van de economisch meest voordelige offerte wordt vastgesteld vanuit het oogpunt van de overheid. Zij heeft hierbij dus een zekere beoordelingsmarge.

    Art. 81 §3 lid 2 Wet Overheidsopdrachten benadrukt dat de (gekozen) gunningscriteria er niet toe mogen leiden dat de overheid onbeperkte keuzevrijheid heeft. Verder bepaalt de wetgever dat de gunningscriteria de mogelijkheid van daadwerkelijke mededinging waarborgen en vergezeld gaan van specificaties aan de hand waarvan de door de inschrijvers verstrekte informatie daadwerkelijk kan worden getoetst om te beoordelen hoe goed de inschrijvingen aan de gunningscriteria voldoen. In geval van twijfel moet de overheid effectief de juistheid van de door de inschrijvers verstrekte informatie en bewijsmiddelen controleren.

    Dit is een logische toepassing van het zorgvuldig onderzoek waartoe de overheid gehouden is.

    Verband met voorwerp van de opdracht

    De gunningscriteria moeten steeds verband houden met het voorwerp van de opdracht en een objectieve vergelijking van de offertes mogelijk maken op basis van een waardeoordeel. De criteria moeten aansluiten bij het doel, de kenmerken en de specifieke aard van de opdracht. De criteria moeten ook objectief, voldoende precies en van aard zijn om de offerte te kunnen kiezen die de economisch meest voordelige is. Een voldoende precieze omschrijving kan bijvoorbeeld door middel van beoordelingselementen die toelichten wat er in concreto wordt verstaan onder het gunningscriterium.

    De wetgever licht in art. 81 §3 lid 2 Wet Overheidsopdrachten uitdrukkelijk toe wanneer gunningscriteria geacht worden verband te houden met het voorwerp van de opdracht, meer bepaald wanneer zij betrekking hebben op de in het kader van die opdracht te verrichten werken, leveringen of diensten, in alle opzichten en in elk stadium van de levenscyclus ervan. Dit met inbegrip van factoren die te maken hebben met het specifieke productieproces, het aanbieden of de verhandeling van deze werken, leveringen of diensten, of zelfs een specifiek proces voor een andere fase van de levenscyclus ervan, zelfs wanneer deze factoren geen deel uitmaken van de materiële basis ervan.

    Het vereiste verband met het voorwerp van de opdracht kan dus soepel geïnterpreteerd worden en is niet noodzakelijk een rechtstreeks verband. Een gunningscriterium hoeft bijvoorbeeld niet rechtstreeks betrekking te hebben op een kenmerkende eigenschap van een product in de zin van een element dat materieel in het product is opgenomen. Een voorbeeld hiervan is de levering van stroom uit hernieuwbare bronnen of van koffie uit duurzame handel; louter materieel zijn deze producten immers niet te onderscheiden van andere stroom of koffie.

    Deze bepaling is een codificatie van rechtspraak die de deur opende voor een soepele interpretatie van het vereiste verband met het voorwerp van de opdracht (EVN-Wienströmarrest C448/01 van 4 december 2003 en Koffie-arrest C-368/10 van 10 mei 2012)

    Het feit dat het vereiste verband met het voorwerp van de opdracht soepel wordt geïnterpreteerd, biedt een belangrijke basis voor het bevorderen van sociale en milieudoelstellingen via criteria in het kader van een beoordeling op basis van de beste prijs-kwaliteitsverhouding.

    Vermelding

    Uit bezorgdheid voor de transparantie en de gelijke behandeling dient de overheid de gunningscriteria in de aankondiging van de opdracht of in een ander opdrachtdocument te vermelden (art. 81 §3 laatste lid Wet Overheidsopdrachten).

    Gewicht en belang

    Inzake de waarde van elk gunningscriterium is de regeling verschillend voor de opdrachten vanaf en beneden de Europese drempelbedragen (art. 81 § 4 Wet Overheidsopdrachten).

    Hierbij is het belangrijk om de algemene toepasselijkheid van de regeling van de gunningscriteria zoals bepaald in art. 81 Wet Overheidsopdrachten indachtig te houden. De regeling van de gunningscriteria, met inbegrip van de regeling m.b.t. de weging van de gunningscriteria, is immers algemeen van toepassing ongeacht de gekozen plaatsingsprocedures (voor de uitzonderingen hierop, zie ‘toepasselijkheid’).

    De Memorie van Toelichting bij de Wet Overheidsopdrachten licht hierbij toe dat de overheden de nodige transparantie dienen te betrachten zodat iedere inschrijver redelijkerwijs kennis kan nemen van de criteria en regelingen die bij de voorbereiding van de gunning van de opdracht worden toegepast, om te garanderen dat bij de gunning het beginsel van gelijke behandeling in acht wordt genomen.

    Het gebruik van gunningscriteria met vermelde weging/belang is in het kader van gelijkheid en transparantie inderdaad een goede praktijk die best zo ruim mogelijk wordt toegepast.

    Opdrachten vanaf Europese drempelbedragen

    Voor de opdrachten vanaf de Europese drempelbedragen is de overheid verplicht om aan elk gunningscriterium een gewicht toe kennen.

    Dit gewicht kan men eventueel uitdrukken binnen een vork, met een passend verschil tussen minimum en maximum. Het passend verschil moet geval per geval worden beoordeeld en:

    • moet verdedigbaar zijn in functie van de betrokken opdracht;
    • mag niet tot gevolg hebben dat de volgorde van de gewogen criteria wordt omgekeerd;
    • mag geen onbeperkte keuzevrijheid openlaten voor de overheid.

    De vork is evenwel een zeer delicaat en risicovol instrument omdat het tot pure willekeur bij de evaluatie kan leiden, in functie van de inhoud van ontvangen offertes. Wanneer men verplicht is om aan elk gunningscriterium een gewicht toe te kennen, is het gebruik van een vork ten zeerste afgeraden.

    Als de overheid kan aantonen dat het relatieve gewicht onmogelijk vooraf kan worden bepaald, moeten de criteria in volgorde van afnemend belang worden geplaatst, zonder daar een cijfer op te plakken. Die onmogelijkheid kan onder meer te maken hebben met de complexiteit van de opdracht.

    Opdrachten beneden Europese drempelbedragen

    Voor de opdrachten beneden de Europese drempels specificeert de overheid ofwel de weging van de gunningscriteria ofwel de dalende volgorde van belangrijkheid ervan zonder daar een cijfer op te plakken, zo niet hebben ze dezelfde waarde.

    Selectiecriteria versus gunningscriteria

    De selectiecriteria hebben uitsluitend betrekking op de persoonlijke en kwalitatieve situatie van de kandidaten en inschrijvers die meedingen naar overheidsopdrachten.
    Die situatie heeft niets te maken met de kwaliteit of de inhoud van de ingediende offertes.

    De gunningscriteria daarentegen dienen voor de kwalitatieve en inhoudelijke evaluatie van de ingediende offertes en hun onderlinge vergelijking en afweging. Deze criteria houden verband met het voorwerp van de opdracht en maken een objectieve vergelijking van de offertes mogelijk op basis van een waardeoordeel.

    In de regel moet een strikte scheiding worden gemaakt tussen selectiecriteria en gunningscriteria daar zij een verschillende finaliteit en een aparte regulering kennen.
    De overheid mag dus in principe geen criteria die betrekking hebben op de persoonlijke en kwalitatieve situatie van de kandidaten en inschrijvers zoals bijvoorbeeld “kennis en ervaring” als gunningscriterium aanwenden.

    Art. 81 §2 3° b) Wet Overheidsopdrachten voorziet in een uitzondering op de strikte scheiding tussen selectiecriteria en gunningscriteria en bepaalt dat de organisatie, de kwalificatie en de ervaring van het personeel voor de uitvoering van de opdracht, kan worden aangewend als een gunningscriterium wanneer de kwaliteit van dat personeel een aanzienlijke invloed kan hebben op het niveau van de uitvoering van de opdracht.

    De overheid moet aantonen dat de ervaring van het personeel relevant is. Zij zal dus uitdrukkelijk moeten aangeven dat het gebruik van een gunningscriterium over de organisatie, de kwalificatie en de ervaring van het personeel voor de uitvoering van de opdracht nodig is omwille van de bijzondere vereisten van de opdracht, bijvoorbeeld omdat de specificiteit van de opdracht vereist dat ze wordt uitgevoerd door gespecialiseerde mensen met een bijzondere ervaring. De overheid neemt best in haar opdrachtdocumenten een uitdrukkelijke passage op waarin zij deugdelijk motiveert dat de kwaliteit van de uitvoering van de opdracht inherent verbonden is met de kwaliteit van de organisatie, de kwalificatie en de ervaring van het personeel dat voor de uitvoering van de opdracht zal worden ingezet.

    Overheden die gebruik maken van deze mogelijkheid dienen er voor te zorgen dat het personeel dat de opdracht moet uitvoeren, daadwerkelijk voldoet aan de voorgeschreven kwaliteitsnormen en alleen kan worden vervangen met toestemming van de overheid, die zich ervan vergewist dat nieuwe personeelsleden een gelijkwaardig kwaliteitsniveau hebben.

    Het in art. 81 §2 3° b) Wet Overheidsopdrachten voorziene gunningscriterium ‘organisatie, de kwalificatie en de ervaring van het personeel voor de uitvoering van de opdracht’ is een logische mogelijkheid die is ingegeven door het feit dat dit inderdaad van invloed kan zijn op de kwaliteit van de uitvoering van de opdracht en daarmee ook op de economische waarde van de offerte. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij opdrachten van intellectuele diensten zoals adviesverlening of architectuurdiensten.

    Vaak wordt immers ten onrechte aangenomen dat de organisatie, de kwalificatie en de ervaring van het personeel dat de opdracht werkelijk zal uitvoeren, geen gunningscriterium kan uitmaken en enkel bij de selectie kan worden nagegaan (dan echter zonder effect en zonder garanties voor uitvoering).

    Nochtans betekent een dergelijk gunningscriterium helemaal niet dat men in de gunningsfase rekening zou houden met criteria die op de inschrijver zelf betrekking hebben.
    Bij een consultancy-opdracht bv. kan een inschrijver bij het toetsen van de kwalitatieve selectiecriteria blijken te beschikken over uitmuntende senior consultants (naast minder ervaren juniors) en daarvoor een uitstekende score halen. Hij zou echter bij de uitvoering van de opdracht allemaal junior consultants kunnen inzetten en aldus een loopje nemen met het eerlijke verloop van de mededinging. Doordat het dit misbruik uitsluit, is het gunningscriterium nu juist zo effectief.

    In die zin bepaalt art. 68 §4 6° KB plaatsing m.b.t. de technische en beroepsbekwaamheid van de ondernemer dat de onderwijs – en beroepskwalificaties van de ondernemer enkel kunnen worden gebruikt als bewijsmiddel voor diens technische en beroepsbekwaamheid mits zij niet als gunningscriterium worden gebruikt

    Aangenomen mag dus worden dat aan het vereiste onderscheid tussen selectiecriteria en gunningscriteria wordt voldaan indien inzake de vereisten van technische en beroepsbekwaamheid wordt gevraagd naar de onderwijs – en beroepskwalificaties van de ondernemer en dus naar het personeel dat “kan” worden ingezet door de ondernemer, terwijl het gunningscriterium peilt naar de organisatie, kwalificatie en de ervaring van het personeel dat voor de concrete opdracht “zal” worden ingezet. Immers, in dergelijk geval peilt het selectiecriterium naar de persoon van de inschrijver op zich, los van de opdracht, terwijl het gunningscriterium de uitvoering van de opdracht voor ogen heeft.

    Sub-gunningscriteria

    De overheid kan een gunningscriterium onderverdelen in sub-gunningscriteria. De bedoeling is om via de sub-gunningscriteria tot een meer verfijnde toetsing te komen van de offertes aan het gunningscriterium in kwestie. Zulks zou moeten leiden tot een meer zorgvuldige beoordeling van elke offerte en een meer waterdichte motivering op dat punt en bijgevolg tot een meer correcte gunning van de opdracht.

    De Raad van State geeft volgende definitie van de sub-gunningscriteria en wijst erop dat men ze goed moet onderscheiden van uit de offertes gepuurde ‘elementen’ die alleen maar dienen om de beoordeling van een gunningscriterium te ondersteunen:

    “Sub-gunningscriteria zijn gegevens die dienstig zijn om in het aangebodene een onderscheid te maken en die aldus een maatstaf bij de beoordeling van een gunningscriterium zijn. Om een sub-gunningscriterium te kunnen onderscheiden van de in het kader van de motiveringsplicht vereiste vermelding van gunstige of minder gunstige ‘elementen die de beoordeling van een gunningscriterium ondersteunen’, moet het gaan om een voorafgaand aan de toetsing bedacht gegeven waarmee de offertes min of meer stelselmatig worden vergeleken of om een enigszins planmatige toetsing”.

    Als men sub-gunningscriteria wil gebruiken, dient men die samen met de gunningscriteria in de opdrachtdocumenten te vermelden. Wanneer daarbij de vermelding van de weging van de gunningscriteria verplicht is, geldt dit niet per definitie voor de weging van de sub-gunningscriteria waarvoor men de weging achteraf kan vaststellen, voor zover aan al de volgende voorwaarden worden voldaan (cf. rechtspraak Europees Hof van Justitie):

    • dit de gunningscriteria onaangeroerd laat;
    • dit voor de inschrijver redelijkerwijze van geen invloed kon zijn op het opmaken van hun offertes;
    • dit voor bepaalde inschrijvers geen discriminerend effect kan hebben.

    Deze voorwaarden geven impliciet doch duidelijk aan dat het in die situatie altijd transparanter en juridisch veiliger is om de weging van de gunningscriteria en de sub-gunningscriteria samen kenbaar te maken.

    Beoordelingsmethodiek

    De beoordelingsmethodiek is de manier waarop de overheid bij de beoordeling van de offertes de beoordelingselementen, vervat in de gunningscriteria, analyseert en waardeert teneinde tot scores en rangschikkingen volgens die scores te komen. Het is de concrete methode die de overheid zal gebruiken om de offertes te quoteren in het licht van de gunningscriteria en is met andere woorden te onderscheiden van de (sub)gunningscriteria zelf en hun weging/belang.

    Bij een beoordeling op basis van prijs kan dit gaan om verschillende methodieken zoals bijvoorbeeld de evenredigheidsregel. Voor het kwaliteitsaspect bij een beoordeling op basis van de beste prijs-kwaliteitsverhouding kan dit bijvoorbeeld gaan om het toekennen van punten of het hanteren van een ordinale schaal.

    Er is geen algemene verplichting om de beoordelingsmethodiek vooraf te preciseren of bekend te maken, zij het dat zulks in veel gevallen zeker kan bijdragen tot een hogere transparantie van de procedure. Teneinde manipulatie van de rangschikking tegen te gaan, is er wél een principiële plicht om de beoordelingsmethodiek vast te stellen vóórdat de offertes worden geopend. Van die verplichting kan slechts worden afgeweken indien het 'om aantoonbare redenen' niet mogelijk zou zijn de beoordelingsmethodiek vooraf te bepalen (NV TNS DIMARSO arrest van 14 juli 2016 (C-6/15)).

    Het niet vooraf meedelen van de beoordelingsmethodiek vergroot inderdaad de “speelmarge” bij de gunning. Het behoort tot de beoordelingsvrijheid van de overheid de volgens haar best geschikte beoordelingsmethode van de gunningscriteria te kiezen, zij het dat die vrijheid beperkt wordt door de beginselen van behoorlijk bestuur en door hetgeen zijzelf in haar bestek heeft bepaald.

    De keuze van de beoordelingsmethodiek is niet vrijblijvend; ze kan bepalend zijn voor de uitkomst van de beoordeling aan de hand van het betrokken gunningscriterium. Een methodiek is dan ook onwettig wanneer dit de gelijke beoordeling van de offertes zou uitsluiten en dus het bepalen van de economisch meest voordelige offerte onmogelijk zou maken.

    De uiteindelijk aangewende beoordelingsmethode mag niet tot gevolg hebben dat de in de opdrachtdocumenten vermelde (sub-)gunningscriteria en het relatieve gewicht ervan worden gewijzigd. Indien de overheid kiest voor een minder gebruikelijke beoordelingsmethode is het aangewezen om deze op voorhand bekend te maken. Inschrijvers moeten immers voldoende geïnformeerd zijn zodat zij bij het opstellen van hun offerte redelijkerwijs rekening kunnen houden met de wijze waarop de inhoudelijke beoordeling zal gebeuren.

    Er moeten dan ook worden besloten dat het bij de voorbereiding van een opdracht belangrijk is om niet alleen uitvoerig stil te staan bij de bepaling en omschrijving van de (sub)gunningscriteria zelf en hun gewicht/belang, maar ook bij de beoordelingsmethode.

    Als de beoordelingsmethode bij de voorbereiding van de opdracht reeds duidelijk is gekend, kan het omwille van transparantie een goede keuze zijn om de methode wel vooraf bekend te maken. Dit zal ook nadien bij de beoordeling van de offertes een praktisch voordeel bieden.

    Volledigheidshalve wordt hier herinnerd aan het feit dat de methode om de levenscycluskosten van een werk, levering of dienst te berekenen wel vooraf moet worden bekendgemaakt.