A) Subsidierecht - subsidieregeling

1° Wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof. Meer bepaald:

* Algemene uitgavenbegroting

Artikel 3: “De ontvangsten en de uitgaven worden voor elk begrotingsjaar geraamd en toegestaan bij jaarlijkse decreten of ordonnanties.

Het begrotingsjaar begint op 1 januari en eindigt op 31 december daaropvolgend.

Bij ontstentenis van een organieke wetsbepaling moet er voor elke toelage in de uitgavenbegroting een speciale bepaling zijn die de aard van de toelage preciseert.

Er is altijd een decretale grondslag nodig. Soms is die er echter niet. Een uiterste reddingsboei als deze niet decretale basis niet voorhanden is, is een (voldoende) specifieke bepaling in de jaarlijkse algemene uitgavenbegroting

Als er bovendien in het subsidiebesluit algemene voorwaarden voor de subsidie worden opgelegd moet de specifieke bepaling in de algemene uitgavenbegroting, gelezen worden in samenhang met:

a) het voormelde artikel 3, derde lid, van de voormelde van 16 mei 2003 – maar dan enkel voor dat begrotingsjaar (en eventueel latere, indien voortzetting in volgende begrotingsdecreten)

b) en eventueel de algemene uitvoeringsbevoegdheid Vlaamse Regering (artikel 20 BWHI)

* Terugvordering

- Artikel 11 van deze wet dat bepaalt dat iedere subsidie moet aangewend voor de doeleinden, waarvoor zij werd verleend. Iedere begunstigde van een subsidie is ertoe gehouden verantwoording te verstrekken over de aanwending van de ontvangen bedragen, tenzij het decreet of de ordonnantie hem daarvan vrijstelling verleent.

- Artikel 13 dat bepaalt dat de begunstigde tot een een onmiddellijke terugbetaling van de subsidie is gehouden als deze:
1° de voorwaarden niet naleeft, waaronder de subsidie werd verleend;
2° de subsidie niet aanwendt voor de doeleinden, waarvoor zij werd verleend;
3° de controle, vermeld in artikel 12 van de voormelde wet, verhindert.
Blijft de begunstigde van de subsidie in gebreke de in artikel 11 bedoelde verantwoording te verstrekken, dan is hij gehouden tot terugbetaling ten belope van het deel dat niet werd verantwoord.

Gevolgen hiervan zijn dat:

1) indien de subsidievoorwaarden niet werden nageleefd, er moet worden teruggevorderd (onverminderd bijkomende sancties die wel een decretale grondslag behoeven);

2) en alles moet worden teruggevorderd (voor die onderdelen die betrekking hebben op de overtredingen)

Dus indien een subsidie bv niet volledig aangewend werd voor de doeleinde, waarvoor zij werd verleend, moet het volledige subsidiebedrag teruggevorderd worden.

Van deze verplichting tot terugvordering opgelegd door de federale wetgever kan in principe niet worden afgeweken. Hooguit zou beroep kunnen worden gedaan op artikel 10 BWHI (impliciete bevoegdheden), waarbij dan dus bij decreet een afwijking op de algemene terugvorderingsverplichting zou kunnen worden voorzien. Hierop kan echter enkel worden beroep gedaan als de noodzakelijkheid en marginale weerslag worden aangetoond. Het is echter zo dat aangezien regels voor terugvordering vaak eerst bij BVR worden uitgevaardigd, men de strakke federale regeling moet naleven en er niet van kan afwijken via BVR.

de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019

het Besluit Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 17 mei 2019