chat-altchatcrossloginquestion-circlesearchsmileystarthumbup-downwarning
Vlaanderen
Contacteer ons
    Terug naar overzicht Stuur een e-mail

    Stuur een e-mail naar 1700, de informatiedienst voor al uw vragen aan de overheid.
    U ontvangt een kopie van uw bericht.

    Terug naar overzicht Chat met ons
    Uw chatgesprek wordt automatisch gestart zodra er een medewerker beschikbaar is.
    Even geduld, uw positie in de wachtrij wordt bepaald.

    Selectie

    Bij de selectie gaat de overheid na of de kandidaten en inschrijvers cumulatief voldoen aan (cf. art. 58, § 1, eerste lid KB Plaatsing):
     

    Toegangsrecht

    Onder toegangsrecht worden volgende aspecten beschouwd:
     

    Verplichte vermelding

    De overheid moet in de bekendmaking van de opdracht opnemen op grond van welke inlichtingen en documenten ze het toegangsrecht zal nagaan (cf. art. 61, §1 tweede lid KB Plaatsing en art. 61, §3 KB Plaatsing). Het gaat om:
     

    Impliciete verklaring erewoord

    Het gebruik van de impliciete verklaring op erewoord is verplicht wanneer cumulatief voldaan is aan twee voorwaarden:

    • De verklaring slaat op inlichtingen en documenten die voor de aanbestedende overheid kosteloos en elektronisch toegankelijk zijn, met name het attest van niet-faillissement, het RSZ-attest en het attest betreffende de fiscale verplichtingen.
     
    Wanneer één van beide of beide voorwaarden niet vervuld zijn, geldt deze verplichting niet. Art. 61 §4 derde lid KB Plaatsing geeft in dat geval wel de mogelijkheid om gebruik te maken van de impliciete verklaring op erewoord. Het gebruik ervan heeft dan echter weinig nut:
     
    • Indien het inlichtingen en documenten betreft die niet kosteloos en elektronisch toegankelijk zijn voor de aanbestedende overheid, zal zij deze achteraf toch nog moeten opvragen bij de kandidaten of inschrijvers. De meerwaarde van een impliciete verklaring op erewoord is dan eerder klein.
     
    Het laatste lid van art. 61 §4 KB Plaatsing bepaalt tot slot wanneer de toestand van de kandidaten of inschrijvers moet worden nagegaan, met name alvorens de selectiebeslissing dan wel de gunningsbeslissing te nemen. Hierbij wordt een uitzondering gemaakt voor de verificatie van de naleving van de fiscale verplichtingen.

    Reeds voor de overheid beschikbare inlichtingen en documenten

    Er bestaan twee situaties waarin de kandidaten en inschrijvers vrijgesteld zijn van de plicht om zelf inlichtingen en documenten voor te leggen in verband met de toegang tot de opdracht:

    a) Beschikbaar bij andere binnenlandse- of buitenlandse overheden

    Bepaalde inlichtingen en documenten gaan uit van andere bevoegde binnenlandse of buitenlandse overheden en zijn kosteloos en elektronisch beschikbaar voor de overheid. Zo kunnen de overheden in België na autorisatie door hun veiligheidsbeheerder het federale Digiflow consulteren, onder meer voor het attest van niet-faillissement, het RSZ-attest, attest van fiscale schulden, het BTW-hoedanigheidsattest en de laatste 3 jaarrekeningen van de ondernemingen (globale omzet). Op dezelfde wijze is de (Verrijkte) Kruispuntbank voor Ondernemingen raadpleegbaar voor allerlei informatie zoals ondernemingsnummer, zetel, statuten, groepsstructuur, omzet, enz. … . In essentie zijn deze systemen beperkt tot de personen en ondernemingen die in België gevestigd zijn of er personeel tewerkstellen.
     
    Voor de meeste andere EU-Lidstaten vindt men in Bijlage 5 KB Plaatsing de nationale beroeps- of handelsregisters, weliswaar zonder hun internetadres.
     
    In die gevallen geeft de overheid in de bekendmaking aan dat ze zelf de nodige opzoekingen zal doen en mag ze de kandidaten en inschrijvers niet meer vragen, laat staan verplichten, om die inlichtingen of documenten nog voor te leggen (cf. art. 60, §1 KB Plaatsing). Mocht de overheid nalaten om zulks in de bekendmaking te vermelden, kunnen de kandidaten en inschrijvers er niettemin billijkerwijze van uitgaan dat de overheid uit eigen beweging de voor haar kosteloos en elektronisch beschikbare inlichtingen en documenten zal opzoeken.
     
    De resultaten van de gedane opzoekingen dienen bewaard te worden in het gunningsdossier.
     
    b) Beschikbaar bij dezelfde aanbestedende overheid

    Kandidaten en inschrijvers dienen de gevraagde inlichtingen en documenten niet voor te leggen indien dit al gebeurd is in het raam van een andere gunningsprocedure van dezelfde aanbestedende overheid (cf. art. 60, §2 KB Plaatsing).
     
    De kandidaten en inschrijver moeten de andere gunningsprocedure precies vermelden in het kandidaatstelling of offerte. De reeds voorgelegde documenten moeten uiteraard precies beantwoorden aan de vereisten van de voorliggende gunningsprocedure.
     
    Wanneer een entiteit die ressorteert onder de rechtspersoonlijkheid van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaams Gewest een opdracht uitschrijft is, juridisch gezien, de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaams Gewest de aanbestedende overheid. Strikt genomen komen dus alle inlichtingen en documenten die werden voorgelegd aan entiteiten die ressorteren onder de rechtspersoonlijkheid van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaams Gewest in aanmerking.
     
    Het is voor een overheid echter mogelijk om de mogelijkheid van art. 60, §2 KB Plaatsing uit te sluiten. Dit moet dan uitdrukkelijk vermeld worden in de bekendmaking.
     
    Rekening houdende met het groot en divers aantal entiteiten dat ressorteert onder de rechtspersoonlijkheid van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest, is het aan te bevelen om de mogelijkheid van art. 60, §2 KB Plaatsing te beperken tot inlichtingen en documenten die werden voorgelegd aan de administratieve entiteit die de opdracht uitschrijft. Indien bijvoorbeeld een departement of een intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid een opdracht uitschrijft zullen daardoor enkel inlichtingen en documenten in aanmerking komen die reeds eerder aan die welbepaalde administratieve entiteit werden voorgelegd.

    Toegangsverbod

    Kandidaten en inschrijvers ondergaan een toegangsverbod tot de opdracht in twee gevallen:
     

     
    Het toegangsverbod geldt in elk stadium van de gunningsprocedure (cf. art. 20 Wet Overheidsopdrachten).

    Het toegangsverbod is individueel toepasselijk op alle deelnemers die samen een offerte indienen als combinatie zonder rechtspersoonlijkheid of zich samen kandidaat stellen en de intentie hebben om, ingeval van selectie, samen een combinatie zonder rechtspersoonlijkheid op te richten (cf. art. 66 KB Plaatsing).
     
    Onder toegangsverbod worden volgende aspecten beschouwd:
     

    Uitsluitingsgevallen

    Uitsluitingsgevallen houden verband met de persoonlijke toestand van kandidaten en inschrijvers.

    De overheid moet of kan, al naargelang het geval, de toegang tot de opdracht weigeren aan kandidaten en inschrijvers in een aantal strikt omschreven uitsluitingsgevallen (cf. art. 20, §1 Wet Overheidsopdrachten, art. 61, §1 KB Plaatsing en art. 61, §2 KB Plaatsing).

    De overheid is daartoe verplicht als ze kennis heeft van een definitieve rechterlijke beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan en waarbij de kandidaat of inschrijver werd veroordeeld voor één of meer van volgende feiten:
     

    • deelname aan een criminele organisatie;
    • omkoping;
    • fraude;
    • witwassen van geld.
     
    De verplichting vervalt indien de overheid daartoe dwingende redenen van algemeen belang kan inroepen.

    De overheid heeft de mogelijkheid de toegang tot de opdracht te weigeren als de kandidaat of inschrijver:
     
    • in een aanloopprocedure naar of in staat verkeert van faillissement, vereffening of gerechtelijke reorganisatie;
    • bij rechterlijke beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan definitief veroordeeld is geweest voor een misdrijf dat zijn professionele integriteit aantast;
    • bij zijn beroepsuitoefening een ernstige fout heeft begaan;
    • niet in orde is met de RSZ-bijdragen;
    • fiscale schulden heeft;
    • in ernstige mate valse verklaringen heeft afgelegd inzake toegangsrecht en kwalitatieve selectie.
     
    Deze mogelijkheid van uitsluiting betreft eigenlijk een quasi-verplichting aangezien een overheid gebonden is door de beginselen van behoorlijk bestuur en zich bijgevolg niet kan inlaten met een kandidaat of inschrijver die in een uitsluitingspositie verkeert. In strikt gemotiveerde gevallen moet de overheid echter niet overgaan tot uitsluiting. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de kandidaat of inschrijver een gerechtelijke reorganisatie ondergaat, vermits die de bedoeling heeft om het bedrijf in kwestie overlevingskansen te bieden.
     
    Het bewijs dat de kandidaat of inschrijver zich niet in één van de uitsluitingsgevallen bevindt, wordt aangetoond door één van de middelen vermeld in art. 61, §3 KB Plaatsing of door een verklaring op erewoord. In dit laatste geval zal de overheid op het gepaste moment de juistheid nagaan van de verklaring van de kandidaten en inschrijvers waarvoor dit aangewezen is.

    Uitsluitingsgevallen

    Uitsluitingsgevallen houden verband met de persoonlijke toestand van kandidaten en inschrijvers.

    De overheid moet of kan, al naargelang het geval, de toegang tot de opdracht weigeren aan kandidaten en inschrijvers in een aantal strikt omschreven uitsluitingsgevallen (cf. art. 20, §1 Wet Overheidsopdrachten, art. 61, §1 KB Plaatsing en art. 61, §2 KB Plaatsing).

    De overheid is daartoe verplicht als ze kennis heeft van een definitieve rechterlijke beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan en waarbij de kandidaat of inschrijver werd veroordeeld voor één of meer van volgende feiten:
     

    • deelname aan een criminele organisatie;
    • omkoping;
    • fraude;
    • witwassen van geld.
     
    Daarnaast is de overheid ook verplicht om een kandidaat of inschrijver uit te sluiten van de toegang tot de gunningsprocedure indien is vastgesteld dat hij als werkgever illegaal verblijvende onderdanen van derde landen heeft tewerkgesteld als bedoeld in de wet van 11 februari 2013 tot vaststelling van sancties en maatregelen voor werkgevers van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen. Naar analogie met artikel 74 van het KB Plaatsing geldt de uitsluitingsgrond ook t.a.v. entiteiten waarop de kandidaat of inschrijver een beroep doet, wanneer de draagkracht van die entiteiten bepalend is voor de selectie van de kandidaat of de inschrijver.
     
    Deze bepaling werd vooralsnog niet verder uitgewerkt door de Koning.  Er moet nog worden vastgelegd voor welke kleine opdrachten (onder welk bedrag) de uitsluitingsgrond niet moet worden toegepast en tot welke maximumduur de uitsluitingsgrond geldt. Deze maximumduur mag niet meer dan vijf jaar bedragen.
     
    De verplichting om bovenstaande uitsluitingsgronden toe te passen vervalt indien de overheid daartoe dwingende redenen van algemeen belang kan inroepen.

    De overheid heeft de mogelijkheid de toegang tot de opdracht te weigeren als de kandidaat of inschrijver:
     
    • in een aanloopprocedure naar of in staat verkeert van faillissement, vereffening of gerechtelijke reorganisatie;
    • bij rechterlijke beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan definitief veroordeeld is geweest voor een misdrijf dat zijn professionele integriteit aantast;
    • bij zijn beroepsuitoefening een ernstige fout heeft begaan;
    • niet in orde is met de RSZ-bijdragen;
    • fiscale schulden heeft;
    • in ernstige mate valse verklaringen heeft afgelegd inzake toegangsrecht en kwalitatieve selectie.
     
    Deze mogelijkheid van uitsluiting betreft eigenlijk een quasi-verplichting aangezien een overheid gebonden is door de beginselen van behoorlijk bestuur en zich bijgevolg niet kan inlaten met een kandidaat of inschrijver die in een uitsluitingspositie verkeert. In strikt gemotiveerde gevallen moet de overheid echter niet overgaan tot uitsluiting. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de kandidaat of inschrijver een gerechtelijke reorganisatie ondergaat, vermits die de bedoeling heeft om het bedrijf in kwestie overlevingskansen te bieden.
     
    Het bewijs dat de kandidaat of inschrijver zich niet in één van de uitsluitingsgevallen bevindt, wordt aangetoond door één van de middelen vermeld in art. 61, §3 KB Plaatsing of door een verklaring op erewoord. In dit laatste geval zal de overheid op het gepaste moment de juistheid nagaan van de verklaring van de kandidaten en inschrijvers waarvoor dit aangewezen is.

    RSZ-bijdragen

    De vorige regelgeving ging uit van het onderscheid tussen Belgische en buitenlandse kandidaten en inschrijvers. Dat onderscheid was niet helemaal accuraat. Een buitenlandse inschrijver kan immers personeel tewerkstellen dat onderworpen is aan de Belgische sociale zekerheid en omgekeerd kan een Belgische inschrijver ook personeel tewerkstellen dat onderworpen is aan buitenlandse sociale zekerheid.

    Daarom maakt de regelgeving nu een onderscheid tussen personeel dat onderworpen is aan de Belgische sociale zekerheid en personeel dat niet onderworpen is aan de Belgische sociale zekerheid.

    a) Personeel onderworpen aan Belgische sociale zekerheid
     
    Als de kandidaat of inschrijver personeel tewerkstelt dat onderworpen is aan de Belgische sociale zekerheid, dan moet het RSZ-attest aantonen dat de kandidaat of inschrijver (cf. art. 62, §1 KB Plaatsing):
     

    • al de vereiste aangiften heeft toegezonden tot en met diegene die slaan op het voorlaatste afgelopen kalenderkwartaal voor de uiterste indieningsdatum van de kandidaatstellingen of offertes en;
    • op deze aangiften geen bijdrageschuld van meer dan 3.000 euro heeft of, in geval van een hogere schuld, de verkregen betalingsspreiding strikt respecteert.
     
    Ook wanneer de kandidaat of inschrijver, in geval van een hogere bijdrageschuld, voor het nemen van de selectiebeslissing of gunningsbeslissing kan bewijzen dat hij zelf schuldeiser is van overheden voor een gelijkwaardig bedrag, op de vermelde 3.000 euro na, ondergaat hij geen toegangsverbod. De schuldvordering moet wel niet enkel zeker en opeisbaar zijn, maar eveneens vrij van elke verplichting tegenover derden, wat betekent dat ze noch beslagen, noch overgedragen, noch in pand gegeven mag zijn.
     
    De kandidaat of inschrijver dient bij voorkeur zijn intentie hiertoe, alsook de nodige bewijsstukken, reeds in zijn kandidaatstelling of offerte op te nemen. In het offerteformulier kunt u hiervoor de nodige bepalingen voorzien.
               
    Voor het beoordelen van de RSZ-toestand dient de overheid zicht te richten op het voorlaatste afgelopen kalenderkwartaal.
     
    Als de periode waarop het attest moet slaan bij de indiening van de offerte nog dezelfde is als ten tijde van het indienen van de kandidaatstelling, hoeft het attest niet opnieuw te worden voorgelegd.
     
    b) Personeel onderworpen aan sociale zekerheid EU-lidstaat.
     
    Als de kandidaat of inschrijver personeel tewerkstelt dat onderworpen is aan de sociale zekerheid van een andere EU-lidstaat, dan moet het attest uitgereikt door de bevoegde overheid:
     
    • aantonen dat de kandidaat of inschrijver in orde is met de voorschriften inzake de betaling van zijn bijdragen voor sociale zekerheid overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het land waar hij gevestigd is, uiterlijk op de uiterste indieningsdatum van de kandidaatstelling of offertes;
    • uitgereikt zijn door de bevoegde overheid.

    Op kandidaten of inschrijvers die personeel van beide stelsels tewerkstelt, zijn beide regelingen toepasselijk.
     
    Als de periode waarop het attest moet slaan bij de indiening van de offerte nog dezelfde is als ten tijde van het indienen van de kandidaatstelling, hoeft het attest niet opnieuw te worden voorgelegd.
     
    c) Kleine opdrachten
     
    Voor opdrachten waarvan de raming niet hoger is dan 30.000 euro mag men aan de kandidaten en inschrijvers geen attest vragen, zelfs niet indien de overheid geen kosteloze elektronische toegang zou hebben tot deze attest.
     
    In dat geval is de overheid zelf verplicht om naar de sociale zekerheidstoestand van de kandidaat of inschrijver te informeren.
     
    d) Aanvullende bepalingen
     
    Indien een kandidaat of inschrijver onderworpen is aan de sociale zekerheid van de zelfstandigen, kan de overheid aan de hand van een attest nagaan of hij in orde is met de betaling van zijn sociale bijdragen. Wanneer een zelfstandig ondernemer personeel tewerkstelt zal de controle voor beide stelsels kunnen gebeuren.
     
    Bepaalde kandidaten of inschrijvers verklaren hun onbekendheid bij de RSZ doordat ze geen personeel in dienst hebben en
     
    • ofwel uitsluitend samenwerken met zelfstandige ondernemers: in dit geval valt het aan te raden om na te gaan of er niet manifest sprake is van een onderlinge relatie van gezag en ondergeschiktheid en dus van onwettige schijnzelfstandigheid;
    • ofwel stellen dat ze onmiddellijk na de sluiting van de opdracht het nodige personeel gaan aanwerven in dit geval valt het aan te raden om na te gaan of de noodzaak om over personeel te beschikken voor de uitvoering van de opdracht dan niet manifest wijst op een gebrek aan technische bekwaamheid en een ontwijking van de RSZ-verplichtingen.

    Fiscale verplichtingen

    Het fiscaal attest moet aantonen dat de kandidaat of inschrijver voldaan heeft aan zijn beroepsmatige fiscale verplichtingen volgens de wettelijke bepalingen van het land waar hij gevestigd is.

    Onder ‘beroepsmatige’ fiscale verplichtingen verstaat men de BTW, de personen- en vennootschapsbelasting (inkomstenbelasting en gelijkgestelde) en eventueel andere aan de beroepsactiviteit gebonden gewestelijke of lokale belastingen (door de overheid binnen redelijke perken te bepalen en in de bekendmaking te specificeren). Alleszins zijn niet-beroepsgebonden belastingen zoals erfenis- en schenkingsrechten daarbij uitgesloten.

    Het attest slaat op de laatste afgelopen fiscale periode voor de uiterste indieningsdatum van de kandidaatstellingen of offertes, al naargelang.     
    Specifiek voor België moet het attest aantonen dat de kandidaat of inschrijver:
     

    • geen bijdrageschuld van meer dan 3.000 euro heeft;
    • ofwel in geval van hogere schuld de afbetalingen van de verkregen betalingsspreiding strikt respecteert.
     
    Ook wanneer de kandidaat of inschrijver, in geval van een hogere bijdrageschuld, voor het nemen van de selectiebeslissing of gunningsbeslissing kan bewijzen dat hij op het einde van de vermelde fiscale periode zelf schuldeiser is van overheden voor een gelijkwaardig bedrag, op de vermelde 3.000 euro na, ondergaat hij geen toegangsverbod. De schuldvordering moet wel niet enkel zeker en opeisbaar zijn, maar eveneens vrij van elke verplichting tegenover derden, wat betekent dat ze noch beslagen, noch overgedragen, noch in pand gegeven mag zijn.
     
    De kandidaat of inschrijver dient zijn intentie hiertoe, alsook de nodige bewijsstukken, reeds in zijn kandidaatstelling of offerte op te nemen.

    Fiscale verplichtingen

    De verificatie van de naleving van de fiscale verplichtingen, wat de Belgische kandidaten en inschrijvers betreft, gebeurt op basis van het attest ‘fiscale schulden’ dat door de FOD Financiën wordt afgeleverd en sinds kort kosteloos geraadpleegd kan worden via de elektronische toepassing Digiflow.
    Door de mogelijkheid voor de aanbestedende overheid om de naleving van de fiscale verplichtingen van kandidaten of inschrijvers kosteloos na te gaan via Digiflow, mag de overheid niet langer fiscale attesten opvragen aan kandidaten of inschrijvers (tenzij de attesten niet raadpleegbaar zijn, bv. voor buitenlandse kandidaten of inschrijvers) (zie Art. 63 §1 KB Plaatsing en Art. 63 lid 1 §2 KB Plaatsing).

    Naar aanleiding van het beschikbare attest in Digiflow, wordt in artikel 63 KB Plaatsing niet langer gesproken over ‘beroepsmatige fiscale verplichtingen’, maar wel over ‘de fiscale verplichtingen ten opzichte van de FOD Financiën’. Op heden zijn hierin de volgende belastingen begrepen:
     
       -  De directe belastingen, met name:

    • De verschillende inkomstenbelastingen (personenbelasting, vennootschapsbelasting, belasting van niet-inwoners en rechtspersonenbelasting)
    • De voorheffingen (onroerende, roerende en bedrijfsvoorheffing)
    • De met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (verkeersbelasting op autovoertuigen, belasting op inverkeerstelling, het eurovignet, belasting op spelen en weddenschappen, belasting op automatische ontspanningstoestellen)
    • De administratieve boetes
       -  De belasting over de toegevoegde waarde en de fiscale boetes.
     
    Dit attest heeft geen betrekking op ‘de laatst afgelopen fiscale periode’. De fiscale verplichtingen worden in Digiflow immers op dynamische wijze benaderd, waarbij steeds de actuele toestand wordt weergegeven. Bovendien is er geen geïnformatiseerde archivering (geen historiek) van de gegevens voorzien.

    Doordat de aanbestedende overheid bij het onderzoek van de uitsluitingsgronden de toestand van kandidaten of inschrijvers dient na te gaan op het uiterste tijdstip voor indiening van kandidaatstellingen of offertes of op het moment van de openingszitting, en door het gebrek aan historiek van gegevens omtrent de fiscale verplichtingen in Digiflow, werd noodzakelijkerwijze een bijkomende, strenge bepaling ingevoerd. Overheden die toegang hebben tot Digiflow, dienen de naleving van de fiscale verplichtingen van de kandidaten of inschrijvers binnen 48 uur na het uiterste indieningstijdstip of het moment van de openingszitting na te gaan (Art. 63 lid 4 §2 KB Plaatsing). Na die termijn van 48 uur zal het immers onmogelijk zijn om een attest op te vragen dat de fiscale toestand weergeeft op het uiterste indieningstijdstip of het moment van de openingszitting. Dit leidt ertoe dat de fiscale toestand van álle kandidaten of inschrijvers moet worden nagegaan, en niet enkel van de kandidaat of inschrijver die voor selectie of gunning in aanmerking komt, alvorens de betreffende beslissing te nemen.

    Artikel 63 §3 van het KB Plaatsing laat de aanbestedende overheid toe de naleving van de betaling van andere fiscale schulden te controleren. De opdrachtdocumenten moeten dan aangeven om welke andere fiscale schulden het gaat en aan de hand van welke documenten het onderzoek zal gebeuren (Art. 63 §3 KB Plaatsing).

    Belangenvermenging

    Algemeen

    Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de belangenvermenging aan overheidszijde (synoniem: onverenigbaarheid) en de belangenvermenging aan de zijde van de kandidaten en inschrijvers.

    Belangenvermenging aan de zijde van de kandidaten en inschrijvers
     
    1) Belangenvermenging door voorkennis

    a) Art. 64, §1 KB Plaatsing bepaalt dat kandidaten en inschrijvers, die zich in een toestand van belangenvermenging door voorkennis bevinden, een toegangsverbod ondergaan tot de opdracht doch enkel indien zij daardoor een voordeel genieten dat de normale mededingingsvoorwaarden verhindert of vervalst.

    Als de overheid aldus overweegt om in die zin de toegang aan een kandidaat of inschrijver te weigeren, moet ze hem eerst per aangetekende brief de gelegenheid geven om door een afdoende verantwoording het tegenbewijs van dat voordeel te leveren, tenzij de nodige verantwoording al bij de kandidaatstelling of offerte was gevoegd. Om ontvankelijk te zijn moet hij de verantwoording aan de overheid overleggen binnen 12 dagen (tenzij een langere termijn is bepaald) vanaf de dag die volgt op de aangetekende verzending. De kandidaat of inschrijver moet het bewijs kunnen leveren van de overlegging.

    b) Art. 64, §2 KB Plaatsing verduidelijkt dat deze regeling onder dezelfde voorwaarden geldt voor elke kandiderende of inschrijvende onderneming die verbonden is met een persoon die voorkennis geniet.
     
    Een verbonden onderneming is elke onderneming:
     

    • waarop de bedoelde persoon (en)rechtstreeks een overheersende invloed kan uitoefenen of;
    • die een overheersende invloed kan uitoefenen op die persoon of;
    • die zoals de bedoelde persoon onderworpen is aan de overheersende invloed van een andere onderneming omwille van eigendom, financiële deelneming of op haar van toepassing zijnde voorschriften.
     
    De overheersende invloed wordt vermoed in de gevallen vermeld in art. 64, §2, derde lid KB Plaatsing.

    Ook hier is een tegenbewijs mogelijk in die zin dat de verbonden onderneming kan aantonen dat er geen overheersende invloed is, dan wel dat deze overheersende invloed geen enkele impact heeft op de opdracht in kwestie.
     
    De voorschriften van art. 64 KB Plaatsing zijn niet toepasselijk :
     
    • op de onderaannemers van de voorbereidende opdracht, daar zij geen band hebben met de overheid en dus niet door haar “belast” zijn geweest met die voorbereidende opdracht;
     
    Deze belangenvermenging verdient naar onze mening een redelijke interpretatie.
    Het uitvoeren van een bepaalde opdracht in een keten van opeenvolgende opdrachten, betekent dikwijls helemaal niet dat men de erop volgende opdracht “onderzocht, beproefd, bestudeerd of ontwikkeld” heeft. In dat geval is er geen vertekening van de mededinging.

    Zeker wanneer men bij de gunningsprocedure van de volgende opdracht alle uit de vorige opdracht(en) voortvloeiende stukken ter beschikking stelt van de kandidaten en inschrijvers, is de mededinging volgens ons maximaal gegarandeerd. Anderzijds, en om een flagrant voorbeeld te geven, kan de opsteller van de opdrachtdocumenten uiteraard niet meedingen naar de opdracht die voorwerp is van die opdrachtdocumenten.
     
    2) Specifieke belangenvermenging
     
    Naast het algemeen geval van belangenvermenging door voorkennis kunnen er bij bepaalde opdrachten specifieke belangenvermengingen voorkomen. Vaak zijn die gelieerd aan het voorwerp van de opdracht (bijvoorbeeld omdat de vermenging van onderzoeker en onderzoeksonderwerp begrijpelijkerwijze dient te worden uitgesloten). Ze leiden dan evenzeer tot een toegangsverboden eventueel kan men ze specificeren in de opdrachtdocumenten.

    Ook in de fase van de uitvoering van de opdracht kan zich een specifieke situatie van belangenvermenging voordoen, wanneer de overheid ambtshalve maatregelen treft tegen een ingebreke gebleven opdrachtnemer die daardoor het recht verliest op de verdere uitvoering van de opdracht. Vanaf dat ogenblik ondergaat deze opdrachtnemer een toegangsverbod bij de plaatsing van de eventuele voltooiingsopdracht, die op zijn kosten en risico zal verlopen, ten einde een omzeiling van zijn verloren recht en de ambtshalve maatregelen te voorkomen.
     
    Belangenvermenging aan overheidszijde
     
    Zie het algemene beginsel "Belangenvermenging".

    Toegangsbeperking derde landen

    Het toegangsrecht van kandidaten en inschrijvers uit niet-EU landen tot de overheidsopdrachten binnen de EU is beperkt door de bepalingen en voorwaarden van, en de mate waarin ze zich kunnen beroepen op (cf. art. 21 Wet Overheidsopdrachten):
     

    • ofwel een akte van een internationale instelling;
    • ofwel een internationaal verdrag dat hun land heeft gesloten met de EU of met België of een Gemeenschap of Gewest.
     
    De toegang is uitdrukkelijk geregeld voor de Lidstaten van de Europese Economische Ruimte en voor de partijen bij het Akkoord van Marrakech of GPA gesloten in het raam van de Wereldhandelsorganisatie. Op diens website valt te zien welke landen al dan niet partij zijn bij dit akkoord en al dan niet bepaalde wederkerige verbintenissen zijn aangegaan over het openstellen van overheidsopdrachten.

    Dit toegangsrecht is hoe dan ook beperkt tot de opdrachten vanaf de Europese drempelbedragen. Beneden de drempels hebben de ondernemingen uit niet-EU-landen geen toegang tot onze opdrachten, behalve indien:
     
    • ofwel afzonderlijke bilaterale akkoorden bijkomende toegangsrechten verschaffen;
    • ofwel een ruimere bepaling is opgenomen in de bekendmaking of, wanneer daarin niet is voorzien, in een ander opdrachtdocument.
     
    Dergelijke bepaling veronderstelt een gemotiveerde beslissing die bijvoorbeeld zou kunnen steunen op een gebrek aan voldoende mededinging op Europees niveau of op het niveau van de derde landen waarmee een internationaal akkoord is gesloten of op het aanwezig zijn van de toepassingsvoorwaarden van de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking bedoeld in art. 26, §1, 1°, f) Wet Overheidsopdrachten.

    Toegangsreservatie

    De overheid kan de toegang tot de opdracht reserveren voor sociale werkplaatsen en sociale inschakelingsondernemingen.

    a) Sociale werkplaatsen

    De overheid kan de toegang tot de opdracht reserveren voor sociale werkplaatsen (cf. art. 22, §1 Wet Overheidsopdrachten). Met sociale werkplaatsen worden bedoeld de ondernemingen erkend in het kader van:
     

    • het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1999 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden van de beschutte werkplaatsen;
    • het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen;
    • het besluit van de Waalse Regering van 7 november 2002 betreffende de voorwaarden van erkenning en subsidiëring van de bedrijven voor aangepast werk;
    • het decreet van 4 maart 1999 van de Franse Gemeenschapscommissie van 4 maart 1999 betreffende de sociale integratie van de gehandicapten en hun inschakeling in het arbeidsproces;
    • de beschutte werkplaatsen van de Duitstalige Gemeenschap erkend in het kader van de wet van 16 april 1963 betreffende de sociale reclassering van de mindervaliden.
     
    De overheid kan ook de uitvoering ervan reserveren in het kader van programma’s voor beschermde arbeid indien de meerderheid van de betrokken werknemers personen met een handicap zijn die wegens de aard of de ernst van hun handicap geen beroepsactiviteit in normale omstandigheden kunnen uitoefenen. Het gaat om een voorkeurstelsel dat bijdraagt tot de inschakeling of herinschakeling van mindervaliden in het arbeidsproces.
     
    De overheid dient daarbij de reservatie in de aankondiging op te nemen en de beginselen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te respecteren:
     
    • de reservatie mag niet rechtstreeks of onrechtstreeks discriminerend zijn ten aanzien van de kandidaten of inschrijvers uit andere lidstaten die dezelfde voorwaarden vervullen;
    • het uitsluitend reserveren van opdrachten voor nationale sociale werkplaatsen zou strijdig zijn met het Verdrag;
    • bij de gunningsprocedure moet men de gelijke behandeling en transparantie naleven;
    • de werkplaatsen moeten voldoen aan de vastgestelde voorschriften inzake toegang en kwalitatieve selectie.
     
    b) Sociale inschakelingsondernemingen

    Voor opdrachten beneden de Europese drempelbedragen kan de overheid de toegang tot de opdracht reserveren voor sociale inschakelingsondernemingen (cf. art. 22, §2 Wet Overheidsopdrachten).

    Een sociale inschakelingsonderneming moet voldoen aan de voorwaarden van artikel 59 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgische actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen. Ook hier dienen de beginsel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te worden gerespecteerd.

    Kwalitatieve selectie

    De kwalitatieve selectie heeft uitsluitend betrekking op de persoonlijke en kwalitatieve situatie van de kandidaten en inschrijvers die meedingen naar overheidsopdrachten. Die situatie heeft niets te maken met de kwaliteit of de inhoud van de ingediende offertes.
     
    De overheid onderzoekt daarbij de geschiktheid van de kandidaten en inschrijvers om de opdracht uit te voeren.
     
    Onder kwalitatieve selectie worden volgende aspecten beschouwd:
     

     
    Opmerking: Hou er telkens rekening mee dat de selectiecriteria van invloed kunnen zijn op de duurzaamheid van uw opdracht.

    Verplichte vermelding

    Algemeen
     
    De overheid moet in de bekendmaking van de opdracht de nodige gegevens aangaande de selectie in de bekendmaking opnemen (cf. art. 58, §1 KB Plaatsing). Het gaat om:
     

    • de vastgestelde kwalitatieve selectiecriteria inzake financiële en economische draagkracht en technische- of beroepsbekwaamheid;
    • het vereiste niveau van deze criteria (niet in alle gevallen);
    • de inlichtingen en documenten op grond waarvan de overheid deze criteria zal beoordelen;
    • de vereiste erkenning in geval van een opdracht voor werken die onderworpen is aan de Wet van 20 maart 1991 met betrekking tot erkenning van aannemers.
     
    De overheid dient er over te waken dat de gegevens uit de opdrachtdocumenten overeenstemmen met de gegevens uit het bekendmakingsbericht. Indien de gegevens niet helemaal overeenstemmen, kan dit de inschrijvers misleiden en problemen en/of een onregelmatig verloop van de procedure met zich mee brengen.
     
    Het is afgeraden om de kandidaten of inschrijvers te verplichten om bepaalde inlichtingen, documenten en referenties inzake selectie op ‘straffe van nietigheid’ bij hun kandidaatstelling of offerte te voegen. Het gaat immers om een fatale sanctie wanneer het bewuste element ontbreekt, terwijl het in veel gevallen mogelijk zou zijn om het element achteraf op te vragen.
     
    a) De vastgestelde kwalitatieve selectiecriteria inzake financiële en economische draagkracht en technische- of beroepsbekwaamheid
     
    De precisering van deze criteria moet aldus gebeuren dat ze verband houden met en in verhouding staan tot het voorwerp van de opdracht.
     
    Er is nergens voorgeschreven dat de kwalitatieve selectiecriteria een gewicht zouden dienen te krijgen ter bepaling van hun onderlinge verhouding. Dit procedé is ook nergens verboden.
    Het is evenwel aangeraden om dit procedé alleen zeer weloverwogen aan te wenden, aangezien het de selectie en de motivering van de selectiebeslissing bemoeilijkt.
     
    b) Het vereiste niveau van deze criteria
     
    De precisering van het vereiste niveau van de kwalitatieve selectiecriteria moet aldus gebeuren dat het verband houdt met en in verhouding staat tot het voorwerp van de opdracht.
     
    Bij éénstapsprocedures (vb. de open procedures en de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking) is het opleggen van een minimaal niveau verplicht. De aanbestedende overheid moet alle inschrijvers die aan het minimaal niveau voldoen selecteren, zonder hierbij onder hen te mogen kiezen. Deze verplichting is bevestigd door de Raad van State (zie RvS, arrest nr. 169.657 van 7 juni 2006, sprl ARCHI + I).
     
    Bij tweestapsprocedures is het werken met minima weliswaar mogelijk, maar minder effectief, toch als men die procedures doelmatig wil aanwenden ten einde het aantal geselecteerden te kunnen beperken.
     
    c) De inlichtingen en documenten op grond waarvan de overheid deze criteria zal beoordelen
     
    De overheid dient in de aankondiging van de opdracht of in de uitnodiging tot indiening van een offerte de inlichtingen en documenten op grond waarvan de overheid deze criteria zal beoordelen te vermelden door:
    • ofwel te vermelden dat de overheid de kosteloos beschikbare officiële inlichtingen en documenten zelf zal opzoeken;
    • ofwel door de kandidaten en inschrijvers te verplichten om die inlichtingen bij hun kandidaatstelling of offerte te voegen;
    • ofwel door een combinatie van beide formules.
     
    Mochten de bekend te maken gegevens te uitgebreid zijn, dan kan er gebruik gemaakt worden van een selectieleidraad.
     
    d) De vereiste erkenning in geval van een opdracht voor werken die onderworpen is aan de Wet van 20 maart 1991 met betrekking tot erkenning van aannemers.

    Meer informatie: Erkenning van aannemers van werken in Belgie.

     
    Reeds voor de overheid beschikbare inlichtingen en documenten
     

    Er bestaan twee situaties waarin de kandidaten en inschrijvers vrijgesteld zijn van de plicht om zelf inlichtingen en documenten over te leggen in verband met de kwalitatieve selectie van de opdracht.
     
    Meer informatie: Reeds voor de overheid beschikbare inlichtingen en documenten.
     

     

    Overzicht kwalitatieve selectiecriteria

    Hierna volgt een opsomming van de mogelijke aan te wenden kwalitatieve selectiecriteria en hun referenties (inlichtingen en documenten) als toetssteen:
     

     

    Dwingend karakter

    Art. 67 KB Plaatsing, art. 68 KB Plaatsing, art. 69 KB Plaatsing, art. 70 KB Plaatsing, art. 71 KB Plaatsing, art. 72 KB Plaatsing, art. 73 KB Plaatsing, art. 74 KB Plaatsing, art. 75 KB Plaatsing, art. 76 KB Plaatsing, art. 77 KB Plaatsing, art. 78 KB Plaatsing en art. 79 KB Plaatsing vormen voor de meeste gunningsprocedures het opgelegde kader waarbinnen de overheid de kwalitatieve selectiecriteria moet vaststellen.

    Voor de 'ontwerpenwedstrijd' en de 'concessie voor openbare werken' is de overheid voor de vaststelling van de kwalitatieve selectiecriteria niet gebonden door die artikelen.

    Toepassingsprincipes

    Dubbel aspect kwalitatieve situatie
     
    In beginsel is het verplicht om criteria vast te stellen voor zowel de financiële- en economische draagkracht als voor de technische- of beroepsbekwaamheid. De regelgeving gaat immers uit van beide aspecten van de kwalitatieve situatie.
     
    Een uitzondering zou nochtans denkbaar zijn in het geval het principe niet compatibel is met het voorwerp van de opdracht (bijvoorbeeld voor een artistieke opdracht aan een beeldhouwer heeft de financiële en economische draagkracht geen belang).
     
    De overheid moet vermijden om criteria vast te stellen en/of referenties op te vragen wanneer zij niet over de deskundigheid beschikt om die te kunnen hanteren of interpreteren.
     
    Cumuleren draagkracht & bekwaamheid meerdere personen
     
    Het cumuleren van de draagkracht en bekwaamheid van meerdere personen is mogelijk binnen volgende regels (cf. art. 74 KB Plaatsing).
     
    1) Een kandidaat of inschrijver kan zich in zijn kandidaatstelling of offerte beroepen op de draagkracht en bekwaamheid van andere (externe) entiteiten, ongeacht de juridische aard van zijn band met die entiteiten, op voorwaarde dat hij de verbintenissen van die entiteiten bijvoegt dat ze hem de noodzakelijke middelen daadwerkelijk ter beschikking zullen stellen bij de uitvoering van de opdracht.
     
    Wanneer het beroep op de draagkracht van andere entiteiten bepalend is voor de selectie, moet de betreffende kandidaat of inschrijver (ongeacht of de opdrachtdocumenten hierover iets bepalen) vermelden voor welk gedeelte hij een beroep doet op draagkracht van andere entiteiten en welke entiteiten hij voorstelt. In een éénstapsprocedure zal hij deze vermeldingen moeten opnemen in zijn offerte, in een tweestapsprocedure zowel in zijn kandidaatstelling als in zijn offerte.

    De aanbestedende overheid moet in een tweestapsprocedure nagaan of de betreffende vermeldingen uit de kandidaatstelling overeenkomen met de vermeldingen uit de offerte.
     
    De uitsluitingsgevallen van art. 61 KB Plaatsing zijn toepasselijk op deze entiteiten. De aanbestedende overheid moet dus nagaan of de betrokken entiteiten zich in één van de uitsluitingsgevallen bevinden. Indien er gewerkt wordt met een impliciete verklaring op eer, heeft deze ook betrekking op de onderaannemers waarop de kandidaat of inschrijver zich in het kader van de draagkracht beroept. Op voorwaarde dat er gewerkt wordt met een impliciete verklaring op eer, zal de aanbestedende overheid dus enkel de onderaannemers moeten controleren waarop de begunstigde van de opdracht zich beroept.
     
    2) Een combinatie zonder rechtspersoonlijkheid van kandidaten of inschrijvers kan zich beroepen op de samengevoegde draagkracht en bekwaamheid van de deelnemers aan de combinatie.
     
    Bovendien kan deze combinatie, onder dezelfde voorwaarden als die van punt 1), een beroep doen op de draagkracht en bekwaamheid van andere (externe) entiteiten.
     
    3) De opdrachtdocumenten kunnen de kandidaten en inschrijvers in hun mogelijkheid beperken om zich te beroepen op de draagkracht en bekwaamheid van onderaannemers of andere entiteiten uit niet-EU-Lidstaten, in geval die onderaannemers of entiteiten geen toegang hebben tot de opdracht volgens art. 21 Wet Overheidsopdrachten.
     
    Men zou immers via een beroep op onderaanneming het beperkt toegangsrecht voor markspelers uit derde landen kunnen omzeilen.
     
    Zowel in punt 1) als in punt 2) bedoelt men vooral ad-hoc samenwerkingen waarbij men een beroep doet op de draagkracht en bekwaamheid van externe of deelnemende entiteiten. In dat geval is er absoluut als bewijs vereist:
     

    • voor de andere (externe) entiteiten dat voor hun aandeel de verbintenissen zoals bedoeld in punt 2) bijgevoegd zijn;
    • voor de deelnemers aan de combinatie dat ze als kandidaat zich gezamenlijk als zodanig manifesteren of dat ze als inschrijver allemaal de offerte ondertekenen.
     
    Nochtans bestaan er ook vormen van structurele samenwerking (bijvoorbeeld groepsvennootschappen) waarbij men op structurele wijze onderling een beroep kan doen op elkaars draagkracht en bekwaamheid. Ook in die gevallen moet de kandidaat of inschrijver het bestaan van de onderlinge verbintenissen aantonen door het bijvoegen van relevante documenten waaruit deze verbintenis effectief blijkt.
     
    Het spreekt voor zich dat men bij punten 1) en 2) de kwalitatieve selectiecriteria dient te toetsen ten opzichte van de gecombineerde draagkracht en bekwaamheid van de betrokkenen. In goed te motiveren uitzonderingsgevallen is het nochtans mogelijk om op te leggen dat de kandidaat of inschrijver en elke andere/externe entiteit of elke deelnemer aan de combinatie individueel voldoet aan bepaalde selectiecriteria.    
     
    Beroeps- of handelsregister
     
    De overheid kan de kandidaten of inschrijvers verplichten om het attest over te leggen dat hun inschrijving bewijst in het beroeps- of handelsregister volgens de wetgeving van hun land van vestiging (cf. art. 75 KB Plaatsing).
     
    Het bewijs wordt geleverd door een attest, of, bij ontstentenis, door een verklaring onder eed.
    Voor de ondernemingen die een vestiging hebben in België kan de aanbestedende overheid die gegevens rechtstreeks inwinnen bij de Kruispuntbank van Ondernemingen (cf. art. 60, §1 KB Plaatsing).
     
    Een verklaring onder eed is mogelijk indien er in het land van vesting niet is voorzien in de aflevering van attesten. De registers, attesten en verklaringen voor elke EU-Lidstaat zijn vermeld in Bijlage 5 KB Plaatsing.
     
    Kwaliteitsnormen
     
    Onafhankelijke instanties kunnen verklaringen opstellen dat ondernemers aan bepaalde kwaliteitsnormen voldoen.
     
    Als de overheid de kandidaten of inschrijvers verplicht om een dergelijke verklaring over te leggen — hetgeen in principe mogelijk is voor alle opdrachten — dient ze te verwijzen naar kwaliteitsbewakingsregelingen die op de Europese normenreeksen op dit vlak steunen en die gecertificeerd zijn door instanties die voldoen aan de Europese normenreeks voor certificering (cf. art. 77 KB Plaatsing).
     
    Ze erkent daarbij gelijkwaardige certificaten van in andere EU-Lidstaten gevestigde instanties en aanvaardt ook andere bewijzen van gelijkwaardige maatregelen in zake kwaliteitsbewaking.
     
    Meest bekend als managementsysteem voor kwaliteit is de ISO 9001-norm, die de nadruk legt op klantentevredenheid en daaruit voortvloeiende kwaliteitszorg en continue verbetering.
     
    Milieubeheersnormen
     
    Onafhankelijke instanties kunnen verklaringen opstellen dat ondernemers aan bepaalde normen in zake milieubeheer voldoen.
     
    De overheid mag de kandidaten of inschrijvers verplichten om een dergelijke verklaring over te leggen, doch enkel in passende gevallen en enkel voor opdrachten voor werken en opdrachten voor diensten.
     
    In voorkomend geval dient ze te verwijzen naar het communautaire milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) of naar milieubeheersnormen die steunen op Europese of internationale normen op dit vlak. Deze laatste dienen gecertificeerd te zijn door instanties die voldoen aan het EU-recht of aan de Europese of internationale normen voor certificering (cf. art. 78 KB Plaatsing) De overheid erkent daarbij gelijkwaardige certificaten van in andere EU-Lidstaten gevestigde instanties en aanvaardt ook andere bewijzen van gelijkwaardige maatregelen in zake milieubeheer.

    Financieel en economische draagkracht

    Selectiecriteria
     
    De selectiecriteria inzake financiële- en economische draagkracht kunnen betrekking hebben op de omzet, hetzij de totale omzet, hetzij de omzet van de bedrijfsactiviteit die het voorwerp is van de opdracht, over maximaal de laatste drie beschikbare boekjaren (afhankelijk van de oprichtingsdatum of de datum waarop de kandidaat of inschrijver met zijn activiteit is begonnen) en de balans de resultatenrekening en de algemene financiële toestand van de inschrijver (cf. art. 67, §1 KB Plaatsing):
     
    Referenties
     
    Inzake de financiële en economische draagkracht zijn de hierna opgesomde criteria of referenties niet limitatief (cf. art. 67, §1 KB Plaatsing):
     

    • een bankverklaring, opgesteld volgens het model van Bijlage 3 KB Plaatsing;
    • een bewijs van verzekering tegen beroepsrisico’s;
    • de jaarrekeningen;
    • een omzetverklaring (in functie van het vastgestelde criterium), voor zover de betrokken omzetcijfers beschikbaar zijn
     
    Wat de bankverklaring betreft, bevat Bijlage 3 KB Plaatsing een verplicht te gebruiken model dat door de bank moet worden ingevuld om een passende verklaring te kunnen voorleggen. Deze bepaling heeft tot doel een einde te stellen aan een tot op heden bestaande toestand waarbij de bankverklaringen vaak niet verder gaan dan verklaringen over de bekendheid en ze geen daadwerkelijke verklaringen vormen betreffende de financiële en economische draagkracht van de kandidaat of inschrijver. Uiteraard betreft die verklaring in essentie de door de bank gekende financiële toestand en engageert de bank zich niet om uit eigen beweging toekomstige wijzigingen in die toestand aan de aanbestedende overheid te signaleren.
     
    Wat de referentieperiode betreft, vermeldt Richtlijn 2004/18/EG enkel voor de omzet het maximumaantal boekjaren. Voor de toepassing van bijvoorbeeld de jaarrekeningen kan het verzoek betrekking hebben op een periode die de drie laatste boekjaren overschrijdt.
     

    Technische of beroepsbekwaamheid

    Generieke criteria
     
    Inzake de technische bekwaamheid zijn de criteria of de referenties niet identiek dezelfde voor werken, leveringen en diensten.
     
    Bovendien moet men een onderscheid maken:
     

     
    Men is er gemeenzaam van uitgegaan dat, als men toch naar de opgesomde referenties of criteria verwijst, men dan gebonden is door de in het criterium gestipuleerde voorwaarden. Dit is in de nieuwe regelgeving niet langer het geval. De gestipuleerde voorwaarden zijn alleen bindend indien de overheid uitsluitend naar criteria uit de opsomming verwijst (vb. voor wat de vermelde verklaring betreffende de personeelsbezetting, moet ze zich bijvoorbeeld beperken tot de laatste drie jaar). Wanneer de aanbestedende overheid zich echter steunt op art. 68 KB Plaatsing en de in het Koninklijk besluit opgesomde referenties, dan mag ze de referenties van het laatste artikel aanpassen aan de bijzondere eisen van de opdracht in kwestie.
     
    Passende criteria
     
    Voor alle opdrachten, zonder uitzondering, waarvoor een voorafgaande Europese bekendmaking niet verplicht is, mag de overheid passende criteria vermelden zonder te zijn gebonden door de beperkingen van de art. 68 KB Plaatsing, art. 69 KB Plaatsing, art. 71 KB Plaatsing, art. 72 KB Plaatsing.

    Erkenning van aannemers van werken in Belgie

    Voor opdrachten voor werken maakt de kwalitatieve selectie voor een groot deel dubbel gebruik uit met de regelgeving op de erkenning van aannemers van werken (Wet van 20 maart 1991).
     
    Bij éénstapsprocedures kan de overheid zich dan ook beperken tot het eisen van de passende erkenning, voor zover ze de ermee overeenstemmende voorwaarden voldoende acht als minimumvereiste voor de selectie van de inschrijvers (cf. art. 70, derde lid KB Plaatsing).
     
    Niettegenstaande de erkenning in eerste instantie als waarborg zal gelden voor de financiële en economische draagkracht en de technische- of beroepsbekwaamheid, kan de overheid, indien zulks verantwoord is – en in bijzonder bij tweestapsprocedures – aanvullende kwalitatieve eisen stellen op basis van art. 67 KB Plaatsing, art. 68 KB Plaatsing, art. 69 KB Plaatsing, art. 70 KB Plaatsing, art. 71 KB Plaatsing, art. 72 KB Plaatsing, art. 73 KB Plaatsing, art. 74 KB Plaatsing, art. 75 KB Plaatsing, art. 76 KB Plaatsing, art. 77 KB Plaatsing, art. 78 KB Plaatsing.
     
    Volgens de drievoudige benadering van art. 3, §1 en  art. 5 van voormelde Wet van 20 maart 1991 op de erkenning van aannemers van werken, moet de kandidaat of inschrijver in zijn kandidaatstelling of offerte (cf. art. 70, tweede lid KB Plaatsing):
     

    • ofwel aantonen dat hij een Belgische erkenning draagt;
    • ofwel het bewijs van inschrijving of certificaat bijvoegen dat hij over een erkenning of certificering uit een andere EU-Lidstaat beschikt, samen met elk document dat de gelijkwaardigheid tussen deze inschrijving of certificering en de vereiste erkenning kan aantonen. De inschrijving of het certificaat vermelden de referenties op grond waarvan de inschrijving of certificering mogelijk was.
    • ofwel de bewijsstukken bijvoegen dat hij wel degelijk voldoet aan de voorwaarden van de voor dergelijke werken vereiste erkenning.
     
    In beide laatste gevallen zal de overheid de bewijsstukken onmiddellijk voor advies voorleggen aan de Erkenningscommissie, waarna de voor erkenning van aannemers bevoegde Gewestminister beslist of deze als gelijkwaardig aan het vereiste erkenningsniveau kunnen worden beschouwd.

    Selectiebeperking

    Bij tweestapsprocedures is het aangewezen de selectiecriteria zo te formuleren dat de kandidaten in competitie worden gesteld op het aspect van de kwalitatieve selectie. Een combinatie met absolute minimumdrempels is weliswaar mogelijk.

    De bedoeling is om het aantal geselecteerden te beperken door alleen de kwalitatief waardevolste kandidaten te selecteren. Dit voorkomt dat de overheid alle kandidaten moet selecteren die aan de minimale selectiecriteria voldoen, zoals bij de éénstapsprocedures.

    Indien u een selectiebeperking wenst toe te passen, dient u in de aankondiging aan te geven welke van de selectiecriteria u zal hanteren voor het maken van de selectiebeperking.

    Aldus is een selectiebeperking mogelijk bij de beperkte procedures, de onderhandelingsprocedure met bekendmaking en de concurrentiedialoog (cf. art. 58, §3 KB Plaatsing):
     

     
    In de loop van eenzelfde procedure mag de aanbestedende overheid geen andere belangstellenden opnemen die geen kandidaatstelling hebben ingediend of die niet over de vereiste bekwaamheden beschikken.

    De overheid kan de procedure voortzetten door de geschikte kandidaten te selecteren wanneer het aantal geschikte kandidaten lager is dan het minimumaantal.

    De overheid is gebonden door het vooropgestelde minimum aantal geselecteerden (voor zover er voldoende geschikte kandidaten zijn). Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie mag het minimumaantal in de aankondiging van opdracht anderzijds niet als een maximumaantal worden aangeduid.

    De aanbestedende overheid is ook gebonden door het maximum aantal kandidaten dat zij eventueel heeft aangegeven. Uitzonderlijk kan de aanbestedende overheid evenwel een groter aantal kandidaten selecteren, voor zover zij niet in staat is tussen een aantal onder hen een keuze te maken.

    Selectie-uitbreiding

    Bij een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking is voortaan een selectie-uitbreiding mogelijk, in die zin dat de overheid bij een nieuwe procedure alvast de kandidaten kan selecteren die ze reeds had geselecteerd tijdens een vorige procedure waaraan ze geen gevolg heeft gegeven (cf. art. 58, §2 KB Plaatsing). De gunningswijze van de vorige procedure heeft geen belang.

    Voor de opdrachten met een verplichte voorafgaande Europese bekendmaking vermeldt de overheid in de bekendmaking de namen en adressen van de geselecteerden in kwestie.

    Deze regeling veronderstelt uiteraard dat het voorwerp van de opdracht onveranderd blijft in de nieuwe procedure en dat de selectiecriteria in de nieuwe procedure ofwel dezelfde zijn ofwel minder streng zijn.

    Het lijkt niet aangewezen om de selectie-uitbreiding voor de opdrachten met een verplichte voorafgaande Europese bekendmaking te benutten daar het voor de geselecteerden in kwestie toch vrij bizar moet zijn dat men hun namen zo maar aan de marktconcurrenten prijsgeeft. En de marktspelers aldus aanzetten tot het maken van verboden afspraken kan ook nooit de bedoeling zijn.

    Verstrengde selectie bij opdracht in percelen

    Voor meer informatie: zie Percelen