Artikelsgewijze bespreking bestuursdecreet - luik deugdelijk bestuur

Titel III. Organisatorische bepalingen - Hoofdstuk 2. Deugdelijk bestuur

Afdeling 1. Rechtspositie van de personeelsleden


Artikel III.22.

Wat het toepassingsgebied betreft : zie artikel III.36. Vallen bijkomend onder deze afdeling de ministeries, IVA’s met rechtspersoonlijkheid en de eigen vermogens, met uitzondering van het Eigen Vermogen KMSKA en het Eigen Vermogen Informatie Vlaanderen, opgericht bij het decreet van 15 januari 2016 houdende diverse maatregelen inzake de ontbinding van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Agentschap voor Geografische Informatie Vlaanderen en de oprichting van het Eigen Vermogen Informatie Vlaanderen, die geen eigen personeel hebben.

De onderwijsinspectie wordt toegevoegd in het toepassingsgebied van deugdelijk bestuur, De Onderwijsinspectie is een dienst die is opgericht naar analogie met de dienst van de bestuursrechtscolleges.

De leden zelf van de onderwijsinspectie hebben een bijzonder statuut, uitgewerkt in het decreet van 8 mei 2008 betreffende de kwaliteit van het onderwijs.

Maar in deze dienst “De onderwijsinspectie” is ook ondersteunend personeel aanwezig, dat wel onder het VPS valt.

In het toepassingsgebied wordt daarom opgenomen “ de Onderwijsinspectie, met uitzondering van de leden van de inspectie”.

In de tekst wordt verduidelijkt dat het niet de bedoeling is om in sectordecreten af te wijken van de bepalingen in deze afdeling (zie de inleidende zin: tenzij het anders vermeld is in deze afdeling, is deze afdeling van toepassing op.(..)).

Artikel III.23.

De Vlaamse Regering heeft tot opdracht de rechtspositieregelingen van het personeel van de departementen, de IVA en de publiekrechtelijk vormgegeven EVA vast te stellen.

Naar de departementen en de intern verzelfstandigde agentschappen zonder rechtspersoonlijkheid wordt in dit artikel niet verwezen. Immers de bevoegdheid om het personeelsstatuut van het personeel van departementen en IVA’s zonder rechtspersoonlijkheid vast te stellen is gebaseerd op artikel 87, §3 van de BWHI. 

In uitvoering van deze bepaling werd een Vlaams Personeelsstatuut vastgesteld op 13 januari 2006. Dit statuut voor de departementen, IVA en publiekrechtelijk vormgegeven EVA streeft naar een evenwicht tussen de coherentie binnen de Vlaamse overheidssector en de ruimte voor elke instantie om een personeelsbeleid op maat te voeren.

Het personeel van de departementen, de IVA en de publiekrechtelijk vormgegeven EVA maakt deel uit van één arbeidsmarkt

Artikel III.24.

Bij de diensten van de Vlaamse overheid wordt al sedert vele jaren een integriteitsbeleid gevoerd, dat zich onder meer verwezenlijkt in de uitwerking van een deontologische code, de aanstelling van een integriteitscoördinator, de organisatie van dilemmatrainingen, de oprichting van een virtueel bureau integriteit, de organisatie van forensische audits door Audit Vlaanderen en een regeling ter bescherming van klokkenluiders. Inzake de bescherming van de klokkenluiders werd een samenwerkingsprotocol gesloten met de Vlaamse ombudsman in toepassing van het ombudsdecreet ( decreet van 7 juli 1998 houdende instelling van de Vlaamse ombudsdienst).

Vaak moet worden vastgesteld dat hoe verder een instantie verwijderd is van de klassieke administratie, hoe minder aandacht hieraan wordt besteed, terwijl nochtans ook deze instanties gefinancierd worden met belastinggeld en hiermee dus omzichtig en integer moet worden omgesprongen.

Alle instanties moeten minstens een eigen deontologische code uitwerken.

Alle instanties die onder het toepassingsgebied vallen van het ombudsdecreet ( nl. de bestuursinstanties van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaams Gewest) moeten een beschermingsregeling voor klokkenluiders uitwerken. Deze beschermingsregeling geldt niet in geval van misbruik.

De instanties die nog geen deontologische code hebben kunnen de code van de Vlaamse overheid van toepassing verklaren.

Deze bepaling geldt uiteraard niet voor instanties die geen personeel hebben.

De Minaraad merkte in haar advies van 2 februari 2018 op dat het witboek open en wendbare overheid principes van wendbaarheid en daadkracht vooropstelt en dat het niet duidelijk is hoe men dit op het individuele niveau van ambtenaar zal realiseren.

Het bepalen van de deontologische regels komt toe aan de hiervoor bevoegde overheid. Voor de diensten van de Vlaamse overheid worden de rechten en plichten nader toegelicht in een deontologische code, vastgesteld door de minister van Bestuurszaken, zoals bepaald in artikel II 7 van het VPS. In de deontologische code voor het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid van 6 juli 2011 is samenwerken één van de principes die worden uitgewerkt.

Artikel III.25.

De minister-president-norm wordt vastgesteld als volgt:

Geen enkel personeelslid mag meer verdienen dan 153.924 euro à 100%.

Dit is de som van het salaris en toelagen die jaarlijks bruto wordt toegekend aan de minister-president van de Vlaamse Regering.

Voor de minister-president zijn de toelagen het vakantiegeld en de eindejaarstoelage. De personeelsleden kunnen ook andere toelagen ontvangen (vb. mandaattoelage).

Onkostenvergoedingen en sociale voordelen zijn niet inbegrepen in dit bedrag.

Indien men de minister-president-norm zou willen omzeilen door een te hoge forfaitaire vergoeding aan te rekenen, zal de fiscus dit niet aanvaarden en deze vergoeding beschouwen als een voordeel van alle aard waarop belastingen moeten worden betaald.

In het advies van 30 oktober 2012 merkte het Remuneratiecomité reeds op dat voor bepaalde topfuncties (o.a. ziekenhuizen) de marktomstandigheden cruciaal zijn om een voldoende competente topfiguur te kunnen aantrekken.

De Vlaamse Regering kan, op advies van het Remuneratiecomité van de Vlaamse overheid, op gemotiveerde wijze afwijken van de minister-presidentnorm.

Deze afwijkingen zullen evenwel slechts uitzonderlijk worden toegestaan en enkel voor zover de instantie kan aantonen dat men er anders niet in slaagt om de juiste personen aan te trekken en een marktconforme verloning aan te bieden.

Het remuneratiecomité van de Vlaamse overheid werd opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot oprichting van het remuneratiecomité van de Vlaamse overheid en tot regeling van de presentiegelden en vergoedingen van de leden, hetzij van het eigen remuneratiecomité.

Deze afwijkingen worden niet gebetonneerd in het decreet, maar beslist door de Vlaamse Regering, waarbij ook rekening wordt gehouden met de evolutie op de arbeidsmarkt (wat vandaag een knelpuntfunctie is, is dit niet noodzakelijk nog binnen vijf jaar).

De instantie die een afwijking voorstelt zal dit moeten motiveren en het remuneratiecomité brengt hierover een advies uit aan de Vlaamse minister van Bestuurszaken, die het voorstel agendeert op de Vlaamse Regering.

Het vragen van een afwijking op de norm moet gebeuren voorafgaand aan een selectieprocedure en niet tijdens een selectieprocedure (de arbeidsvoorwaarden moeten namelijk bekend gemaakt worden bij de publicatie van een vacature) en afwijkingen kunnen ook niet worden toegestaan in functie van kandidaten (men weegt functies en niet personen).

Er is ook geen precedentsrecht af te leiden uit eerder toegestane overschrijdingen (m.a.w. het is niet omdat bepaalde topambtenaren nu boven de norm zitten dat dit enige precedentswaarde heeft voor toekomstige aanstellingen in deze functie).

Artikel III.26.

Er geldt een verbod om de bezoldigingselementen geheel of gedeeltelijk in aandelen of aandelenopties toe te kennen.

Tevens geldt een verbod om de bezoldiging van de personeelsleden te betalen aan een managementvennootschap. Een managementvennootschap is een vennootschap die managementactiviteiten ontplooit en ter beschikking stelt aan één of meerdere vennoten. Voor de geleverde diensten (consultancy,…) wordt gefactureerd.

Artikel III.27.

Bij het vaststellen van een maximumvertrekpremie moet uiteraard rekening worden gehouden met het Belgisch arbeidsrecht dat bij ontslag van een werknemer verplicht tot hetzij toekennen van een opzegtermijn, hetzij het uitbetalen van een verbrekingsvergoeding.

Op grond van artikel 6, §1, VI, vijfde lid, 12°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 is de federale overheid bevoegd voor het arbeidsrecht. Met dit decreet is het uiteraard niet de bedoeling om van de dwingende regels van het federale arbeidsrecht af te wijken.

Enkel in een beperkt aantal gevallen kan de arbeidsovereenkomst worden beëindigd zonder verbrekingsvergoeding, bijvoorbeeld bij ontslag om dringende redenen (bijvoorbeeld bij een ernstig misdrijf gepleegd door de werknemer) en bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst in onderling akkoord waarbij expliciet wordt afgesproken dat er geen verbrekingsvergoeding moet worden betaald.

Hetgeen wel kan is dat bij nieuwe indiensttredingen in de arbeidsovereenkomst de vertrekpremie wordt beperkt, zoals is aangekondigd in het regeerakkoord 2009-2014. Krachtens dat regeerakkoord zal de Vlaamse overheid de vertrekpremie van een topmanager uitvoerende bestuurder, binnen de wettelijke mogelijkheden, beperken tot één vast jaarsalaris.

Deze bepaling strekt ertoe om misbruiken te voorkomen waarbij een vertrekpremie wordt toegekend van meer dan één vast jaarsalaris, terwijl het personeelslid slechts zeer korte tijd in dienst was. In die zin moet het dan ook verboden worden om in de arbeidsovereenkomst op te nemen dat aan het personeelslid een opzegvergoeding van meer dan één jaar zal worden toegekend. Dit belet niet dat een werknemer nadien gerechtigd kan zijn op een hogere opzegvergoeding, bijvoorbeeld met toepassing van de formule Claeys. In dit geval betreft het dan namelijk geen misbruik, maar de normale toepassing van het arbeidsrecht. Het is de taak van de functioneel bevoegde Vlaamse ministers en de regeringscommissaris erop toe te zien dat er in de arbeidsovereenkomsten geen opzegvergoeding van meer dan één jaar wordt opgenomen.

De vertrekpremie omvat de opzegvergoeding, de eventuele vergoeding wegens concurrentiebeding, voordelen in natura of stortingen in een pensioenfonds die de werknemer ontvangt na beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Bij vrijwillig vertrek, d.i. op eenzijdige beslissing van het personeelslid, wordt geen vertrekpremie toegekend.

Artikel III.28.

De pensioenregeling mag niet gunstiger dan deze van een minister van de Vlaamse Regering.

Een regeling kan voordeliger zijn op basis van volgende elementen:

- ontvangen bedrag;
- persoonlijke bijdrage/ werkgeversbijdrage;
- instapvoorwaarden.

Ambtenaren en contractuelen bij de overheidssector vallen onder toepassing van de “wet Wyninkx”. Deze wet van 5/8/1978 houdende economische en budgettaire hervormingen bepaalt een absoluut maximumplafond van het pensioenbedrag (46.882,74 euro niet geïndexeerd). De cumulatie van de eerste en tweede pensioenpijler mag niet hoger liggen dan dit bedrag.

Een aanvullende pensioenregeling kan, ook voor de instanties opgesomd onder artikel III.22, eerste lid, 1° van dit decreet, worden uitgewerkt binnen het kader dat door de wet van 13 maart 2003 (wet Vandenbroucke) werd uitgetekend, maar afgeroomd tot voormeld absoluut plafond.

De gemeenschappen en gewesten zijn op basis van de wet van 13 maart 2003 (wet Vandenbroucke) wel bevoegd om een aanvullende pensioenregeling (2de pijler) uit te werken voor contractuele personeelsleden in overheidsdienst, ook voor de entiteiten vermeld onder artikel III 22, 1°.

Titel 4 van de wet van 30 maart 2018[1] creëert een rechtsbasis (kaderwet) voor het uitwerken van aanvullende pensioenregelingen voor contractuele personeelsleden in overheidsdienst, dus ook voor de contractuele personeelsleden van de ministeries en agentschappen zonder rechtspersoonlijkheid (artikel III 22, §1, 1° van het ontwerp van decreet).

Het pensioen van een minister en een parlementslid valt ook onder de toepassing van de wet Wyninkx”.

Artikel III.29 en artikel III.30

Het regeerakkoord 2009-2014 bepaalde dat de variabele vergoedingen moeten worden bepaald op basis van een beleid dat gericht is op de lange termijn, met een balans tussen financiële en niet-financiële doelstellingen (zoals bijvoorbeeld de evoluties van de klantentevredenheid, kwaliteit van de dienstverlening, energiebesparingen, vermindering negatieve milieu-impact, personeelstevredenheid, deugdelijk bestuur,…).

Door bijvoorbeeld meer rekening te houden met personeelstevredenheid zal een goed ‘people management’ aan belang winnen en de verhoogde aandacht voor klantentevredenheid sluit aan bij de waardengebonden competentie “klantgerichtheid” die nu reeds voorkomt in de functiebeschrijving van de topambtenaren bij de diensten van de Vlaamse overheid.

Bij de evaluatie kan ook rekening worden gehouden met het niveau van maturiteit van de instantie, de organisatiebeheersing en de mate waarin het strategisch plan wordt gerealiseerd.

Tevens geldt naar analogie met de regeling in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006 dat de variabele verloning wordt geplafonneerd tot maximum 20% van het jaarsalaris + mandaattoelage.

De eventueel toegekende variabele verloning komt ook in aanmerking voor het bepalen van de minister-presidentnorm (zie artikel III.25).

Het is het bevoegde orgaan van de instantie die het bedrag van de variabele verloning bepaalt.

Artikel III.31 en artikel III.32

In een vorige regeerperiode verleende de Vlaamse Regering haar goedkeuring aan een nota inzake de verhoogde openbaarheid van het beloningsbeleid bij de Vlaamse overheid. Het toepassingsgebied van deze nota was evenwel beperkt tot de instanties die ressorteren onder het organisatiebesluit ([2]), aangevuld met de secretariaten van de strategische adviesraden, en gold bijvoorbeeld niet voor de instanties of de NV’s die zijn opgericht bij wet of decreet en waar de Vlaamse Regering een overwegend aandeel heeft in de algemene vergadering en/of de Raad van Bestuur.

Deze nota gaf aanleiding tot een omzendbrief die een aantal praktische richtlijnen bevatte in uitvoering van de nota ([3]), maar werd niet reglementair verankerd in een decreet, een besluit van de Vlaamse Regering of een code.

Met een met redenen omklede motie van 9 november 2005 ([4]) vroeg het Vlaams Parlement de Vlaamse Regering onder meer de nodige maatregelen te nemen om - naar analogie van de initiatieven die genomen worden voor de beursgenoteerde bedrijven (de zogenaamde wet Picanol) - te komen tot een maximale transparantie van de zitpenningen en andere rechtstreekse of onrechtstreekse vergoedingen die personeelsleden van de Vlaamse overheid ontvangen voor de uitoefening van functies bij vennootschappen, agentschappen, instellingen of verenigingen die door de Vlaamse overheid worden opgericht of waar de Vlaamse overheid een overwegend aandeel heeft in de oprichting of het bestuur ervan.

Deze transparantie zou echter niet enkel moeten gelden t.a.v. de personeelsleden van de Vlaamse overheid, maar eigenlijk voor alle leden van de raden van bestuur.

Huidige regeling in het decreet:

De transparantie inzake verloning (niveau 1: externe bekendmaking) krijgt een reglementaire basis. Deze transparantie geldt voor zowel de verloning van de topmanager en de uitvoerende bestuurder (bezoldiging en eventuele vertrekvergoeding) als voor de zitpenningen en vergoedingen van de leden van de raad van bestuur (zie hiervoor afdeling 2): de instanties die onder het toepassingsgebied ressorteren moeten in alle transparantie hierover communiceren, aangezien het een uitgave van belastinggeld betreft.

Wat de verloning van de topmanager en de uitvoerende bestuurder betreft wordt het reële loon bekend gemaakt, ook indien het een puntverloning (= vast bedrag) betreft.

Om te kunnen nagaan of ook de beperking van de variabele verloning tot 20% van het jaarsalaris (inclusief mandaattoelage) wordt nageleefd (zie artikel III.30.), wordt de verplichting opgelegd om bij de publicatie het bedrag van de jaarlijkse bezoldiging op te splitsen in het vast en variabel gedeelte.

Ingevolge het advies van de Raad van State van 16 mei 2018 over het voorontwerp van bestuursdecreet wordt het toepassingsgebied van deze regeling verduidelijkt in de tekst van het decreet.

Entiteiten die onder het toepassingsgebied van het Vlaams personeelsstatuut vallen of waar de bezoldiging in een ander besluit van de Vlaamse Regering is vastgesteld

Het feit van het bestaan van een besluit van de Vlaamse Regering (en publicatie in het Belgisch Staatsblad) garandeert reeds de grootst mogelijke transparantie. De transparantie door vermelding in het jaarverslag en op de website van de instantie of de centrale website van de Vlaamse overheid, kan dan ook beperkt worden voor de bezoldiging van de leidend ambtenaar en de algemeen directeur(s)

Andere entiteiten

Voor de andere entiteiten wordt verduidelijkt dat de transparantieverplichting  niet alleen geldt voor de leidend ambtenaar, maar ook voor de andere leden van het managementcomité of directiecomité.

Deze transparantie wordt gewaarborgd door publicatie in het jaarverslag en op de website van de instantie of de centrale website van de Vlaamse overheid. Bovendien moeten alle instanties die onder het toepassingsgebied ressorteren deze gegevens ook verplicht bezorgen aan de Vlaamse Regering via de minister van Bestuurszaken. Deze verplichting geldt niet voor de handelsvennootschappen en de vzw’s die onder het toepassingsgebied van dit decreet vallen.

In verband met de toetsing van deze openbaarmaking met de privacywetgeving kan het volgende worden gesteld. De verplichting tot openbaarmaking gebeurt op basis van een hiërarchisch gelijkgestelde rechtsnorm (decreet versus wet). Bovendien voldoet deze openbaarmaking aan een “wettig doel”, namelijk het nazicht op het “niet buitensporig” verlonen van personeelsleden van overheidsinstanties in “ruime” zin. In tegenstelling tot de private sector (openbaarmakingsregels voor beursgenoteerde vennootschappen) worden de personeelsleden van overheidsinstanties betaald met belastingsgeld.

Zoals in de toelichting geduid geeft deze bepaling inzake transparantie een reglementaire basis aan transparantieregels die reeds in een vorige regeerperiode werden goedgekeurd.

Ter vergelijking, ook de punten  7.8 – 7.14 en 7.16 van de “Belgische Corporate Governance code 2009” voorziet in een “individuele” bekendmaking. Ook artikel 4. Van de wet van 15 november 2012 (wettelijke verankering van de “Balkenende-norm in Nederland”) voorziet in een individuele openbaarmaking van de beloning van de topfunctionarissen.

Ook de individuele verloning van de topambtenaren bij de federale overheidsdiensten, worden in het jaarverslag vermeld en openbaar gemaakt (vb. publicatie verloning topambtenaren NMBS).

In haar advies over het voorontwerp van bestuursdecreet stelt de Raad van State dat moet worden aangetoond dat de ontworpen maatregel evenredig is met het doel.

Ook naar aanleiding van haar advies omtrent het “decreet deugdelijk bestuur”  maakte de Raad van State reeds een opmerking in verband met de toetsing van de regels inzake “transparantie” aan de privacywetgeving.

Deze openbaarmaking voldoet aan een “wettig doel”, namelijk het bereiken van een noodzakelijk evenwicht tussen enerzijds het publiek eigenaarschap en het betalen van de verloning via belastinggeld en anderzijds de noodzaak aan markconforme verloning om kwaliteit te garanderen.

Het doel van artikel III 31 is nazicht op het buitensporig verlonen van personeelsleden. Het nazicht komt toe aan de bevolking aangezien bezoldiging met openbare middelen worden gefinancierd. Ik verwijs naar de conceptnota deugdelijk bestuur ( VR 2012 13.07 Doc 0719). Hierin werd gewezen op de noodzaak aan reglementaire verankering van transparantie inzake verloning en externe bekendmaking. Er werd ook verwezen naar de Code Daems die pleit voor transparantie t.o.v. de buitenwereld

Op vraag van de Raad van State wordt verduidelijkt  dat het gaat om een bekendmaking van de verloning per functie en niet op naam.

De openbaarmaking van de bezoldiging, zitpenningen en vergoedingen van de leden van de raad van bestuur wordt gegarandeerd in artikel III 39 .

Instellingen die onder het wetboek van vennootschappen vallen en voldoen aan de  voorwaarden van artikel 100,6°/3 (nl. onder controle vallen van de “overheid”) moeten tevens een remuneratieverslag opstellen met een overzicht, op individuele basis, van het bedrag van de remuneratie en andere betaalde voordelen, zowel in speciën als in natura, die, rechtstreeks of onrechtstreeks, door de vennootschap of een vennootschap die tot de consolidatiekring van de vennootschap behoort werden toegekend, aan niet-uitvoerende bestuurders en de uitvoerende bestuurders wat betreft hun mandaat als lid van de raad van bestuur tijdens het door het jaarverslag behandelde boekjaar.

Deze verplichting werd ingevoerd in het wetboek van vennootschappen met de wet van 3 september 2017 (artikel 4) betreffende de bekendmaking van niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit door bepaalde grote vennootschappen en groepen (BS 11-09-2017). In de toelichting bij het amendement waarmee dit artikel is ingevoegd wordt gesteld dat met het begrip” overheid” in 6°/3 ook andere overheden zoals de gewesten worden bedoeld: http://www.dekamer.be/FLWB/PDF/54/2564/54K2564002.pdf.

Artikel III.33.

De Vlaamse Regering verleende op 10 oktober 2008 haar definitieve goedkeuring aan het besluit van de Vlaamse Regering tot oprichting van het remuneratiecomité en tot regeling van de presentiegelden en vergoedingen van de leden.

In principe is het toepassingsgebied gelijk aan de instanties die vallen onder het organisatiebesluit , aangevuld met GO!.

In de praktijk werd op initiatief van de functioneel bevoegde ministers ook advies gevraagd aan het remuneratiecomité voor de vaststelling van de verloning van de topmanagers van de VRT, LRM, de VMW, en het Vlaams Energiebedrijf, ook al ressorteren deze instanties niet onder het toepassingsgebied. 

Het toepassingsgebied van het remuneratiecomité van de Vlaamse overheid werd met het decreet deugdelijk bestuur uitgebreid tot het in artikel III.22 vermelde toepassingsgebied, tenzij de instantie beschikt over een eigen remuneratiecomité (bijvoorbeeld de VRT, LRM en PMV). Alle instanties die onder het toepassingsgebied ressorteren zullen voor  strategische beloningskwesties verplicht het advies moeten inwinnen van hetzij het remuneratiecomité van de Vlaamse overheid, hetzij het eigen remuneratiecomité.

De uitbreiding van het toepassingsgebied werd decretaal verankerd. De andere elementen zoals opgenomen in de door de Vlaamse Regering op 13 juli 2012 goedgekeurde “conceptnota deugdelijk bestuur”, werden geregeld via een aanpassing van het huishoudelijk reglement van het remuneratiecomité. Het gaat hierbij om:

- Het remuneratiecomité van de Vlaamse overheid kan ook individuele adviezen verlenen in verband met verloning;
- De adviezen van het remuneratiecomité worden ook steeds ter informatie bezorgd aan de minister-president en de ministers-vicepresidenten;
- De mogelijkheid adviezen uit te brengen met een schriftelijke procedure.

VREG werd door het decreet van 25 november 2016 houdende wijziging van het energiedecreet van 8 mei 2009 wat de oprichting en de organisatie van de regulator betreft uitgesloten van deze bepaling. VREG werd immers omgevormd tot een autonome dienst met rechtspersoonlijkheid. De advies- en informatieverplichtingen aan de minister van Bestuurszaken zijn niet relevant voor een instantie die onder het toezicht van het Vlaams Parlement staat.

Artikel III.34.

De adviezen worden steeds ter informatie bezorgd aan de minister-president en de ministers vice-presidenten van de Vlaamse Regering. Dit geldt zowel voor de adviezen van het Renumeratiecomité van de Vlaamse overheid als voor de adviezen van het eigen renumeratiecomité.

Het remuneratiecomité van de Vlaamse overheid werd opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot oprichting van het remuneratiecomité van de Vlaamse overheid en tot regeling van de presentiegelden en vergoedingen van de leden.

Artikel III.35.

Omwille van het feit dat arbeidsrechtelijk geen afbreuk kan worden gedaan aan de bestaande arbeidsovereenkomsten, gelden de geldelijke bepalingen inzake deugdelijk bestuur slechts voor nieuwe aanstellingen, na de inwerkingtreding van het decreet van 22 november 2013 betreffende deugdelijk bestuur in de Vlaamse publieke sector, voor wat betreft de instellingen die op deze datum onder het toepassingsgebied van het decreet deugdelijk bestuur vielen en voor de instellingen die pas nadien onder het toepassingsgebied werden/worden gebracht na de datum waarop het decreet deugdelijk bestuur van 22 november 2013 of titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 1,2 en 4 van dit decreet van toepassing werd/wordt op de instelling.

Ten aanzien van de beperkingen opgenomen in titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 1, 2 en 4 van dit decreet, genieten de personeelsleden of titularissen in dienst of aangesteld op de datum van inwerkingtreding van het decreet deugdelijk bestuur of voor de instellingen die pas nadien onder het toepassingsgebied werden/worden gebracht op de datum waarop het decreet betreffende deugdelijk bestuur van 22 november 2013 of titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 1, 2 en 4 van dit decreet van toepassing werd/wordt op de instantie, ten minste van de geldelijke arbeidsvoorwaarden die op hen van toepassing zijn op die datum.

Ten minste betekent dat zij eventueel wel kunnen genieten van toekomstige meer gunstige arbeidsvoorwaarden.

Dezelfde waarborgregeling wordt ingevoerd voor de zitpenningen en vergoedingen van de leden van de raad van bestuur en strategische adviesraden.

Zie ook art. III.39, derde lid, en artikel III.57, derde lid

Afdeling 2. Raad van bestuur


Onderafdeling 1. Algemene bepalingen


Artikel III.36.

De Vlaamse overheid zal erover waken dat in al haar agentschappen en alle nv’s waaraan zij rechtstreeks participeert en waar zij deel uitmaakt van de algemene vergadering en/of de Raad van Bestuur: a) de principes van deugdelijk bestuur worden toegepast,…”) Het voorgestelde toepassingsgebied is ruim en gaat verder dan de instanties die werden opgericht ingevolge de herstructureringsoperatie Beter Bestuurlijk Beleid.

Deze afdeling hanteert volgend toepassingsgebied:

- De publiekrechtelijk vormgegeven EVA’s;

- De privaatrechtelijk vormgegeven EVA’s;

- De Vlaamse openbare instellingen VRT, de Watergroep, VITO en VFL;
UZ-Gent werd niet meer opgenomen gelet op de integratie in de Universiteit Gent met ingang van 1 januari 2018 (cfr. decreet van 3 februari 2017 betreffende de re-integratie van het Universitair Ziekenhuis Gent in de Universiteit Gent).
De GO! is een Vlaamse openbare instelling maar wordt niet opgenomen in het toepassingsgebied van het decreet. Deze aangelegenheid kan immers voor het GO! niet met een gewoon decreet geregeld worden. Een bijzonder decreet is vereist. De raad van bestuur wordt bovendien op een bijzondere wijze samengesteld (met verkiezing van leden) en wijkt daardoor af van de andere raden van bestuur waar de leden worden aangesteld.
VFL werd opgenomen in het toepassingsgebied omdat dit ook een VOI is met eigen personeel en een raad van bestuur.

- de instellingen die niet vallen onder voorgaande omschrijvingen maar die voldoen aan alle volgende kenmerken:
a) ze maken deel uit van de Vlaamse deelstaatoverheid of zijn in handen van de Vlaamse deelstaatoverheid en vallen onder het exclusief toezicht van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaams Gewest; in overeenstemming met het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen, vermeld in verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie;
b) ze bezitten rechtspersoonlijkheid;
c) het Vlaamse Gewest, de Vlaamse Gemeenschap, de intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid, de extern verzelfstandigde agentschappen of hun rechtstreekse of onrechtstreekse dochterondernemingen hebben minimaal de helft van de stemmen in de algemene vergadering, met uitsluiting van de universitaire instellingen;

Wat punt a) betreft: deze afbakening is gebaseerd op juridische en financiële criteria, afkomstig van Eurostat. Halfjaarlijks past de Nationale Bank van België deze criteria toe op de Belgische administraties en stelt een lijst van instanties op die als deel van de Vlaamse overheid wordt beschouwd.

Volgens de criteria van het ESR is een instelling in handen van de overheid indien deze laatste meer dan de helft van de stemgerechtigde aandelen bezit of op een andere manier zeggenschap heeft over meer dan de helft van de aan de aandeelhouders toegekende stemmen. Een overheid kan bovendien toezicht uitoefenen op een instelling op grond van wetteksten die haar de bevoegdheid verlenen het beleid van die instelling te bepalen of de bestuurders ervan aan te stellen.

De instellingen met sectorale code 13.12  behoren tot de overheidssector van de zgn. ‘Vlaamse Gemeenschap’ wanneer ze ‘niet-marktproducent’ zijn. Als algemene regel geldt dat een eenheid een niet-marktproducent is indien de opbrengst van de verkopen minder dan 50% van de productiekosten dekt.

De instellingen met ESR-code 11 betreft niet-financiële vennootschappen die in handen zijn van de  zgn. ‘Vlaamse Gemeenschap’. De sector niet-financiële vennootschappen bestaat uit institutionele eenheden waarvan de verdelingstransacties en financiële transacties gescheiden zijn van die van hun eigenaars en die marktproducenten zijn. De hoofdactiviteit van deze vennootschappen bestaat uit de productie van goederen en niet-financiële diensten.

Vzw’s, vallen onder deze afdeling voor zover het openbare instellingen betreft in de zin van artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en waarvoor er bijgevolg een decretale grondslag bestaat. Dit betreft niet enkel decretale machtigingen om op te richten maar ook varianten zoals retroactief toe te treden of toe te treden als stichtend lid of toetreden tot een bestaande vzw.

Een wijziging ten opzichte van het oorspronkelijke decreet deugdelijk bestuur is dat enkel nog de rechtspersonen worden opgenomen waarbij de Vlaamse overheid over minstens de helft van de stemrechten beschikt in de algemene vergadering. Deze aanpassing ligt in de lijn van de bovenvermelde criteria inzake “het in handen zijn van de overheid”.

Er wordt voorgesteld om enkel die instanties waar de Vlaamse overheid minimaal 50% van de stemrechten bezit onder het toepassingsgebied van het decreet te laten ressorteren omdat enkel deze instanties effectief “in handen zijn van de overheid”.

Dit wordt vertaald in punt C) van de definitie: het Vlaams Gewest, de Vlaamse Gemeenschap, de intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid, de extern verzelfstandigde agentschappen of hun rechtstreekse of onrechtstreekse dochterondernemingen hebben minimaal de helft van de stemmen in de algemene vergadering, met uitsluiting van de universitaire instellingen, met inbegrip van hun patrimonium, en de hogescholen.

Vertegenwoordiging van de Vlaamse Gemeenschap, Vlaams Gewest in een onderneming wordt beschouwd als een 1stegraadsonderneming. Een vertegenwoordiging van een dergelijke 1ste-graadsonderneming’ in de Algemene Vergadering van een andere onderneming is een 2de-graadsonderneming.

In geval van een hybride vorm van aandeelhouderschap/stemrecht wordt gekeken naar het gecumuleerde geheel van de stemrechten van de Vlaamse Gemeenschap, Vlaams Gewest, intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid en extern verzelfstandigde agentschappen en (rechtstreekse of onrechtstreekse) dochterondernemingen. Bedraagt dit totaal minstens 50%, dan valt deze onderneming tevens rechtstreeks onder toepassing van het decreet.

Een minderheidsaandeel leidt ertoe dat de onderneming niet ressorteert onder de bepalingen van het decreet.

Dat impliceert ook dat instellingen zonder algemene vergadering niet onder punt C) vallen.

Universiteiten, hogescholen en hun associaties vallen niet onder deugdelijk bestuur.

De rechtspersonen waar de Vlaamse Regering 50% of meer van de financiering op zich neemt, maar niet zouden voorkomen op de lijst van de Nationale Bank, vallen buiten het toepassingsgebied van het decreet deugdelijk bestuur. Zij dienen wel dezelfde basisprincipes van deugdelijk bestuur na te leven.
Hiertoe zal de functioneel bevoegde minister in het subsidiebesluit of de beheersovereenkomst opnemen of op een andere manier bewerkstelligen dat deze rechtspersonen wel de basisprincipes inzake deugdelijk bestuur moeten naleven.

Een wijziging ten opzichte  van het oorspronkelijke decreet deugdelijk bestuur is dat dochtervennootschappen op zich niet meer moeten voldoen aan de verplichting om onafhankelijke bestuurders aan te stellen. Vanuit governance oogpunt is het immers onwenselijk om op het niveau van een dochtervennootschap andere (onafhankelijke) bestuurders aan te duiden die geen link hebben met de moedervennootschap (als bestuurder of in een hiërarchische band als werknemer). Hierdoor riskeert men immers dat binnen de dochtervennootschappen druk ontstaat om een beleid te gaan voeren dat afwijkt van de strategie van de moedervennootschap, terwijl de raad van bestuur van de moedervennootschap voor de aanwending van het geheel van de middelen verantwoording dient af te leggen. Daarom wordt voorgesteld om te conformeren aan de vereiste van het aantal onafhankelijke bestuurders op het hoogste niveau binnen de groep, met name in de raad van bestuur van de moedervennootschap, van waaruit vervolgens, met bijdrage van de onafhankelijke bestuurders, alle dochtervennootschappen worden aangestuurd.

Onderafdeling 2 (over de onafhankelijke bestuurders) is bijgevolg enkel van toepassing op dochterondernemingen indien het Vlaams Gewest of de Vlaamse Gemeenschap rechtstreeks over minimaal de helft van de stemmen beschikken in de algemene vergadering. De werkvennootschappen van PMV vallen met voormelde definitie bv. wel onder de principes van deugdelijk bestuur maar zijn uitgesloten van de regeling van de onafhankelijke bestuurders. Instanties waarin enkel intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid, externe verzelfstandigde agentschappen zowel in publieke als private vorm, een participatie hebben moeten niet voldoen aan de bepalingen met betrekking tot de onafhankelijke bestuurders.

In de tekst wordt verduidelijkt dat het niet de bedoeling is om in sectordecreten af te wijken van de bepalingen in deze afdeling (zie de inleidende zin: tenzij het anders vermeld is in deze afdeling, is deze afdeling van toepassing op.(..)).

Het toepassingsgebied van onderafdeling 3 (evenwichtige participatie van vrouwen en mannen in bestuursorganen, wordt afgestemd op het toepassingsgebied van onderafdeling 2. Dat betekent dat alle instanties die onderworpen zijn aan de quotaregeling voor onafhankelijke bestuurders (art. III.40) ook onderworpen zijn aan de quotaregeling voor meer evenwichtige man-vrouw-verhouding (art. III.44)

Artikel III.37.

§1. Het volstaat niet enkel dat onafhankelijke leden worden opgenomen in de raden van bestuur. De leden van de raad van bestuur (zowel de leden die door de Vlaamse Regering of andere instanties worden aangesteld als de onafhankelijke bestuurders) moeten hun functie ook in alle onafhankelijkheid kunnen uitoefenen. Er mag m.a.w. geen enkele vorm van belangenvermenging of belangenconflict zijn.

Om belangenvermenging en belangenconflicten te voorkomen/vermijden moeten alle leden van de raad van bestuur bij hun aanstelling de nodige transparantie verschaffen over hun andere mandaten en activiteiten. Indien er nadien wijzigingen optreden moeten ze dit eveneens signaleren. Hier wordt gewerkt met een systeem van mandatenaangifte dat gelijkaardig is aan dat voor de topambtenaren (systeem Rekenhof). De uitwerking hiervan behoort tot de bevoegdheid van de raad van bestuur. Het is van belang dat de voor aanstelling bevoegde overheid (Vlaamse Regering of andere instantie) over deze informatie beschikt.

Ter vergelijking: deze werkwijze werd ook voorgesteld in het rapport dat werd opgesteld door drie Franse topmagistraten met als titel “Een nieuwe deontologie voor de overheidssector” en waarin een aantal strikte gedragsregels werden uitgewerkt om belangenconflicten te voorkomen in onder meer overheidsbedrijven en -instellingen.

Dit rapport, dat nadien leidde tot een wetsontwerp over de deontologie in de overheidssector, adviseerde ook dat topmanagers van overheidsbedrijven niet tegelijkertijd een belangrijke functie mogen uitoefenen bij een privébedrijf.

§2. neemt de regeling inzake de belangenvermenging van vermogensrechtelijke aard die geldt voor bestuurders van vennootschappen ( artikel 523 van de vennootschapswet) over voor de bestuurders van alle instanties die onder de toepassing van deze afdeling vallen.

Artikel III.38.

De corporate governance code bepaalt dat alle bestuurders blijk moeten geven van integriteit en toewijding, moeten beslissen op basis van een onafhankelijk oordeel, belangenconflicten moeten vermijden, en omzichtig moeten omspringen met vertrouwelijke informatie waarover ze beschikken in hun hoedanigheid van bestuurder. Naar analogie met deze bepalingen wordt een deontologische code ingevoerd voor de leden van de raden van bestuur waarin voormelde principes worden verankerd. De raden van bestuur moeten een eigen deontologische code uitwerken, op maat van de organisatie, waarbij desgevallend gebruik kan worden gemaakt van modelbepalingen.

Artikel III.39.

Bepaalde geldelijke regels m.b.t. deugdelijk bestuur die van toepassing zijn op de personeelsleden van de Vlaamse overheid gelden tevens voor bestuurders.

Het betreft de minister-presidentnorm en het verbod om bezoldigingselementen toe te kennen in aandelen of aandelenopties.

Ook de regels over publicatie van de zitpenningen en vergoedingen van de leden van de raad van bestuur in het jaarverslag van de instantie zijn van toepassing. Voor leden van raden van bestuur is de transparantie zoals opgelegd door artikel III.31 van het ontwerp van decreet noodzakelijk, aangezien in tegenstelling tot de SAR’s, de bedragen en toekenningsvoorwaarden van de vergoedingen, zitpenningen e.d. niet (altijd) bij wet, decreet of besluit zijn vastgesteld. Deze bepalingen zijn ook van toepassing op de beheerscommissies van de Eigen Vermogens. Ingevolge het advies van de Raad van State over het bestuursrechtsdecreet wordt toegevoegd dat de beheerscommissies voor de toepassing van deze bepalingen ook worden beschouwd als een raad van bestuur. Voor het toepassingsgebied wordt verwezen naar artikel III 22, 7° dat de eigen vermogens opsomt. Hieraan worden nog expliciet het Eigen Vermogen van het KMSKA en het Eigen Vermogen Informatie Vlaanderen toegevoegd. Aanvullend bij het toepassingsgebied van het decreet deugdelijk bestuur werden het Eigen Vermogen KMSKA en het Eigen Vermogen Informatie Vlaanderen, opgericht bij het decreet van 15 januari 2016 houdende diverse maatregelen inzake de ontbinding van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Agentschap voor Geografische Informatie Vlaanderen en de oprichting van het Eigen Vermogen Informatie Vlaanderen, toegevoegd.Deze zijn niet opgenomen in artikel III 22, 7° aangezien dat hoofdstuk over geldelijke bepalingen m.b.t. het personeel gaan en EV KMSKA en het EV Informatie Vlaanderen geen eigen personeel hebben. Ze hebben wel een beheerscommissie die aan de bepalingen van artikel III 39 moet voldoen.

Omwille van het feit dat arbeidsrechtelijk geen afbreuk kan worden gedaan aan de bestaande arbeidsovereenkomsten, gelden de geldelijke bepalingen inzake deugdelijk bestuur slechts voor nieuwe aanstellingen, na de inwerkingtreding van het decreet van 22 november 2013 betreffende deugdelijk bestuur in de Vlaamse publieke sector, voor wat betreft de instellingen die op deze datum onder het toepassingsgebied van het decreet deugdelijk bestuur vielen en voor de instellingen die pas nadien onder het toepassingsgebied werden/worden gebracht na de datum waarop het decreet deugdelijk bestuur van 22 november 2013 of titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 1,2 en 4 van dit decreet van toepassing werd/wordt op de instelling.

Ten aanzien van de beperkingen opgenomen in titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 1, 2 en 4 van dit decreet, genieten de personeelsleden of titularissen in dienst of aangesteld op de datum van inwerkingtreding van het decreet deugdelijk bestuur of voor de instellingen die pas nadien onder het toepassingsgebied werden/worden gebracht op de datum waarop het decreet betreffende deugdelijk bestuur van 22 november 2013 of titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 1, 2 en 4 van dit decreet van toepassing werd/wordt op de instantie, ten minste van de geldelijke arbeidsvoorwaarden die op hen van toepassing zijn op die datum.

Ten minste betekent dat zij eventueel wel kunnen genieten van toekomstige meer gunstige arbeidsvoorwaarden.

Dezelfde waarborgregeling wordt ingevoerd voor de zitpenningen en vergoedingen van de leden van de raad van bestuur en strategische adviesraden.

Onderafdeling 2. Onafhankelijke bestuurders


Artikel III.40.

De inbreng van onafhankelijke bestuurders is een bijkomende garantie dat de raad van bestuur zijn verantwoordelijkheid met de nodige openheid, integriteit en verantwoordingsplicht zal kunnen invullen. De onafhankelijke bestuurders worden ten persoonlijken titel aangesteld. Rechtspersonen kunnen geen onafhankelijk bestuurder zijn.

Gelet op het belang van de onafhankelijke bestuurders werd door het decreet deugdelijk bestuur en naar analogie met de Corporate Governance Code voor beursgenoteerde bedrijven (Code Daems) het principe verankerd dat minimum een derde van het aantal stemgerechtigde  leden van de raad van bestuur een onafhankelijke bestuurder moet zijn.

In het tweede lid van dit artikel is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen. De Vlaamse Regering kan op gemotiveerd verzoek van de instantie en om gegronde redenen een uitzondering toestaan op de bepaling van het eerste lid. Hierbij heeft men instanties voor ogen waar de raad van bestuur paritair is samengesteld zoals de VDAB ( de helft  van de bestuurders zijn vertegenwoordigers van de werkgevers, de andere helft zijn vertegenwoordigers van de werknemers) en de VLAM ( de helft van de bestuurders zijn vertegenwoordigers van de landbouwers, de andere helft zijn vertegenwoordigers van de consumenten).

Een ander voorbeeld is de EVA Plantentuin Meise waarbij voor de samenstelling van de raad van bestuur rekening moet worden gehouden met de samenwerkingsovereenkomst die werd afgesloten tussen de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap en waarbij werd overeengekomen om geen onafhankelijke bestuurders aan te stellen.

Zo houdt het ontwerp reeds rekening met de diversiteit in de Vlaamse publieke sector.

Een afwijking werd ook toegestaan aan een NV (NV Schoolinvest) die enkel het juridisch vehikel was dat de participatie van de Vlaamse overheid in een NV regelde en dat maar zeer beperkte activiteiten had (één vergadering per jaar).

Een andere uitzondering werd toegekend aan de VRM waar de inhoudelijke beslissingsmacht niet bij de raad van bestuur lag maar bij 2 kamers.

Het spreekt voor zich dat de uitzonderingen die werden toegestaan door de Vlaamse Regering vóór de datum van inwerkingtreding van deze bepaling en van de opheffing van artikel 4 van het decreet van 22 november 2013 betreffende het deugdelijk bestuur in de Vlaamse publieke sector, behouden blijven

Bijv:  VLAM, VDAB; VRT, Schoolinvest, Plantentuin Meise, VRM, AGION, BAM, De Watergroep, De erkende kredietmaatschappijen.

Met de opname van de onafhankelijke bestuurders in de raden van bestuur werd niet geraakt aan essentiële bepalingen van het vennootschapsrecht/vzw-recht.

Er kan verwezen worden naar de argumentatie bij de totstandkoming van het decreet van 13 juli 2007 houdende bevordering van een meer evenwichtige participatie van vrouwen en mannen in advies- en bestuursorganen van de Vlaamse overheid.

Het toepassingsgebied betreft hier ook de privaatrechtelijke EVA’s ( waaronder de stichtingen zoals het FWO). In de memorie van toelichting bij dat decreet wordt volgende verantwoording gegeven voor het regelen van de samenstelling van de raad van bestuur voor deze instanties:

“Hier dient in algemene zin opgemerkt te worden dat het oprichten van gedecentraliseerde diensten, instellingen of ondernemingen (zoals publiekrechtelijk of privaatrechtelijk vormgegeven EVA’s) door de Vlaamse overheid en het deelnemen via kapitaalparticipaties door de Vlaamse overheid of door gedecentraliseerde diensten, instellingen of ondernemingen in andere diensten, instellingen of ondernemingen uitdrukkelijk voorzien is in artikel 9 van de bijzondere wet.

Wat het regelen van de oprichting, samenstelling, bevoegdheid, werking en toezicht betreft van deze diensten, instellingen en ondernemingen, heeft de Raad van State meermaals uitdrukkelijk gesteld dat zodra gekozen wordt voor een privaatrechtelijke vorm, in elk geval niet afgeweken kan worden van de ‘essentiële bepalingen’ van het vennootschapsrecht.

Verschillende decreten m.b.t. privaatrechtelijk vormgegeven EVA’s bevatten evenwel bepalingen m.b.t.de samenstelling van de raad van beheer/bestuur.

De Raad van State vond van deze bepalingen telkens dat ze de toets aan artikel 9 van de bijzondere wet doorstonden. De Raad van State meende zelfs dat de decreetgever overeenkomstig artikel 9 van de bijzondere wet verplicht was de samenstelling en de werking van een nv te regelen.”

Naar analogie kan worden verondersteld dat met de opname van onafhankelijke bestuurders in raden van beheer/bestuur niet geraakt wordt aan essentiële bepalingen van het vennootschapsrecht/vzw-recht.

Artikel III.41.

De raad van bestuur maakt een evaluatie van de bekwaamheden, kennis en ervaring die reeds aanwezig zijn in de raad en deze die nodig zijn. De raad van bestuur doet een open oproep tot kandidaatstelling en ontvangt van elke kandidaat de benodigde informatie waaronder een curriculum vitae. De raad van bestuur vergelijkt de verdiensten van de kandidaten en bezorgt vervolgens per vacante betrekking van onafhankelijke bestuurder de namen van 2 kandidaten aan de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kiest tenslotte uit één van deze 2 kandidaten.

Het zal de nieuwe raad van bestuur (en niet de uittredende) zijn die de voordracht doet van onafhankelijke leden van de raad van bestuur aan de Vlaamse Regering.

Wat de globale samenstelling van de raad van bestuur betreft moet rekening worden gehouden met titel III, hoofdstuk 2, onderafdeling 3.

Wat de instanties betreft die onder de dwingende bepalingen van de vennootschapswetgeving of vzw-wetgeving vallen wordt een afwijkende regeling voorzien. De vennootschapswetgeving en de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen bepalen dat de algemene vergadering de leden van de raad van bestuur benoemt. Men kan aan de prerogatieven van de Algemene Vergadering geen afbreuk doen. Voor deze instanties wordt dan ook bepaald dat de algemene vergadering de onafhankelijke bestuurders aanstelt, op voordracht van de raad van bestuur.

Wat betreft de NV’s bepaalt artikel 518, § 2 van het wetboek van vennootschappen immers het volgende: “De bestuurders worden door de algemene vergadering van aandeelhouders benoemd; zij kunnen echter voor de eerste maal benoemd worden bij de oprichtingsakte van de vennootschap.”

Art. 531 van het wetboek van vennootschappen bepaalt in lijn daarmee: “De algemene vergadering van aandeelhouders heeft de meest uitgebreide bevoegdheid om de handelingen die de vennootschap aangaat, te verrichten of te bekrachtigen.”

Ook in de rechtsleer wordt gesteld dat de benoeming van bestuurders één van de belangrijkste bevoegdheden is van de algemene vergadering. Zowel de jaarvergadering, een bijzondere algemene vergadering als een buitengewone algemene vergadering kunnen de bestuurders benoemen. Het feit dat deze benoemingen worden voorbehouden aan de algemene vergadering is uiteraard om de belangen van de aandeelhouders te vrijwaren.

Vanuit theoretisch standpunt berust alle macht van de vennootschap (NV) bij de algemene vergadering van aandeelhouders. Het zijn immers zij die “eigenaar” zijn van de vennootschap en dus in principe ook over het alle macht beschikken. De raad van bestuur is dus het uitvoerend orgaan van de vennootschap en vorm een soort van emanatie van de algemene vergadering (het is dus niet meer dan logisch dat de AV de bestuurders benoemt). In principe moet er dus ook een vertrouwen zijn van de algemene vergadering t.a.v. de raad van bestuur en elk van de afzonderlijke bestuurders. Is die vertrouwensband er niet, of houdt die op te bestaan, dan beschikt de algemene vergadering over de mogelijkheid om één of meerdere bestuurders ad nutum (dus op staande voet) uit zijn mandaat te ontslaan.

In het Gubernarapport deugdelijk bestuur bij de Vlaamse publieke organisaties, rapport over de verwezenlijkingen en de uitdagingen anno 2016 wordt gesteld dat ook voor de niet-onafhankelijke bestuurders een functieprofiel zou kunnen worden opgesteld zodat duidelijk is aan welke vereisten kandidaten voor een mandaat moeten voldoen.

Artikel III.42.

De onafhankelijke bestuurders worden geselecteerd op grond van hun capaciteiten inzake het algemeen bestuur van de instantie, specifieke deskundigheid, alsook omwille van hun onafhankelijkheid t.a.v. de deelgenoten van de instantie (de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest, andere deelgenoten uit de openbare of private sector) en het dagelijks bestuur van de instantie. 

De onafhankelijkheidscriteria worden verduidelijkt in het wetboek van vennootschappen en tevens in de bijlage bij de corporategovernancecode voor beursgenoteerde bedrijven, en zijn ook hier richtinggevend:

- Gedurende een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de aanstelling noch in de instantie, noch in een daarmee verbonden instantie een mandaat van uitvoerend lid van het bestuursorgaan of een functie van lid van het directiecomité of van persoon belast met het dagelijks bestuur hebben uitgeoefend,

- Niet meer dan drie opeenvolgende mandaten als niet-uitvoerend bestuurder in de raad van bestuur hebben uitgeoefend zonder dat dit tijdvak langer mag zijn dan 12 jaar,

- Gedurende een tijdvak van drie jaar voorafgaand aan zijn benoeming, geen deel hebben uitgemaakt van het leidinggevend personeel van de instantie of een daarmee verbonden instantie,

- Geen vergoeding of ander belangrijk voordeel van vermogensrechtelijke aard ontvangen of hebben ontvangen van de instantie of een daarmee verbonden instantie, buiten de tantièmes en de vergoeding die hij eventueel ontvangt of heeft ontvangen als niet-uitvoerend lid van het bestuursorgaan of lid van het toezichthoudende orgaan,

- Geen maatschappelijke rechten bezitten die een tiende of meer vertegenwoordigen van het kapitaal, van het maatschappelijk fonds of van een categorie aandelen van de instantie,
Indien hij maatschappelijke rechten bezit die een quotum van minder dan 10% vertegenwoordigen:  mogen die maatschappelijke rechten samen met de maatschappelijke rechten die in dezelfde instantie worden aangehouden door instanties waarover de onafhankelijke bestuurder controle heeft, geen tiende bereiken van het kapitaal, van het maatschappelijk fonds of van een categorie aandelen van de instantie, of mogen de daden van beschikking over die aandelen of de uitoefening van de daaraan verbonden rechten niet onderworpen zijn aan overeenkomsten of aan eenzijdige verbintenissen die het onafhankelijk lid van het bestuursorgaan heeft aangegaan.
Men mag ook geen aandeelhouder vertegenwoordigen die onder voormelde voorwaarden valt,

- Geen significante zakelijke relatie hebben of in het voorbije boekjaar hebben gehad met de instantie of met een daarmee verbonden instantie, noch rechtstreeks, noch als vennoot, aandeelhouder, lid van het bestuursorgaan of lid van het leidinggevend personeel van een instantie die een dergelijke relatie onderhoudt,

- In de voorbije drie jaar geen vennoot of werknemer zijn geweest van de huidige of vorige externe auditor van de instantie of een daarmee verbonden instantie,

- Geen uitvoerend lid zijn van het bestuursorgaan van een andere instantie waarin een uitvoerend bestuurder van de instantie zetelt in de hoedanigheid van een niet-uitvoerend lid van het bestuursorgaan of als lid van het toezichthoudende orgaan en geen andere belangrijke banden hebben met uitvoerende bestuurders van de instantie uit hoofde van functies bij andere instanties,

- Geen echtgenoot, wettelijk samenwonende partner of bloed- of aanverwanten tot de tweede graad hebben die in de instantie of in een daarmee verbonden instantie een mandaat van lid van het bestuursorgaan, lid van het directiecomité, persoon belast met het dagelijks bestuur of lid van het leidinggevend personeel, uitoefenen, of die zich in een van de in voorgaande punten beschreven gevallen bevinden.

In het decreet deugdelijk bestuur werd verwezen naar de onafhankelijkheidscriteria uit de corporategovernancecode voor beursgenoteerde bedrijven. Er wordt geopteerd om in de regelgeving nu te verwijzen naar de criteria opgenomen het wetboek van vennootschappen, hetgeen een meer solide basis biedt. De opsomming van onafhankelijkheidsvereisten is identiek met deze opgenomen in de corporategovernancode.

Artikel III.43.

De ontslagbevoegdheid m.b.t. de onafhankelijke bestuurders ligt bij de Vlaamse Regering en niet bij de raad van bestuur.

Wat de instanties betreft die onder de dwingende bepalingen van de vennootschapswetgeving of vzw-wetgeving vallen wordt een afwijkende regeling voorzien. De vennootschapswetgeving en de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen bepalen dat de algemene vergadering de leden van de raad van bestuur ontslaat. Men kan aan de prerogatieven van de Algemene Vergadering geen afbreuk doen. Voor deze instanties wordt dan ook bepaald dat de algemene vergadering de onafhankelijke bestuurders ontslaat, op voordracht van de raad van bestuur.

Ook voor het mogelijk ontslag van onafhankelijke bestuurders geldt dat dit ontslag moet gedragen worden door motieven die rechtens en feitelijk aanvaardbaar zijn, en dat een eventueel ontslag in overeenstemming moet zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het ligt voor de hand dat de motieven die tot een ontslag aanleiding kunnen geven betrekking (zullen) hebben op de vereisten die het decreet stelt voor de aanstelling van deze bestuurders, met name onafhankelijkheid en expertise.

Onderafdeling 3 Evenwichtige participatie van vrouwen en mannen

In deze onderafdeling worden de bepalingen opgenomen van het decreet van 13 juli 2007 houdende bevordering van een meer evenwichtige participatie van vrouwen en mannen in advies- en bestuursorganen van de Vlaamse overheid (hierna het mep-decreet te noemen), wat de bestuursorganen betreft.  De overeenkomstige bepalingen voor de adviesorganen worden opgenomen in afdeling 4.

Deze bepalingen hebben tot doel de  ondervertegenwoordiging van vrouwen in bestuursorganen van de Vlaamse overheid te voorkomen. Het zou een verlies zijn voor de hele samenleving als beslissingen worden genomen of adviezen gegeven door groepen die uitsluitend of grotendeels uit mannen bestaan, omdat die beslissingen dan vooral de waarden, standpunten en persoonlijke ervaringen van de mannelijke beslissingsnemers weerspiegelen.

Art. III.44.

Dit artikel komt overeen met artikel 3 van het mep-decreet. Het bepaalt het quotum waaraan de samenstelling van raden van bestuur moet voldoen: ten hoogste twee derde van de leden mag van hetzelfde geslacht zijn.

Dit quotum is van toepassing op de gehele raad van bestuur. De personen die vanuit een welbepaalde functie deel uitmaken van het orgaan worden meegeteld voor het berekenen van het quotum en ook de beheerders die niet worden aangewezen door de Vlaamse Regering.

Als in een raad van bestuur plaatsvervangende leden worden aangesteld, is het quotum afzonderlijk van toepassing op de effectieve en plaatsvervangende leden. Dus ten hoogste twee derde van de effectieve leden mogen van hetzelfde geslacht mag zijn en ten hoogste twee derde van de plaatsvervangers. Effectieve leden en plaatsvervangende

leden mogen met andere woorden niet opgeteld worden om aan het quotum te voldoen.

Art. III.45.

Dit artikel komt overeen met artikel 4 van het mep-decreet. Het legt een dubbele voordrachtverplichting op in de situatie waarin de aanwijzende instantie (d.i. de instantie die de leden aanwijst of hun aanwijzing bekrachtigt, in de meeste gevallen dus de Vlaamse Regering of de bevoegde Vlaamse minister, maar eventueel ook de Algemene Vergadering enzovoort) vaststelt dat op basis van de voordrachten niet aan de quotumverplichting kan worden voldaan. In die situatie moet de aanwijzende instantie de kandidaturen terugsturen naar de voordragende instanties en, op basis van artikel III.45, eerste lid, de dubbele voordracht opleggen aan die instanties die alleen kandidaten van het oververtegenwoordigde geslacht hadden voorgedragen.

Het niet-naleven van deze dubbele voordrachtverplichting wordt gesanctioneerd: het mandaat kan niet ingevuld worden zolang niet aan de verplichting voldaan is.

Om te vermijden dat een voordragende instantie die niet aan zijn plichten voldoet, de werking van de raad van bestuur lange tijd blokkeert, kan de Vlaamse Regering zes maanden na het vacant worden van het mandaat dit mandaat invullen zonder de voorgeschreven voordrachtprocedure te volgen.

Art. III.46.

Dit artikel komt overeen met artikel 5 mep-decreet. Het artikel voorziet de mogelijkheid voorzien voor de Vlaamse Regering om afwijkingen toe te staan op de verplichting van artikel III.44.

Het is niet de aanwijzende instantie maar wel de minister onder wie de instantie ressorteert, die een verzoek tot afwijking kan indienen. De mogelijkheid bestaat immers dat er verschillende aanwijzende instanties zijn voor één orgaan zodat  toepassingsproblemen kunnen ontstaan.

De modaliteiten voor het indienen van het verzoek en de procedure worden vastgelegd door de Vlaamse Regering.

Het feit dat in een advies- of bestuursorgaan een groot aantal personen zetelen die op basis van hun  functie deel uitmaken van het orgaan kan een argument zijn op basis waarvan de Vlaamse Regering een afwijking toestaat.

Er wordt geen tijdsbeperking aan de afwijking voorzien. Dat betekent evenwel niet dat de Vlaamse Regering niet kan beslissen om slechts een tijdelijke afwijking toe te staan.

De zinsnede “Onverminderd artikel III.45” betekent dat eerst de procedure van artikel III.45 moet gevolgd worden voor een beroep kan worden gedaan op de afwijkingsmogelijkheid.

Art. III.47.

Dit artikel komt overeen met artikel 6 mep-decreet. Het voorziet in een sanctie wanneer het quotum, verplicht op basis van artikel III.44, niet nageleefd wordt.

Vanzelfsprekend is deze sanctie alleen van toepassing wanneer geen uitzondering werd toegekend op grond van artikel III.46.

Afdeling 3. Rechtspositie van de regeringscommissarissen


Artikel III.48.

Voor het toepassingsgebied: zie toelichting bij artikel III.36.

De volgende artikelen vaardigen generieke regels uit voor de aanstelling, aanwervings- en selectievoorwaarden, functie-uitoefening, evaluatie, deontologie, en onverenigbaarheden van de regeringscommissarissen, regeringsafgevaardigden en gemachtigden van financiën.

De sectorale regelgeving per instantie moet voldoen aan de minimale generieke regels betreffende het statuut van de regeringscommissaris zoals opgenomen in dit decreet

Artikel III.49.

Dit artikel regelt enkel de aanstellingsprocedure van de regeringscommissarissen. Dit artikel beoogt geen bijkomende regeringscommissarissen aan te stellen bij de diverse instanties.

§1.. Regelt de geobjectiveerde aanstellingsprocedure voor de regeringscommissarissen. Bij de uitwerking van generieke regels voor de aanstelling, aanwervings- en selectievoorwaarden moet er rekening mee worden gehouden dat een regeringscommissaris een vertrouwenspersoon is die wordt aangesteld door de Vlaamse Regering. Hij is ad nutum afzetbaar, hetgeen tot gevolg heeft dat indien er een breuk komt in deze vertrouwensrelatie deze regeringscommissaris kan worden afgezet en dat daarvoor geen bijkomende motivatie moet worden aangebracht. Dit heeft ook tot gevolg dat er voor de aanstelling van een regeringscommissaris geen open oproep en selectieprocedure moet worden gevolgd met vergelijking van kandidaten.

De regeringscommissaris moet om zijn functie te kunnen uitoefenen binnen een publieke rechtspersoon beschikken over bepaalde beroepsvaardigheden binnen de domeinen van de betrokken instantie. Het komt toe aan de Vlaamse Regering om na te gaan of voldaan is aan de aanstellingsvoorwaarden. Deze controle gebeurt op basis van het curriculum vitae, een recent uittreksel uit het strafregister en een verklaring op erewoord waaruit blijkt dat er geen veroordeling is die onverenigbaar is met de uitoefening van zijn ambt. Met een recent uittreksel uit het strafregister wordt bedoeld niet ouder dan 2 maanden.

In geval een niet-Belg wordt aangesteld tot regeringscommissaris zal geen uittreksel uit het strafregister kunnen worden voorgelegd en is een verklaring op erewoord voldoende.

Het onderzoek van het Rekenhof d.d. 2008 naar de regeringscommissarissen, regeringsafgevaardigden, en gemachtigden van Financiën stelt o.m. dat er geen generieke regeling bestaat inzake de tijdsbesteding en dat er bijgevolg grote verschillen bestaan tussen de regeringscommissarissen onderling qua intensiteit van de opdracht en tijdsinvestering. Punt 1° bepaalt daarom expliciet dat de Vlaamse Regering nagaat of de kandidaat voldoende beschikbaar is voor de functie. Uiteraard zal dit samenhangen met de grootte en de aard van de instantie, de bevoegdheden enz.

§2. Bij ontslag, overlijden of onverenigbaarheden wordt een vervanger aangeduid overeenkomstig de bepalingen van §1.

De Vlaamse Regering kan een plaatsvervanger aanstellen bij onbeschikbaarheid van de regeringscommissaris.

Artikel III.50.

De Vlaamse Regering bepaalt bij de aanvang van het mandaat van regeringscommissaris de omvang en inhoud van de aanstelling. Deze omschrijving dient uiteraard rekening te houden met de bevoegdheidsomschrijvingen in de verschillende oprichtingsdecreten.

Artikel III.51.

De onverenigbaarheden van functies met de aanstelling tot regeringscommissaris worden opgesomd, naar analogie met de onverenigbaarheden van bestuurders van publiekrechtelijke EVA’s  in het kaderdecreet bestuurlijk beleid.

Specifieke regelingen van de instantie kunnen andere onverenigbaarheden instellen.

Er wordt een generieke onverenigbaarheid ingesteld met de meeste politieke mandaten, uitgezonderd gemeenteraadslid, lid van de districtsraad en van de provincieraad.

De regeling van de onverenigbaarheden werd afgestemd op de gelijkaardige regeling in artikel 6 van het Waals decreet van 12 februari 2004 betreffende de regeringscommissarissen en de controleopdrachten van de revisoren binnen de instellingen van openbaar nut (B.S. 22 maart 2004).

De onverenigbaarheid van de functie van regeringscommissaris met de functie van voorzitter van het OCMW, zoals deze nu voorzien is in het decreet deugdelijk bestuur wordt geschrapt ingevolge het ontwerp van decreet op de lokale besturen. De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn vervult immers niet langer de functie van uitvoerend orgaan binnen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Bovendien wordt de bevoegdheid om te beslissen over de individuele dossiers inzake maatschappelijke dienstverlening en maatschappelijke integratie in het ontwerp van decreet op de lokale besturen toegewezen aan het bijzonder comité voor de sociale dienst. Het bijzonder comité voor de sociale dienst is een nieuw orgaan dat in de schoot van de OCMW-raad wordt opgericht. De bevoegdheden inzake de dringende hulpverlening komen in het ontwerp van decreet op de lokale besturen toe aan de voorzitter van het bijzonder comité van de sociale dienst. Er wordt geen nieuwe onverenigbaarheid met de functie van voorzitter van de bijzondere comités van de sociale dienst bij de lokale besturen ingeschreven. Immers overeenkomstig het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur (artikel 42) wordt de voorzitter van het bijzonder comité, na zijn verkiezing, indien hij nog geen lid is van het college van burgemeester en schepenen als volwaardig schepen toegevoegd aan het college van burgemeester en schepenen. De uitsluiting met het mandaat van schepen is reeds opgenomen in artikel III 51,5°.

Artikel III.52.

De regeringscommissaris mag geen informatie verspreiden die schade kan toebrengen aan de organisatie. Dit verbod heeft geen betrekking op verspreiding van informatie die is toegestaan of zelfs verplicht ingevolge andere wettelijke of decretale bepalingen (bv. het aangeven van misdrijven).

Het verbod wordt dus genuanceerd door de vermelding  “met behoud van de verplichtingen bepaald bij of krachtens een wet of decreet”. De uitzondering slaat bv. ook op verplichtingen in het  kader van onderhavig decreet (bv. rapportering aan de voogdijminister). 

Zo mag men geen feiten bekendmaken die de mededingingspositie van de instantie kunnen schaden. De interpretatie komt toe aan de regeringscommissaris en in laatste instantie aan de bevoegde minister.

De regeringscommissaris mag de briefwisseling tussen hem en de voogdijminister van de instantie niet bekend maken, met het oog op het behoud van het vertrouwen van de Vlaamse Regering in de regeringscommissaris en met het oog op een doeltreffende controle op de betrokken instantie.

Dit is een toepassing van de uitzonderingsgronden inzake openbaarheid van bestuur, zie titel 2 : “De instanties wijzen een aanvraag tot openbaarmaking af, als de openbaarmaking afbreuk doet aan het geheim van beraadslagingen van de Vlaamse Regering, van de organen van het Vlaams Parlement, van de organen van de lokale overheden, van de organen van de  instellingen met een publieke taak en van de organen van de milieu-instanties.”

“De instanties wijzen een aanvraag tot openbaarmaking af, indien ze van oordeel zijn dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van één van de volgende belangen: de vertrouwelijkheid van het handelen van een instantie voor zover die vertrouwelijkheid noodzakelijk is voor de uitoefening van de administratieve handhaving, de uitvoering van een interne audit of de politieke besluitvorming.”

Artikel III.53.

De regeringscommissaris moet zijn opdracht ter harte nemen, hetgeen impliceert dat hij zich moet informeren over alle evoluties - wetgevend en reglementair - betreffende zijn functie en de instantie waarbij hij zijn opdracht vervult. De instantie zelf  kan indien nodig permanente vorming aanbieden aan de regeringscommissaris. Het belang van deze opleiding zal in functie staan van de grootte van de instantie en de complexiteit van de functie van de regeringscommissaris.

Deze vorming kan niet onbeperkt opgeëist worden maar moet stroken met het dienstbelang en in verhouding staan tot de prestaties van de regeringscommissaris.

Ook in het Waals decreet betreffende de regeringscommissarissen en de controleopdrachten van de revisoren binnen de instellingen van openbaar nut van 12 februari 2004 (B.S. 22 maart 2004) is opgenomen ( artikel 17) dat de instelling ten behoeve van de regeringscommissarissen informatievergaderingen of vormingscursussen organiseert of financiert om de regeringscommissaris in de mogelijkheid te stellen om zijn permanente vorming te waarborgen.

Artikel III.54.

De regeringscommissarissen moeten de rapporteringsplicht ten opzichte van diegene die zij vertegenwoordigen respecteren en verschaffen tijdig de nodige informatie.

Dit leidt tot een permanente evaluatie van zijn inzet en werkzaamheden.

De rapporteringsplicht t.o.v. de bevoegde minister is essentieel en bestond ook reeds in het kaderdecreet bestuurlijk beleid van 18 juli 2003. De informatieve functie m.b.t. het beleid maakt een adequaat toezicht mogelijk door de Vlaamse Regering.

Artikel III.55.

Aangezien het een vertrouwensfunctie betreft komt het aan de bevoegde minister toe om te oordelen of de regeringscommissaris zijn toezichtsfunctie naar behoren vervult.

De Vlaamse Regering kan te allen tijde de aanstelling van de regeringscommissaris beëindigen. Zoals de traditie het wil volstaat het wegvallen van de vertrouwensband om een einde te stellen aan de aanstelling van de regeringscommissaris.

Het ontslag van een regeringscommissaris zal in elk geval in overeenstemming moeten zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de hoorplicht en de motiveringsplicht, en zal ook geen blijk mogen geven van machtsafwending.

In volgende gevallen is het evident dat de vertrouwensrelatie wordt beëindigd:

- als de regeringscommissaris bewust een handeling heeft gepleegd die onverenigbaar is met de opdracht of het maatschappelijk doel van de instantie,

- als hij een fout of een ernstige nalatigheid begaan heeft in de uitoefening van zijn opdrachten,

- als hij in de loop van eenzelfde jaar zonder verantwoording afwezig is gebleven van meer dan drie regelmatig bijeengeroepen vergaderingen en waarop zijn afwezigheid vereist is krachtens de wet of het decreet tot oprichting van de instantie.

Artikel III.56.

Aan de hand van de concrete uitvoering van de opdrachten kunnen betrokkenen worden beoordeeld. Via de verslaggeving (zie artikel III.54) kan worden nagegaan in hoeverre de opdracht adequaat wordt uitgevoerd, alsook via de notulen ( o.m. raad van bestuur) kan de minister de aanwezigheid en tussenkomsten op bestuursorganen evalueren.

De bevoegde minister beoordeelt het werk en de professionele competenties van de regeringscommissarissen minstens om de 2 jaar. De Vlaamse Regering bepaalt hiertoe de procedure. Het is immers aangewezen om een uniforme evaluatieprocedure uit te werken. De evaluatiecriteria zullen gebaseerd zijn op de functiebeschrijving. Er wordt niet voorzien in een evaluatie onvoldoende zoals bij de ambtenaren, gelet op het feit dat de Vlaamse Regering op elk moment de aanstelling kan beëindigen.

Afdeling 4. Adviesorganen

Onderafdeling 1. Presentiegelden en vergoedingen strategische adviesraden en raadgevende comités

Artikel III.57.

Het eerste lid breidt artikel 10 van het SAR-decreet uit tot de raadgevende comités: de Vlaamse Regering wordt gemachtigd om in een algemene regeling voor de presentiegelden en de kostenvergoedingen voor de leden van de strategische adviesraden en raadgevende comités te voorzien. Het systeem van verloning en vergoeding moet billijk zijn en in verhouding staan tot de geleverde prestaties en de hoge kwaliteitseisen, met inbegrip van de beschikbaarheidseisen die aan de leden van die adviesorganen gesteld worden.

Twee beperkingen die voor personeelsleden van de Vlaamse overheid en voor de leden van raden van bestuur gelden, worden ook van toepassing gemaakt op de leden van de strategische adviesraden en raadgevende comités:

- de zogenaamde “minister-president-norm” vermeld in artikel III.25;

- het verbod om bezoldigingselementen geheel of gedeeltelijk in aandelen of aandelenopties toe te kennen en om de bezoldiging te betalen aan een managementvennootschap: artikel III.26.

Op dit moment worden de presentiegelden en vergoedingen geregeld bij besluit van de Vlaamse Regering van 9 maart 2007

Omwille van het feit dat arbeidsrechtelijk geen afbreuk kan worden gedaan aan de bestaande arbeidsovereenkomsten, gelden de beperkingen van het tweede lid ten aanzien van de strategische adviesraden en raadgevende comités die bestaan op het moment van inwerkingtreding van deze bepaling, alleen voor nieuwe aanstellingen. Voor de strategische adviesraden en raadgevende comités die opgericht worden na de inwerkingtreding van deze bepaling, geldt de bepaling voor alle aanstellingen.

Dat betekent dat de leden van de bestaande SAR en raadgevende comités ten minste de geldelijke arbeidsvoorwaarden genieten die op hen van toepassing zijn op de datum van inwerkingtreding van deze bepaling, ook na de verlenging van hun mandaat.

Ten minste betekent dat zij eventueel wel kunnen genieten van toekomstige meer gunstige arbeidsvoorwaarden.

Onderafdeling 2. Evenwichtige participatie van vrouwen en mannen in Vlaamse adviesorganen


Artikel III.58.

Het eerste lid van deze bepaling maakt de artikelen III.44 tot en met III.47, die een meer evenwichtige participatie regelen van vrouwen en mannen in raden van bestuur, van overeenkomstige toepassing op de Vlaamse adviesorganen zoals gedefinieerd in artikel I.3, 3°.

Voor de inhoudelijke toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij de artikelen III.44 tot III.47.

Het tweede lid neemt artikel 2, §2, tweede lid, mep-decreet over. In deze bepaling wordt verduidelijkt dat ook ‘structurele onderverdelingen’ van adviesorganen in het toepassingsgebied vallen.

Deze onderverdelingen vallen dus ook in het toepassingsgebied als ze niet bij wet, decreet of besluit zijn opgericht. Deze uitbreiding van het toepassingsgebied

moet voorkomen dat de verplichtingen die uit de artikelen III.44 tot III.47 voortvloeien, ontdoken worden door niet-geïnstitutionaliseerde, zijnde niet bij wet, decreet of besluit opgerichte, onderverdelingen van een adviesorgaan in het leven te roepen.

Voorwaarde is wel dat de onderverdeling in kwestie bevoegd is om advies uit te brengen aan het Vlaams Parlement, de Vlaamse Regering, een Vlaamse minister of de Vlaamse administratie (zie art. I.3, 3°, b), 3)) zonder dat het adviesorgaan waarvan het een onderdeel is daarvoor moet worden samengeroepen. Zo zullen bijvoorbeeld de

werkcommissies zoals bedoeld in artikel III.99, als die worden ingesteld ter voorbereiding van de adviezen en zelf geen advies kunnen geven, niet in het toepassingsgebied vallen.

Afdeling 5. Vrijwaring van de strategische belangen van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest

In deze afdeling wordt een instrument voor de Vlaamse Regering gecreëerd  dat geschikt is om de Vlaamse strategische belangen te beschermen in de gevallen dat buitenlandse (rechts)personen aandeelhouderschap (of anderszins beslissingsmacht) verwerven in Vlaamse of lokale overheidsinstanties of in instellingen met een publieke taak op Vlaams of lokaal niveau. Het behoort tot de (impliciete) bevoegdheid van de Vlaamse Regering om te waken over de goede werking van deze instanties, uiteraard met inbegrip van het feit dat zij geen rechtshandelingen mogen stellen die deze strategische belangen kunnen bedreigen.

Artikel III.59.

Dit artikel omschrijft het ruime toepassingsgebied van het instrument. Het is in de eerste plaats van toepassing op alle instanties van de Vlaamse en lokale overheden.

Punt 3° is gebaseerd op de definitie van instelling met een publieke taak (art. I.3, 5°) met dien verstande dat in punt a) de beperking tot doelen die niet van industriële of commerciële aard zijn, weggelaten worden.

Met financiering in punt 3°, c), 1), wordt zowel kapitaalinbreng als subsidiëring bedoeld.

Het gaat hier dus nooit om zuiver privaatrechtelijke ondernemingen die louter winstgevende activiteiten nastreven, maar per definitie om instanties die opgericht zijn met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang, waardoor de kans dat de strategische belangen hierbij bedreigd worden door rechtshandelingen van die instanties, niet irreëel is.

Artikel III.60.

Deze bepaling laat de Vlaamse Regering toe rechtshandelingen van instanties die onder het toepassingsgebied vallen, nietig verklaren of buiten toepassing verklaren, in de extreme situatie dat de strategische belangen bedreigd wordt door die rechtshandeling. Dit artikel geeft de Vlaamse Regering de mogelijkheid om te handelen, maar legt haar geen verplichting op. Daarom moet deze bepaling beschouwd worden als een ‘ultimum remedium’.

Aangezien het hier om beperking van het eigendomsrecht en van de Europese bepalingen inzake vrij verkeer gaat, kan dat alleen binnen de grenzen die het Grondwettelijk Hof en het Europees Hof van Justitie stellen. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie en van het Grondwettelijk Hof is een inbreuk door de lidstaten alleen gerechtvaardigd met het oog op de openbare orde, de openbare veiligheid of dwingende redenen van algemeen belang en op voorwaarde dat de regels die inbreuk maken:

1° niet-discriminerend zijn (voor iedereen gelden);

2° geschikt zijn om het doel te bereiken;

3° noodzakelijk en proportioneel zijn.

In dit verband moet  de Vlaamse Regering kunnen aantonen dat zij ernstige pogingen heeft ondernomen om in onderling overleg en met goedkeuring van de instantie die de kwestieuze rechtshandeling stelt, te komen tot een minnelijke schikking tot vrijwaring van deze Vlaamse strategische belangen (cfr. de onderhandelingsplicht in het Vlaams onteigeningsdecreet), waarbij diverse aspecten aan bod kunnen komen, zoals bv. een nadeelcompensatie of specifieke aanpassingen van de kwestieuze rechtshandeling. De minister-president zal hiertoe het initiatief nemen.

a) voor welke instanties?

Bevoegdheidsbeperking: bij Vlaams decreet kan deze maatregel alleen opgelegd worden voor instanties die op één of andere manier onder controle van de Vlaamse overheid staan, dus niet voor zuiver privaatrechtelijke instellingen.

Het toepassingsgebied is niet beperkt tot bepaalde sectoren, maar een beperking volgt wel uit de aard van de instantie: alleen instanties die een publieke taak van strategisch belang vervullen, zullen kunnen getroffen worden door de maatregel, de zogenaamde ‘strategische instanties’. Levert een instantie producten of diensten die binnen één of meer sectoren van de strategische infrastructuur vallen, en draagt de instantie aldus bij aan één van de strategische processen, dan is mogelijk sprake van een strategische instantie. Anders gezegd: wanneer de instantie met haar activiteiten één of meer van de drie onderscheiden strategische belangen in gevaar kan brengen, dan is de instantie eventueel aan te merken als een strategische instantie. Het is uiteindelijk aan de overheid om te bepalen of in een concreet geval en op basis van alle omstandigheden van het geval een instantie als strategisch kan worden aangemerkt.

b) wanneer is een buitenlandse investeerder ongewenst?

Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen investeerders binnen en buiten EU

Er wordt ook geen drempelwaarde ingeschreven voor investeringen (bijv. beperking tot aandeelhouderschap van bepaald percentage) – elke vorm van beslissingsmacht of zeggenschap die een veiligheidsrisico inhoudt, wordt ermee bedoeld.

Een belangrijk criterium voor de feitelijke of empirische onderbouwing van het Vlaamse regeringsbesluit is dat de bevoegde federale instelling van oordeel is dat de nationale veiligheid bedreigd wordt door de buitenlandse inmenging, ongeacht of die bedreiging te maken heeft met de hoedanigheid van de investeerder (zijn eventuele banden met dubieuze overheden of partijen, zijn financiële positie, zijn positie in de relevante sector, antecedenten, …), met de motieven en intenties van de investering, het land of regio van herkomst van de investeerder, de hoedanigheid van bestuurders…

Op basis van de bevoegdheidsverdeling tussen de federale en de Vlaamse overheid is enkel de door de federale overheid aangewezen instelling bevoegd om dergelijke analyses en adviezen inzake de bedreiging van de nationale veiligheid te maken.

c) Wanneer zijn de Vlaamse strategische belangen bedreigd?

Er moet een belangrijk onderscheid gemaakt worden tussen risico’s voor de strategische belangen enerzijds en andere dwingende redenen van algemeen belang anderzijds. Strategische belangen zijn strikt bepaald, terwijl redenen van algemeen belang een veel bredere lading dekken.

Zo bestaan er drie “generieke categorieën van strategische belangen”:

- De continuïteit van vitale processen: Het gaat om vitale processen (levering, dienstverlening of productie), die bij uitval of verstoring tot ernstige maatschappelijke ontwrichting leiden.

- De integriteit en exclusiviteit van informatie: Buitenlandse [zeggenschap] in bepaalde ondernemingen kan ertoe leiden dat strategische of gevoelige technologische kennis ongewenst in buitenlandse handen valt en/of ertoe kan leiden dat een ander land inzage krijgt in staatsgeheimen, persoonsgegevens van burgers of in de werking van ons veiligheidsbestel.

- Het functioneren van de democratische rechtsorde of strategische onafhankelijkheid: Kan de [zeggenschap] door een buitenlands bedrijf ertoe leiden dat de Vlaamse overheid bij het nemen van beslissingen op enig moment door een ander land politiek onder druk gezet of gesaboteerd kan worden?

Naast de generieke categorieën veiligheidsbelangen zijn er sectorspecifieke veiligheidsbelangen, zoals de veiligheid en non-proliferatie van chemische en nucleaire wapens in de chemische en nucleaire sector.

d) de maatregel heeft betrekking op alle rechtshandelingen, aangezien vrijwel alle rechtshandelingen van een strategische instelling, en dus niet enkel de verkoop van aandelen, een veiligheidsrisico kunnen inhouden, ook bijv. aangaan van contracten en dadingen, daden van (financieel) beheer,…;,

e) verloop

Er wordt niet geopteerd voor een ex ante screening van bepaalde rechtshandelingen in bepaalde sectoren maar wel voor een individuele en ex post aanpak. Immers, een wetgeving die alle factoren en soorten bedreigingen, instellingen en rechtshandelingen afzonderlijk en in detail wilt regelen, zal bijzonder complex zijn en zeer gevoelig maken voor een schending van het eigendomsrecht enerzijds en van het gelijkheidsbeginsel anderzijds.

Het personele en materiële toepassingsgebied van de maatregel is in principe zeer breed (zie hoger), maar om ervoor te zorgen dat de maatregel proportioneel en doelgericht blijft, is die beperkt tot die situaties waarin er een reële bedreigingen van de Vlaamse strategische belangen is vastgesteld (zie hierboven).

Daarbij is het eensluidend advies van de bevoegde federale instantie inzake de bedreiging van de nationale veiligheid belangrijk voor de feitelijke of empirische onderbouwing van het Vlaamse regeringsbesluit.

Dit advies vanwege de bevoegde federale instantie kan op eigen initiatief verleend worden, waarbij dit advies aan de Minister-president wordt overgemaakt, of kan door de Minister-president bij de bevoegde federale instelling worden aangevraagd. Hieromtrent kan een samenwerkingsakkoord met de federale overheid worden afgesloten.

De nietigverklaring of buiten toepassing verklaring gebeurt in de vorm van een besluit van de Vlaamse Regering.

f) draagwijdte van de regeringsbeslissing

Dit artikel laat ruimte aan de Vlaamse Regering om in haar besluit de draagwijdte en rechtsgevolgen van haar beslissing concreet uit te werken in functie van afdoende te motiveren gronden. Daartoe bestaat onder meer de mogelijkheid te beslissen tot een nietigverklaring “ex tunc”, alsof de rechtshandeling nooit bestaan heeft, dan wel te beslissen tot een buiten toepassing verklaring “ex nunc”, waarbij de gevolgen van de bestreden rechtshandeling voor de toekomst opgeheven worden.

Titel IV. Wijzigings- en slotbepalingen - Hoofdstuk 86. Overgangsbepalingen

Artikel IV.276.

Het vertrekpunt voor het bepalen van het toepassingsgebied van titel III, hoofdstuk 2, afdeling 2, zijn de lijsten van de NBB met entiteiten die deel uitmaken van de Vlaamse overheid. Deze lijsten worden halfjaarlijks aangepast.

Indien instanties vanaf een bepaalde datum onder het toepassingsgebied worden gebracht en geen overgangsmaatregel wordt voorzien zouden zij onmiddellijk in orde moeten zijn wat de aanstelling van de onafhankelijke bestuurders of de man/vrouw-verhouding betreft.  Daarom wordt een overgangsmaatregel ingeschreven dat de samenstelling van de raden van bestuur van instanties, die zijn opgericht voor de datum van inwerkingtreding van titel III, hoofdstuk 2, afdeling 2, maar pas na deze datum  onder de toepassing van artikel III 40 en III 44 worden gebracht, wordt aangepast aan de regeling van de onafhankelijke bestuurders en Man/vrouw- verhouding bij de eerstvolgende  algehele hernieuwing van de mandaten.

Instellingen die worden opgericht na de inwerkingtreding van het bestuursdecreet moeten zich daarentegen onmiddellijk in regel stellen.

-------------------

[1] Wet van 30 maart 2018 met betrekking tot het niet in aanmerking nemen van diensten gepresteerd als nietvastbenoemd personeelslid voor een pensioen van de overheidssector, tot wijziging van de individuele responsabilisering van de provinciale en lokale overheden binnen het Gesolidariseerde pensioenfonds, tot aanpassing van de reglementering inzake aanvullende pensioenen, tot wijziging van de modaliteiten van de financiering van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen en tot bijkomende financiering van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen (B.S. 17 april 2018).

[2] Besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie.

[3] Omzendbrief PEBE/DVO/2007/18 van 6 juli 2007.

[4] Met redenen omklede motie tot besluit van de op 18 oktober 2005 door de heer Carl Decaluwe in commissie gehouden interpellatie tot de heer Geert Bourgeois, Vlaams minister van Bestuurszaken, Buitenlands beleid, Media en Toerisme, over de uitstapregeling en het cumuleren van functies bij Vlaamse ambtenaren.