chat-altchatcrossloginquestion-circlesearchsmileystarthumbup-downwarning
Vlaanderen
Contacteer ons
    Terug naar overzicht Stuur een e-mail

    Stuur een e-mail naar 1700, de informatiedienst voor al uw vragen aan de overheid.
    U ontvangt een kopie van uw bericht.

    Terug naar overzicht Chat met ons
    Uw chatgesprek wordt automatisch gestart zodra er een medewerker beschikbaar is.
    Even geduld, uw positie in de wachtrij wordt bepaald.

    Definities en richtlijnen vastgoed

    Gebouwen, Gebruiker

    Keuzeveld/invulveld Definitie/richtlijn
    Gebruiksrecht

    Geef aan welke contractuele verbinding er bestaat tussen de gebruiker en de eigenaar (rechtspersoon).

    Gemiddelde huurprijs, gewogen gemiddelde huurprijs, standaardafwijking

    Gemiddelde huurprijs is de som van de huurprijzen per m² per gebouw gedeeld door het aantal gebouwen.

    Gewogen gemiddelde huurprijs is de verhouding van de totale huurprijs op de totale oppervlakte voor alle gebouwen.

    Standaardafwijking is de mate van spreiding van getallen rondom het gemiddelde.

    Graad

    Geef voor deze overeenkomst aan in welke graad deze zich situeert.
    Vb: entiteit X huurt van eigenaar Y => entiteit X heeft eerste graad

    KBO-nummer

    Het KBO-nummer is hetzelfde als het ondernemingsnummer. Dit nummer wordt aan elke onderneming toegekend en bestaat uit 10 cijfers. Bv.: 0999 999 999
    Je kan het KBO-nummer opzoeken op: http://kbopub.economie.fgov.be/kbopub/zoekwoordenform.html

    Natuurlijke persoon (NP)

    De eigenaar is een externe; maar geen onderneming

    Oppervlakte (m²)

    Het totaal van de gebruikte vloeroppervlakte die wordt ingenomen door de gebruiker. Uitgedrukt in m². Indien mogelijk dient de opmeetmethode beschreven in de norm NBN EN 15221-6 gehanteerd te worden voor het bepalen van de intern vloeroppervlakte (IFA). Dit is de oppervlakte van een bouwlaag, exclusief de oppervlakte van de buitenmuren en vides en patio’s.

    Uitgave op jaarbasis (euro)

    Uitgave per jaar in euro voor het gebouw (geen uitsplitsing in type ruimte bv kantoor, woning, archief, parking,…). Exclusief onderhoud en schoonmaak.

    Van wie wordt het goed gebruikt?

    Geef hier aan van welke eigenaar of gebruiker het goed wordt gebruikt door de gebruiker in volgende lijn.

    Gebruiksrecht › Bewoningsrecht

    Het recht van bewoning slaat als tijdelijk zakelijk genotsrecht op het gebruiksrecht van andermans woning en is beperkt tot de behoeften van de bewoner (art. 633 B.W.). Het ontstaat bij overeenkomst of bij testament. Het kan beperkt worden in de tijd (bijv. tot de bewoner een bepaalde leeftijd bereikt), qua ruimtes (volledige woning, enkele kamers) of het kan aan voorwaarden gekoppeld zijn. Als er niets anders in de akte bepaald is, eindigt het bewoningsrecht ten laatste bij het overlijden van de bewoner. Het kan ook vroeger, als hij afstand doet van zijn recht of als hij er misbruik van maakt.
    Het is niet enkel in het kader van een verkoop van een woning dat deze figuur kan toegepast worden. Gezien het recht van bewoning gericht is op het gebruik van een zaak, kan het niet enkel gevestigd worden door de eigenaar van de woning. Ook de erfpachter, opstalhouder en vruchtgebruiker kunnen voor de duur van hun recht een dergelijke gebruiksrecht vestigen.
    Bijvoorbeeld: Indien iemand een onroerend goed koopt, maar overeengekomen wordt dat de verkoper in het goed mag blijven wonen, wordt de verkoper bewoningsrecht verleend. In tegenstelling tot de vruchtgebruiker heeft de bewoner geen recht op de vruchten van het goed. Hij mag het dus bijv. niet verhuren, hij moet het zelf bewonen.

    Gebruiksrecht › Concessie

    In de algemene betekenis is de concessie een administratief contract waarbij de overheid, een particulier of een publiekrechtelijk orgaan tijdelijk ermee belast, onder haar gezag en met nakoming van de door haar bepaalde voorwaarden, een openbare dienst op eigen risico beheert tegen een vergoeding die in beginsel op de gebruikers wordt verhaald (zie Mast, A., “Overzicht van het Belgisch Administratief Recht”, Kluwer, 1994, nrs. 121 – 124).
    Meer bepaald voor domeinconcessies in het geval waarin openbare besturen of openbare instellingen de privatieve ingebruikname toestaan van een gedeelte van het openbaar domein, geldt het volgende. Een concessie is een sui generis overeenkomst die niet volledig onderworpen is aan de normale regels voor overeenkomsten uit het Burgerlijk Wetboek waarbij gronden gelegen op het privaat domein van de overheid voor een bepaalde duur ter beschikking worden gesteld van bedrijven/burgers tegen een vergoeding (canon). De concessie doet tussen de overheid en de concessiehouder rechten van contractuele aard ontstaan omtrent het privatief gebruik van het domein van Vlaamse Gewest en geschillen over die contractuele rechten behoren tot de bevoegdheid van hoven en rechtbanken. De rechten zijn geen zakelijke rechten (want het openbaar domein is onvervreemdbaar), maar de concessiehouder beschikt wel over een subjectief recht dat tegenstelbaar is aan derden, en de titularis is lastens het bestuur gerechtigd op een schadevergoeding wanneer de overheid de concessie wijzigt of beëindigt om redenen ontleend aan het algemeen belang. Dit soort van verpachting is niet onderworpen aan de Pachtwet (zie : Stassijns, E., “Pacht”, A.P.R., 1997, nr. 601).

    Gebruiksrecht › Erfpacht: Erfpachthouder

    Hier wordt gekeken uit het oogpunt van de gebruiker van het vastgoed. De gebruiker is hier erfpachthouder. Er wordt ook gesproken van erfpachter.
    De wettelijke basis is de Wet van 10.01.1824 op het erfpachtrecht, alsook de Wet van 14.05.1955 betreffende de erfpachten. De erfpachter heeft rechtstreekse zeggenschap op de zaak zelf: de erfpacht is immers een onroerend zakelijk recht.
    Erfpacht wordt gevestigd door een overeenkomst, hetzij als een erfpachtrecht zonder meer, hetzij als een onderdeel van een huurovereenkomst. Deze overeenkomst ten bezwarende titel laat de erfpachter toe alle rechten uit te oefenen die verbonden zijn aan de eigendom van het goed op voorwaarde dat hij de waarde van het goed hierdoor niet vermindert.
    Het recht van erfpacht is het recht om het volle genot te hebben van een onroerend goed, dat aan iemand anders toebehoort, gedurende een periode van minimaal 27 jaar tot maximaal 99 jaar. De persoon (of vennootschap) die dit recht verleent is de eigenaar of de erfpachtgever. De persoon (of vennootschap) die het recht krijgt is de erfpachthouder.
    Kenmerken: 1) het betreft steeds onroerende goederen (gronden, woonhuizen); 2) het recht heeft een tijdelijk karakter met een minimumduur van 27 jaar en een maximumduur van 99 jaar; 3) de erfpachter moet jaarlijks een vergoeding, de pacht genoemd, betalen aan de eigenaar. Deze vergoeding kan ook eenmalig betaald worden bij de aanvang van de erfpacht.

    Gebruiksrecht › Gebruiksovereenkomst

    Hier wordt gekeken uit het oogpunt van de gebruiker van het vastgoed. De gebruiker heeft een recht op het gebruik.
    Het recht van gebruik is een tijdelijk zakelijk recht op andermans goed dat kan gevestigd worden bij overeenkomst of testament en dat zowel roerende als onroerende goederen tot voorwerp kan hebben.
    De akte verstrekt de gebruiker een gebruiks- en genotsrecht dat beperkt is tot wat voor de gebruiker nodig is (art. 630 B.W.). De gebruiker moet genieten als een goed huisvader, met inachtname van de bestemming en de instandhouding van de zaak (art. 627 B.W.). Hij dient in te staan voor de normale onderhoudsherstellingen en voor de lasten en uitgaven die normaal aan de vruchtgebruiker worden toegerekend (art. 635 B.W.).

    Gebruiksrecht › Geen

    Indien er een SLA (service Level Agreement) is afgesproken tussen beide entiteiten.

    Gebruiksrecht › Huur: Gewone huur

    Volgens artikel 1709 Burgerlijk Wetboek is 'Huur van goederen' een contract waarbij de ene partij zich verbindt om de andere het genot van een zaak te doen hebben gedurende een zekere tijd, en tegen een bepaalde prijs, die de laatstgenoemde zich verbindt te betalen. Het Belgisch huurstelsel kent een algemeen regime en drie bijzonder regimes.
    Algemeen regime: geldt enerzijds voor alle huurovereenkomsten die niet vallen onder één van de drie bijzondere regimes en is anderzijds van kracht als aanvullende regeling voor alle materies of aangelegenheden die door de bijzondere regimes niet bepaald zijn.De bijzondere regimes zijn woninghuur, handelshuur en pacht.

    Gebruiksrecht › Huur: Handelshuur

    Handelshuur is het huren van een gebouw in hoofdzaak voor het uitoefenen van kleinhandel of van een ambacht door de huurder of onderhuurder, in direct contact met het publiek. De wet op de handelshuurovereenkomsten regelt dit type verhuring en de toepassing ervan is verplicht. Bron: http://www.belgium.be/nl/economie/onderneming/lokalisering/commerciele_h...

    Gebruiksrecht › Huur: Woninghuur

    Er dient sprake te zijn van een huurovereenkomst betreffende een woning die de huurder, met uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming van de verhuurder, vanaf de ingenottreding tot zijn hoofdverblijfplaats bestemt.
    De huishuur wordt geregeld door de wet van 20 februari 1991 inzake de regels betreffende de huurovereenkomsten met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de huur (Woninghuurwet) (opgenomen in het Burgerlijk Wetboek).

    Gebruiksrecht › Kosteloos gebruik

    Dit begrip kadert in de figuur van de bruiklening die wordt behandeld in de art. 1875 – 1891 B.W.
    Bruikleen is een overeenkomst waarbij een persoon (de uitlener) aan een andere (de lener) kosteloos een tijdelijk en persoonlijk gebruiksrecht zonder vruchttrekking verleent op een niet-vervangbare (on)roerende zaak onder verplichting om deze in natura terug te geven bij de beëindiging van de overeenkomst.
    Deze lening is essentieel een overeenkomst zonder geldelijke tegenprestatie (art. 1876 B.W.) : het gebruiksrecht dat verschaft wordt is per definitie kosteloos. Dat het gebruik kosteloos is, betekent echter niet dat de lener geen verplichtingen heeft : deze worden omschreven in art. 1880 – 1887 B.W. en bestaan hoofdzakelijk uit het gebruik van de zaak volgens de bestemming ervan, het als een goed huisvader zorgen voor de bewaring en het behoud van de zaak en de teruggave van de zaak bij de beëindiging van de overeenkomst.

    Gebruiksrecht › Opstal: Opstalhouder

    Hier wordt gekeken uit het oogpunt van de gebruiker van het vastgoed. De gebruiker is hier opstalhouder.
    De wettelijke basis is de Wet van 10.01.1824 op het recht van opstal.
    Het recht van opstal is het recht om de eigendom van gebouwen of beplantingen te hebben op andermans grond, gedurende een periode van maximaal 50 jaar. De persoon die de eigenaar van de grond is en die dit recht verleent is de opstalgever. De persoon (of de vennootschap) die het recht verkrijgt de opstalhouder.
    De eigendom van de grond wordt dus afgesplitst van de eigendom van de gebouwen of opstallen = een horizontale splitsing van de eigendom.
    Opstal wordt gevestigd bij akte onder levenden of bij testament en kan een bezwarend karakter hebben of kosteloos zijn. De opstalhouder heeft enkel de bevoegdheid om opstallen aan te brengen op de grond van de opstalgever waarover hij een eigendomsrecht verwerft, terwijl het genot en de uitoefening van het eigendomsrecht op de grond en de ondergrond zelf bij de opstalgever blijven.
    Kenmerken: 1) de opstalhouder is eigenaar van de door hem opgerichte gebouwen of van de reeds bestaande gebouwen; 2) het recht heeft een tijdelijk karakter en kan slechts toegekend worden voor een duur van 50 jaar, evenwel met mogelijk tot hernieuwing.

    Gebruiksrecht › Pacht: 1-jarige pacht

    Cfr. art. 76, 3de lid van de Ruilverkavelingswet en cfr. art. 14 van het decreet Vlaamse Grondenbank, kan de Vlaamse Landmaatschappij overeenkomsten afsluiten voor 1-jarige pachten.

    Gebruiksrecht › Pacht: Gewone pacht (lopende)

    Art. 1711 B.W. omschrijft de pacht als een huur van landeigendommen. Het is een overeenkomst waarbij een partij de verbintenis aangaat het tijdelijk genot van een landeigendom te verschaffen aan een andere partij die zich verbindt hiervoor een bepaalde prijs te betalen. Als landeigendommen kunnen worden beschouwd : gronderven en weiden, hoevegebouwen en landgebouwen.
    Pachtovereenkomsten vallen onder de regeling van de Pachtwet van 04.11.1969 indien het gaat om pachtcontracten die voldoen aan de voorwaarden van art. 1 van deze wet. Art. 18 van deze Pachtwet regelt de verpachting van landeigendommen door de Staat, de provincies, de gemeenten en de openbare instellingen. Bijv. spoor- of buslijnen kunnen verpacht worden. Dan spreekt men eerder over OV-concessies. In België werden de buurtspoorweglijnen verpacht aan exploitatiemaatschappijen.
    Deze pacht is onderworpen aan dezelfde regels als de pacht toegestaan door privépersonen, met uitzondering van de manier van verpachten die gebeurt bij openbare aanbesteding. Deze vorm van pacht is beperkt tot het privaat domein: goederen die tot het openbaar domein behoren kunnen in principe niet worden verpacht (zie : Stassijns, E., “Pacht”, A.P.R., 1997, nrs. 600 en 601).
    De opbrengst van het verpachte goed of de verpachte dienst komt in beginsel toe aan de pachter.

    Gebruiksrecht › Pacht: Lange pacht

    De partijen kunnen een pacht van minstens 27 jaar afsluiten. Hun contract kan aangegaan worden ongeacht de leeftijd van de pachter. Op het einde van deze pacht kan de verpachter opzeggen met een opzeggingstermijn van ten minste drie jaar en ten hoogste vier jaar voor eigen gebruik of om de goederen te vervreemden. Onderpacht en pachtoverdracht zijn mogelijk zonder dat echter de duur van de overeengekomen periode kan overschreden worden. Voor het overige is de pachtwet volledig van toepassing.
    De lange pacht is dus een contract met een vaste duur, maar een opzeg is vereist en bij verder lopen van het contract zit men in een gewone tweede pachtperiode. Bron: http://lv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?id=2041

    Gebruiksrecht › Pacht: Loopbaanpacht

    De loopbaanpacht is een contract dat wordt afgesloten voor een vaste duur die gelijk is aan het verschil tussen het ogenblik waarop de pachter vijfenzestig jaar zal zijn en de huidige leeftijd van de kandidaat-pachter. Deze vaste periode moet minstens zevenentwintig jaar omvatten. Wanneer er meerdere pachters zijn, wordt de vaste duur berekend volgens de leeftijd van de jongste medepachter.
    Op het einde van de loopbaanpacht kan de verpachter van rechtswege vrij over zijn goed beschikken zonder dat de pachter zich hiertegen kan verzetten.
    Onderpacht en pachtoverdracht zijn mogelijk onder de wettelijke voorwaarden zonder dat echter de vaste duur kan worden overschreden.
    Wanneer de pachter in het bezit van het goed wordt gelaten na het einde van de loopbaanpacht, wordt het contract stilzwijgend verlengd van jaar tot jaar.
    Bij loopbaanpacht mag de wettelijke pachtprijs met de helft verhoogd worden voor de gronden en met één vierde voor de gebouwen.
    Bron: http://lv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?id=2040

    Gebruiksrecht › Terbeschikkingstelling (Bezetting ter bede)

    Terbeschikkingstelling betekent dat er op een andere manier wordt toegelaten dat het gebouw wordt bezet (bezetting ter bede, kost en inwoon in ruil voor arbeid, bewust gedogen van krakers,…).
    De bezetting ter bede, is een onbenoemde overeenkomst die niet wettelijk geregeld wordt en gegroeid is uit de rechtspraktijk. Bij deze overeenkomst (van precair bezit) wordt door een eigenaar aan een bepaalde persoon bij wijze van gunst het recht verleend om tot wederopzegging toe een bepaald onroerend goed te gebruiken in afwachting dat aan dit onroerend goed zijn definitieve bestemming kan worden gegeven of tot wederopzegging. Dit tijdelijk recht van gebruik kan gratis zijn of tegen een eerder symbolische vergoeding. Deze rechtsfiguur wordt vaak gebruikt voor landbouwgronden, woningen en handelspanden in afwachting van een definitieve bestemming.
    Bezetting ter bede heeft tevens een specifieke betekenis in het kader van de verpachting van landeigendom door openbare besturen en openbare instellingen. Hier wordt onder bezetting ter bede verstaan het toestaan door een openbaar bestuur of een openbare instelling van het genot van een landeigendom behorend tot het openbaar domein (zie : Stassijns, E., “Pacht”, A.P.R., 1997, nr. 601).

    Gebruiksrecht › Vruchtgebruik

    Het vruchtgebruik wordt behandeld in Titel III van Boek II van het B.W., meerbepaald in de art. 578-624.
    Art. 578 B.W. omschrijft vruchtgebruik als het recht om van een zaak waarvan iemand anders de eigendom heeft, het genot te hebben zoals de eigenaar zelf, maar met de verplichting om de zaak zelf in stand te houden.
    Het is een tijdelijk recht op andermans zaak, dat kan worden gevestigd door een overeenkomst of door een testament en dat kan slaan op alle soorten van roerende of onroerende goederen.
    De vruchtgebruiker krijgt een genotsrecht dat bestaat uit het materieel gebruik van de zaak en het vruchtgenot ervan, aangevuld met een aantal bevoegdheden die de vruchtgebruiker m.b.t. zijn recht zelf kan uitoefenen. Hij mag meerbepaald alle daden van behoorlijk beheer stellen, d.w.z. alle handelingen die noodzakelijk of verenigbaar zijn met een normaal gebruik en beheer van de zaak. Hij dient hierbij zorg te dragen voor het behoud van de in vruchtgebruik gegeven goederen en de bestaande bestemming van het goed te handhaven. Verder dient hij in te staan voor het onderhoud van de zaak en voor de vruchtgebruiklasten.

    Gebouwen, Geocodering

    Keuzeveld/invulveld Definitie/richtlijn
    Berekend OIDN nummer

    Het OIDN nummer (object identifier) duidt op unieke en eenduidige manier de locatie aan van een gebouw op een kaart , het Grootschalig Referentiebestand (GRB).

    Startpagina's

    XLS