chat-altchatcrossloginquestion-circlesearchsmileystarthumbup-downwarning
Vlaanderen
Contacteer ons
    Terug naar overzicht Stuur een e-mail

    Stuur een e-mail naar 1700, de informatiedienst voor al uw vragen aan de overheid.
    U ontvangt een kopie van uw bericht.

    Terug naar overzicht Chat met ons
    Uw chatgesprek wordt automatisch gestart zodra er een medewerker beschikbaar is.
    Even geduld, uw positie in de wachtrij wordt bepaald.

    Welke gevolgen heeft het bestuursdecreet voor burgers

    In het bestuursdecreet wordt de term “burger” in de ruimste betekenis gebruikt, namelijk: alle natuurlijke personen, groeperingen van natuurlijke personen, rechtspersonen of groeperingen van rechtspersonen, zowel met winstgevend als niet-winstgevend doel (art. I.4, 7°).

    Het bestuursdecreet bevat voorschriften die vroeger over 12 verschillende decreten verspreid waren. Wat hieronder volgt is geen exhaustief overzicht van alle  rechten en verplichtingen die er in opgenomen zijn, maar wel van wat nieuw is of wat er inhoudelijk veranderd is aan de bestaande regelgeving.

    Alle voorschriften treden in werking op 1 januari 2019, tenzij anders is vermeld.

    Wat is er nieuw

    De verplichting van de Vlaamse overheid en de lokale overheden om het publiek actief te informeren wordt bevestigd en gespecificeerd

    • Het principe dat een correcte, gerichte en tijdige voorlichting door de overheid over haar beleid, regelgeving en dienstverlening een basisrecht is van de burger wordt bevestigd (art. II.2)

    Als de Vlaamse overheid voortaan nieuwe regelgeving uitvaardigt die invloed heeft op de rechten en plichten van burgers, is ze verplicht specifieke informatie te verstrekken over de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit nieuwe regelgeving (art. II.9, §2).

    Alle Vlaamse regelgeving die rechten en plichten van burgers regelt, wordt sowieso bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. en de geconsolideerde teksten worden ter beschikking gesteld via de Vlaamse codex. De toegang tot de Vlaamse regelgeving in een vroeger stadium wordt gegarandeerd door de terbeschikkingstelling van ontwerpregelgeving tijdens de goedkeuringsprocedure (art. II.9, §1).

    De nieuwe decretale verplichting gaat nog een stap verder: voor die Vlaamse regelgeving die rechten toekent of verplichtingen oplegt aan burgers moet, op maat van de doelgroep, verduidelijkt worden wat er precies verandert.

    • Het principe dat alle personeelsleden van de Vlaamse overheid en van de lokale overheden iedereen die informatie zoekt moeten bijstaan (art. II.6, tweede lid) en het principe dat vragen die bij een onbevoegde instantie terechtkomen moeten doorgestuurd worden naar de bevoegde instantie (art. II.6, derde lid) wordt veralgemeend.

    We noemen dit het “no wrong door principe”. Deze verplichtingen bestonden al voor vragen openbaarheid en hergebruik, maar worden nu veralgemeend tot alle informatievragen.

    Burgers kunnen uiteraard ook nog altijd terecht bij het centraal contact- en informatiepunt van de Vlaamse overheid of een ander (sectorspecifiek) contact- en informatiepunt, zoals bijv. dat voor ondernemingen.

    • Er zal een virtueel loket voor burgers (“mijn burgerprofiel”) uitgebouwd worden (art. II.7)

    De Vlaamse overheid zal een geconsolideerde toegang aanbieden onder de vorm van ‘mijn burgerprofiel’.

    Hierdoor zal elke natuurlijke persoon de mogelijkheid hebben om via een virtueel gecentraliseerd kanaal een overzicht te krijgen van zijn gegevens en interacties met de overheid (de Vlaamse overheid en de lokale overheden, maar ook federale overheid of andere gemeenschappen en gewesten). De burger krijgt daarnaast ook inzicht in het gebruik van zijn gegevens door de overheid – voor persoonsgegevens een vereiste uit de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). De geconsolideerde en burgergerichte toegang toont de statussen van lopende aanvragen en overige procedures en maakt het mogelijk voor de burger deze op te volgen. Het doel is ook om de burger duidelijk te maken welke diensten of rechten (mogelijks) op hem/haar van toepassing zijn. De burger wordt actief op de hoogte gesteld van aanpassingen van gegevens, aanpassingen van statussen, berichten over (mogelijks) toepasselijke dienstverlening en kan daarbij zelf aangeven welk type van meldingen hij/zij via welk kanaal wil ontvangen.

    • Het publiek zal nog meer betrokken worden bij het Vlaamse beleid en de Vlaamse regelgeving

    Burgers krijgen de mogelijkheid om voorstellen in te dienen of meldingen te doen over het beleid van de Vlaamse Regering en over de Vlaamse regelgeving met garantie op een antwoord als het voorstel of de melding niet kennelijk ongegrond of onredelijk is (art. II.88)

    De mogelijkheid voor de Vlaamse Regering of leden van de Vlaamse Regering  om open publieksconsultaties te organiseren of aan de strategische adviesraden te vragen om dat te doen wordt decretaal verankerd (art. II.8 en art. III.104)

    Daartoe zal online consultatieportaal uitgebouwd worden op de www.vlaanderen.be (art. II.8). Telkens als het nuttig geacht wordt om het publiek rechtstreeks te consulteren over visienota’s, conceptnota’s, groen- of witboeken, over belangrijke voorontwerpen van decreet of ontwerpen van uitvoeringsbesluiten, over evaluatie van bestaande decreten of besluiten of over de impact van initiatieven van andere overheden (bijvoorbeeld EU) op Vlaamse bevoegdheden, zal dit initiatief (ook) aangekondigd worden via dit centrale consultatieportaal.

    • Digitalisering: alle websites en mobiele applicaties van de Vlaamse overheid, van de lokale overheden en van instellingen met een publieke taak moeten toegankelijk zijn voor iedereen

    De Europese richtlijn EU 2016/2102 schrijft voor dat websites en de mobiele applicaties van overheidsinstanties[1] moeten voldoen aan de toegankelijkheidsvereisten (in het bijzonder voor mensen met een beperking en ouderen) die opgelegd worden bij Europese normen

    1. voor websites die gepubliceerd werden vóór 23 september 2018 geldt deze verplichting vanaf 23 september 2020;
    2. voor websites die gepubliceerd werden vanaf 23 september 2018 geldt deze verplichting vanaf 23 september 2019;
    3. voor mobiele applicaties geldt deze verplichting vanaf 23 juni 2021;

    Als het voor specifieke content onmogelijk is te voldoen aan deze normen zonder dat dit een buitensporige organisatorische of financiële last zou betekenen voor de instantie of als dit afbreuk zou doen aan het vermogen van de instantie om haar doelstelling te verwezenlijken of om relevante informatie bekend te maken, en rekening houdend met het waarschijnlijk voor- of nadeel voor de burgers, kan een uitzondering gemaakt worden op deze verplichting.

    Op iedere overheidswebsite moet een toegankelijkheidsverklaring gepubliceerd worden, waarin onder meer beschreven wordt welke elementen niet voldoen aan de vereisten en waarom.

    De toegankelijkheid van websites van de Vlaamse overheid wordt regelmatig gemonitord en er wordt over gerapporteerd aan Europa.

    Burgers die problemen hebben met de toegankelijkheid van websites kunnen contact opnemen met de instantie die de website publiceert.

    Meer info: https://overheid.vlaanderen.be/digitale-overheid/gebruiksvriendelijke-digitale-dienstverlening/wettelijke-verplichtingen

    • Digitalisering: Berichten tussen burgers en de Vlaamse overheid of de lokale overheden kunnen onder bepaalde voorwaarden elektronisch uitgewisseld worden, ook als de bestaande regelgeving alleen de analoge variant voorziet

    Voortaan kunnen instanties van de Vlaamse of lokale overheid een digitaal alternatief aanbieden voor de uitwisseling van berichten met burgers, ook als de toepasselijke regelgeving alleen in een analoge weg voorziet (art. II.22). We noemen dit de equivalentieregel: elektronische communicatie is mogelijk zonder dat de regelgeving noodzakelijk hoeft aangepast te worden.

    Het gaat hier om berichten die, in het kader van wettelijke of reglementaire bepalingen, rechtsgevolgen beogen tot stand te brengen (bijv. het versturen van een subsidieaanvraag, het indienen van een beroep, de kennisgeving van een beslissing, …)

    De rechtsgeldigheid van elektronische communicatie “contra legem” is alleen gegarandeerd als de volgende voorwaarden vervuld zijn:

    1) de betrokken overheidsinstantie heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven dat de elektronische uitwisseling mogelijk is en heeft voldoende informatie verschaft over de te volgen procedures (bijv. op de website van de instantie):

    2) de burger heeft expliciet toestemming gegeven aan de overheidsinstantie om berichten via elektronische weg uit te wisselen;

    3) de burger moet deze toestemming ten allen tijde kunnen intrekken.

    • Digitale aangetekende zending

    Om bij elektronische uitwisseling van berichten discussies te vermijden, wordt het tijdstip van verzending en ontvangst van berichten eenduidig vastgelegd, namelijk het tijdstip waarop het bericht het informatiesysteem van de overheid verlaat, respectievelijk bereikt (art. II.23). Dit is van belang i.v.m. dwingende termijnen en vervaldatums.

    De digitale aangetekende zending wordt mogelijk gemaakt: als de instantie en de geadresseerde hetzelfde informatiesysteem gebruiken, wordt een elektronisch bericht als aangetekende zending beschouwd. Onder hetzelfde informatiesysteem wordt een informatiesysteem of een combinatie van informatiesystemen begrepen waarbij er voldoende controle is over de logging van het tijdstip van verzending en ontvangst. Het feit dat overheid en geadresseerde gebruik maken van hetzelfde informatiesysteem moet voldoende garanties bieden omtrent de informatieveiligheid en onweerlegbaarheid van een digitale aangetekende zending.  Overheidsinstanties kunnen daarnaast ook gebruik (blijven) maken van private erkende diensten voor digitaal aangetekende zending; federale regelgeving garandeert in dat geval dat de diensten van erkende private dienstverleners worden gelijkgesteld met klassieke aangetekende post.

    • Digitale ondertekening

    De mogelijkheid wordt voorzien dat bestuursdocumenten in elektronische vorm worden opgemaakt, ook als de toepasselijke regelgeving alleen de analoge vorm voorziet (art. II.24 - de zgn. digital born’ documenten). Dit kan op voorwaarde dat bewaring conform de regels in het bestuursdecreet m.b.t. het beheren, bewaren en vernietigen van documenten mogelijk zijn.

    In hetzelfde artikel wordt voorzien dat bestuursdocumenten digitaal ondertekend kunnen worden. De instanties die digitale ondertekening toelaten, moeten een elektronische procedure vaststellen die de authenticiteit en de integriteit van de gegevens waarborgt. Dit kan een geavanceerde handtekening of een gekwalificeerde handtekening zijn in de zin van de EIDAS verordening maar ook een andere elektronische procedure die voldoende waarborgen biedt. De optie die uiteindelijk gekozen wordt, hangt af van de context en omstandigheden die men met de ondertekening op het oog heeft. Voorbeelden van een elektronische procedure zijn: geven van een toestemming in een informatiesysteem waarin al dit soort acties worden gelogd of het inloggen in een informatiesysteem via username/password om via een ‘klik op de knop’ een bevestiging te geven die gelogd wordt.

    • Digitale substitutie

    Het wordt mogelijk om “analoge” bestuursdocumenten te vervangen door “elektronische kopieën” (bijv. via scanning) zonder verlies aan bewijswaarde op voorwaarde dat voldaan is aan de voorschriften die de Vlaamse Regering vaststelt inzake opmaak en bewaring van de kopieën (art. II.25 – de zgn. substitutieregel)

    • Only once wordt versterkt

    Burgers kunnen weigeren gegevens aan een overheidsinstantie te bezorgen als die gegevens reeds in een erkende authentiek gegevensbron opgenomen zijn (het “only once-principe wordt versterkt)

    Het only once-principe was reeds verankerd in het e-gov-decreet (het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer) maar in de toekomst kan de burger niet alleen klacht indienen als hem telkens opnieuw om dezelfde gegevens gevraagd wordt, hij zal ook, zonder verlies van rechten, kunnen weigeren om gegevens te verstrekken die hij al eerder bezorgde en die opgenomen zijn in een erkende authentieke gegevensbron.

    Momenteel zijn de volgende Vlaamse authentieke gegevensbronnen erkend: adressenregister (CRAB), Grootschalig referentiebestand (GRB), voorkooprechten, bedrijventerreinen en Leer- en Ervaringsbewijzendatabank (LED). Daarnaast moeten ook federale gegevensbronnen als Rijksregister, Kruispuntbank Sociale Zekerheid (KSZ) en de sociale gegevensbronnen en Kruispuntbank Ondernemingen (KBO) verplicht gebruikt worden.

    Voorlopig is dit principe nog niet in werking: de Vlaamse Regering moet nog bij besluit vastleggen vanaf wanneer de burger welke gegevens niet meer hoeft ter beschikking te stellen.

     

    Wat verandert er aan de bestaande decreten die zijn opgenomen in het bestuursdecreet

    OPENBAARHEIDSDECREET (decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur)

    wat “actieve” openbaarheid betreft:

    • Bij uitwisseling van berichten (brief, mail, …) met burgers is niet langer vereist dat de naam en het telefoonnummer van een individueel personeelslid vermeld wordt: er kan ook volstaan worden met een generiek telefoonnummer of een mailbox van de instantie of een onderdeel ervan (art. II.20)
    • De verplichting om beroepsmogelijkheden te vermelden bij de kennisgeving van beslissingen of administratieve rechtshandelingen blijft bestaan (art. II.21). Het niet vermelden van de beroepsmogelijkheden heeft niet langer de ongeldigheid van de kennisgeving tot gevolg maar blijft wel gesanctioneerd met het opschorten van de beroepstermijn: de beroepstermijn begint pas te lopen 4 maanden na de kennisgeving. 

    Wat “passieve” openbaarheid betreft:

    • Terminologische aanpassing:

    De definitie van “bestuursdocument” wijkt op 2 punten af van die in het openbaarheidsdecreet, maar de draagwijdte van het begrip is onveranderd:

    1° De nadruk ligt niet langer op de “drager” maar op de informatie die op een drager beschikbaar is. Er is gekozen voor een herformulering omdat die beter aansluit bij de definitie van de richtlijn milieu-informatie en omdat, vooral in hoofdstuk hergebruik, abstractie moet kunnen gemaakt worden van de bestaande drager.

    Maar het blijft uiteraard wel zo dat alleen beschikbare data onder het toepassingsgebied vallen en dat de hoofdstukken toegang en hergebruik geen verplichting impliceren om data te verwerken en te ordenen. Voor zover daarover onduidelijkheid zou bestaan, wordt in resp. artikel II.31, derde lid, en II.57 bepaald dat instanties niet verplicht zijn informatie te creëren of te verwerken.

    2° Er is nu sprake van informatie “die in het bezit is van een overheidsinstantie” i.p.v. “waarover een overheidsinstantie beschikt”. Er is gekozen voor de herformulering omdat de term “beschikken” ten onrechte soms zo geïnterpreteerd werd dat informatie als bestuursdocument moet beschouwd worden zodra een overheidsinstantie die informatie ergens kan bekomen of kan opvragen. De Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak heeft in het verleden al bevestigd dat “beschikken” niet in die zin mag geïnterpreteerd worden.

    Anderzijds is alle informatie die een overheidsinstantie juridisch bezit, ook al heeft de instantie die niet feitelijk in bezit als bestuursdocument te beschouwen. Dat is bijvoorbeeld het geval als informatie in een archief is neergelegd of tijdelijk in het bezit is van een derde, of door derden ter beschikking wordt gehouden  op grond van reglementaire bepalingen.

    Inhoudelijk heeft het begrip dus nog exact dezelfde betekenis als in het openbaarheidsdecreet.

    • Ontvankelijkheid van de aanvraag:

    De aanvrager moet zijn naam en zijn postadres opgeven: de loutere vermelding van een mailadres volstaat niet langer. Deze maatregel is ingeschreven om misbruik van de openbaarheidsregeling en indienen van verzoeken onder fictieve naam te ontmoedigen.

    • Specifieke bepalingen voor “oude” bestuursdocumenten en voor toegang met wetenschappelijke doeleinden:    

    a) De bepalingen uit het archiefdecreet die ertoe strekken uitzonderingsgronden inzake toegang tot bestuursdocumenten te beperken in de worden ingeschreven in hoofdstuk toegang tot bestuursdocumenten en de termijnen worden aangepast (art. II.37):

    1. tot 20 jaar na opmaak van het bestuursdocument gelden alle uitzonderingsgronden
    2. tussen 20-50 jaar: alleen de uitzonderingen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer, vertrouwelijkheid van informatie van derden, van internationale betrekkingen, van commerciële informatie en decretale geheimhoudingsplicht gelden (behalve voor milieu-informatie);
    3. tussen 50-120 jaar: alleen de uitzondering ter bescherming van persoonlijke levenssfeer geldt, maar met die beperking dat deze uitzondering geldt tot maximaal 20 jaar na het overlijden van de betrokkene;
    4. vanaf 120 jaar: geen enkele uitzondering geldt nog

    b) Voor documenten die ouder zijn dan dertig jaar en die informatie van persoonlijke aard bevatten, geldt niet langer de voorwaarde dat belang moet aangetoond worden (art. II.40, §3)

    c) Art. II.38 maakt het mogelijk dat hogescholen, universiteiten of erkende onderzoeksinstellingen in het kader van wetenschappelijke doeleinden inzage kunnen krijgen in bestuursdocumenten die normaal uitgesloten worden van openbaarmaking op grond van artikel II.34 tot en met II.36. (zie ook uitvoeringsbesluit (principieel goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 14 december 2018)

    • Termijn voor behandeling openbaarheidsverzoek     

    De termijn voor behandeling van openbaarheidsverzoek wordt aangepast (art. II.43) :  er is voortaan nog slechts één termijn waarbinnen beslist en uitgevoerd moet worden : die bedraagt voortaan 20 kalenderdagen (daar waar vroeger een termijn van 15 dagen bestond om te beslissen en 30 dagen om uit te voeren, wat al te vaak aanleiding gaf tot misverstanden). Die termijn van 20 dagen is nog altijd korter dan de termijn van één maand die is voorzien in Verdrag van Aarhus. Die termijn van 20 dagen is verlengbaar tot 40 dagen, mits motivering.

    • Afbakening van openbaarheid en hergebruik:

    Omdat veel burgers niet het onderscheid blijken te maken tussen beide regelingen, moet een overheidsinstantie die een openbaarheidsverzoek (al dan niet gedeeltelijk) inwilligt, er op wijzen dat dit geen toestemming inhoudt om die informatie ook te gaan hergebruiken  (art. II.44, §3).

    • Procedure inzake verbetering van bestuursdocumenten

    De procedure inzake verbetering van bestuursdocumenten (art. II.47) wordt nu geregeld in een afzonderlijke afdeling met het oog op duidelijkheid en leesbaarheid. Ook hier wordt de behandelingstermijn op 20 kalenderdagen gebracht.

    • Beroepsprocedure

    Bij de beroepsprocedure wordt nu uitdrukkelijk voorzien (art. II.48, §2) dat de aanvrager een afschrift van zijn oorspronkelijk openbaarheidsverzoek en de eventuele weigeringsbeslissing van de instantie moet meesturen. Deze bepaling zal onnodig tijdverlies voorkomen.

     

    DECREET HERGEBRUIK (decreet van 27 april 2007 betreffende het hergebruik van overheidsinformatie

    • Toepassingsgebied

    Toepassingsgebied (art. II.53): er is geëxpliciteerd dat broncode van computerprogramma’s niet valt onder het toepassingsgebied (vroeger stond dat alleen in de memorie);

    •  Informatieverplichting

    De verplichting voor instanties om hergebruikers op de hoogte te brengen als bestaande informatie niet langer geproduceerd wordt, is vervangen door een algemene informatieverplichting (bijv. via website) (art. II.58)

    • Aanvraag- en beroepsprocedure

    De aanvraag- en beroepsprocedure en de behandelingstermijnen worden maximaal afgestemd op die van toegang tot bestuursdocumenten vanwege de samenhang tussen beide regelingen (art II.63-66 en art. II.69-73)

    De voorwaarde dat de aanvrager schriftelijk moet instemmen met de licentievoorwaarden (art. 12, §4, decreet hergebruik) wordt geschrapt: het aanvaarden van de voorwaarden kan op eender welke wijze blijken. Zo kunnen de mogelijkheden van Open Data optimaal benut worden (art. II.66).

    De beroepsinstantie kan voortaan onvoorwaardelijk hergebruik toestaan indien een afwijzende beslissing ongegrond is en de betrokken instantie verzuimt om de noodzakelijke bestuurshandelingen te verrichten (Art. II.72). 

    KLACHTENDECREET (decreet van 1 juni 2001 houdende toekenning van een klachtrecht ten aanzien van bestuursinstellingen)

    • Er is expliciet bevestigd dat een klacht ook mondeling kan ingediend worden, en dat schriftelijke klachten ook elektronisch kunnen ingediend worden (art. II.76, §1).
    • Een klacht moet niet onderzocht worden als ze kennelijk onredelijk is (art. II.77, §1, 3°).
    • Een ontvangstbevestiging is niet nodig als de klacht binnen 10 kalenderdagen wordt behandeld (art. II.80)
    • De bepaling over beroepsgeheim is vervangen door een discretieplicht naar analogie met art. II.2 VPS (art. 81, tweede lid).
    • Het wordt mogelijk bemiddeling te organiseren tussen de indiener van de klacht en de personen die betrokken zijn bij de feiten waarop de klacht betrekking heeft, waarbij de klachtenvoorziening als bemiddelaar optreedt (art. II.82).
    • De termijn voor behandeling blijft 45 kalenderdagen maar de mogelijkheid om in uitzonderlijke omstandigheden de termijn te verlengen met maximaal 45 kalenderdagen wordt ingevoerd (art. II.83, tweede lid).
    • De klachtenvoorziening moet de indiener, naast de bevindingen over het onderzoek naar de klacht, ook inlichten over de eventuele conclusies of initiatieven die ze zal nemen om in de toekomst gelijkaardige klachten te voorkomen (art. II.84, eerste lid).
    • Er worden een aantal verbeteringen aangebracht aan de interne procedure met het oog op klantvriendelijkheid:
      • als de klacht ingediend wordt bij een onbevoegde overheidsinstantie is het de instantie zelf die moet uitzoeken welke instantie wel bevoegd is en die de klacht moet doorsturen (art. II.78, eerste lid);
      • als meerdere instanties betrokken zijn bij een klacht moet de klacht door die gezamenlijk behandeld worden(art. II.78, tweede lid);
      • bij de behandeling kunnen (persoons)gegevens worden uitgewisseld tussen de klachtenbehandelaar en het personeelslid dat bij de klacht betrokken is, tenzij de indiener uitdrukkelijk vraagt om een vertrouwelijke behandeling (art. II.79);
      • er worden organisatorische verplichtingen ingeschreven die een neutrale en grondige klachtenbehandeling moeten waarborgen (art. II.86, tweede lid).
      • De mogelijkheid voor de indiener om een klacht in te dienen bij de ombudsdienst als de instantie weigert de klacht te behandelen, wordt uitgebreid: dat kan voortaan ook als de termijn overschreden wordt of als het antwoord niet voldoet voor de indiener (art. II.85, eerste lid).
      • Er wordt een uitzondering ingeschreven op de mogelijkheid om een tweedelijnsklacht in te dienen bij de ombudsdienst voor klachten die betrekking hebben op beroepsethiek als er een beroepsorde of –instituut werd opgericht om deze klachten te behandelen (art. II.85, tweede lid).

    [1] Specifieke content en specifieke instanties worden uitgesloten van deze verplichting (zie de tekst van artikel II.16 en II.17)