chat-altchatcrossloginquestion-circlesearchsmileystarthumbup-downwarning
Vlaanderen
Contacteer ons
    Terug naar overzicht Stuur een e-mail

    Stuur een e-mail naar 1700, de informatiedienst voor al uw vragen aan de overheid.
    U ontvangt een kopie van uw bericht.

    Terug naar overzicht Chat met ons
    Uw chatgesprek wordt automatisch gestart zodra er een medewerker beschikbaar is.
    Even geduld, uw positie in de wachtrij wordt bepaald.

    1. ALGEMEEN

    Wat zijn instellingen met een publieke taak en milieu-instanties?

    Onder instellingen met een publieke taak wordt verstaan:

    instellingen die niet behoren tot de Vlaamse overheid of tot een lokale overheid maar die voldoen aan al de volgende kenmerken:

    1° ze zijn opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang die niet van industriële of commerciële aard zijn;

    2° ze bezitten rechtspersoonlijkheid;

    3°   1) ofwel worden ze voor meer dan de helft gefinancierd door de Vlaamse overheid, een  lokale overheid of een andere instelling met een publieke taak;

    2) ofwel hebben de Vlaamse overheid, een lokale overheid of een andere instelling met een publieke taak meer dan de helft van de stemmen in de raad van bestuur;

    3) ofwel staat hun beheer onder toezicht van de Vlaamse overheid, een lokale overheid of een andere instelling met een publieke taak;

     

    Onder milieu-instanties wordt verstaan:

    natuurlijke personen, groeperingen van natuurlijke personen, rechtspersonen of groeperingen van rechtspersonen, die niet behoren tot de Vlaamse overheid of een lokale overheid, en die niet beschouwd worden als een instelling met een publieke taak als vermeld in punt 6°, maar die voldoen aan elk van de volgende voorwaarden:

    1° ze staan onder het toezicht van de Vlaamse, een lokale overheid of een  instelling met een publieke taak;

    2° ze oefenen openbare verantwoordelijkheden of functies uit of verlenen openbare diensten met betrekking tot het milieu;

     

    Deze definitie van “instelling met een publieke taak” wijkt op een aantal punten af van artikel 3, 1°, b) en c) van het openbaarheidsdecreet (het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur):

    - ze sluit natuurlijke personen, groeperingen van natuurlijke personen en groeperingen van rechtspersonen uit.  Voor het bestuursdecreet vallen natuurlijke personen en feitelijke verenigingen alleen onder het toepassingsgebied in de mate dat het milieu-instanties zijn (punt 6°);

    - het onderscheid tussen instanties die belast zijn met een publieke taak en instanties die een taak van algemeen belang behartigen wordt verlaten;

    - ze voert een nieuw criterium voor overheidsinvloed toe: meer dan 50% financiering door de overheid.

     

    Andere aspecten sluiten, niettegenstaande de aangepaste terminologie inhoudelijk volledig aan op artikel 3, 1°, b) van het openbaarheidsdecreet. Zo ligt het bijvoorbeeld niet in de bedoeling van de decreetgever om een ruimere invulling te geven aan “beheer onder toezicht” zoals vermeld in het nieuwe artikel, dan aan “in hun werking bepaald en gecontroleerd worden” zoals vermeld in artikel 3 van het openbaarheidsdecreet. Ondanks de veranderde terminologie gaat het om hetzelfde “organiek” criterium.

     

    Een niet-limitatieve lijst van instellingen die als instelling met een publieke taak en instellingen en personen die als milieu-instantie beschouwd worden, zal (binnenkort) beschikbaar zijn op: https://overheid.vlaanderen.be/toepassingsgebieden

    Welke bepalingen van het bestuursdecreet zijn van toepassing op instellingen met een publiek taak en milieu-instanties?

    Hieronder worden de bepalingen van het bestuursdecreet vermeld die van toepassing op de hoger vermelde instellingen met een publieke taak, wat hun publieke taak betreft, en op milieu-instanties, wat hun milieu-verantwoordelijkheden, -functies of -diensten betreft.

    •  A. Communicatie tussen burgers en overheid

     

    - Art. II.3, eerste lid: principes over het beheren van informatie

    - Art. II.5: medewerking aan gezamenlijke gegevensbronnen met basisinformatie

    - Art. II.6: principes over het beantwoorden van informatievragen

    - Art. II.16 en II.17: principes voor toegankelijkheid van websites en mobiele applicaties 

    Wat is er nieuw?

    1. Van de instellingen met een publieke taak en de milieu-instanties wordt verwacht dat ze zich zo organiseren dat informatie correct wordt beheerd en gericht wordt verspreid:

     - Er is een algemene kwaliteitsverplichting (inspanningsverbintenis) i.v.m. het beheren van informatie (art. II.3): om aan hun informatieverplichtingen te kunnen voldoen moeten ze er voor zorgen dat ze over actuele, geordende en accurate informatie beschikken. Tot nu bestond deze decretale verplichting alleen voor milieu-informatie (art. 30, eerste lid, openbaarheidsdecreet.

    - Er wordt een algemene verplichting (inspanningsverbintenis) ingeschreven om iedereen die informatie zoekt bij te staan, dus niet gewoon door te verwijzen naar een andere dienst of instantie (art. II.6, tweede lid) en om vragen die bij een onbevoegde instantie terecht komen door te sturen naar bevoegde instantie (art. II.6, derde lid).

    We noemen dit het “no wrong door principe”.

    Deze verplichtingen bestonden al voor vragen openbaarheid en hergebruik, maar worden nu veralgemeend tot alle informatievragen.

    2. Van de instellingen met een publieke taak en de milieu-instanties wordt verwacht dat ze meewerken aan de uitbouw van centrale informatiebronnen (art. II.5)

    Het agentschap Informatie Vlaanderen zal twee nieuwe authentieke gegevensbronnen ontwikkelen, namelijk het organisatieregister en het dienstverleningsregister (art. II.5). Alle instellingen met een publieke taak en milieu-instanties zijn verplicht hieraan mee te werken en gegevens aan te leveren. Daarbij zal het ‘once-only-principe’ gehanteerd worden en zal er naar gestreefd worden de administratieve last voor alle partijen tot een minimum te beperken. Voor het inhoudelijke beheer zullen afspraken met alle partners gemaakt worden.

    Deze gegevensbronnen bevatten “basisinformatie” die betrekking heeft op identificerende informatie, contactgegevens, informatie over dienstverlening en formele hoedanigheden.

    -“Identificerende” informatie gaat over de info noodzakelijk voor een éénduidige identificatie van de organisatie/dienstverlening.

    - “Contactinformatie” gaat concreet over zaken zoals de website of het standaard emailadres en/of telefoonnummer van een organisatie. Ook informatie over de kanalen die gekoppeld zijn aan bepaalde dienstverlening behoort tot de basisinformatie.

    - “Formele hoedanigheden” zijn de hoedanigheden of rollen die in regelgeving of beleid geïdentificeerd zijn; bijvoorbeeld topkaderfuncties, communicatie-ambtenaren, vertrouwenspersonen, ambtenaren burgerlijke stand, stedenbouwkundig ambtenaren, enzovoort.  De basisinformatie strekt zich uit tot de identificatie, invulling en contactinformatie van de hoedanigheid.

    3. Van de instellingen met een publieke taak en de milieu-instanties wordt verwacht dat ze al hun websites en mobiele applicaties toegankelijk maken voor iedereen[1]

    De websites en de mobiele applicaties van overheidsinstanties  moeten voldoen aan de toegankelijkheidsvereisten (in het bijzonder voor mensen met een beperking en ouderen) die opgelegd worden bij Europese normen, met toepassing van de richtlijn EU 2016/2102.

    - voor websites die gepubliceerd werden vóór 23 september 2018 geldt deze verplichting vanaf 23 september 2020;

    - voor websites die gepubliceerd werden vanaf 23 september 2018 geldt deze verplichting vanaf 23 september 2019;

    - voor mobiele applicaties geldt deze verplichting vanaf 23 juni 2021;

    Als het voor specifieke content onmogelijk is te voldoen aan deze normen zonder dat dit een buitensporige organisatorische of financiële last zou betekenen voor de instantie of als dit afbreuk zou doen aan het vermogen van de instantie om haar doelstelling te verwezenlijken of om relevante informatie bekend te maken, en rekening houdend met het waarschijnlijk voor- of nadeel voor de burgers, kan een uitzondering gemaakt worden op deze verplichting.

    Op iedere overheidswebsite moet een toegankelijkheidsverklaring gepubliceerd worden

    Meer info: https://overheid.vlaanderen.be/digitale-overheid/gebruiksvriendelijke-digitale-dienstverlening/wettelijke-verplichtingen

    • B. Toegang tot bestuursdocumenten.

     

    Art. II.26 t.e.m. II.51 en art. III.90 en III.91

    Alle bepalingen van titel II, hoofdstuk 3, en de bepalingen m.b.t. de beroepsinstantie openbaarheid van bestuur zijn van toepassing op de instellingen met een publieke taak en op de milieu-instanties, voor wat betreft de documenten die betrekking hebben op  respectievelijk hun publieke taak of hun milieuverantwoordelijkheden.

    Wat de instellingen betreft die voor meer dan de helft gefinancierd worden door de overheid, maar waarin de overheid niet meer dan de helft van de stemmen heeft in de raad van bestuur en waarvan het beheer niet onder overheidstoezicht staan,  zijn deze bepalingen alleen van toepassing voor wat betreft de documenten die betrekking hebben op beslissingen die derden binden.

    Dat betekent bijvoorbeeld dat de onderwijsinstellingen van het vrij onderwijs alleen kunnen gehouden zijn hun documenten die betrekking hebben op resultaten van proeven en examens, of op de uitreiking van attesten en diploma’s, …, openbaar te maken binnen de decretale grenzen. Andere documenten, die bijvoorbeeld betrekking hebben op wetenschappelijk onderzoek of personeelsaangelegenheden, vallen buiten het toepassingsgebied. In artikel 44 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van het onderwijs, wordt één en ander geëxpliciteerd.

    Wat verandert er aan het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur  (dat al van toepassing was op de instellingen met een publieke taak en de milieu-instanties)

    - Terminologische aanpassing: de definitie van “bestuursdocument” wijkt op 2 punten af van die in het openbaarheidsdecreet, maar de draagwijdte van het begrip is onveranderd:

    1° De nadruk ligt niet langer op de “drager” maar op de informatie die op een drager beschikbaar is. Er is gekozen voor een herformulering omdat die beter aansluit bij de definitie van de richtlijn milieu-informatie en omdat, vooral in hoofdstuk hergebruik, abstractie moet kunnen gemaakt worden van de bestaande drager.

    Maar het blijft uiteraard wel zo dat alleen beschikbare data onder het toepassingsgebied vallen en dat de hoofdstukken toegang en hergebruik geen verplichting impliceren om data te verwerken en te ordenen. Voor zover daarover onduidelijkheid zou bestaan, wordt in resp. artikel II.31, derde lid, en II.57 bepaald dat instanties niet verplicht zijn informatie te creëren of te verwerken.

    2° Er is nu sprake van informatie “die in het bezit is van een overheidsinstantie” i.p.v. “waarover een overheidsinstantie beschikt”. Er is gekozen voor de herformulering omdat de term “beschikken” ten onrechte soms zo geïnterpreteerd werd dat informatie als bestuursdocument moet beschouwd worden zodra een overheidsinstantie die informatie ergens kan bekomen of kan opvragen. De Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak heeft in het verleden al bevestigd dat “beschikken” niet in die zin mag geïnterpreteerd worden.

    Anderzijds is alle informatie die een overheidsinstantie juridisch bezit, ook al heeft de instantie die niet feitelijk in bezit als bestuursdocument te beschouwen. Dat is bijvoorbeeld het geval als informatie in een archief is neergelegd of tijdelijk in het bezit is van een derde, of door derden ter beschikking wordt gehouden  op grond van reglementaire bepalingen.

    Inhoudelijk heeft het begrip dus nog exact dezelfde betekenis als in het openbaarheidsdecreet.

    - Ontvankelijkheid van de aanvraag: de aanvrager moet zijn naam en zijn postadres opgeven: de loutere vermelding van een mailadres volstaat niet langer. Deze maatregel is ingeschreven om misbruik van de openbaarheidsregeling en indienen van verzoeken onder fictieve naam te ontmoedigen.

    - Specifieke bepalingen voor “oude” bestuursdocumenten en voor toegang met wetenschappelijke doeleinden:    

    a) De bepalingen uit het archiefdecreet die ertoe strekken uitzonderingsgronden inzake toegang tot bestuursdocumenten te beperken in de tijd worden ingeschreven in hoofdstuk toegang tot bestuursdocumenten en de termijnen worden aangepast (art. II.37):

    - tot 20 jaar na opmaak van het bestuursdocument gelden alle uitzonderingsgronden

    - tussen 20-50 jaar: alleen de uitzonderingen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer, vertrouwelijkheid van informatie van derden, van internationale betrekkingen, van commerciële informatie en decretale geheimhoudingsplicht gelden (behalve voor milieu-informatie);

    - tussen 50-120 jaar: alleen de uitzondering ter bescherming van persoonlijke levenssfeer geldt, maar met die beperking dat deze uitzondering geldt tot maximaal 20 jaar na het overlijden van de betrokkene;

    - vanaf 120 jaar: geen enkele uitzondering geldt nog

    b) Voor documenten die ouder zijn dan dertig jaar en die informatie van persoonlijke aard bevatten, geldt niet langer de voorwaarde dat belang moet aangetoond worden (art. II.40, §3)

    c) Art. II.38 maakt het mogelijk dat hogescholen, universiteiten of erkende onderzoeksinstellingen in het kader van wetenschappelijke doeleinden inzage kunnen krijgen in bestuursdocumenten die normaal uitgesloten worden van openbaarmaking op grond van artikel II.34 tot en met II.36. . (zie ook uitvoeringsbesluit (principieel goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 14 december 2018)

    - De termijn voor behandeling van openbaarheidsverzoek wordt aangepast (art. II.43) :  er is voortaan nog slechts één termijn waarbinnen beslist en uitgevoerd moet worden : die bedraagt voortaan 20 kalenderdagen (daar waar vroeger een termijn van 15 dagen bestond om te beslissen en 30 dagen om uit te voeren, wat al te vaak aanleiding gaf tot misverstanden). Die termijn van 20 dagen is nog altijd korter dan de termijn van één maand die is voorzien in Verdrag van Aarhus. Die termijn van 20 dagen is verlengbaar tot 40 dagen, mits motivering.

    - Afbakening van openbaarheid en hergebruik: een instantie die een openbaarheidsverzoek inwilligt (al dan niet gedeeltelijk), moet de aanvrager erop wijzen dat dit geen toestemming inhoudt om die informatie ook te gaan hergebruiken (art. II.44, §3). Tot op heden blijken veel burgers en bedrijven niet op de hoogte van het onderscheid tussen beide regelingen en met deze bepaling wordt de aandacht nu gevestigd op dit onderscheid. Voor hergebruik van overheidsinformatie bestaat er immers een afzonderlijke procedure.

    - De procedure inzake verbetering van bestuursdocumenten (art. II.47) wordt nu geregeld in een afzonderlijke afdeling met het oog op duidelijkheid en leesbaarheid. Ook hier wordt de behandelingstermijn op 20 kalenderdagen gebracht.

    - Bij de beroepsprocedure wordt nu uitdrukkelijk voorzien (art. II.48, §2) dat de aanvrager een afschrift van zijn oorspronkelijk openbaarheidsverzoek en de eventuele weigeringsbeslissing van de instantie moet meesturen. Deze bepaling zal onnodig tijdverlies voorkomen.

     

    • C. Hergebruik van overheidsinformatie

     

    Art. II.51 t.e.m. II.61, art. II.63 t.e.m II.73 en III.90 en III.91

    Alle bepalingen van titel II, hoofdstuk 4 (met uitzondering van artikel II.62) en de bepalingen m.b.t. de beroepsinstantie hergebruik van overheidsinformatie zijn van toepassing op de instellingen met een publieke taak en op de milieu-instanties, voor wat betreft de documenten die betrekking hebben op  respectievelijk hun publieke taak of hun milieuverantwoordelijkheden.

    Wat de instellingen betreft die voor meer dan de helft gefinancierd worden door de overheid, maar waarin de overheid niet meer dan de helft van de stemmen heeft in de raad van bestuur en waarvan het beheer niet onder overheidstoezicht staan,  zijn deze bepalingen alleen van toepassing voor wat betreft de documenten die betrekking hebben op beslissingen die derden binden.

    Dat betekent bijvoorbeeld dat de onderwijsinstellingen van het vrij onderwijs (die volgens de Raad van State niet voldoen aan de criteria van artikel I.3, 6°, c) 2) of 3), – zie arrest nr. 221.642 van 6 december 2012 - maar eventueel wel aan artikel I.3, 6°, c) 1°)) alleen kunnen gehouden zijn hun documenten die betrekking hebben op resultaten van proeven en examens, of op de uitreiking van attesten en diploma’s, …, voor hergebruik beschikbaar te stellen binnen de decretale grenzen. Andere documenten, die bijvoorbeeld betrekking hebben op wetenschappelijk onderzoek of personeelsaangelegenheden, vallen buiten het toepassingsgebied. In artikel 44 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van het onderwijs, wordt één en ander geëxpliciteerd.

     

    Wat verandert er aan het decreet van 27 april 2007 betreffende het hergebruik van overheidsinformatie (dat al van toepassing was op de instellingen met een publieke taak en de milieu-instanties)

    - Toepassingsgebied (art. II.53): er is geëxpliciteerd dat broncode van computerprogramma’s niet valt onder het toepassingsgebied (vroeger stond dat alleen in de memorie);

    - de verplichting voor instanties om hergebruikers op de hoogte te brengen als bestaande informatie niet langer geproduceerd wordt, is vervangen door algemene informatieverplichting (bijv. via website) – art. II.58

    - De aanvraag- en beroepsprocedure en de behandelingstermijnen worden maximaal afgestemd op die van toegang tot bestuursdocumenten vanwege de samenhang tussen beide regelingen (art II.63-66 en art. II.69-73)

    - De voorwaarde dat de aanvrager schriftelijk moet instemmen met de licentievoorwaarden (art. 12, §4, decreet hergebruik) wordt geschrapt: het aanvaarden van de voorwaarden kan op eender welke wijze blijken. Zo kunnen de mogelijkheden van Open Data optimaal benut worden (art. II.66).

    - De beroepsinstantie kan voortaan onvoorwaardelijk hergebruik toestaan indien een afwijzende beslissing ongegrond is en de betrokken instantie verzuimt om de noodzakelijke bestuurshandelingen te verrichten (Art. II.72).

     

    • D. Elektronisch bestuurlijk gegevensverkeer

     

    Art. III.70 is van toepassing op de instellingen met een publieke taak en op de milieu-instanties, voor wat betreft de documenten die betrekking hebben op  respectievelijk hun publieke taak of hun milieuverantwoordelijkheden.

    Het artikel legt onder andere een aantal verplichtingen op met het oog op de beveiliging en kwaliteit van gegevens, en met betrekking tot de naleving van de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens.

    Deze bepaling stond al in het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer, en was al van toepassing op de instellingen met een publieke taak en milieu-instanties,  maar de bepaling is aangepast aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming.

    [1] Specifieke content en specifieke instanties worden uitgesloten van deze verplichting (zie de tekst van artikel II.16 en II.17)

    2. DEUGDELIJK BESTUUR

    Welke instellingen vallen onder het toepassingsgebied?

    Instellingen die niet behoren tot de Vlaamse overheid of tot een lokale overheid maar die voldoen aan al de volgende kenmerken:

    1° ze maken deel uit van de Vlaamse deelstaatoverheid of zijn in handen van de Vlaamse deelstaatoverheid en vallen onder het exclusief toezicht van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaams Gewest, in overeenstemming met het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen, vermeld in verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie;

    2° ze bezitten rechtspersoonlijkheid;

    3° het Vlaamse Gewest, de Vlaamse Gemeenschap, de intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid, de extern verzelfstandigde agentschappen of hun rechtstreekse of onrechtstreekse dochterondernemingen hebben minimaal de helft van de stemmen in de algemene vergadering;

    De universitaire instellingen, met inbegrip van hun patrimonium, en de hogescholen vallen niet onder het toepassingsgebied.

    Deze definitie wijkt af van die in het decreet van 22 november 2013 betreffende deugdelijk bestuur in de Vlaamse publieke sector: voortaan vallen alleen de rechtspersonen waarin de Vlaamse overheid ministens de helft van de stemmen heeft in de algemene vergadering onder het toepassingsgebied.

     

    Een niet-limitatieve lijst van deze instellingen zal (binnenkort) beschikbaar zijn op: https://overheid.vlaanderen.be/toepassingsgebieden

    Welke bepalingen van het bestuursdecreet zijn van toepassing?
    • A. Rechtpositie van de personeelsleden

    Art. III.24 t.e.m. III.31 en III.33 t.e.m. III.35

    Wat verandert er aan het decreet van 22 november 2013 betreffende deugdelijk bestuur in de Vlaamse publieke sector (dat al van toepassing was op de hoger genoemde instellingen)

    Inzake transparantie van de verloning in het jaarverslag van de overheidsinstanties wordt nu verduidelijkt dat voor instanties die onder het Vlaams Personeelsstatuut vallen of waar de bezoldiging in een ander besluit van de Vlaamse Regering is vastgesteld, de openbaarmaking beperkt is tot de bezoldiging van de leidend ambtenaar en de algemeen directeur.

    Voor de andere entiteiten is de openbaarmaking van toepassing op de bezoldiging van de leidend ambtenaar en de andere leden van het management- of directiecomité.

     

    • B. Raad van bestuur

     

    Art. III.36 t.e.m. III.47

    Met dien verstande dat de artikelen III.40 t.e.m. III.43 (m.b.t. onafhankelijke bestuurders) niet van toepassing zijn op de dochterondernemingen waarin het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap niet rechtstreeks over minimaal de helft van de stemmen beschikt in de algemene vergadering.

    Verder verandert er niets aan het decreet van 22 november 2013 betreffende deugdelijk bestuur in de Vlaamse publieke sector (dat al van toepassing was op de hoger genoemde instellingen)

    • C. Rechtspositie van de regeringscommissarissen

     

    Art. III.48 t.e.m.III.56

    Er verandert niets aan het decreet van 22 november 2013 betreffende deugdelijk bestuur in de Vlaamse publieke sector (dat al van toepassing was op de hoger genoemde instellingen)

    • D. Rapportering

    Art. III.118

    De rapportering aan het Vlaams Parlement inzake deugdelijk bestuur gebeurt nog één maal per regeerperiode nl. in het derde jaar van elke regeerperiode. Hiertoe wordt een bevraging georganiseerd. Van de instellingen wordt verwacht dat ze hieraan meewerken.

    Tijdelijke participaties van minder dan twee jaar vallen niet onder deze rapportering.

    3. VRIJWARING VAN STRATEGISCHE BELANGEN VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP OF HET VLAAMSE GEWEST

    Welke instellingen vallen onder het toepassingsgebied?

    Instellingen die niet behoren tot de Vlaamse overheid of tot een lokale overheid maar die voldoen aan al de volgende kenmerken:

    1° ze zijn opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang;

    2° ze bezitten rechtspersoonlijkheid;

    3°   a) ofwel worden ze voor meer dan de helft gefinancierd door een instantie die onder het toepassingsgebied van deze afdeling valt.

    b) ofwel heeft een instantie die onder het toepassingsgebied van deze afdeling valt meer dan de helft van de stemmen in de raad van bestuur;

    c) ofwel staat hun beheer onder het toezicht van een instantie die onder het toepassingsgebied van deze afdeling valt.

    Deze definitie komt overeen met de definitie van instelling met een publieke taak, met dien verstande dat instellingen die een industriële of commerciële taak hebben, niet uitgesloten worden.

    Een niet-limitatieve lijst van deze instellingen zal (binnenkort) beschikbaar zijn op: https://overheid.vlaanderen.be/toepassingsgebieden

     

    Nieuwe regeling in het bestuursdecreet met het oog op de vrijwaring van strategische belangen van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest

    Als een rechtshandeling van een hierboven genoemde instelling tot gevolg heeft dat buitenlandse natuurlijke personen of rechtspersonen zeggenschap of beslissingsmacht krijgen in die instelling, en als daardoor de strategische belangen van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest bedreigd worden, met name als de continuïteit van vitale processen in het gedrang komt, als bepaalde strategische of gevoelige kennis in buitenlandse handen dreigt te vallen of als de strategische onafhankelijkheid van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest in het gedrang komt, kan de Vlaamse Regering die rechtshandeling nietig verklaren of buiten toepassing verklaren. De Vlaamse Regering kan alleen toepassing maken van deze mogelijkheid als ze kan aantonen dat ze gepoogd heeft de vrijwaring van de strategische belangen te realiseren met instemming van de betrokken instelling.