chat-altchatcrossloginquestion-circlesearchsmileystarthumbup-downwarning
Vlaanderen
Contacteer ons
    Terug naar overzicht Stuur een e-mail

    Stuur een e-mail naar 1700, de informatiedienst voor al uw vragen aan de overheid.
    U ontvangt een kopie van uw bericht.

    Terug naar overzicht Chat met ons
    Uw chatgesprek wordt automatisch gestart zodra er een medewerker beschikbaar is.
    Even geduld, uw positie in de wachtrij wordt bepaald.

    BVR 6 september 2019_2

    6 september 2019. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, wat betreft mobiliteitsmaatregelen en andere bepalingen

    DE VLAAMSE REGERING,

    Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 87, §1, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, en §3, vervangen bij de wet van 8 augustus 1988 en gewijzigd bij de bijzondere wet van 6 januari 2014;

    Gelet op het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs, artikel 67, §2;

    Gelet op het bestuursdecreet van 7 december 2018, artikel III.23;

    Gelet op het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006;

    Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 15 februari 2019;

    Gelet op protocol nr. 383.1221 van het Sectorcomité XVIII Vlaamse Gemeenschap - Vlaams Gewest van 24 mei 2019;

    Gelet op advies 66.375/1/V van de Raad van State, gegeven op 31 juli 2019, met toepassing van artikel 84, §1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

    Op voorstel van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding;

    Na beraadslaging,

    BESLUIT:

    Artikel 1. Artikel I 5, van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 29 april 2011, 24 juni 2016 en 27 januari 2017, wordt als volgt gewijzigd:

    1° in punt 2° worden de woorden “in aanmerking komen voor toegang tot een beschutte werkplaats of een Vlaamse ondersteuningspremie” vervangen door de woorden “recht hebben op Bijzondere Tewerkstellingsondersteunende Maatregelen (BTOM)”;

    2° er wordt een punt 3° toegevoegd dat luidt als volgt:

    “3° personen van wie de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding beslist dat zij recht hebben op collectief maatwerk of een Vlaamse ondersteuningspremie (VOP) voor een duur van vijf jaar.”.

    Art. 2. In artikel I 16, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 en 15 december 2017, wordt punt 1° opgeheven.

    Art. 3. Aan artikel III 2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 29 april 2011, 16 maart 2007 en van 26 april 2019 wordt de volgende bepaling toegevoegd:

    “- in het buitenland, ter ondersteuning van het personeel dat Vlaanderen in het buitenland vertegenwoordigt.”.

    Art. 4. In artikel III 16 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008, 29 mei 2009 en van 26 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

    1° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:

    “§ 2. Ten minste op het einde van de proeftijd wordt een evaluatiegesprek gehouden. Het evaluatiegesprek wordt vastgelegd in een verslag dat de evaluatoren opstellen. De geëvalueerde kan binnen vijftien kalenderdagen opmerkingen toevoegen aan het definitieve evaluatieverslag. Artikel IV 3, IV 4, IV 5 § 1, eerste lid, en § 2, en artikel IV 6 zijn van toepassing op de evaluatie van het personeelslid.

    Het eindevaluatiegesprek van de proeftijd wordt uiterlijk gehouden binnen dertig kalenderdagen na het einde van de proeftijd, berekend conform artikel III 15.

    Als het eindevaluatiegesprek niet plaatsvindt binnen dertig kalenderdagen na  het einde van de proeftijd, wordt de proeftijd geacht gunstig te zijn voor de ambtenaar op proef. In afwijking daarvan wordt bij afwezigheid van het personeelslid de schriftelijke evaluatie, vermeld in artikel IV 4 en IV 5, § 1, eerste lid, opgestart binnen dertig kalenderdagen na het einde van de proeftijd, zo niet wordt de proeftijd geacht gunstig te zijn voor de ambtenaar op proef.

    Het eindevaluatieverslag wordt aan het personeelslid en aan de benoemende of indienstnemende overheid betekend binnen dertig kalenderdagen na het evaluatiegesprek of binnen zestig kalenderdagen nadat de schriftelijke evaluatie is opgestart.  Als het eindevaluatieverslag niet binnen die termijnen wordt betekend aan de ambtenaar op proef, wordt de proeftijd geacht gunstig te zijn voor de ambtenaar op proef.”;

    2° aan paragraaf 3 wordt de volgende zin toegevoegd:

    “Bij afwezigheid van het te evalueren personeelslid is de procedure, vermeld in paragraaf 2, van overeenkomstige toepassing.”;

    3° paragraaf 6 en 7 worden opgeheven.

    Art. 5. In hetzelfde besluit worden de volgende artikelen opgeheven:

    artikel III 23;

    artikel III 25.

    Art. 6. Aan artikel IV 4, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016, worden de volgende zinnen toegevoegd:

    “Bij een schriftelijke evaluatie maakt een van de evaluatoren een ontwerp van evaluatieverslag op en stuurt dat naar het personeelslid. Het personeelslid kan gedurende vijftien kalenderdagen opmerkingen bezorgen aan de evaluatoren. Het ontwerpverslag bevat in voorkomend geval het voorstel van de einduitspraak "loopbaanvertraging" of "onvoldoende”.”.

    Art. 7. In artikel IV 5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, 29 mei 2009 en 21 februari 2014, wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt:

    Ҥ1. De evaluatoren leggen de evaluatie vast in een definitief opgesteld verslag in een van de volgende gevallen:

    1°      na het evaluatiegesprek;

    2°      nadat ze bij een schriftelijke evaluatie de opmerkingen hebben ontvangen van het personeelslid bij het ontwerp van evaluatieverslag;

    3°      nadat de vijftien kalenderdagen, vermeld in artikel IV 4, derde lid, zijn verstreken als het personeelslid geen opmerkingen heeft geformuleerd bij het ontwerp van evaluatieverslag.

    Het definitieve verslag bevat, in voorkomend geval, de einduitspraak “loopbaanvertraging” of “onvoldoende”, die loopbaangevolgen heeft conform dit besluit. Het definitieve evaluatieverslag wordt bezorgd aan de geëvalueerde binnen drie maanden nadat de periode verstreken is waarover geëvalueerd wordt.”.

    Art. 8. In artikel V 4, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016, worden tussen het woord "VDAB" en het woord "gepubliceerd" de woorden "of op de website Werken voor Vlaanderen" ingevoegd.

    Art. 9. Aan artikel V 12bis, §2, eerste lid, 3°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 2018, worden de woorden

    “of eigen speedpedelec.” toegevoegd.

    Art. 10. In artikel V 19, tweede lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016, worden tussen het woord "VDAB" en het woord "gepubliceerd" de woorden "of op de website Werken voor Vlaanderen" ingevoegd.

    Art. 11. In artikel V 36, §1, tweede lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016, worden tussen het woord "VDAB" en het woord "gepubliceerd" de woorden "of op de website Werken voor Vlaanderen" ingevoegd.

    Art. 12. Artikel V 51bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 januari 2010, wordt opgeheven.

    Art. 13. Aan deel VI, titel 1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, wordt een artikel VI 3ter toegevoegd, dat luidt als volgt:

    Art. VI 3ter. Als een contractueel personeelslid een statutaire functie opneemt na bevordering of overplaatsing via horizontale mobiliteit, geldt de vereiste inzake eedaflegging, vermeld in artikel III 12.”.

    Art. 14. In artikel VI 32, tweede lid, 1°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014, wordt het woord “graad” vervangen door het woord “rang”. 

    Art. 15. In hetzelfde besluit worden een artikel VI 164 en VI 165 ingevoegd, die luiden als volgt:

    “Art. VI 164. In afwijking van artikel VI 14 behoudt de ambtenaar die vanaf 1 januari 2015 tot 31 december 2018 in het kader van een staatshervorming en de ambtenaar die vanaf 1 januari 2018 in het kader van de afslanking van de provincies overgeheveld is naar de diensten van de Vlaamse overheid en die respectievelijk conform artikel VII 190 en artikel VII 202 met ingang van de datum van de overheveling ambtshalve benoemd en ingeschaald is respectievelijk conform bijlage 14 en bijlage 17, die bij dit besluit zijn gevoegd, bij herplaatsing naar een graad van dezelfde rang zijn salarisschaal in overgangsregeling tot op het moment dat zijn organieke regeling voordeliger is.

    Art. VI 165. In afwijking van artikel VI 26, §1 behoudt de ambtenaar die vanaf 1 januari 2015 tot 31 december 2018 in het kader van een staatshervorming en de ambtenaar die vanaf 1 januari 2018 in het kader van de afslanking van de provincies overgeheveld is naar de diensten van de Vlaamse overheid en die respectievelijk conform artikel VII 190 en artikel VII 202 met ingang van de datum van de overheveling ambtshalve benoemd en ingeschaald is respectievelijk conform bijlage 14 en bijlage 17, die bij dit besluit zijn gevoegd, bij overplaatsing door horizontale mobiliteit naar een graad van dezelfde rang zijn salarisschaal in overgangsregeling tot op het moment dat zijn organieke regeling voordeliger is.

    In afwijking van artikel VI 26, §2 behoudt het contractuele personeelslid dat vanaf 1 januari 2015 tot 31 december 2018 in het kader van een staatshervorming en het contractuele personeelslid dat vanaf 1 januari 2018 in het kader van de afslanking van de provincies overgeheveld is naar de diensten van de Vlaamse overheid en dat respectievelijk conform artikel VII 190 en artikel VII 202 met ingang van de datum van de overheveling tewerkgesteld is in de betrekking en bezoldigd in de salarisschaal respectievelijk conform bijlage 14 en bijlage 17, die bij dit besluit zijn gevoegd, bij overplaatsing door horizontale mobiliteit naar een contractuele functie met een salarisschaal van dezelfde rang zijn salarisschaal in overgangsregeling tot op het moment dat zijn organieke regeling voordeliger is.

    In afwijking van artikel VI 26, §3,  behoudt het contractuele personeelslid dat vanaf 1 januari 2015 tot 31 december 2018 in het kader van een staatshervorming en het contractuele personeelslid dat vanaf 1 januari 2018 in het kader van de afslanking van de provincies overgeheveld is naar de diensten van de Vlaamse overheid en dat respectievelijk conform artikel VII 190 en artikel VII 202 met ingang van de datum van de overheveling tewerkgesteld is in de betrekking en bezoldigd in de salarisschaal respectievelijk conform bijlage 14 en bijlage 17, die bij dit besluit zijn gevoegd, bij overplaatsing door horizontale mobiliteit naar een statutaire functie met een overeenstemmende of gelijkwaardige inhoud van dezelfde rang  zijn salarisschaal in overgangsregeling tot op het moment dat zijn organieke regeling voordeliger is.”.

    Art. 16. In artikel VII 12, §1, 4°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018, wordt in de tabel de rij

    “Vakantiewerker: 80% van D111”

    Vervangen als volgt:

    “vakantiewerker: 80% van D111

    vakantiewerker bij Agentschap Opgroeien regie als consultatiebureau-arts: 80% van A111.

    De tewerkstelling als vakantiewerker consultatiebureau-arts is enkel mogelijk tijdens de maanden juli, augustus en september aansluitend op het academiejaar waarin de student het diploma van master in de geneeskunde heeft behaald, en op voorwaarde dat de student aansluitend op zijn tewerkstelling als jobstudent niet in dienst wordt genomen bij Agentschap Opgroeien regie.”.

    Art. 17. Aan artikel VII 45, §2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018, wordt een rij toegevoegd, die luidt als volgt:

    "

    jeugdzorgtoelage administratieve personeelsleden met baliefunctie

    439 euro tegen 100% per jaar

    personeelslid van niveau C of D met een administratieve functie dat werkt in de afdeling Continuïteit en Toegang of in de afdeling Ondersteuningscentra en Sociale Diensten van de jeugdrechtbank, dat gedurende 1 tot 9 volledige dagen per maand een baliefunctie uitoefent

    877 euro tegen 100% per jaar

    personeelslid van niveau C of D met een administratieve functie dat werkt in de afdeling Continuïteit en Toegang of in de afdeling Ondersteuningscentra en Sociale Diensten van de jeugdrechtbank, dat 10 volledige dagen of meer per maand een baliefunctie uitoefent

    "

    Art. 18. Aan artikel VII 57 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:

    “In afwijking van artikel VII 16, 2°, wordt de toelage niet naar rato van de prestaties betaald.”.

    Art. 19. In artikel VII 80, §1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, en laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2017, wordt in de tabel het woord “fiets” vervangen door de woorden “fiets en speedpedelec”.

    Art. 20. Aan deel VII, titel 3, hoofdstuk 2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2017, wordt een afdeling 3bis, die bestaat uit artikel VII 82bis, ingevoegd, die luidt als volgt:

    “Afdeling 3bis. Forfaitaire vergoeding voor het thuis opladen van een volledig elektrisch dienstvoertuig of een dienstvoertuig dat een plug-in hybride is.

    Art. VII 82bis. Het personeelslid dat voor een binnenlandse dienstreis gebruik maakt van volledig elektrisch dienstvoertuig of van een dienstvoertuig dat een plug-in hybride is, en dat voertuig mee naar huis neemt, ontvangt de volgende forfaitaire vergoeding:

     

    bedrag per keer dat het personeelslid het dienstvoertuig mee naar huis neemt

    volledig elektrisch dienstvoertuig

    6,67 euro

    dienstvoertuig dat een plug-in hybride is

    2,73 euro

    De Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken, herziet minstens om de twee jaar de vergoeding vermeld in het voorgaande lid, op basis van:
    1°       de gemiddelde eenheidsprijs van elektriciteit in euro per kWh, vastgesteld door   de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt;
    2°       de evoluties in de batterijtechnologie;
    3°       andere nieuwe technologische ontwikkelingen.

    Het personeelslid dat met toepassing van artikel V 12bis of VII 109sexies beschikt over een volledig elektrisch dienstvoertuig of een dienstvoertuig dat een plug-in hybride is, kan geen aanspraak maken op de vergoeding, vermeld in het eerste lid.

    In afwijking van het derde lid ontvangt het personeelslid de vergoeding, vermeld in het eerste lid, in afwachting van de installatie van een thuislaadpunt als vermeld in artikel VII 109decies.”.

    Art. 21. In deel VII, titel 3, van hetzelfde besluit, wordt hoofdstuk 3, dat bestaat uit artikel VII 85, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, vervangen door wat volgt:

    “Hoofdstuk 3. Buitenlandse dienstreis

    Afdeling 1. Algemene bepaling

    Art. VII 85. De kosten die een personeelslid maakt in het kader van een buitenlandse dienstreis, worden terugbetaald onder de voorwaarden, vermeld in dit hoofdstuk.

    Derden die een buitenlandse dienstreis maken in opdracht van de diensten van de Vlaamse overheid, hebben recht op dezelfde vergoedingen onder dezelfde voorwaarden, vermeld in dit hoofdstuk, met uitzondering van de vergoeding voor representatiekosten, vermeld in artikel VII 85ter decies.

    Afdeling 2. Aanvraag

    Onderafdeling 1. Zendingsaanvraag

    Art. VII 85bis. §1. Zendingsopdrachten in het buitenland worden gegeven door de lijnmanager.

    De functioneel bevoegde minister(s) verlenen toestemming voor een zendingsopdracht van de lijnmanager.

    § 2. De lijnmanager beslist welk vervoermiddel functioneel en financieel het meest verantwoord is op basis van de volgende criteria:

    1°       kostprijs;
    2°       snelheid;
    3°       veiligheid;
    4°       duurzaamheid.

    Er wordt niet met het vliegtuig gereisd als de bestemming op minder dan vijfhonderd kilometer ligt of de reis over het land minder dan zes uur in beslag neemt, tenzij de verplaatsing met een ander vervoermiddel dan het vliegtuig een onevenredig verlies van tijd of middelen meebrengt, of om andere zwaarwichtige redenen niet opportuun of praktisch uitvoerbaar wordt geacht.

    Onderafdeling 2. Voorschotten

    Art. VII 85ter. Het personeelslid heeft recht op een voorschot voor bepaalde kosten, als vermeld in artikel VII 85sexies, VII 85octies, VII 85decies en VII 85ter decies.

    Afdeling 3. Kosten

    Art. VII 85quater. Op de zendingsaanvraag worden de uitgaven geraamd voor de kosten, vermeld in deze afdeling.

    Onderafdeling 1. Reiskosten

    Art. VII 85quinquies. §1. De kosten van de reis naar het buitenland en de verplaatsing naar de bestemming in het buitenland worden integraal terugbetaald nadat de bewijsstukken zijn voorgelegd.

    §2. Zendingsopdrachten naar het buitenland die na de toestemming van de lijnmanager noodzakelijk met eigen voertuig plaatsvinden, worden terugbetaald aan de hand van de forfaitaire vergoedingen, vermeld in artikel VII 80, §1.

    §3. Een personeelslid dat een buitenlandse dienstreis maakt met de trein mag eerste klasse reizen.

    §4. Vliegtuigreizen worden aangevraagd in economy class.

    Vliegtuigreizen van minstens acht uur kunnen in business class worden aangevraagd.

    Als de lijnmanager in business class wil reizen voor een vliegtuigreis van minder dan acht uur, motiveert hij die keuze.

    Art. VII 85sexies. Het personeelslid heeft recht op een voorschot van 75% van de totale geraamde reiskosten als het een deel van de kosten of alle kosten eerst zelf betaalt.

    Als het personeelslid vóór de vertrekdatum de volledige reiskosten zelf betaalt, heeft het personeelslid, nadat het de bewijsstukken heeft voorgelegd, recht op een voorschot van 100% van de totale reiskosten.

    Onderafdeling 2. Logies

    Art. VII 85septies. De kosten voor de overnachting worden, nadat de bewijsstukken zijn voorgelegd, terugbetaald volgens de tabel van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, waarin de maximale bedragen worden weergegeven.

    In uitzonderlijke gevallen en met een degelijke motivatie kan een afwijking van de bedragen, vermeld in het eerste lid, binnen redelijke perken worden toegestaan door de lijnmanager.

    Voor de lijnmanager is de afwijking, vermeld in het tweede lid, onderworpen aan de goedkeuring van de functioneel bevoegde minister(s).

    Art. VII 85octies. Het personeelslid heeft recht op een voorschot van 75% van de geraamde kosten als de kosten voor de overnachting ter plaatse vereffend moeten worden.

    Als het personeelslid de kosten voor de overnachting zelf betaalt, heeft het personeelslid, nadat het de bewijsstukken heeft voorgelegd, recht op een voorschot van 100% bovenvermelde kost.

    Onderafdeling 3. Dagvergoeding

    Art. VII 85novies. §1. Het personeelslid ontvangt een dagelijkse forfaitaire verblijfsvergoeding conform de bedragen, vermeld in de tabel van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

    Het bedrag van de dagvergoeding, vermeld in het eerste lid wordt na indexering verminderd met de werkgeversbijdrage in een maaltijdcheque, als vermeld in artikelen VII 109ter, VII 194bis en VII 217.

    §2. Als de werkelijke kosten van de maaltijden en van de andere kleine uitgaven meer bedragen dan de dagvergoeding, kunnen de werkelijke kosten worden terugbetaald nadat de bewijsstukken van alle elementen van de dagvergoeding zijn voorgelegd.

    §3. Voor buitenlandse dienstreizen die langer dan een etmaal duren, wordt de dagvergoeding voor de dagen van vertrek en terugkeer, herleid tot de helft.

    Op de halve dagvergoeding, vermeld in het eerste lid, worden de verminderingen, vermeld in paragraaf 5, niet toegepast.

    §4. In een land met verschillende dagvergoedingen is de dagvergoeding die gekoppeld is aan de plaats van de laatste overnachting, bepalend voor de eerstvolgende dag. De voormelde regel geldt ook voor een dienstreis waarbij het personeelslid verschillende landen aandoet.

    §5. Als het logies of de inschrijvingskosten door de werkgever of derden worden terugbetaald of ten laste genomen en die kosten ook bepaalde maaltijden of kleine uitgaven omvatten, wordt het bedrag van de dagvergoeding, naar gelang van het geval, verminderd met:
    1° 15% van de dagvergoeding, voor het ontbijt;
    2° 35% van de dagvergoeding, voor het middagmaal;
    3°       45% van de dagvergoeding, voor het avondmaal;
    4°       5% van de dagvergoeding, voor de kleine uitgaven.

    Art. VII 85decies. Het personeelslid heeft recht op een voorschot van 50% van de dagvergoeding.

    Art. VII 85undecies. In afwijking van artikel VII 85novies en VII 85decies, wordt het personeelslid dat een eendaagse buitenlandse dienstreis maakt, vergoed conform de bepalingen van hoofdstuk 2.

    Onderafdeling 4. Inschrijvingskosten

    Art. VII 85duodecies. Inschrijvingsgelden voor seminaries, opleidingen, colloquia en dergelijke meer, worden integraal betaald door de betrokken entiteit, raad of instelling of onmiddellijk terugbetaald aan het betrokken personeelslid.

    Onderafdeling 5. Representatiekosten

    Art. VII 85ter decies. Personeelsleden die belast zijn met een zendingsopdracht in het kader van de officiële vertegenwoordiging van de Vlaamse overheid in het buitenland, kunnen een bedrag aanvragen voor representatieve doeleinden. Dat kan het volledig bedrag zijn of een voorschot als de juiste kosten vooraf niet gekend zijn. De aanvraag is gemotiveerd.

    Als een delegatie met een zendingsopdracht in het buitenland belast is, kan alleen de hoogste in rang representatiekosten aanvragen.

    Afdeling 4. Verslaggeving

    Art. VII 85quater decies. Na afloop van de buitenlandse zendingsopdracht kunnen zowel de lijnmanager als het departement Buitenlandse Zaken het personeelslid vragen een zendingsverslag te bezorgen.

    Afdeling 5. Afrekening

    Onderafdeling 1. Terugbetaling van kosten

    Art. VII 85quinquies decies. De kosten die verbonden zijn aan een buitenlandse zendingsopdracht, zijn ten laste van de betrokken entiteit, raad of instelling conform de voorwaarden, vermeld in afdeling 3.

    Na afloop van de buitenlandse zendingsopdracht worden de kosten afgerekend aan de hand van een kostenstaat en met overlegging van de bewijs stukken, behalve voor de dagvergoeding, als ze beperkt blijven tot het forfaitaire bedrag.

    Op straffe van verval van recht wordt een kostenstaat ingediend binnen vier maanden vanaf de dag van de terugkomst.

    Een volledig ingevulde kostenstaat die ingediend is binnen vier maanden, en die drie maanden na de indiening nog niet is terugbetaald, wordt vanaf de vierde maand verhoogd met een intrest van 3% op jaarbasis.

    Onderafdeling 2. Terugvordering van voorschotten

    Art. VII 85sexies decies. Voorschotten die ten onrechte zijn overgemaakt of te veel zijn betaald, worden binnen vijf werkdagen na de eenvoudige schriftelijke vraag van de betrokken vereffenaar teruggestort.”.

    Art. 22. Artikel VII 95 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, wordt vervangen door wat volgt:

    “Art. VII 95. §1. De werkgever neemt de kosten van een abonnement op het openbaar vervoer naar en van de plaats van het werk volledig ten laste.

    Het supplement voor een abonnement in eerste klasse van de NMBS is ten laste van het personeelslid, met uitzondering van een personeelslid met een handicap of chronische ziekte bij wie de tegemoetkoming in een abonnement eerste klasse als maatregel is opgenomen in het integratieprotocol.

    §2. Bij een ononderbroken afwezigheid van ten minste drie maanden wordt het abonnement op het openbaar vervoer stopgezet.

    Het abonnement wordt stopgezet vanaf de ingangsdatum van de afwezigheid, als op dat ogenblik vaststaat dat de afwezigheid ten minste drie maanden ononderbroken zal duren.

    In het andere geval, dan het geval, vermeld in het tweede lid, wordt het abonnement stopgezet vanaf het moment dat er zekerheid is dat de afwezigheid ten minste drie maanden ononderbroken zal duren.”.

    Art. 23. Aan artikel VII 100 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt een paragraaf 2 toegevoegd, die luidt als volgt:

    “§ 2. Bij een ononderbroken afwezigheid van ten minste één maand wordt de tegemoetkoming, vermeld in paragraaf 1, stopgezet.

    De voormelde tegemoetkoming wordt stopgezet vanaf de ingangsdatum van de ononderbroken afwezigheid.”.

    Art. 24. Aan artikel VII 100bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:

    “De in het eerste lid vermelde vergoeding wordt eveneens toegekend aan het personeelslid dat voor hetzelfde traject een fietsvergoeding ontvangt overeenkomstig artikel VII 102.”.

    Art. 25. Artikel VII 102, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, 8 juni 2012 en 1 februari 2013, wordt vervangen door wat volgt:

    “Art. VII 102. §1. Het personeelslid dat het volledige woon-werktraject of een gedeelte ervan van en naar de standplaats met de fiets of de speedpedelec aflegt, ontvangt een maandelijkse fietsvergoeding op basis van het aantal dagen dat hij het woon-werktraject naar de standplaats effectief aflegt.

    §2. De vergoeding, vermeld in paragraaf 1, is gelijk aan 0,21 euro per kilometer.

    §3. De vergoeding, vermeld in paragraaf 1, is niet verschuldigd als de afstand minder dan 1 kilometer enkele rit per dag bedraagt.

    §4. Het personeelslid dat op ten minste 80% van het aantal dagen dat hij het woon-werktraject naar de standplaats aflegt, het hele traject of een gedeelte ervan met de fiets of de speedpedelec aflegt, heeft voor datzelfde traject geen recht op een abonnement op het openbaar vervoer als vermeld in artikel VII 95.

    §5. Het personeelslid dat op minder dan 80% van het aantal dagen dat hij het woon-werktraject naar de standplaats aflegt, het hele traject of een deel ervan met de fiets of de speedpedelec aflegt, heeft ook recht op een abonnement op het openbaar vervoer als vermeld in artikel VII 95.

    §6. Op straffe van verval van recht, dient het personeelslid de aanvraag van een fietsvergoeding uiterlijk in op de laatste dag van de maand die volgt op de maand waarop de fietsvergoeding betrekking heeft.”.

    Art. 26. In artikel VII 104 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008, 8 juni 2012 en 24 juni 2016, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

    1° in het derde lid worden de woorden “Voor de gehandicapte personeelsleden die recht hebben op de Vlaamse Ondersteuningspremie” vervangen door de woorden  “Voor een personeelslid met een handicap of chronische ziekte”;

    2° er wordt een paragraaf 2 toegevoegd, die luidt als volgt:

    Ҥ2. In geval van een ononderbroken afwezigheid van ten minste een maand wordt de tegemoetkoming opgeschort.

    De opschorting van de tegemoetkoming, vermeld in het eerste lid, gaat in vanaf de ingangsdatum van de ononderbroken afwezigheid.”.

    Art. 27. In artikel VII 109novies van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 maart 2019, wordt het vierde lid vervangen door wat volgt:

    “De periodes van afwezigheid door ziekteverlof, moederschapsrust, vader- of meemoederschapsverlof, geboorteverlof en de dienstvrijstelling in het kader van artikel 42 van de arbeidswet van 16 maart 1971 worden gelijkgesteld met werkelijk geleverde prestaties.”.

    Art. 28. Aan deel VII, titel 4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, wordt een hoofdstuk 16, dat bestaat uit artikel VII 109decies, toegevoegd, dat luidt als volgt:

    “Hoofdstuk 16. Kosten voor de installatie en het jaarlijkse onderhoud van een thuislaadpunt voor volledig elektrische dienstvoertuigen en dienstvoertuigen die plug-in hybrides zijn.

    Art. VII 109decies. De werkgever neemt de kosten voor de installatie en het jaarlijkse onderhoud van een thuislaadpunt volledig ten laste voor het personeelslid dat met toepassing van artikel V 12bis of VII 109sexies beschikt over een volledig elektrisch dienstvoertuig of over een dienstvoertuig dat een plug-in hybride is.”.

    Art. 29. In artikel VII 170 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

    1° het tweede lid wordt opgeheven;

    2° in het derde lid worden de woorden “en tweede” opgeheven.

    Art. 30. In artikel VII 199, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2017, wordt tussen de woorden “van de brutojaarwedde” en het woord “ontving” de zinsnede “(verhoogd met de haard- of standplaatstoelage)” ingevoegd.

    Art. 31. In artikel X 10 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, 23 mei 2008, 29 mei 2009 en 15 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

    1° in het vierde lid wordt punt 6° vervangen door wat volgt:

    “6° pleegzorgverlof en pleegouderverlof”;

    2° aan het vijfde lid worden de woorden “en pleegouderverlof” toegevoegd.

    Art. 32. In deel X van hetzelfde besluit wordt het opschrift van titel 3, vervangen door wat volgt:

    “Titel 3. Moederschapsrust, opvangverlof, pleegzorgverlof en pleegouderverlof”.

    Art. 33. In artikel X 16 van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

    1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:

    “Het opvangverlof bedraagt zes weken per personeelslid. De zes weken opvangverlof worden op de volgende wijze opgetrokken:

    1° met één week vanaf 1 januari 2019;
    2° met twee weken vanaf 1 januari 2021;
    3° met drie weken vanaf 1 januari 2023;
    4° met vier weken vanaf 1 januari 2025;
    5° met vijf weken vanaf 1 januari 2027.

    Indien beide ouders het kind adopteren dan worden de bijkomende weken onderling verdeeld.”;

    2° tussen het derde en vierde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:

    “De maximumduur van het opvangverlof wordt met twee weken per personeelslid verlengd bij de gelijktijdige adoptie van meerdere minderjarige kinderen.”;

    3° tussen het bestaande vierde en het bestaande vijfde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:

    “In het kader van een interlandelijke adoptie kan het opvangverlof ook de periode bestrijken die voorafgaat aan de daadwerkelijke opvang van het geadopteerde kind in België, als die voorafgaande periode niet meer bedraagt dan vier weken en ze wordt besteed aan de voorbereiding van de daadwerkelijke opvang van het kind.”;

    4° er wordt een achtste lid toegevoegd, dat luidt als volgt:

    “Het opvangverlof wordt aan het contractuele personeel toegekend als het contractuele personeelslid niet gebruikmaakt van de regeling voor het adoptieverlof, vermeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.”.

    Art. 34. In deel X, titel III, van hetzelfde besluit wordt het opschrift van hoofdstuk 3, vervangen door wat volgt:

    “Hoofdstuk 3. Pleegzorgverlof en pleegouderverlof”.

    Art. 35. In artikel X 16bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

    1° in het eerste lid wordt de zin ‘Het pleegzorgverlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit” opgeheven;

    2° tussen het eerste en het tweede lid worden zes leden ingevoegd, die luiden als volgt:

    “In geval van langdurige pleegzorg heeft het personeelslid dat in het kader van een langdurige pleegzorg een kind in zijn gezin opvangt, voor de zorg voor dat kind, een eenmalig recht op pleegouderverlof gedurende een aaneengesloten periode van maximaal zes weken.

    Het pleegouderverlof van zes weken wordt als volgt opgetrokken:
      1° met één week vanaf 1 januari 2019;
      2° met twee weken vanaf uiterlijk 1 januari 2021;
      3° met drie weken vanaf uiterlijk 1 januari 2023;
      4° met vier weken vanaf uiterlijk 1 januari 2025;
      5° met vijf weken vanaf uiterlijk 1 januari 2027.

    Als beide ouders zijn aangesteld als pleegouder, dan worden de bijkomende weken onderling verdeeld.

    De maximumduur van het pleegouderverlof wordt verdubbeld als het kind dat in het gezin opgenomen wordt, een handicap heeft.

    De maximumduur van het pleegouderverlof wordt met twee weken per personeelslid verlengd als meerdere pleegkinderen tegelijkertijd langdurig in het gezin worden opgenomen.

    In het zesde lid wordt verstaan onder langdurige pleegzorg: de pleegzorg waarvan bij het begin duidelijk is dat het kind voor minstens zes maanden in hetzelfde pleeggezin bij dezelfde pleegouders zal verblijven.”;

    3° het bestaande derde lid, dat het negende lid wordt, wordt vervangen door wat volgt:

    “Het pleegzorgverlof en pleegouderverlof worden aan de ambtenaar op overeenkomstige wijze toegekend als aan het contractueel personeelslid op grond van de arbeidsovereenkomstenwet.”.

    4° er worden een tiende, elfde en twaalfde lid toegevoegd, die luiden als volgt:

    “Het pleegzorgverlof en pleegouderverlof worden met dienstactiviteit gelijkgesteld.

    Tijdens het pleegzorgverlof heeft een statutair personeelslid recht op 82% van het brutoloon en ontvangt het contractueel personeelslid geen salaris.

    Tijdens de eerste drie dagen van het pleegouderverlof hebben het statutair en contractueel personeelslid recht op een doorbetaling van het salaris. Vanaf de vierde dag heeft een statutair personeelslid recht op 82% van het brutosalaris en ontvangt een contractueel personeelslid geen salaris.”.

    Art. 36. In artikel X 44, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, en laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008, worden de woorden “voorzitter van een districtsraad” vervangen door het woord “districtsburgemeester”.

    Art. 37. Artikel X 65, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008 en 29 mei 2009 en van 26 april 2019, wordt vervangen door wat volgt:

    “Art. X 65. Op aanvraag van het personeelslid wordt binnen de hierna bepaalde grenzen, twee dagen per maand dienstvrijstelling verleend om de volgende politieke mandaten uit te oefenen:
    1° gemeenteraadslid;
    2° lid van de raad voor maatschappelijk welzijn, dat geen gemeenteraadslid is;
    3° lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst, dat geen gemeenteraadslid of lid van de raad voor maatschappelijk welzijn is;
    4° lid van de districtsraad;
    5° lid van de provincieraad.

    De dienstvrijstelling, vermeld in het eerste lid, is niet van toepassing als het personeelslid naast een mandaat als vermeld in het eerste lid, ook een of meer van de volgende mandaten uitoefent:
    1° burgemeester;
    2° schepen;
    3° districtsburgemeester;
    4° districtsschepen;
    5° voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst;
    6° lid van het vast bureau van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat een andere gemeente bedient dan de gemeente Voeren of een gemeente als vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966;
    7° voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente Voeren bedient, of een gemeente als vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966;
    8° gedeputeerde.”.

    Art. 38. Artikel X 66 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 2019, wordt vervangen door wat volgt:

    “Art. X 66. Op aanvraag van het personeelslid wordt binnen de hierna bepaalde grenzen, facultatief politiek verlof toegekend om de volgende politieke mandaten uit te oefenen:

    1° gemeenteraadslid, lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat geen lid is van de gemeenteraad, lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst, dat geen gemeenteraadslid of lid van de raad voor maatschappelijk welzijn is of districtsraadslid:

    a) in een gemeente of district tot en met 80.000 inwoners: twee dagen per maand;
    b) in een gemeente of district van 80.001 of meer inwoners: vier dagen per maand;

    2° schepen, voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente Voeren bedient, of een gemeente als vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 of districtsburgemeester:

    a) in een gemeente of district tot en met 30.000 inwoners: vier dagen per maand;
    b) in een gemeente of district van 30.001 tot en met 50.000 inwoners: een vierde van een voltijds ambt;
    c) in een gemeente of district van 50.001 tot en met 80.000 inwoners: de helft van een voltijds ambt;

    3° districtsschepen:

    a) in een district tot en met 10.000 inwoners: twee dagen per maand;
    b) in een district van 10.001 tot en met 20.000 inwoners: drie dagen per maand;
    c) in een district van 20.001 of meer inwoners: vijf dagen per maand;

    4° burgemeester:

    a) in een gemeente tot en met 30.000 inwoners: een vierde van een voltijds ambt;
    b) in een gemeente van 30.001 tot en met 50.000 inwoners: de helft van een voltijds ambt;

    5° provincieraadslid dat geen gedeputeerde is: vier dagen per maandag.

    Het politiek verlof, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt niet toegekend als het personeelslid ook een of meer van de volgende mandaten uitoefent:

    1° burgemeester;
    2° schepen;
    3° districtsburgemeester;
    4° districtsschepen;
    5° voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst;
    6° lid van het vast bureau van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat een andere gemeente bedient dan de gemeente Voeren of een gemeente als vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1996;
    7° voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente Voeren bedient, of een gemeente als vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1996.”.

    Art. 39. Aan artikel X 67 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008 en 29 mei 2009 en van 26 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

    1° in punt 2° worden de woorden “of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van een gemeente” opgeheven;

    2° tussen punt 2° en punt 3° wordt een punt 2°/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:

    “2°/1 voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente Voeren bedient, of een gemeente als vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1996: de regeling voor schepen, vermeld in punt 2 is overeenkomstig van toepassing;”.

    Art. 40. In artikel X 80, §2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 2019 wordt het woord “vrouwelijk” opgeheven.

    Art. 41. In deel X, titel 13, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2017 wordt een artikel X 80bis ingevoegd, dat luidt als volgt:

    “Art. X 80bis. Een personeelslid krijgt gedurende zijn volledige loopbaan bij de diensten van de Vlaamse overheid twintig dagen dienstvrijstelling voor medische onderzoeken en psychologische begeleiding in het kader van transgenderzorg.”.

    Art. 42.  In deel XII van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, 29 mei 2009, 29 april 2011, 2 december 2011 en 1 februari 2013, wordt een Hoofdstuk 1 bis, dat bestaat uit artikel XII 3bis, ingevoegd, dat luidt als volgt:

    “Hoofdstuk 1 bis Algemene overgangsbepalingen

    Artikel XII 3 bis. Een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk die op de dag waarop het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 50, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Unie verlaat zonder dat een akkoord zoals vermeld in artikel 50, tweede lid, van het Verdrag is gesloten, vastbenoemd ambtenaar of ambtenaar op proef is wordt tot 31 december 2020 gelijkgesteld met een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie.”.

    Art. 43. Bijlage 4 van hetzelfde besluit, vervangen door het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 wordt vervangen door bijlage 1 bij dit besluit.

    Art. 44. Dit besluit treedt in werking op 1 oktober 2019, met uitzondering van:

    1° artikel 15 dat uitwerking heeft vanaf 1 januari 2015;

    2° artikel 30 dat uitwerking heeft vanaf 1 januari 2018;

    3° artikelen 1, 17, 37, 38 en 39 die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2019;

    4° artikel 42 dat in werking treedt op de dag waarop het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 50, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Unie verlaat zonder dat een akkoord zoals vermeld in artikel 50, tweede lid, van het Verdrag is gesloten;

    5° artikelen 9, 19, 24, 31, 32, 33, 34, 35 en 25 voor wat betreft het recht op een fietsvergoeding bij gebruik van een speedpedelec, die uitwerking hebben op 1 april 2019;

    6° artikel 27 dat uitwerking heeft met ingang van 1 juni 2019;

    7° artikel 16 dat in werking treedt op 1 juli 2019;

    8° artikel 25, met uitzondering van het recht op een fietsvergoeding bij gebruik van een speedpedelec, dat in werking treedt op 1 januari 2020.

    Art. 45. De Vlaamse minister, bevoegd voor het algemeen beleid inzake personeel en organisatieontwikkeling in de Vlaamse administratie, is belast met de uitvoering van dit besluit.

    Brussel, 6 september 2019.

    De minister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding,

    Liesbeth HOMANS