chat-altchatcrossloginquestion-circlesearchsmileystarthumbup-downwarning
Vlaanderen
Contacteer ons
    Terug naar overzicht Stuur een e-mail

    Stuur een e-mail naar 1700, de informatiedienst voor al uw vragen aan de overheid.
    U ontvangt een kopie van uw bericht.

    Terug naar overzicht Chat met ons
    Uw chatgesprek wordt automatisch gestart zodra er een medewerker beschikbaar is.
    Even geduld, uw positie in de wachtrij wordt bepaald.

    Verplichte kleuterparticipatie

    Sinds het schooljaar 2009 - 2010 moeten kleuters verplicht naar de derde kleuterklas. Als ze niet minstens twee op drie dagen aanwezig zijn, kunnen ze niet ingeschreven worden in het eerste leerjaar, tenzij ze met succes een taalproef afleggen. Om deze wetgeving bekend te maken, lanceerde het Agentschap Onderwijscommunicatie een sensibiliseringscampagne met de slogan Mag jouw kind naar het eerste leerjaar?  Na twee schooljaren campagnevoeren was het aandeel kleuters dat regelmatig aanwezig is in de kleuterklas gestegen van 93% naar 97%

    Voor het schooljaar 2011-2012 wou het Agentschap Onderwijscommunicatie de campagne bijsturen en extra inspanningen leveren om ook de laatste 3% niet-ingeschreven kinderen te bereiken. Het agentschap ging ervan uit dat die kinderen vooral te vinden zouden zijn in de sociaal zwakkere doelgroepen. 

    De doelgroep nader bekeken

    Het Agentschap Onderwijscommunicatie stelde een startfiche op om de contouren van de opdracht scherp te stellen. Nadien bracht het agentschap in kaart:

    • vanuit welke motieven mensen in armoede hun kinderen al dan niet naar de kleuterklas sturen
    • welke hindernissen ze ervaren rond de verplichte kleuterparticipatie
    • wat mogelijke hefbomen voor communicatie zijn

    Het agentschap deed dat via:

    • een startworkshop met medewerkers van het Agentschap Onderwijscommunicatie en externen die rond het thema bezig zijn
    • vijf focusgroepsgesprekken met allochtone en autochtone mensen in armoede
    • gesprekken met enkele kleuterjuffen
    • twee thesissen rond het onderwerp

    Op basis van deze informatie werkte het agentschap een communicatieplan uit waarin gewerkt wordt in drie fasen.

    Eerste campagnefase: bekrachtigen van bestaand gewenst gedrag

    Bij de start van het schooljaar voerde het agentschap preventief campagne. De focus lag op het bekrachtigen van het bestaande gewenste gedrag.  De meeste kleuters zijn immers voldoende aanwezig. Het agentschap stuurde alle ouders thuis een folder met een brede en positieve boodschap: "Kijk wat ik al kan!" De folder bevat aan de binnenkant een spel dat ouders met hun kind kunnen spelen. Door samen met hun kind voorwerpen te zoeken en te benoemen, ervaren ouders wat hun kind al kan. Daarnaast bevat de folder informatie over wat kleuters leren op school en informatie over de wetgeving verplichte kleuterparticipatie. Met vragen over deze wetgeving kunnen ouders ook terecht bij de Vlaamse Infolijn.

    Alle scholen kregen enkele  affiches die tonen wat kleuters allemaal leren in de kleuterklas. Scholen konden ook op de  campagnewebsite voor de digitale versie van het materiaal. De webstatistieken toonden toen dat de powerpointpresentatie met de campagnebeelden zeer vaak werd gedownload. Ook de instapbrieven in tien talen werden regelmatig geraadpleegd. 

    Naast de scholen kregen ook verschillende intermediairen de campagneinformatie, vergezeld van een begeleidende brief op maat. Het gaat om: onthaalbureaus, klassen NT2, integratiediensten, OCMW's en CAW's, inloopteams van Kind en Gezin, LOP-deskundigen, verenigingen waar armen het woord nemen ... 
    De informatie is ook verspreid naar de pedagogische begeleidingsdiensten van het Gemeenschapsonderwijs en het VSKOen naar de CLB's. 

    Daarnaast had het agentschap aandacht voor de campagne en het thema in al haar papieren en online kanalen. Er verschenen artikels in onder meer Klasse voor Leraren, Klasse voor Ouders, Schooldirect, Lerarendirect, Wetwijs,... 

    De campagne werd voor het grote publiek bekend gemaakt via een persbericht.

    Tweede campagnefase: kleuters in de 'gevarenzone'

    Na de herfstvakantie ging de tweede fase van de campagne van start. Het agentschap gaf de scholen een module om uit te rekenen welke kleuters niet regelmatig naar school komen en dus in de gevarenzone zitten. Daarnaast kregen de scholen een brochure met gespreksinformatie die hen helpt om ouders die hun kleuter niet regelmatig naar school sturen, aan te spreken aan de schoolpoort of tijdens de oudercontacten.

    Het agentschap stelde vier ouderprofielen op, vertrekkende van de redenen waarom ouders hun kleuters niet naar school sturen. De brochure geeft de scholen handvaten om te detecteren bij welk profiel de betrokken ouder aansluit en hoe ze deze ouder dan best aanspreken.

    Derde campagnefase: informeren over de gevolgen van de afwezigheid

    Na ongeveer 2/3de van het schooljaar weten de scholen welke kleuters onvoldoende aanwezig waren en dus een taalproef zullen moeten afleggen om ingeschreven te kunnen worden in het eerste leerjaar. In deze derde fase wil het Agentschap Onderwijscommunicatie de ouders informeren over de taalproef en over de gevolgen als hun kleuter die proef niet aflegt of niet slaagt. Op de campagnewebsite zette het agentschap een lijst voor de ouders met de stappen die ze moeten zetten. Voor scholen en CLB's zijn er tips voor het voeren van een slechtnieuwsgesprek.

    Reflectie: strategische keuzes beter onderbouwd

    Door te werken met het Change Designers Werkkader werden de strategische keuzes explicieter gemaakt en duidelijker onderbouwd. Het agentschap pleegde meer overleg over de strategische keuzes en besliste pas in een later stadium welke materialen het precies zou maken. Ook doelen van de campagne werden ambitieuzer verwoord: niet enkel ouders informeren, maar ook daadwerkelijk het gedrag van ouders beïnvloeden.

    Door zich in de startworkshop in te leven in doelgroep, heeft het Agentschap Onderwijscommunicatie de doelgroepen op een andere manier ingedeeld dan bij vorige campagnes: niet meer zuiver op basis van kenmerken als anderstalige ouder, laaggeschoolde ouder, of stedelijke versus landelijke school, of Brusselse scholen als aparte groep. Wel op basis van wat ouders tegenhoudt om het gewenste gedrag te stellen. 
    Door de inleefoefening kreeg het agentschap ook het idee om in fases te communiceren, gelinkt aan het verloop van een schooljaar.  De invalshoek verschoof: de campagne moest niet enkel gaan over de wetgeving, maar vooral over het belang van de kleuterklas. De focus van het denkproces verschoof dankzij deze oefening van Hoe gaan wij zeggen wat wij willen zeggen? naar Hoe bereiken we als overheid de doelgroep? 

    Reflectie: de doelgroep beter ingeschat 

    Via focusgroepen met kansarme, laaggeschoolde en/of allochtone ouders heeft het agentschap de resultaten van de inleefoefening verfijnd. Het leverde het inzicht op dat sommige ouders hun kind thuis houden omdat ze problemen op school niet durven aankaarten: pesten, luizen, laatkomersbeleid,... Sommige ouders gaven ook toe dat het hen soms niet lukt om op tijd op te staan en dat ze soms te veel problemen aan hun hoofd hebben. Wat zeker interessant was, is dat uit de bevraging bij de ouders bleek dat een grote groep kansarme, laaggeschoolde of allochtone ouders hun kleuters wél regelmatig naar school sturen. Door deze signalen heeft het agentschap de piste verlaten om een sensibiliseringscampagne te maken specifiek voor laaggeschoolde, kansarme of allochtone ouders.

    Reflectie: bewust bepaalde hefbomen ingezet

    Het overzicht van mogelijke hefbomen voor communicatie stimuleerde het agentschap om bewust bepaalde hefbomen in te zetten. Door een spel te verwerken in de folder, bood het agentschap de ouders de kans samen te spelen met hun kleuter en zo te ervaren wat hun kleuter al kan (de hefboom experience).
    De informatie over de wetgeving (de hefboom enlighten) werd in meerdere talen aangeboden, de andere communicatiematerialen werden enkel in het Nederlands beschikbaar gesteld.
    Uiteindelijke leverde de werkwijze ook een gefaseerde communicatieactie met een gevarieerd aanbod aan communicatiematerialen op: website, folders, brochure voor de scholen en CLB's, brieven, berekeningsmodule ... .

    Aan de hand van het Change Designers Werkkader kon het agentschap ook blinde vlekken in hun campagne ontdekken. Zo is de hefboom 'engage' niet uitgewerkt in de huidige campagne. Deze hefboom kan eventueel volgend schooljaar toegevoegd worden of kan door andere organisaties opgenomen worden.

    Conclusie: de drie sterke punten van de campagne

    • Het pilootproject is gestart met de vraag welke extra aandacht er in de campagne kan gegeven worden aan kansarme ouders die hun kleuters niet voldoende naar school laten gaan.
      Tijdens het pilootproject is er een realistischer, bijgestuurd beeld ontstaan van de problematiek waardoor armoede op zich niet meer de focus van de campagne werd.
      Uit het pilootproject bleek dat bij de 3% kleuters die onvoldoende aanwezig zijn, ook niet-armen behoren. Tegelijkertijd stelde het Agentschap vast dat veel kleuters uit kansarme gezinnen wel regelmatig komen. Dus armoede was geen relevant criterium om de campagne te baseren, wel het gestelde gedrag.
    • De campagne bevestigt de grootste groep ouders in hun huidige gedrag: hun kleuters regelmatig naar school sturen. Het  goede, gewenste gedrag wordt in de kijker gezet.
    • Het is een grote stap vooruit dat scholen en CLB's niet enkel instructies via een omzendbrief krijgen, maar daadwerkelijk met communicatieproducten worden ondersteund. Het Agentschap Onderwijscommunicatie verwacht dat vooral de gespreksgids professionelen uit het werkveld echt zal ondersteunen.

    Informatie over kleuterparticipatie