chat-altchatcrossloginquestion-circlesearchsmileystarthumbup-downwarning
Vlaanderen
Contacteer ons
    Terug naar overzicht Stuur een e-mail

    Stuur een e-mail naar 1700, de informatiedienst voor al uw vragen aan de overheid.
    U ontvangt een kopie van uw bericht.

    Terug naar overzicht Chat met ons
    Uw chatgesprek wordt automatisch gestart zodra er een medewerker beschikbaar is.
    Even geduld, uw positie in de wachtrij wordt bepaald.

    20 jaar Taaltelefoon: 'Regelmatig laten leerkrachten een leerling tijdens de les bellen.'

    maandag, 21 oktober 2019

    Taaladviseurs An Bosmans en Stef Croon aan het woord

    Stef Croon en An Bosmans

    Op 26 oktober 1999 wijdde het VRT-journaal een item aan een initiatief van de Vlaamse overheid dat de dag erop van start zou gaan: de Taaltelefoon, een openbare taaladviesdienst waarbij mensen terechtkonden met hun taalvragen. De Vlaming zat er blijkbaar op te wachten, want de dag erna stond de Taaltelefooncentrale witgloeiend. Taaladviseurs An Bosmans en Stef Croon waren er toen al bij.

    Hoe waren die eerste dagen?
    Stef:
    ‘Dat item in het journaal miste zijn effect niet. Klokslag negen uur begonnen de toestellen te rinkelen. En als we ophingen, rinkelden ze meteen weer. Het was een vuurdoop: in de eerste twee maanden hebben we meer dan 2600 vragen beantwoord.’
    An: ‘Het leek wat op een belegering. We maakten heel lange dagen. Alles was nieuw. We waren natuurlijk taalkundig opgeleid, maar we moesten ook onze eerste website helemaal zelf bouwen, van de grond af.’

    Herinner je je de allereerste vraag nog?
    Stef:
    ‘De eerste beller had geen vraag, maar een eis: dat niemand ooit nog de woorden invalide, mindervalide, andersvalide of gehandicapte zou gebruiken. Ze dacht dat wij daar in een handomdraai voor konden zorgen. Een kleine overschatting van onze macht.’
    An: ‘Als we zo veel invloed op het taalgebruik hadden, zou niemand nog noemen en heten door elkaar halen. (gelach) Maar wij hebben geen toverknop waarmee we ieders taalgebruik in één klap kunnen bijsturen. Of die hebben we nog niet gevonden.’

    Wie belt er zoal naar de Taaltelefoon?
    Stef:
    ‘We hebben een bont publiek. Van schoolkinderen tot hoogbejaarden. Mensen die professioneel met taal en teksten bezig zijn, maar ook mensen die maar af en toe iets schrijven. Studenten die met papers of masterproeven in de weer zijn. Mensen die op zoek zijn naar het juiste woord of naar een formulering die precies goed zit. Dat kunnen ambtenaren, communicatiemensen en redacteurs zijn, maar ook advocaten, geestelijken, copywriters of quizmakers. Of een steenhouwer die vooral geen dt-fout in een monument wil beitelen.’
    An: ‘Mensen bellen als het écht belangrijk is dat hun taal correct is. Als ze een sollicitatiebrief schrijven bijvoorbeeld, of een uitnodiging, of een verslag. We hebben geregeld begrafenisondernemers aan de lijn: een rouwbrief is een van de belangrijkste teksten die ooit over iemand worden geschreven. Daar wil je geen fouten in.’

    Wij hebben geen toverknop waarmee we ieders taalgebruik in één klap kunnen bijsturen.
    An Bosmans, taaladviseur

    Wat voor vragen krijgen jullie? Zijn dat vooral dt-vragen?
    Stef:
    ‘Voor ons zijn dt-vragen wat een gesnipperd uitje is voor Jeroen Meus: dagelijkse kost, maar het is maar een fractie van het werk. We krijgen wel veel spellingvragen: hoofdletters, aaneenschrijven, afkortingen, de tussen-s, leestekens. We krijgen ook veel vragen over de betekenis en het correcte gebruik van woorden en uitdrukkingen.’

    Welke vragen krijgen jullie nog zoal?
    An: ‘Waarom krijgt mooi een -e in een mooie jongen maar niet in een mooi meisje? Hoe zit dat met hen en hun? Annulatie of annulering? Moet er een komma na de briefaanhef? Antwoord je met ja of nee op de vraag ‘Leven er geen ijsberen op de zuidpool?’ Wat zijn de trappen van vergelijking van moe? Is het heel de dag of de hele dag?’
    Stef: ‘Wat betekent acribisch? Dat was een vraag van iemand die ‘Oorlog en terpentijn’ aan het lezen was.’

    An Bosmans aan de telefoon

    Krijgen jullie nog evenveel telefoontjes als in het begin?
    An:
    ‘In de beginjaren kwam 85% van de vragen binnen via telefoon en 15% via mail. Vandaag is dat bijna omgekeerd: 25% telefoon en 75% mail.’
    Stef:
    ‘De wereld is nu veel digitaler. In het begin werkten we met papieren registratieformulieren en rolden er nog vragen binnen via de fax. Het internet stond in zijn kinderschoenen en er was nog geen Google. Op onze tafels lagen diskettes en cd-roms.’
    An: ‘De eerste cd-rom van Van Dale, dat was toen het neusje van de zalm! Opzoeken ging sneller en makkelijker. Dat was geen overbodige luxe aan de telefoon.’

    Hebben mensen vandaag nog evenveel behoefte aan taaladvies als toen?
    Stef:
    ‘Zonder enige twijfel. In de beginjaren behandelden we zo’n tienduizend taalvragen per jaar, de laatste jaren schommelt dat tussen de zes- en de zevenduizend. Maar verkijk je daar niet op: wie vandaag een taalvraag heeft, begint te googelen en vindt het antwoord vaak zelf al op onze websites. Mensen hóéven ons dus niet meer zo vaak te bellen of te mailen.’
    An: ‘We helpen nu veel meer mensen via het internet. Taaltelefoon.be werd vorig jaar bijna zes miljoen keer geraadpleegd, Taaladvies.net negen miljoen keer. En het online Groene Boekje werd ook vier miljoen keer bekeken. Dat zijn veel vragen die we niet meer persoonlijk hoeven te beantwoorden. Dus ja, mensen liggen nog wakker van taal en van spelling.’

    Stef Croon bladert door de Grote Van Dale

    Is de norm voor standaardtaal veranderd in die twintig jaar?
    Stef:
    ‘Zeker. Maar dat heeft niet met teloorgang te maken, maar met een realistischer omgang met taalvariatie. Vroeger werd de norm rigoureus in Nederland gelegd. Zeg niet luidop en aanwezigheidslijst, maar zeg hardop en presentielijst. Omdat de Nederlanders dat zo zeggen. Alles wat Belgisch-Nederlands was, kreeg zonder enige nuance het etiket ‘fout’. Ook tijdens onze opleiding was dat nog zo. Terwijl het Belgisch-Nederlands natuurlijk ook allerlei stijlregisters heeft. Vandaag is er meer ruimte voor die variatie en die registers, maar dat betekent niet dat we alles zomaar goedkeuren wat vroeger werd afgekeurd.’

    Hoe moeilijk is onze spelling eigenlijk?
    An:
    ‘Talen als het Fins en het Italiaans hebben een spelling die dichter bij de uitspraak ligt, en zijn daardoor wat makkelijker te leren. Maar het Engels en het Frans hebben dan weer een veel moeilijker spelling. Wij zitten ergens in het midden. Het Groot Dictee gaf jarenlang de boodschap dat spellen hondsmoeilijk is: je zag goeie spellers dertig fouten maken in acht zinnen. Maar dat was omdat die zinnen erg gezocht waren en bulkten van de rariteiten.’
    Stef: ‘De spellingregels zijn nu duidelijker dan vroeger. In de nieuwe spelling van 1995 zaten er nog vrij veel hiaten en kronkels, maar in 2005 is de Leidraad van het Groene Boekje bijgestuurd. Daar was toen ook veel over te doen in de pers. Die heisa is bijna een verplicht nummer, maar de regels bieden nu meer houvast dan ooit.’

    Als mensen op een feestje horen dat ik taaladviseur ben, zeggen ze vaak “Oei, dan moet ik opletten wat ik zeg!” Alleen Sigmund Freud kreeg dat zinnetje vaker te horen, denk ik.
    Stef Croon, taaladviseur

    Wat moet een goede taaladviseur kunnen?
    An:
    ‘Je moet veel parate taalkennis hebben en die snel kunnen gebruiken. Soms zeggen mensen: “Knap zeg, dat u dat allemaal zo voor de vuist weg kunt antwoorden.” Maar terwijl ik zo kalm zat te praten, zat ik wel als een gek allerlei informatie open te klikken. We weten heel goed waar we de informatie kunnen vinden die we nodig hebben.’
    Stef: ‘Koelbloedigheid helpt, want je weet nooit wat je te wachten staat. Regelmatig laten leerkrachten een leerling tijdens de les bellen. Dan moet je tonen wat je waard bent. Je hebt een sceptisch publiek – “Huh, een taaltelefoon? Bestáát dat zelfs?” – en je moet iets complex op een eenvoudige manier uitleggen: kort, goed gestructureerd, met een voorbeeld of een trucje dat ze nooit meer vergeten. Ondertussen hoor je een rare galm, want de telefoon staat op speaker en iedereen luistert mee. Dat is alsof je zélf examen zit af te leggen. Als je zo’n klas aan het eind “Dank u!” hoort roepen, dan is dat een geweldig gevoel.’

    Het beeld van de taaladviseur als kijvende boeman, bestaat dat nog?
    Stef:
    ‘Als mensen op een feestje horen dat ik taaladviseur ben, zeggen ze vaak “Oei, dan moet ik opletten wat ik zeg!” Alleen Sigmund Freud kreeg dat zinnetje vaker te horen, denk ik. (gelach) Maar ik ben zeker geen kijver die anderen voortdurend op de vingers tikt. Ik heb wel een leven, hé.’
    An: ‘Mensen hebben vragen en wij beantwoorden die zo goed mogelijk. We helpen elke keer weer iemand uit de penarie, dat is wel fijn. We krijgen soms heel leuke reacties!’

    Enkele reacties van vraagstellers

    Een pluim voor het uitstekende werk dat jullie leveren. Ik doe af en toe een beroep op jullie vlotte, deskundige en uitermate vriendelijke dienstverlening en consulteer geregeld jullie website: ik ben een zeer tevreden gebruiker!
    Frie Van Grunderbeeck

    Hartelijk bedankt voor dit supersnelle antwoord! U doet hiermee alle clichés omtrent overheidsdiensten teniet. Wij zijn fan!
    Bas Moeyaert

    Prijs voor warmste stem van de week gaat naar ... de man van de @taaltelefoon die me vriendelijk opbelde met het antwoord op mijn vraag. Geen zin om mijn voicemail in te spreken? 
    @loremichiels (op Twitter)

    Fijn dat zo'n dienst bestaat!  Af en toe weet je echt niet waar je het moet zoeken. Dank je wel!
    Hans Verstraete

    Uit ‘Vos. Het leven van Luc De Vos’ van Leon Verdonschot

    Als Luc twijfelde over een schrijfwijze, belde hij de Taaltelefoon, waar tot Lucs grote fascinatie aan de Boudewijnlaan in Brussel ambtenaren klaarzaten om taalkundige vragen te beantwoorden. […] 'Soms voerde hij hele gesprekken met ze, alleen al uit enthousiasme over het feit dat die mensen er überhaupt wáren.’

    Dit interview is eerder verschenen in het magazine Heerlijk helder & helemaal juist! van Team Taaladvies.