chat-altchatcrossloginquestion-circlesearchsmileystarthumbup-downwarning
Vlaanderen
Contacteer ons
    Terug naar overzicht Stuur een e-mail

    Stuur een e-mail naar 1700, de informatiedienst voor al uw vragen aan de overheid.
    U ontvangt een kopie van uw bericht.

    Terug naar overzicht Chat met ons
    Uw chatgesprek wordt automatisch gestart zodra er een medewerker beschikbaar is.
    Even geduld, uw positie in de wachtrij wordt bepaald.

    Artikelsgewijze bespreking

    Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

    Toelichting bij artikel 1

    Conform artikel 19, §1 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen vermeldt dit artikel dat het ontwerp van decreet een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid regelt.

    Toelichting bij artikel 2

    Gelet op de bewoordingen van het regeerakkoord ("De Vlaamse overheid zal erover waken dat in al haar agentschappen en alle nv’s waaraan zij rechtstreeks participeert en waar zij deel uitmaakt van de algemene vergadering en/of de Raad van Bestuur: a) de principes van deugdelijk bestuur worden toegepast,…") is het voorgestelde toepassingsgebied ruim en gaat dit verder dan de entiteiten die in de vorige regeerperiode werden opgericht ingevolge de herstructureringsoperatie Beter Bestuurlijk Beleid.

    Het decreet hanteert volgend toepassingsgebied:

    • De ministeries (departementen en IVA’s zonder rechtspersoonlijkheid);
    • De IVA’s met rechtspersoonlijkheid;
    • De publiekrechtelijk vormgegeven EVA’s;
    • De privaatrechtelijk vormgegeven EVA’s;
    • De secretariaten van de strategische adviesraden;
    • De Vlaamse openbare instellingen UZ Gent, VRT, de Watergroep en VFL;
    • De eigen vermogens;
    • De vzw’s, voor zover het openbare instellingen betreft in de zin van artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en die, in overeenstemming met het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen, vermeld in verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad van 25 juni 1996 betreffende het Europees systeem van de nationale en regionale rekeningen in de gemeenschap, deel uitmaken van de Vlaamse deelstaatoverheid door onder sectorale code 13.12 te ressorteren, met uitsluiting van de universitaire instellingen (met inbegrip van hun patrimonium) en hogescholen;
    • De handelsvennootschappen die, in overeenstemming met het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen, vermeld in verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad van 25 juni 1996 betreffende het Europees systeem van de nationale en regionale rekeningen in de gemeenschap, deel uitmaken van de Vlaamse deelstaatoverheid door onder sectorale code 13.12 te ressorteren;
    • De vertegenwoordigers van de Vlaamse overheid in de algemene vergadering van de handelsvennootschappen die, in overeenstemming met het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen, vermeld in verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad van 25 juni 1996 betreffende het Europees systeem van de nationale en regionale rekeningen in de gemeenschap, in handen zijn van de Vlaamse deelstaatoverheid door onder sectorale code 11001 te ressorteren. Deze vertegenwoordigers moeten hun houding en stemgedrag conformeren aan de bepalingen van dit decreet.

    De GO! is een Vlaamse openbare instelling maar wordt niet opgenomen in het toepassingsgebied van het decreet. Deze aangelegenheid kan immers voor het GO! niet met een gewoon decreet geregeld worden. Een bijzonder decreet is vereist. De raad van bestuur wordt bovendien op een bijzondere wijze samengesteld ( met verkiezing van leden) en wijkt daardoor af van de andere raden van bestuur waar de leden worden aangesteld.
    VFL werd opgenomen in het toepassingsgebied omdat dit ook een VOI is met eigen personeel en een raad van bestuur.

    Artikel 2 §1, 8° en 9°, alsmede artikel 2 §2 van het ontwerp van decreet geeft het toepassingsgebied weer m.b.t. de handelsvennootschappen en vzw’s.

    Voor het bepalen van de handelsvennootschappen en vzw’s wordt de ESR-afbakening gehanteerd. Deze afbakening is gebaseerd op juridische en financiële criteria, afkomstig van Eurostat. Jaarlijks past de Nationale Bank van België deze criteria toe op de Belgische administraties en stelt een lijst van entiteiten op die als deel van de Vlaamse overheid wordt beschouwd. De lijst met entiteiten kan jaar na jaar licht wijzigen. De laatst beschikbare lijst van de Nationale Bank dateert van september 2013.(1)

    Criterium 'in handen van de overheid'
    Enkel de vennootschappen en vzw’s die in handen zijn van de overheid ressorteren onder het toepassingsgebied van het decreet.
    Volgens de criteria van het ESR is een handelsvennootschap in handen van de overheid indien deze laatste meer dan de helft van de stemgerechtigde aandelen bezit of op een andere manier zeggenschap heeft over meer dan de helft van de aan de aandeelhouders toegekende stemmen. Een overheid kan bovendien toezicht uitoefenen op een handelsvennootschap op grond van wetteksten die haar de bevoegdheid verlenen het beleid van die handelsvennootschap te bepalen of de bestuurders ervan aan te stellen. Naar analogie daarvan geldt deze redenering mutatis mutandis ook voor de instellingen zonder winstoogmerk.

    Vennootschappen die een dochter zijn van andere overheidsentiteiten die onder het toepassingsgebied ressorteren, ressorteren eveneens onder het toepassingsgebied(2).

    Vennootschappen in handen van de overheid
    Artikel 2 §1 9° bepaalt dat het decreet van toepassing is op vennootschappen die behoren tot de overheidssector van de zgn. ‘Vlaamse Gemeenschap’ (ESR-code S.1312). Vennootschappen die in handen zijn van de overheid behoren tot de overheidssector van de zgn. ‘Vlaamse Gemeenschap’ wanneer ze ‘niet-marktproducent’ zijn. Als algemene regel geldt dat een eenheid een niet-marktproducent is indien de opbrengst van de verkopen minder dan 50% van de productiekosten dekt.

    Het decreet is eveneens van toepassing op de vennootschappen die onder ESR-code S11001 ressorteren. Dit zijn alle niet-financiële vennootschappen die in handen zijn van de  zgn. ‘Vlaamse Gemeenschap’. De sector niet-financiële vennootschappen (S. 11) bestaat uit institutionele eenheden waarvan de verdelingstransacties en financiële transacties gescheiden zijn van die van hun eigenaars en die marktproducenten zijn. De hoofdactiviteit van deze vennootschappen bestaat uit de productie van goederen en niet-financiële diensten. Voor deze vennootschappen bepaalt artikel 2 §2 dat het de vertegenwoordigers van de Vlaamse overheid in de algemene vergadering zijn die hierover zullen waken.

    VZW’s in handen van de overheid
    Het decreet is van toepassing op de vzw’s die behoren tot subsector S. 1312.
    Tot deze groep behoren de vzw’s die ‘niet-marktproducenten’ zijn, onder toezicht staan van en voornamelijk gefinancierd worden door de overheid.
    Ingaand op het advies van de Raad van State wordt het toepassingsgebied beperkt tot de vzw’s die kunnen worden beschouwd als een openbare instelling in de zin van artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en waarvoor er bijgevolg een decretale grondslag bestaat.
    Universiteiten, hogescholen en hun associaties vallen niet onder deugdelijk bestuur, zelfs al zijn het vzw’s met code 1312.

    Volledigheidshalve wordt erop gewezen dat indien entiteiten een raad van bestuur hebben dit op een aantal vlakken een specifieke benadering vergt (bijvoorbeeld ingevolge de toepassing van de vennootschapswetgeving).
    De rechtspersonen waar de Vlaamse Regering 50% of meer van de financiering op zich neemt, maar niet zouden voorkomen op de lijst van de Nationale Bank, vallen buiten het toepassingsgebied van het decreet deugdelijk bestuur. Zij dienen wel dezelfde basisprincipes van deugdelijk bestuur na te leven.
    Hiertoe zal de functioneel bevoegde minister in het subsidiebesluit of de beheersovereenkomst opnemen of op een andere manier bewerkstelligen dat deze rechtspersonen wel de basisprincipes inzake deugdelijk bestuur moeten naleven.

    Tot slot vallen ook de eigen  vermogens onder toepassing van het decreet. Het betreft het OC ANB, het EV INBO, het EV ILVO en het EV Flanders Hydraulics.
    Ze moeten immers als dochters van andere overheidsentiteiten beschouwd worden die zelf onder het toepassingsgebied ressorteren.

    Toelichting bij artikel 3

    1. de raad van bestuur wordt gedefinieerd als het bestuursorgaan van de entiteit;
    2. gelet op de verscheidenheid aan termen in de verschillende decretale regelingen (regeringsafgevaardigden, regeringscommissarissen, afgevaardigden van financiën) wordt de verzamelterm regeringscommissaris gebruikt voor de toepassing van dit decreet;
    3. de jaarlijkse bezoldiging wordt gedefinieerd als het geïndexeerde jaarsalaris, inclusief toelagen en bonussen, maar uitgezonderd de sociale voordelen, voordelen van alle aard en onkostenvergoedingen. Onkostenvergoedingen betreffen kosten die het personeelslid maakt voor de werkgever, en die door de RSZ en fiscus als “kosten eigen aan de werkgever” worden beschouwd (geen RSZ of belastingen op verschuldigd)
    4. het jaarsalaris wordt gedefinieerd als het geïndexeerde jaarsalaris, exclusief toelagen en bonussen;
    5. de bonus wordt gedefinieerd als de aan de topmanagers toegekende extra-bezoldiging, bovenop de jaarlijkse bezoldiging, ingevolge het behalen van de vooraf afgesproken doelstellingen.

    naar boven

    Hoofdstuk 2. Raden van bestuur

    Het kaderdecreet bestuurlijk beleid bepaalt dat publiekrechtelijke EVA’s onafhankelijke leden in de raden van bestuur kunnen opnemen vanwege hun voor het bestuur van het agentschap relevante expertise en vanwege hun onafhankelijkheid ten aanzien van het dagelijks bestuur. Het aantal mag een vierde van het aantal stemgerechtigde leden van de raad van bestuur niet overschrijden. De mogelijkheid om onafhankelijke bestuurders aan te stellen is gesteund op de principes van deugdelijk bestuur.
    Deze bepaling uit het kaderdecreet bestuurlijk beleid heeft het echter over een "mogelijkheid", en dus niet over een verplichting, die daarenboven qua toepassingsgebied beperkt is tot de publiekrechtelijke EVA’s.

    In de beleidsnota Bestuurszaken 2009-2014 is opgenomen dat werk zal worden gemaakt van de opname van onafhankelijke bestuurders in de raden van bestuur van de Vlaamse overheidsbedrijven zoals bepaald in verscheidene decreten.

    De inbreng van onafhankelijke bestuurders is een bijkomende garantie dat de raad van bestuur zijn verantwoordelijkheid met de nodige openheid, integriteit en verantwoordingsplicht zal kunnen invullen.

    Toelichting bij artikel 4

    Gelet op het belang van de onafhankelijke bestuurders wordt naar analogie met de Corporate Governance Code voor beursgenoteerde bedrijven (Code Daems) het principe verankerd dat minimum een derde van het aantal stemgerechtigde  leden van de raad van bestuur een onafhankelijke bestuurder moet zijn.

    In het tweede lid van dit artikel wordt een afwijkingsmogelijkheid opgenomen. De Vlaamse Regering kan op gemotiveerd verzoek van de entiteit en om gegronde redenen een uitzondering toestaan op de bepaling van het eerste lid. Hierbij heeft men entiteiten voor ogen waar de raad van bestuur paritair is samengesteld zoals de VDAB ( de helft  van de bestuurders zijn vertegenwoordigers van de werkgevers, de andere helft zijn vertegenwoordigers van de werknemers) en de VLAM ( de helft van de bestuurders zijn vertegenwoordigers van de landbouwers, de andere helft zijn vertegenwoordigers van de consumenten).
    Een ander voorbeeld is de EVA Plantentuin Meise waarbij voor de samenstelling van de raad van bestuur rekening moet worden gehouden met de samenwerkingsovereenkomst die werd afgesloten tussen de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap en waarbij werd overeengekomen om geen onafhankelijke bestuurders aan te stellen.
    Zo houdt het ontwerp reeds rekening met de diversiteit in de Vlaamse publieke sector.

    Met de opname van de onafhankelijke bestuurders in de raden van bestuur wordt niet geraakt aan essentiële bepalingen van het vennootschapsrecht/vzw-recht.
    Er kan verwezen worden naar de argumentatie bij het decreet van 13 juli 2007 houdende bevordering van een meer evenwichtige participatie van vrouwen en mannen in advies- en bestuursorganen van de Vlaamse overheid.
    Het toepassingsgebied betreft hier ook de privaatrechtelijke EVA’s ( waaronder de stichtingen zoals het  FWO). In de memorie van toelichting bij dat decreet wordt volgende verantwoording gegeven voor het regelen van de samenstelling van de raad van bestuur voor deze entiteiten: 
     
    "Hier dient in algemene zin opgemerkt te worden dat het oprichten van gedecentraliseerde diensten, instellingen of ondernemingen (zoals publiekrechtelijk of privaatrechtelijk vormgegeven EVA’s) door de Vlaamse overheid en het deelnemen via kapitaalparticipaties door de Vlaamse overheid of door gedecentraliseerde diensten, instellingen of ondernemingen in andere diensten, instellingen of ondernemingen uitdrukkelijk voorzien is in artikel 9 van de bijzondere wet.
    Wat het regelen van de oprichting, samenstelling, bevoegdheid, werking en toezicht betreft van deze diensten, instellingen en ondernemingen, heeft de Raad van State meermaals uitdrukkelijk gesteld dat zodra gekozen wordt voor een privaatrechtelijke vorm, in elk geval niet afgeweken kan worden van de ‘essentiële bepalingen’ van het vennootschapsrecht.
    Verschillende decreten m.b.t. privaatrechtelijk vormgegeven EVA’s bevatten evenwel bepalingen m.b.t.de samenstelling van de raad van beheer/bestuur.
    De Raad van State vond van deze bepalingen telkens dat ze de toets aan artikel 9 van de bijzondere wet doorstonden. In het geval van de ‘ARKimedes Management NV’, opgericht door de EVA Participatiemaatschappij Vlaanderen NV, meende de Raad van State zelfs dat de decreetgever overeenkomstig artikel 9 van de bijzondere wet verplicht was de samenstelling en de werking van deze nv te regelen."

    Naar analogie kan worden verondersteld dat met de  opname van onafhankelijke bestuurders in raden van beheer/bestuur niet geraakt wordt aan essentiële bepalingen van het vennootschapsrecht/vzw-recht.

    Toelichting bij artikel 5

    De raad van bestuur maakt een evaluatie van de bekwaamheden, kennis en ervaring die reeds aanwezig zijn in de raad en deze die nodig zijn. De raad van bestuur doet een open oproep tot kandidaatstelling en ontvangt van elke kandidaat de benodigde informatie waaronder een curriculum vitae. De raad van bestuur vergelijkt de verdiensten van de kandidaten en bezorgt vervolgens per vacante betrekking van onafhankelijke bestuurder de namen van 2 kandidaten aan de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kiest tenslotte uit één van deze 2 kandidaten.

    Naar analogie met de huidige regeling in het kaderdecreet bestuurlijk beleid waar momenteel de door de Vlaamse Regering aangestelde leden de onafhankelijke leden coöpteren zal het de nieuwe raad van bestuur ( en niet de uittredende ) zijn die de voordracht doet van onafhankelijke leden van de raad van bestuur aan de Vlaamse Regering.

    Wat de globale samenstelling van de raad van bestuur betreft moet rekening worden gehouden met het decreet van 13 juli 2007 houdende bevordering van een meer evenwichtige participatie van vrouwen en mannen in advies-  en bestuursorganen van de Vlaamse overheid.

    Wat de entiteiten betreft die onder de dwingende bepalingen van de vennootschapswetgeving of vzw-wetgeving vallen wordt een afwijkende regeling voorzien. De vennootschapswetgeving ( artikel 518) en de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen bepalen dat de algemene vergadering de leden van de raad van bestuur benoemt. Men kan aan de prerogatieven van de Algemene Vergadering geen afbreuk doen. Voor deze entiteiten wordt dan ook bepaald dat de algemene vergadering de onafhankelijke bestuurders aanstelt, op voordracht van de raad van bestuur.

    Toelichting bij artikel 6

    De onafhankelijke bestuurders worden geselecteerd op grond van hun capaciteiten inzake het algemeen bestuur van de entiteit, specifieke deskundigheid, alsook omwille van hun onafhankelijkheid t.a.v. de deelgenoten van de entiteit (de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest, andere deelgenoten uit de openbare of private sector) en het dagelijks bestuur van de entiteit. 

    De onafhankelijkheidscriteria worden verduidelijkt in de bijlage bij de code Daems en zijn ook hier richtinggevend:

    • Gedurende een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de aanstelling noch in de entiteit, noch in een daarmee verbonden entiteit een mandaat van uitvoerend lid van het bestuursorgaan of een functie van lid van het directiecomité of van persoon belast met het dagelijks bestuur hebben uitgeoefend,
    • Niet meer dan drie opeenvolgende mandaten als niet-uitvoerend bestuurder in de raad van bestuur hebben uitgeoefend zonder dat dit tijdvak langer mag zijn dan 12 jaar,
    • Gedurende een tijdvak van drie jaar voorafgaand aan zijn benoeming, geen deel hebben uitgemaakt van het leidinggevend personeel van de entiteit of een daarmee verbonden entiteit,
    • Geen vergoeding of ander belangrijk voordeel van vermogensrechtelijke aard ontvangen of hebben ontvangen van de entiteit of een daarmee verbonden entiteit, buiten de tantièmes en de vergoeding die hij eventueel ontvangt of heeft ontvangen als niet-uitvoerend lid van het bestuursorgaan of lid van het toezichthoudende orgaan,
    • Geen maatschappelijke rechten bezitten die een tiende of meer vertegenwoordigen van het kapitaal, van het maatschappelijk fonds of van een categorie aandelen van de entiteit,
      Indien hij maatschappelijke rechten bezit die een quotum van minder dan 10% vertegenwoordigen: mogen die maatschappelijke rechten samen met de maatschappelijke rechten die in dezelfde entiteit worden aangehouden door entiteiten waarover de onafhankelijke bestuurder controle heeft, geen tiende bereiken van het kapitaal, van het maatschappelijk fonds of van een categorie aandelen van de entiteit, of mogen de daden van beschikking over die aandelen of de uitoefening van de daaraan verbonden rechten niet onderworpen zijn aan overeenkomsten of aan eenzijdige verbintenissen die het onafhankelijk lid van het bestuursorgaan heeft aangegaan.
      Men mag ook geen aandeelhouder vertegenwoordigen die onder voormelde voorwaarden valt,
    • Geen significante zakelijke relatie hebben of in het voorbije boekjaar hebben gehad met de entiteit of met een daarmee verbonden entiteit, noch rechtstreeks, noch als vennoot, aandeelhouder, lid van het bestuursorgaan of lid van het leidinggevend personeel van een entiteit die een dergelijke relatie onderhoudt,
    • In de voorbije drie jaar geen vennoot of werknemer zijn geweest van de huidige of vorige externe auditor van de entiteit of een daarmee verbonden entiteit,
    • Geen uitvoerend lid zijn van het bestuursorgaan van een andere entiteit waarin een uitvoerend bestuurder van de entiteit zetelt in de hoedanigheid van een niet-uitvoerend lid van het bestuursorgaan of als lid van het toezichthoudende orgaan en geen andere belangrijke banden hebben met uitvoerende bestuurders van de entiteit uit hoofde van functies bij andere entiteiten,
    • Geen echtgenoot, wettelijk samenwonende partner of bloed- of aanverwanten tot de tweede graad hebben die in de entiteit of in een daarmee verbonden entiteit een mandaat van lid van het bestuursorgaan, lid van het directiecomité, persoon belast met het dagelijks bestuur of lid van het leidinggevend personeel, uitoefenen, of die zich in een van de in voorgaande punten beschreven gevallen bevinden.

    Toelichting bij artikel 7

    Aangezien de onafhankelijke bestuurders niet meer gecoöpteerd worden door de raad van bestuur maar aangesteld worden door de Vlaamse Regering, wordt ook de ontslagprocedure hierop afgestemd. De ontslagbevoegdheid ligt bij de Vlaamse Regering en niet bij de raad van bestuur.
    Wat de entiteiten betreft die onder de dwingende bepalingen van de vennootschapswetgeving of vzw-wetgeving vallen wordt een afwijkende regeling voorzien. De vennootschapswetgeving en de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen bepalen dat de algemene vergadering de leden van de raad van bestuur ontslaat. Men kan aan de prerogatieven van de Algemene Vergadering geen afbreuk doen. Voor deze entiteiten wordt dan ook bepaald dat de algemene vergadering de onafhankelijke bestuurders ontslaat, op voordracht van de raad van bestuur.

    Er wordt een uitzondering gemaakt voor de VREG (Vlaamse Regulator van de Electriciteits- en Gasmarkt). In het geval van een energieregulator geldt een bijzondere bescherming waardoor de bestuurders maar in zeer uitzonderlijke gevallen kunnen worden ontslagen.

    Toelichting bij artikel 8

    §1. Het volstaat niet enkel dat onafhankelijke leden worden opgenomen in de raden van bestuur. De leden van de raad van bestuur (zowel de leden die door de Vlaamse Regering of andere instanties worden aangesteld als de onafhankelijke bestuurders) moeten hun functie ook in alle onafhankelijkheid kunnen uitoefenen. Er mag m.a.w. geen enkele vorm van belangenvermenging of belangenconflict zijn.

    Om belangenvermenging en belangenconflicten te voorkomen/vermijden moeten alle leden van de raad van bestuur bij hun aanstelling de nodige transparantie verschaffen over hun andere mandaten en activiteiten. Indien er nadien wijzigingen optreden moeten ze dit eveneens signaleren. Hier wordt gewerkt met een systeem van mandatenaangifte dat gelijkaardig is aan dat voor de topambtenaren (systeem Rekenhof).

    Ter vergelijking: deze werkwijze werd ook voorgesteld in het rapport dat werd opgesteld door drie Franse topmagistraten met als titel “Een nieuwe deontologie voor de overheidssector” en waarin een aantal strikte gedragsregels werden uitgewerkt om belangenconflicten te voorkomen in onder meer overheidsbedrijven en -instellingen.
    Dit rapport, dat nadien leidde tot een wetsontwerp over de deontologie in de overheidssector, adviseerde ook dat topmanagers van overheidsbedrijven niet tegelijkertijd een belangrijke functie mogen uitoefenen bij een privébedrijf.

    §2. Artikel 8, §2 neemt de regeling inzake de belangenvermenging van vermogensrechtelijke aard die geldt voor bestuurders van vennootschappen ( artikel 523 van de vennootschapswet) over voor de bestuurders van alle entiteiten die onder de toepassing van onderhavig decreet vallen.

    Toelichting bij artikel 9

    De code Daems bepaalt dat alle bestuurders blijk moeten geven van integriteit en toewijding, moeten beslissen op basis van een onafhankelijk oordeel, belangenconflicten moeten vermijden, en omzichtig moeten omspringen met vertrouwelijke informatie waarover ze beschikken in hun hoedanigheid van bestuurder. Naar analogie met deze bepalingen wordt een deontologische code ingevoerd voor de leden van de raden van bestuur waarin voormelde principes worden verankerd. Het verdient de voorkeur enkele modelbepalingen te ontwerpen en de raden van bestuur te vragen zelf een eigen deontologische code uit te werken, op maat van de organisatie, waarbij desgevallend gebruik kan worden gemaakt van deze modelbepalingen.

    naar boven

    Hoofdstuk 3. Statuut regeringscommissarissen

    Zoals vermeld in punt 1 omvat de door S-Bov gehanteerde definitie van deugdelijk bestuur ook het "beheersen en toezicht houden van een overheidsorganisatie".

    Wat dit toezicht betreft, heeft het Rekenhof in 2008 een onderzoek uitgevoerd naar de regeringscommissarissen, regeringsafgevaardigden, en gemachtigden van Financiën. Het verslag dat werd opgesteld na afloop van dit onderzoek werd in juli 2009 toegestuurd aan alle leden van de Vlaamse Regering(3).
    De voornaamste conclusie van dit verslag was dat er nood is aan generieke regels voor de aanstelling, aanwervings- en selectievoorwaarden, functie-uitoefening, evaluatie, deontologie, en onverenigbaarheden van de regeringscommissarissen.

    Alleen voor de bezoldiging en vergoeding bestaan 2 generieke regelingen(4), maar die hebben slechts een beperkt toepassingsgebied. Een aantal regeringscommissarissen valt buiten het toepassingsgebied van beide besluiten. Bovendien worden bepaalde regels ook niet overal uniform toegepast of zijn ze niet geactualiseerd.
    Ter vergelijking: uit het rapport van het Rekenhof volgt dat er voor de Franse Gemeenschap en het Waals Gewest wel een uniforme regeling bestaat van het statuut van de regeringscommissarissen.

    Het betreft volgende decreten:

    • het decreet van het Waals Gewest van 12 februari 2004 betreffende de Regeringscommissaris en de controleopdrachten van de revisoren binnen de instellingen van openbaar nut (B.S. 22 maart 2004),
    • het decreet van de Franse Gemeenschap van 9 januari 2003 betreffende de doorzichtigheid, de autonomie en de controle in verband met de overheidsinstellingen, de maatschappijen voor schoolgebouwen en de maatschappijen voor vermogensbeheer die onder de Franse Gemeenschap ressorteren (B.S. 21 februari 2003).

    Specifiek voor de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid bepaalt artikel 7ter(5) van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de investeringsmaatschappijen dat de Vlaamse Regering bij LRM en PMV een regeringsafgevaardigde kan aanstellen, maar tot nog toe heeft ze voor LRM van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

    De volgende artikelen vaardigen generieke regels uit voor de aanstelling, aanwervings- en selectievoorwaarden, functie-uitoefening, evaluatie, deontologie, en onverenigbaarheden van de regeringscommissarissen, regeringsafgevaardigden en gemachtigden van financiën.
    De sectorale regelgeving per entiteit moet voldoen aan de minimale generieke regels betreffende het statuut van de regeringscommissaris zoals opgenomen in dit decreet.

    Toelichting bij artikel 10

    Dit artikel regelt enkel de aanstellingsprocedure van de regeringscommissarissen. Dit artikel beoogt geen bijkomende regeringscommissarissen aan te stellen bij de diverse entiteiten.

    Zo kan er bij de VREG geen regeringscommissaris worden aangesteld gelet op de Europese onafhankelijkheidsvereisten die gelden voor een energieregulator.

    §1. Artikel 10 voert een geobjectiveerde aanstellingsprocedure in voor de regeringscommissarissen. Bij de uitwerking van generieke regels voor de aanstelling, aanwervings- en selectievoorwaarden moet er rekening mee worden gehouden dat een regeringscommissaris een vertrouwenspersoon is die wordt aangesteld door de Vlaamse Regering. Hij is ad nutum afzetbaar, hetgeen tot gevolg heeft dat indien er een breuk komt in deze vertrouwensrelatie deze regeringscommissaris kan worden afgezet en dat daarvoor geen bijkomende motivatie moet worden aangebracht. Dit heeft ook tot gevolg dat er voor de aanstelling van een regeringscommissaris geen open oproep en selectieprocedure moet worden gevolgd met vergelijking van kandidaten. In die zin is deze functie vergelijkbaar met deze van gouverneur.
    De regeringscommissaris moet om zijn functie te kunnen uitoefenen binnen een publieke rechtspersoon beschikken over bepaalde beroepsvaardigheden binnen de domeinen van de betrokken entiteit. Het komt toe aan de Vlaamse Regering om na te gaan of voldaan is aan de aanstellingsvoorwaarden. Deze controle gebeurt op basis van het curriculum vitae, een recent uittreksel uit het strafregister en een verklaring op erewoord waaruit blijkt dat er geen veroordeling is die onverenigbaar is met de uitoefening van zijn ambt. Met een recent uittreksel uit het strafregister wordt bedoeld niet ouder dan 2 maanden.
    In geval een niet-Belg wordt aangesteld tot regeringscommissaris zal geen uittreksel uit het strafregister kunnen worden voorgelegd en is een verklaring op erewoord voldoende.
    Het onderzoek van het Rekenhof d.d. 2008 naar de regeringscommissarissen, regeringsafgevaardigden, en gemachtigden van Financiën stelt o.m. dat er geen generieke regeling bestaat inzake de tijdsbesteding en dat er bijgevolg grote verschillen bestaan tussen de regeringscommissarissen onderling qua intensiteit van de opdracht en tijdsinvestering. Punt 1° van artikel 10 bepaalt nu expliciet dat de Vlaamse Regering nagaat of de kandidaat voldoende beschikbaar is voor de functie. Uiteraard zal dit samenhangen met de grootte en de aard van de entiteit, de bevoegdheden enz.

    §2. Bij ontslag, overlijden of onverenigbaarheden wordt een vervanger aangeduid overeenkomstig de bepalingen van artikel 10.

    De Vlaamse Regering kan een plaatsvervanger aanstellen bij onbeschikbaarheid van de regeringscommissaris.

    Toelichting bij artikel 11

    De Vlaamse Regering bepaalt bij de aanvang van het mandaat van regeringscommissaris de omvang en inhoud van de aanstelling. Deze omschrijving dient uiteraard rekening te houden met de bevoegdheidsomschrijvingen in de verschillende oprichtingsdecreten (zie bv. artikel 23 van het kaderdecreet bestuurlijk beleid).

    Toelichting bij artikel 12

    De onverenigbaarheden van functies met de aanstelling tot regeringcommissaris worden opgesomd, naar analogie met de onverenigbaarheden van bestuurders van publiekrechtelijke EVA’s  in het kaderdecreet bestuurlijk beleid.
    Specifieke regelingen van de entiteit kunnen andere onverenigbaarheden instellen.
    Er wordt een generieke onverenigbaarheid ingesteld met de meeste politieke mandaten, uitgezonderd gemeenteraadslid, lid van de districtsraad en van de provincieraad.
    De regeling van de onverenigbaarheden werd afgestemd op de gelijkaardige regeling in artikel 6 van het decreet van 12 februari 2004 betreffende de regeringscommissarissen en de controleopdrachten van de revisoren binnen de instellingen van openbaar nut (B.S. 22 maart 2004).

    Toelichting bij artikel 13

    De regeringscommissaris mag geen informatie verspreiden die schade kan toebrengen aan de organisatie. Dit verbod heeft geen betrekking op verspreiding van informatie die is toegestaan of zelfs verplicht ingevolge andere wettelijke of decretale bepalingen ( bv. het aangeven van misdrijven).
    Het verbod wordt dus genuanceerd door de vermelding  "met behoud van de verplichtingen bepaald bij of krachtens een wet of decreet". De uitzondering slaat bv. ook op verplichtingen in het  kader van onderhavig decreet (bv. rapportering aan de voogdijminister). 
    Het criterium van het berokkenen van schade is afgestemd op de regeling in het APKB(6) van de discretieplicht. Zo mag men geen feiten bekendmaken die de mededingingspositie van de entiteit kunnen schaden. De interpretatie komt toe aan de regeringscommissaris en in laatste instantie aan de bevoegde minister.

    De regeringscommissaris mag de briefwisseling tussen hem en de voogdijminister van de entiteit niet bekend maken, met het oog op het behoud van het vertrouwen van de Vlaamse Regering in de regeringscommissaris en met het oog op een doeltreffende controle op de betrokken entiteit.

    Dit is een toepassing van de uitzonderingsgronden van het decreet openbaarheid van bestuur van 26 maart 2004.
    Zie artikel 13, 3°: De instanties wijzen een aanvraag tot openbaarmaking af, als de openbaarmaking afbreuk doet aan het geheim van beraadslagingen van de Vlaamse Regering en van de verantwoordelijke overheden die ervan afhangen, aan het geheim van de beraadslagingen van de organen van het Vlaams Parlement evenals aan het bij wet of decreet bepaalde geheim van de beraadslagingen van de organen van de instanties genoemd in artikel 4, §1, 3° tot 10°.
    Zie artikel 14, 5°: De instanties wijzen een aanvraag tot openbaarmaking af, indien ze van oordeel zijn dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van één van de volgende belangen: de vertrouwelijkheid van het handelen van een instantie voor zover die vertrouwelijkheid noodzakelijk is voor de uitoefening van de administratieve handhaving, de uitoefening van de administratieve handhaving, de uitvoering van een interne audit of de politieke besluitvorming.

    Toelichting bij artikel 14

    De regeringscommissaris moet zijn opdracht ter harte nemen, hetgeen imliceert dat hij zich moet informeren over alle evoluties - wetgevend en reglementair - betreffende zijn functie en de entiteit waarbij hij zijn opdracht vervult. De entiteit zelf  kan indien nodig permanente vorming aanbieden aan de regeringscommissaris. Het belang van deze opleiding zal in functie staan van de grootte van de entiteit en de complexiteit van de functie van de regeringscommissaris.
    Deze vorming kan niet onbeperkt opgeëist worden maar moet stroken met het dienstbelang en in verhouding staan tot de prestaties van de regeringscommissaris.
    Ook in het Waals decreet betreffende de regeringscommissarissen en de controleopdrachten van de revisoren binnen de instellingen van openbaar nut van 12 februari 2004 (B.S. 22 maart 2004) is opgenomen ( artikel 17) dat de instelling ten behoeve van de regeringscommissarissen informatievergaderingen of vormingscursussen organiseert of financiert om de regeringscommissaris in de mogelijkheid te stellen om zijn permanente vorming te waarborgen.

    Toelichting bij artikel 15

    De regeringscommissarissen moeten de rapporteringsplicht ten opzichte van diegene die zij vertegenwoordigen respecteren en verschaffen tijdig de nodige informatie.
    Dit leidt tot een permanente evaluatie van zijn inzet en werkzaamheden.
    De rapporteringsplicht t.o.v. de bevoegde minister is essentieel en bestaat nu reeds in het kaderdecreet bestuurlijk beleid van 18 juli 2003. De informatieve functie m.b.t. het beleid maakt een adequaat toezicht mogelijk door de Vlaamse Regering.

    Toelichting bij artikel 16

    Aangezien het een vertrouwensfunctie betreft komt het aan de bevoegde minister toe om te oordelen of de regeringscommissaris zijn toezichtsfunctie naar behoren vervult.

    De Vlaamse Regering kan te allen tijde de aanstelling van de regeringscommissaris beëindigen. Zoals de traditie het wil volstaat het wegvallen van de vertrouwensband om een einde te stellen aan de aanstelling van de regeringscommissaris.

    In volgende gevallen is het evident dat de vertrouwensrelatie wordt beëindigd:

    • als de regeringscommissaris bewust een handeling heeft gepleegd die onverenigbaar is met de opdracht of het maatschappelijk doel van de entiteit,
    • als hij een fout of een ernstige nalatigheid begaan heeft in de uitoefening van zijn opdrachten,
    • als hij in de loop van eenzelfde jaar zonder verantwoording afwezig is gebleven van meer dan drie regelmatig bijeengeroepen vergaderingen en waarop zijn afwezigheid vereist is krachtens de wet of het decreet tot oprichting van de entiteit.

    Toelichting bij artikel 17

    Aan de hand van de concrete uitvoering van de opdrachten kunnen betrokkenen worden beoordeeld. Via de verslaggeving (zie artikel 15) kan worden nagegaan in hoeverre de opdracht adequaat wordt uitgevoerd, alsook via de notulen ( o.m. raad van bestuur) kan de minister de aanwezigheid en tussenkomsten op bestuursorganen evalueren.

    De bevoegde minister beoordeelt het werk en de professionele competenties van de regeringscommissarissen minstens om de 2 jaar. De Vlaamse Regering bepaalt hiertoe de procedure. Het is immers aangewezen om een uniforme evaluatieprocedure uit te werken. De evaluatiecriteria zullen gebaseerd zijn op de functiebeschrijving. Het bevoegde departement houdt het evaluatieverslag van de regeringscommissarissen die in het beleidsdomein actief zijn bij en voegt het toe aan het dossier van de regeringscommissaris. Er wordt niet voorzien in een evaluatie onvoldoende zoals bij de ambtenaren, gelet op het feit dat de Vlaamse Regering op elk moment de aanstelling kan beëindigen.

    naar boven

    Hoofdstuk 4. Deontologie personeel

    Toelichting bij artikel 18

    Bij de diensten van de Vlaamse overheid wordt al sedert vele jaren een integriteitsbeleid gevoerd, dat zich onder meer verwezenlijkt in de uitwerking van een deontologische code, de aanstelling van een integriteitscoördinator, de organisatie van dilemmatrainingen, de oprichting van een virtueel bureau integriteit, de organisatie van forensische audits door de entiteit interne audit van de Vlaamse administratie en een regeling ter bescherming van klokkenluiders. Inzake de bescherming van de klokkenluiders werd in de vorige regeerperiode een samenwerkingsprotocol gesloten met de Vlaamse ombudsman in toepassing van het ombudsdecreet ( decreet van 7 juli 1998 houdende instelling van de Vlaamse ombudsdienst). Bij de meeste entiteiten buiten de diensten van de Vlaamse overheid wordt momenteel evenwel geen actief integriteitsbeleid gevoerd. Vaak moet worden vastgesteld dat hoe verder een entiteit verwijderd is van de klassieke administratie, hoe minder aandacht hieraan wordt besteed, terwijl nochtans ook deze entiteiten gefinancierd worden met belastinggeld en hiermee dus omzichtig en integer moet worden omgesprongen.
    Alle entiteiten zouden minstens een eigen deontologische code moeten uitwerken.
    Alle entiteiten die onder het toepassingsgebied vallen van het ombudsdecreet ( nl. de bestuursinstanties van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaams Gewest) moeten een beschermingsregeling voor klokkenluiders uitwerken. Deze beschermingsregeling geldt niet in geval van misbruik.

    naar boven

    Hoofdstuk 5. Geldelijke bepalingen

    Afdeling 1. verloning

    Toelichting bij artikel 19

    De minister-president-norm wordt vastgesteld als volgt:
    Geen enkel personeelslid of lid van de Raad van Bestuur mag meer verdienen dan 242.723 euro geïndexeerd op jaarbasis (gerekend aan de index 1,5769).
    Dit is de som van het salaris en toelagen die jaarlijks bruto wordt toegekend aan de minister-president van de Vlaamse Regering.

    Voor de minister-president zijn de toelagen het vakantiegeld en de eindejaarstoelage. De personeelsleden kunnen ook andere toelagen ontvangen (vb. mandaattoelage).

    Onkostenvergoedingen en sociale voordelen zijn niet inbegrepen in dit bedrag.

    Indien men de minister-president-norm zou willen omzeilen door een te hoge forfaitaire vergoeding aan te rekenen, zal de fiscus dit niet aanvaarden en deze vergoeding beschouwen als een voordeel van alle aard waarop belastingen moeten worden betaald.

    De minister-presidentnorm is niet van toepassing op de artsen tewerkgesteld bij het UZ Gent. Het gaat in het bijzonder om volgende artsenprofielen (de hoofdarts (vnl. op basis van basisloon als arts-specialist aangevuld met een mandaattoelage als directeur) -diverse chirurgen (arts-specialisten) in loondienst (vnl. hart-, transplantatie-, neuro- en plastische chirurgen).

    In het advies van 30 oktober 2012 merkte het Remuneratiecomité reeds op dat voor bepaalde topfuncties (o.a. ziekenhuizen) de marktomstandigheden cruciaal zijn om een voldoende competente topfiguur te kunnen aantrekken.

    De Vlaamse Regering kan, op advies van het Remuneratiecomité van de Vlaamse overheid, op gemotiveerde wijze afwijken van de minister-presidentnorm.
    Deze afwijkingen zullen evenwel slechts uitzonderlijk worden toegestaan en enkel voor zover de entiteit kan aantonen dat men er anders niet in slaagt om de juiste personen aan te trekken en een marktconforme verloning aan te bieden.

    Deze afwijkingen worden niet gebetonneerd in het decreet, maar beslist door de Vlaamse Regering, waarbij ook rekening wordt gehouden met de evolutie op de arbeidsmarkt (wat vandaag een knelpuntfunctie is, is dit niet noodzakelijk nog binnen vijf jaar).

    De entiteit die een afwijking voorstelt zal dit moeten motiveren en het remuneratiecomité brengt hierover een advies uit aan de Vlaamse minister van Bestuurszaken, die het voorstel agendeert op de Vlaamse Regering.

    Het vragen van een afwijking op de norm moet gebeuren voorafgaand aan een selectieprocedure en niet tijdens een selectieprocedure (de arbeidsvoorwaarden moeten namelijk bekend gemaakt worden bij de publicatie van een vacature) en afwijkingen kunnen ook niet worden toegestaan in functie van kandidaten (men weegt functies en niet personen).

    Er is ook geen precedentsrecht af te leiden uit eerder toegestane overschrijdingen (m.a.w. het is niet omdat bepaalde topambtenaren nu boven de norm zitten dat dit enige precedentswaarde heeft voor toekomstige aanstellingen in deze functie).

    Toelichting bij artikel 20

    Er geldt een verbod om de bezoldigingselementen geheel of gedeeltelijk in aandelen of aandelenopties toe te kennen. Dit geldt ook voor de zitpenningen van de leden van de Raad van Bestuur.

    Tevens geldt een verbod om de bezoldiging van de personeelsleden te betalen aan een managementvennootschap. Een managementvennootschap is een vennootschap die managementactiviteiten ontplooit en ter beschikking stelt aan één of meerdere vennoten. Voor de geleverde diensten (consultancy,…) wordt gefactureerd. Dit geldt niet voor de zitpenningen van de leden van de Raad van Bestuur.

    Afdeling 2. Vertrekpremies

    Toelichting bij artikel 21

    Bij het vaststellen van een maximumvertrekpremie moet uiteraard rekening worden gehouden met het Belgisch arbeidsrecht dat bij ontslag van een werknemer verplicht tot hetzij toekennen van een opzegtermijn, hetzij het uitbetalen van een verbrekingsvergoeding.

    Op grond van artikel 6, §1, VI, vijfde lid, 12°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 is de federale overheid bevoegd voor het arbeidsrecht. Met dit decreet is het uiteraard niet de bedoeling om van de dwingende regels van het federale arbeidsrecht af te wijken.

    Artikel 82, §2 van de arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 bepaalt dat wanneer het jaarlijks loon niet hoger is dan € 16.100, de opzeggingstermijn ten minste 3 maanden bedraagt voor bedienden die minder dan 5 jaar in dienst zijn. De termijn wordt vermeerderd met 3 maanden bij de aanvang van elke nieuwe periode van 5 jaar in dienst bij dezelfde werkgever.

    Bij overschrijding van de bovenvermelde loongrens, worden de door de werkgever en bediende in acht te nemen opzeggingstermijnen vastgesteld hetzij bij overeenkomst, gesloten ten vroegste op het ogenblik waarop de opzegging wordt gegeven, hetzij door de rechter (bij opzegging door de werkgever mag de termijn niet minder bedragen dan de in §2 bepaalde termijnen.

    Enkel in een beperkt aantal gevallen kan de arbeidsovereenkomst worden beëindigd zonder verbrekingsvergoeding, bijvoorbeeld bij ontslag om dringende redenen (bijvoorbeeld bij een ernstig misdrijf gepleegd door de werknemer) en bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst in onderling akkoord waarbij expliciet wordt afgesproken dat er geen verbrekingsvergoeding moet worden betaald.

    Hetgeen wel kan is dat bij nieuwe indiensttredingen in de arbeidsovereenkomst de vertrekpremie wordt beperkt, zoals is aangekondigd in het regeerakkoord. Krachtens het regeerakkoord zal de Vlaamse overheid de vertrekpremie van een topmanager uitvoerende bestuurder, binnen de wettelijke mogelijkheden, beperken tot één vast jaarsalaris.

    Deze bepaling strekt ertoe om misbruiken te voorkomen waarbij een vertrekpremie wordt toegekend van meer dan één vast jaarsalaris, terwijl het personeelslid slechts zeer korte tijd in dienst was. In die zin moet het dan ook verboden worden om in de arbeidsovereenkomst op te nemen dat aan het personeelslid een opzegvergoeding van meer dan één jaar zal worden toegekend. Dit belet niet dat een werknemer nadien gerechtigd kan zijn op een hogere opzegvergoeding, bijvoorbeeld met toepassing van de formule Claeys. In dit geval betreft het dan namelijk geen misbruik, maar de normale toepassing van het arbeidsrecht. Het is de taak van de functioneel bevoegde Vlaamse ministers en de regeringscommissaris erop toe te zien dat er in de arbeidsovereenkomsten geen opzegvergoeding van meer dan één jaar wordt opgenomen.

    De vertrekpremie omvat de opzegvergoeding, de eventuele vergoeding wegens concurrentiebeding, voordelen in natura of stortingen in een pensioenfonds die de werknemer ontvangt na beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

    Bij vrijwillig vertrek, d.i. op eenzijdige beslissing van het personeelslid, wordt geen vertrekpremie toegekend.

    Afdeling 3. Pensioenregeling

    Toelichting bij artikel 22

    De pensioenregeling mag niet gunstiger dan deze van een minister van de Vlaamse Regering.

    Een regeling kan voordeliger zijn op basis van volgende elementen:
    - ontvangen bedrag;
    - persoonlijke bijdrage/ werkgeversbijdrage;
    - instapvoorwaarden.

    Ambtenaren en contractuelen bij de overheidssector vallen onder toepassing van de de “wet Wyninkx”. Deze wet van 5/8/1978 houdende economische en budgettaire hervormingen bepaalt een absoluut maximumplafond van het pensioenbedrag (46.882,74 euro niet geïndexeerd). De cumulatie van de eerste en tweede pensioenpijler mag niet hoger liggen dan dit bedrag.

    Een aanvullende pensioenregeling kan, ook voor de entiteiten opgesomd onder artikel 2 §1, 1° van dit decreet, worden uitgewerkt binnen het kader dat door de wet van 13 maart 2003 (wet Vandenbroucke) werd uitgetekend, maar afgeroomd tot voormeld absoluut plafond. Voor de invoering van een aanvullende pensioenregeling voor contractuelen in overheidsdienst is wel nog een “kaderwet” nodig.

    Het pensioen van een minister en een parlementslid valt ook onder de toepassing van de wet Wyninkx”.

    Afdeling 4. Variabele verloning

    Toelichting bij artikels 23 en 24

    Het regeerakkoord bepaalt dat de variabele vergoedingen moeten worden bepaald op basis van een beleid dat gericht is op de lange termijn, met een balans tussen financiële en niet-financiële doelstellingen (zoals bijvoorbeeld de evoluties van de klantentevredenheid, kwaliteit van de dienstverlening, energiebesparingen, vermindering negatieve milieu-impact, personeelstevredenheid, deugdelijk bestuur,…).

    Door bijvoorbeeld meer rekening te houden met personeelstevredenheid zal een goed 'people management' aan belang winnen en de verhoogde aandacht voor klantentevredenheid sluit aan bij de waardengebonden competentie "klantgerichtheid" die nu reeds voorkomt in de functiebeschrijving van de topambtenaren bij de diensten van de Vlaamse overheid.
    Bij de evaluatie kan ook rekening worden gehouden met het niveau van maturiteit van de entiteit, de organisatiebeheersing en de mate waarin het strategisch plan wordt gerealiseerd.

    Tevens geldt naar analogie met de regeling in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006 dat de variabele verloning wordt geplafonneerd tot maximum 20% van het jaarsalaris + mandaattoelage.

    De eventueel toegekende variabele verloning komt ook in aanmerking voor het bepalen van de minister-presidentnorm (zie artikel 19).

    Het is het bevoegde orgaan van de entiteit die het bedrag van de variabele verloning bepaalt.

    Afdeling 5.Transparantie

    Toelichting bij artikels 25 en 26

    In de vorige regeerperiode verleende de Vlaamse Regering haar goedkeuring aan een nota inzake de verhoogde openbaarheid van het beloningsbeleid bij de Vlaamse overheid. Het toepassingsgebied van deze nota was evenwel beperkt tot de entiteiten die ressorteren onder het organisatiebesluit(7), aangevuld met de secretariaten van de strategische adviesraden, en gold bijvoorbeeld niet voor de entiteiten of de nv’s die zijn opgericht bij wet of decreet en waar de Vlaamse Regering een overwegend aandeel heeft in de algemene vergadering en/of de Raad van Bestuur.

    Deze nota gaf aanleiding tot een omzendbrief die een aantal praktische richtlijnen bevatte in uitvoering van de nota(8), maar werd niet reglementair verankerd in een decreet, een besluit van de Vlaamse Regering of een code.

    Met een met redenen omklede motie van 9 november 2005(9) vroeg het Vlaams Parlement de Vlaamse Regering onder meer de nodige maatregelen te nemen om - naar analogie van de initiatieven die genomen worden voor de beursgenoteerde bedrijven (de zogenaamde wet Picanol) - te komen tot een maximale transparantie van de zitpenningen en andere rechtstreekse of onrechtstreekse vergoedingen die personeelsleden van de Vlaamse overheid ontvangen voor de uitoefening van functies bij vennootschappen, agentschappen, instellingen of verenigingen die door de Vlaamse overheid worden opgericht of waar de Vlaamse overheid een overwegend aandeel heeft in de oprichting of het bestuur ervan.

    Deze transparantie zou echter niet enkel moeten gelden t.a.v. de personeelsleden van de Vlaamse overheid, maar eigenlijk voor alle leden van de raden van bestuur.

    Huidige regeling in het decreet:

    • De transparantie inzake verloning (niveau 1: externe bekendmaking) krijgt een reglementaire basis. Deze transparantie geldt voor zowel de verloning van de topmanager en de uitvoerende bestuurder (bezoldiging en eventuele vertrekvergoeding) als voor de zitpenningen en vergoedingen van de leden van de raad van bestuur: de entiteiten die onder het toepassingsgebied ressorteren moeten in alle transparantie hierover communiceren, aangezien het een uitgave van belastinggeld betreft.
    • Wat de verloning van de topmanager en de uitvoerende bestuurder betreft wordt het reële loon bekend gemaakt, ook indien het een puntverloning (= vast bedrag) betreft.
    • Om te kunnen nagaan of ook de beperking van de variabele verloning tot 20% van het jaarsalaris (inclusief mandaattoelage) wordt nageleefd (zie artikel 24), wordt de verplichting opgelegd om bij de publicatie het bedrag van de jaarlijkse bezoldiging op te splitsen in het vast en variabel gedeelte.
    • Deze transparantie wordt gewaarborgd door publicatie in het jaarverslag en op de website van de entiteit. Bovendien moeten alle entiteiten die onder het toepassingsgebied ressorteren deze gegevens ook verplicht bezorgen aan de Vlaamse Regering via de minister van Bestuurszaken. Deze verplichting geldt niet voor de handelsvennootschappen en de vzw’s die onder het toepassingsgebied van dit decreet vallen.

    Het ontwerp van decreet is van toepassing op de secretariaten van de strategische adviesraden (zie artikel 2 §1, 5° van het ontwerp). De transparantie (artikelen 25 en 26) geldt dus voor de personeelsleden van de secretariaten van de SAR’s, maar moet niet worden uitgebreid tot de vergoedingen, zitpenningen e.a. van de SAR’s zelf (leden van het dagelijks bestuur).
     
    De transparantie voor de SAR’s wordt immers reeds gegarandeerd door de bestaande regelgeving. Artikel 12 van het decreet van 18 juli 2003 tot regeling van de strategische adviesraden bepaalt immers dat de Vlaamse regering de presentiegelden en de vergoedingen van de leden van de SAR’s vaststelt.

    De Vlaamse Regering heeft aan artikel 12 van voornoemd decreet uitvoering gegeven met het besluit van de Vlaamse Regering van 9 maart 2007 (B.S. 23 april 2007) tot regeling van de presentiegelden en vergoedingen van strategische adviesraden en van raadgevende comités bij intern verzelfstandigde agentschappen.

    Voor leden van raden van bestuur is de transparantie zoals opgelegd door artikel 25 van het ontwerp van decreet wel noodzakelijk, aangezien in tegenstelling tot de SAR’s, de bedragen en toekenningsvoorwaarden van de vergoedingen, zitpenningen e.d. niet (altijd) bij wet, decreet of besluit zijn vastgesteld.

    In verband met de toetsing van deze openbaarmaking met de privacywetgeving kan het volgende worden gesteld. De verplichting tot openbaarmaking gebeurt op basis van een hiërarchisch gelijkgestelde rechtsnorm (decreet versus wet). Bovendien voldoet deze openbaarmaking aan een “wettig doel”, namelijk het nazicht op het “niet buitensporig” verlonen van personeelsleden van overheidsentiteiten in “ruime” zin. In tegenstelling tot de private sector (openbaarmakingsregels voor beursgenoteerde vennootschappen) worden de personeelsleden van overheidsentiteiten betaald met belastingsgeld.

    Zoals in de toelichting geduid geeft deze bepaling inzake transparantie een reglementaire basis aan transparantieregels die reeds in een vorige regeerperiode werden goedgekeurd.

    Ter vergelijking, ook de punten  7.8 – 7.14 en 7.16 van de “Belgische Corporate Governance code 2009” voorziet in een “individuele” bekendmaking. Ook artikel 4. Van de wet van 15 november 2012 (wettelijke verankering van de "Balkenende-norm in Nederland") voorziet in een individuele openbaarmaking van de beloning van de topfunctionarissen.

    Ook de individuele verloning van de topambtenaren bij de federale overheidsdiensten, worden in het jaarverslag vermeld en openbaar gemaakt (vb. publicatie verloning topambtenaren NMBS).

    Afdeling 6 – verruiming van het werkingsgebied van het remuneratiecomité

    Toelichting bij artikel 27

    De Vlaamse Regering verleende op 10 oktober 2008 haar definitieve goedkeuring aan het besluit van de Vlaamse Regering tot oprichting van het remuneratiecomité en tot regeling van de presentiegelden en vergoedingen van de leden (VR/2008/1010/DOC.1096).

    In principe is het toepassingsgebied gelijk aan de entiteiten die vallen onder het organisatiebesluit , aangevuld met GO!.

    In de praktijk werd op initiatief van de functioneel bevoegde ministers ook advies gevraagd aan het remuneratiecomité voor de vaststelling van de verloning van de topmanagers van de VRT, LRM, de VMW, en het Vlaams Energiebedrijf, ook al ressorteren deze entiteiten niet onder het toepassingsgebied. 

    Het toepassingsgebied van het remuneratiecomité van de Vlaamse overheid wordt uitgebreid tot het in punt 2 vermelde toepassingsgebied, tenzij de entiteit beschikt over een eigen remuneratiecomité (bijvoorbeeld de VRT, LRM en PMV). Alle instellingen en entiteiten die onder het toepassingsgebied ressorteren zullen voor  strategische beloningskwesties verplicht het advies moeten inwinnen van hetzij het remuneratiecomité van de Vlaamse overheid, hetzij het eigen remuneratiecomité.

    De uitbreiding van het toepassingsgebied wordt decretaal verankerd. De andere elementen zoals opgenomen in punt 3.4. van de door de Vlaamse Regering op 13 juli 2012 goedgekeurde “conceptnota deugdelijk bestuur”, zullen worden geregeld via een aanpassing van het huishoudelijk reglement van het remuneratiecomité. Het gaat hierbij om:

    • Het remuneratiecomité van de Vlaamse overheid zal ook individuele adviezen kunnen verlenen in verband met verloning;
    • De adviezen van het remuneratiecomité worden ook steeds ter informatie bezorgd aan de minister-president en de ministers-vicepresidenten;
    • De mogelijkheid adviezen uit te brengen met een schriftelijke procedure;

    Toelichting bij artikel 28

    De adviezen worden steeds ter informatie bezorgd aan de minister-president en de ministers vice-presidenten van de Vlaamse Regering. Dit geldt zowel voor de adviezen van het Renumeratiecomité van de Vlaamse overheid als voor de adviezen van het eigen renumeratiecomité.

    naar boven

    Hoofdstuk 6. Wijzigingsbepalingen

    Toelichting bij artikel 29

    1. Ook de onafhankelijke leden worden door de Vlaamse Regering aangeduid en niet meer gecoöpteerd door de raad van bestuur.
    2. Gelet op de beperking van het aantal onafhankelijke leden tot een vierde van de stemgerechtigde leden van de raad van bestuur moet artikel 18, §2 van het kaderdecreet BB ("Het aantal onafhankelijke bestuurders mag een vierde van het aantal stemgerechtigde leden van de raad van bestuur niet overschrijden") worden geschrapt.
    3. Aanpassing van de ontslagregeling van de onafhankelijke leden van de raad van bestuur: ontslag door de Vlaamse Regering op voordracht van de raad van bestuur i.p.v. de huidige regeling: ontslag door de leden van de raad van bestuur die door de Vlaamse Regering werden aangesteld.

    Toelichting bij artikel 30

    Gelet op artikel 10, §2 in onderhavig decreet over de mogelijkheid tot aanduiding van een plaatsvervanger door de Vlaamse Regering wordt de gelijkaardige bepaling in het kaderdecreet geschrapt.

    naar boven

    Hoofdstuk 7. Slot- en overgangsbepalingen

    Toelichting bij artikel 31

    Dit artikel werd ingelast na advies van Vlabest. Er moet over gewaakt worden dat de toepassing van de principes niet symbolisch blijft. Het decreet is namelijk maar een startpunt van een grootschalige interne oefening om alle geledingen van de Vlaamse overheid te conformeren met de nieuwe regels. Om de afdwingbaarheid te vergroten én om de rol van het Vlaams Parlement in deze cruciale materie te versterken wordt daarom een clausule ingevoegd die het Vlaams Parlement expliciet mandateert om de voortgang van de uitvoering van de opgenomen principes elke drie jaar te evalueren.
    De keuze voor het Vlaams Parlement is ingegeven om drie redenen: ten eerste en vooral omdat deugdelijk bestuur de basis vormt van kwaliteitsvol openbaar beleid en het Vlaams Parlement daar het laatste woord moet over hebben. Ten tweede omdat het Vlaams Parlement als externe instantie een objectievere positie kan innemen dan de Vlaamse Regering en de Vlaamse administratie, die rechtstreeks betrokken partij zijn. En ten derde omdat het Vlaams Parlement een belangrijke rol heeft bij beleids- en decreetsevaluatie, een taak die momenteel helaas nog te weinig uit de verf komt. Deugdelijk bestuur, als overkoepelend kader boven het overheidsoptreden, lijkt een goed startpunt.

    Toelichting bij artikel 32

    Tijdens de bespreking van de concept-nota deugdelijk bestuur op 16 oktober 2012 in de Commissie Bestuurszaken, Binnenlands bestuur, Inburgering en Toerisme van het Vlaams Parlement werd gevraagd om het overheidsbeslag niet te vergroten.
    Het kan dus niet de bedoeling zijn om de samenstelling van de raad van bestuur uit te breiden. Bij de eerstvolgende hernieuwing van de mandaten wordt de samenstelling aangepast in overeenstemming met artikel 4. Als uiterlijke datum wordt 1 juli 2018 vooropgesteld.
    De invoering van de regel dat een derde van de leden van de raad van bestuur een onafhankelijke bestuurder moet zijn heeft tot gevolg dat een aantal decreten nl. de oprichtingsdecreten van publiekrechtelijke EVA’s, VOI’s en nv’s of statuten zullen moeten worden aangepast.

    Toelichting bij artikel 33

    Omwille van het feit dat arbeidsrechtelijk geen afbreuk kan worden gedaan aan de bestaande arbeidsovereenkomsten, zullen de geldelijke bepalingen in dit decreet slechts gelden bij nieuwe aanstellingen.

    Ten aanzien van de beperkingen opgenomen in hoofdstuk 5 van dit decreet, genieten de personeelsleden of titularissen in dienst of aangesteld op de datum van inwerkingtreding van dit decreet ten minste van de geldelijke arbeidsvoorwaarden die op hen van toepassing zijn op die datum. Ten minste betekent dat zij eventueel wel kunnen genieten van toekomstige meer gunstige arbeidsvoorwaarden.

    Dezelfde waarborgregeling wordt ingevoerd voor de zitpenningen en vergoedingen van de leden van de raad van bestuur.

    naar boven

     


    (1) http://www.nbb.be/DOC/DQ/N_pdf_PBT/PBT_lijst_NL.pdf (pp. 15-20)
    (2) Definitie die de Nationale Bank hanteert van dochteronderneming: Een onderneming wordt beschouwd als dochteronderneming wanneer een andere onderneming of entiteit (de moeder) de bevoegdheid bezit om, in rechte of in feite, een beslissende invloed uit te oefenen op de aanstelling van de meerderheid van de bestuurders of zaakvoerders of op de oriëntatie van het beleid. De controle kan exclusief of gezamenlijk worden uitgeoefend. In het laatste geval zijn een beperkt aantal vennoten overeengekomen dat beslissingen omtrent de oriëntatie van het beleid niet zonder hun gemeenschappelijke instemming kunnen worden genomen. Men spreekt dan van een gemeenschappelijke dochteronderneming.
    (3) Verslag van het Rekenhof van 28 juli 2009 inzake de regeringscommissarissen, regeringsafgevaardigden en gemachtigden van Financiën.
    (4) Het besluit van de Vlaamse Regering van 9 maart 2007 regelt de vergoeding van de regeringsafgevaardigden die toezicht uitoefenen op de publiekrechtelijke EVA’s van de Vlaamse overheid, een ander besluit van de Vlaamse Regering van 9 maart 2007 regelt de vergoeding voor de regeringscommissarissen die onder het toepassingsgebied vallen van het besluit van 27 januari 1988.
    (5) Ingevoegd bij het decreet van 15 december 2006 betreffende corporate governance en andere bepalingen inzake de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid.
    (6) Koninklijk besluit van 22 december 2000 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en GewestRegeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen.
    (7) Besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie.
    (8) Omzendbrief PEBE/DVO/2007/18 van 6 juli 2007.
    (9) Met redenen omklede motie tot besluit van de op 18 oktober 2005 door de heer Carl Decaluwe in commissie gehouden interpellatie tot de heer Geert Bourgeois, Vlaams minister van Bestuurszaken, Buitenlands beleid, Media en Toerisme, over de uitstapregeling en het cumuleren van functies bij Vlaamse ambtenaren.

    naar boven