chat-altchatcrossloginquestion-circlesearchsmileystarthumbup-downwarning
Vlaanderen
Contacteer ons
    Terug naar overzicht Stuur een e-mail

    Stuur een e-mail naar 1700, de informatiedienst voor al uw vragen aan de overheid.
    U ontvangt een kopie van uw bericht.

    Terug naar overzicht Chat met ons
    Uw chatgesprek wordt automatisch gestart zodra er een medewerker beschikbaar is.
    Even geduld, uw positie in de wachtrij wordt bepaald.

    Toelichting bij Deel X. De verloven en dienstvrijstellingen - Titel 5

    Titel 5. Verlof voor deeltijdse prestaties

    Toelichting bij Art. X 25

    § 1, eerste lid, §6. Personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid hebben gedurende hun loopbaan recht op zestig maanden verlof voor deeltijdse prestaties. Door het recht op verlof voor deeltijdse prestaties niet langer aan bepaalde gebeurtenissen of zorgtaken te koppelen, krijgen meer personeelsleden recht op verlof voor deeltijdse prestaties en krijgen ze tezelfdertijd meer vrijheid om hun loopbaan zelf te moduleren. Men kiest immers zelf de reden, waarom men de arbeidsprestaties tijdelijk vermindert, de werkgever komt hierin niet tussen.[37]

    De zestig maanden zijn een loopbaancontingent. Treedt een personeelslid uit dienst en treedt het nadien terug in dienst, dan wordt de teller niet op nul gezet. Het personeelslid heeft dan recht op het gedeelte van het contingent dat het nog niet had opgenomen. Ook overstappen binnen de diensten van de Vlaamse overheid of een verandering van statuut (bvb. van contractueel naar statutair, of vice versa) hebben niet voor gevolg dat de teller op 0 wordt gezet.[37]

    Conform artikel X 94, §1, eerste lid begint ieder personeelslid op 1 januari 2018 met een blanco contingent. Verlof voor deeltijdse prestaties dat voor 1 januari 2018 werd opgenomen of is aangevat, wordt niet op het contingent van zestig maanden aangerekend.[37]

    Na uitputting van dit recht is een verderzetting van het verlof voor deeltijdse prestaties mogelijk, maar in dat geval is het verlof een gunst. Doordat het VPS stelt dat het verlof na uitputting van het recht als een gunst kan worden toegekend, is het niet mogelijk om het verlof voor deeltijdse prestaties op te nemen als een gunst zolang het recht nog niet is uitgeput. De modaliteiten die worden bepaald onder paragraaf 2 zijn ook van toepassing op het verlof voor deeltijdse prestaties dat met een gunst wordt opgenomen.[37]

    Het recht op verlof voor deeltijdse prestaties geldt zowel voor de statutaire personeelsleden, als de contractuele personeelsleden. Voor het contractueel personeel wordt dit verlof vorm gegeven door middel van een addendum aan de arbeidsovereenkomst op grond waarvan de afgesproken arbeidsduur tijdelijk wordt verminderd.[37]

    Contractuele personeelsleden met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur of met een vervangingsovereenkomst moeten wel twee jaar ononderbroken in dienst zijn bij de diensten van de Vlaamse overheid vooraleer zij recht hebben op verlof voor deeltijdse prestaties. Voor de berekening van de voormelde “twee jaar” wordt niet enkel gekeken naar de tewerkstelling bij de tewerkstellende entiteit, maar ook naar aaneensluitend tewerkstelling bij andere entiteiten, raden of instelling van de diensten van de Vlaamse overheid. Het verlof is voor deze personeelsleden (voor zover ze nog geen twee jaar ononderbroken in dienst zijn) een gunst omdat zij vaak ter vervanging van een ander personeelslid, ter realisatie van een bepaald doel of voor een heel beperkte duur in dienst worden genomen. In deze gevallen is het dan ook aangewezen dat de lijnmanager kan beslissen of deeltijds werken al dan niet kan.[37]

    § 1, tweede lid en §2. het verlof voor deeltijdse prestaties moet steeds overeenkomstig de volgende modaliteiten worden opgenomen:

    • het wordt aangevraagd voor een periode van minimaal drie maanden en maximaal twaalf maanden. Een aanvraag bestaat steeds uit volle kalendermaanden. Het minimum en maximum geldt ook in geval van een (aaneensluitende) verlenging.
    • verlof voor deeltijdse prestaties start op de eerste dag van een maand starten. Wenst een personeelslid evenwel volgend op een moederschapsrust, vaderschaps- of moedermoederschapsverlof, ziekteverlof, ouderschapsverlof, medisch bijstandsverlof, palliatief verlof of geboorteverlof verlof voor deeltijdse prestaties op te nemen, dan moet het personeelslid niet wachten tot de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin één van de voormelde verloven een einde naam. In afwijking van de algemene regel mag het personeelslid in deze gevallen zijn verlof onmiddellijk laten aansluiten op het andere verlof. Het personeelslid in kwestie moet wel de aanvraagtermijn die aan het verlof voor deeltijdse prestaties gekoppeld is respecteren. De andere voorwaarden: minimaal 3, maximaal 12 en opname met volle kalendermaanden blijven wel gelden. Bijvoorbeeld een personeelslid dat volgend op zijn geboorteverlof dat stopt op 5 maart drie maanden verlof voor deeltijdse prestaties wil opnemen, neemt dit verlof op van 6 maart tot en met 5 juni;
    • het verlof voor deeltijdse prestaties wordt opgenomen met één van de volgende prestatieregimes: 90, 80, 70, 60 of 50% van een voltijds arbeidsregime. Via het verlof voor deeltijdse prestaties is het aldus niet meer mogelijk om minder als 50% van een voltijds arbeidsregime te werken. Minder als 50% werken leidt er immers toe dat de band met de organisatie verloren gaat. Een minimale tewerkstelling is noodzakelijk. Verder zijn specifieke regimes als 33, 67, 88%, … niet meer mogelijk. Dit zorgt voor een vereenvoudiging van de opvolging van het verlof en een verhoging van de technisch beheersbaarheid;
    • het gekozen arbeidsregime, werkrooster, en opnamemodaliteiten kunnen gedurende drie maanden niet worden gewijzigd. Het is aldus niet langer mogelijk om de vrije dag maand per maand te verwisselen.[37]

    § 3. Ofschoon verlof voor deeltijdse prestaties een recht is, mag de opname ervan de goede werking van de dienst niet in het gedrang brengen. Vandaar kan de lijnmanager beslissen dat de opnamedatum met maximaal drie maanden wordt uitgesteld in geval een verlof voor deeltijdse prestaties de goede werking van de dienst in het gedrang brengt.[37]

    § 4. Voor sommige specifieke functies kan het nodig zijn het prestatieregime niet vrij te laten, maar vast te leggen cf. huidige regeling voor loodsen algemene functie waar enkel de formule van 50% per beurt of vaarbeurt per minimumperiode van 3 maanden functioneel te verantwoorden is. Deze regeling blijft gelden tot van de organieke bevoegdheid gebruik gemaakt wordt.[37]

    § 5. Deeltijds werken is conform deel V een gunst voor de personeelsleden van het top en middenkader.[37]

    Toelichting bij Art. X 25bis

    Naast het recht op verlof gedurende zestig maanden is er ook een recht op verlof voor deeltijdse prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar. Dit recht wordt toegekend ongeacht het al dan niet uitputten van de 60 maanden.[37]

    Het recht op verlof voor deeltijdse prestaties geldt zowel voor statutaire, als contractuele personeelsleden. Net als de 60 maanden is ook het verlof voor deeltijdse prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar een gunst voor de contractuele personeelsleden die worden tewerkgesteld met een overeenkomst voor bepaalde duur of met een vervangingsovereenkomst zolang zij nog geen twee jaar ononderbroken in dienst zijn bij de diensten van de Vlaamse overheid.[37]

    De modaliteiten die gelden voor de 60 maanden gelden ook voor het verlof voor deeltijdse prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar.[37]

    Toelichting bij Art. X 26

    § 1. Indien de ambtenaar ziek wordt tijdens een verlof voor deeltijdse prestaties wordt dit verlof niet omgezet in ziekteverlof.

    Dit principe is van belang voor de al dan niet bezoldiging van de afwezigheidsdag, alsook voor de aanrekening op het ziektekrediet van 666 dagen.

    § 2. Het personeelslid heeft dus geen recht op een bijkomende vakantiedag.

    § 3. In deze gevallen wordt het verlof voor deeltijdse prestaties niet beëindigd, maar opgeschort tenzij het verlof wordt opgezegd.[9]

    Toelichting bij Art. X 27

    Zowel het verlof dat een recht is, als het verlof dat een gunst is, wordt met dienstactiviteit gelijkgesteld. In vergelijking met de regeling die gold voor 1 januari 2018 wordt het verlof na verloop van tijd niet langer met non-activiteit gelijkgesteld.[37]

    Verloven voor deeltijdse prestaties die op grond van de regelgeving die voor 1 januari 2018 gold met non-activiteit werden gelijkgesteld, worden niet met terugwerkende kracht met dienstactiviteit gelijkgesteld. Zij blijven hun gelijkstelling met non-activiteit behouden.[37]

    Aangezien op de verloven voor deeltijdse prestaties die voor 1 januari 2018 zijn gestart de modaliteiten die golden bij toekenning van kracht blijven, kan een verlof voor deeltijdse prestaties dat is gestart voor 1 januari 2018 ook na 31 december 2017 met non-activiteit gelijkgesteld worden. Op verloven voor deeltijdse prestaties die zijn gestart voor 1 januari 2018 blijft namelijk de gelijkstelling met non-activiteit na zestig maanden van kracht.[37]

    naar boven

    Titel 5bis. Het verlof voor deeltijdse prestaties wegens chronische ziekte of handicap[37]

    Toelichting bij Art. X 27bis

    Contractuele personeelsleden die door een chronische ziekte of handicap niet langer voltijds kunnen werken, kunnen het werk hervatten via de progressieve werkhervatting, zoals voorzien in de ZIV-regeling.[37]

    Voor ambtenaren bestaat geen regeling die met de ZIV-regeling vergelijkbaar is. Bovendien brengen de bestaande deeltijdse prestaties wegens ziekte geen soelaas. Deze laatste vergt immers na verloop van tijd een voltijdse werkhervatting. Dit is evenwel voor ambtenaren met een chronische ziekte of handicap meestal geen optie. Hierdoor valt een ambtenaar met een chronische ziekte of handicap vaak terug op voltijds ziekteverlof (met een mogelijke medisch pensionering en laag pensioen voor gevolg) of een deeltijdse verlofvorm (met loonsverlies).[37]

    § 1. Hiermee rekening houdend wordt er voor het statutair personeel een specifieke regeling ingevoerd. Deze regeling komt neer op een recht op verlof voor deeltijdse prestaties voor ambtenaren die beschikken over een externe erkenning als persoon met een handicap of chronische ziekte in de zin van artikel 4, a) tot f) besluit van de Vlaamse Regering van 24 december 2004 houdende maatregelen ter bevordering en ondersteuning van het gelijkekansen- en diversiteitsbeleid in de Vlaamse administratie.[37]

    In concreto gaat het om de volgende erkenningen:

    • personen met een handicap, erkend door het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH);
    • personen die gewezen leerling zijn van het buitengewoon onderwijs en die hoogstens een getuigschrift of diploma behaald hebben in het buitengewoon onderwijs;
    • personen die door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) erkend zijn als personen met een arbeidshandicap en die recht hebben op een of meer bijzondere tewerkstellingsondersteunende maatregelen;
    • personen die op basis van hun handicap in aanmerking komen voor een inkomensvervangende tegemoetkoming of integratietegemoetkoming, verstrekt aan personen met een handicap op basis van de wet van 27 februari 1987 houdende tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
    • personen die in het bezit zijn van een afschrift van een definitief geworden gerechtelijke beslissing of van een attest van een bevoegde federale instelling waaruit een arbeidsongeschiktheid van minstens 66% blijkt;
    • personen die een invaliditeitsuitkering ontvangen op basis van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.[37]

    Binnen de diensten van de Vlaamse overheid bestaat ook de interne erkenning als persoon met een handicap of chronische ziekte. Het beschikken over zo’n interne erkenning werd als toelatingsvoorwaarden tot dit verlofstelsel evenwel niet weerhouden omdat in dat geval de beoordeling van het bestaan van een handicap of chronische ziekte enerzijds, en de beoordeling van de noodzaak of meerwaarde om deeltijds te werken, bij dezelfde instantie, zijnde de arbeidsgeneesheer komt te liggen. Het enkel weerhouden van de externe erkenning zorgt er m.a.w. voor dat in alle situaties de twee toelatingsvoorwaarden beoordeeld worden door twee verschillende instanties.[37]

    Naast één van de boven vermelde erkenningen moet de ambtenaar in kwestie ook het akkoord van de arbeidsgeneesheer bekomen. De arbeidsgeneesheer moet oordelen of het deeltijds werken bijdraagt tot of noodzakelijk is voor het aanvatten, hervatten of het behoud van de tewerkstelling van de ambtenaar. Vooraleer hij deze beslissing neemt, neemt de arbeidsgeneesheer contact op met de behandelend arts en de lijnmanager van de ambtenaar. Indien de ambtenaar op het moment van de aanvraag afwezig is of is geweest ten gevolge deeltijdse prestaties wegens ziekte, dan neemt de arbeidsgeneesheer ook contact op met het controleorgaan.[37]

    De instroom in dit stelsel is vanuit verschillende kanalen mogelijk en draagt hierdoor bij tot de efficiënte integratie van ambtenaren met een chronische ziekte of handicap in de organisatie. Om tot dit systeem toegelaten te kunnen worden, moet een ambtenaar niet voorafgaandelijk afwezig zijn wegens ziekteverlof of verlof voor deeltijdse prestaties wegens ziekte, of een andere deeltijdse verlofvorm. In principe is het dus mogelijk dat ambtenaren die voltijds werken of pas in dienst treden tot dit systeem worden toegelaten, als de bovenvermelde dubbele voorwaarde vervuld is.[37]

    § 2. Eens toegelaten tot het systeem worden de volgende opnamemodaliteiten vastgesteld in het integratieprotocol. Deze modaliteiten worden bepaald door de arbeidsgeneesheer:

    • het arbeidsregime: dit is 50, 60, 70 of 80% van een voltijds arbeidsregime. De ambtenaar die tot dit systeem wordt toegelaten, heeft naast zijn verloning a rato van zijn prestatieregime ook recht op een salarisbonus die gelijk is aan 30% van het niet gepresteerde gedeelte;
    • de looptijd van het verlof. Dit kan permanent zijn, maar ook beperkt in de tijd;
    • vaststelling van de periodieke evaluatiemomenten: n.a.v. zo’n evaluatie zal de arbeidsgeneesheer controleren of de deeltijdse prestaties nog steeds een meerwaarde zijn voor de ambtenaar. Een evaluatie kan een verlenging van het stelsel, een verhoging/verlaging van het arbeidsregime, een stopzetting van het stelsel of een aanpassing van het protocol voor gevolg hebben. Het is belangrijk dat in geval er een periodiek evaluatiemoment werd ingebouwd de evaluatie voor de voorziene datum wordt uitgevoerd. Zo niet kan ten gevolge het ontbreken van een evaluatie het systeem niet worden verdergezet en is een nieuwe beslissing van de arbeidsgeneesheer noodzakelijk.[37]

    § 3. Het verlof voor deeltijdse prestaties wegens chronische ziekte of handicap wordt met dienstactiviteit gelijkgesteld.[37]

    • De dagen afwezigheid in dit verlofsysteem worden niet aangerekend op het ziektecontingent. Het gaat in deze immers over een vorm van verlof voor deeltijdse prestaties en niet over een vorm van deeltijdse prestaties wegens ziekte. Het is belangrijk om op te merken dat een ambtenaar niet eerst afwezig moet zijn als gevolg van ziekteverlof of deeltijdse prestaties wegens ziekte opdat hij in dit stelsel zou kunnen instappen. [37]
    • Een ambtenaar die tot dit systeem werd toegelaten, kan terzelfdertijd dit systeem niet combineren met een andere deeltijdse verlofvorm (verlof voor deeltijdse prestaties, deeltijds zorgkrediet of deeltijds federaal zorgverlof).[37]
    • Voorts zijn specifieke modaliteiten zoals opschorting in geval van bevallingsverlof, voorrang van de verlofdag op een feestdag en niet beëindiging bij ziekte ook op deze vorm van verlof voor deeltijdse prestaties van toepassing.
    • Omdat de arbeidsgeneesheer deze taken uitoefent in het kader van het arbeidsgeneeskundig toezicht, beschikt de ambtenaar m.b.t. de keuze van de arbeidsgeneesheer niet over keuzevrijheid. Omdat het gaat om arbeidsgeneeskunde zijn de beroepsprocedures die zijn voorzien in de arbeidsgeneeskunde wel van kracht.[37]

    naar boven